Scheepswerf 'De Herstelling' aan het Dok.

Door: Age F.P. Bakker

Age Bakker [1]

Op de hoek van de Langestreek en het Waaigat in Lemmer staat een markant in Jugendstil gebouwd wooncomplex, beter bekend als het ‘Vredespaleis’. Op die plek bevond zich vroeger een grote en bedrijvige scheepswerf, die eigendom was van de familie Bakker. Op de werf werden vooral schepen voor de kust- en binnenvaart gebouwd: kofschepen en schoeners voor de Oostzeevaart en voor de handel met vooral Frankrijk en Italië, tjalken voor de binnenwateren. Aan de overkant waar nu het Turfland begint bezat de familie nog een helling waar schepen van de Lemstervloot en de beurtschepen op Amsterdam en Groningen werden gerepareerd.

De scheepswerf, die al snel de naam De Herstelling kreeg, werd in 1838 verworven door Cornelis Bakker, die er een goed lopend bedrijf van maakte. Na zijn overlijden werd de werf nog vijftien jaar voortgezet door zijn weduwe Dieuwke Siemens Visser, een van de vele weduwen in Lemmer die het bedrijf na de dood van haar man voortzetten. Uiteindelijk nam haar zoon Poppe Bakker, beter bekend als Poppebaas, het bedrijf over totdat de werf in 1904 van de hand werd gedaan aan Wiebe Nijdam. Het is een mooi verhaal van Lemster bedrijvigheid en samenwerking, maar ook van tegenspoed en uiteindelijk verval. En passant komen we nog de Prins van Oranje tegen die aan de 4-jarige dochter van de scheepsbouwer twee prachtige glazen knikkers cadeau doet.

Bakkerszoon wordt scheepsbouwer

Cornelis Bakker was de tweede zoon van Poppe Cornelis Bakker (1774-1822) en Hendrikje Feites (1785-1851), hoofdpersonen in het boek De weduwen van Lemmer [2], die een bakkerij aan de Oude Sluis hadden. In de bakkersfamilie sprak het eigenlijk vanzelf dat de oudste zoon de bakkerij zou voortzetten. Zo werd Feite, de oudste zoon, van jongsaf aan al opgeleid als bakker. Ook twee jongere broers Hylke en Jelte vestigden elk een eigen bakkerij vlakbij de sluis. Het was een aantrekkelijk beroep en er was met alle reuring van sluis en reizigers op de Lemmerboot en andere veerdiensten voldoende omzet voor meerdere bakkerijen.

Maar Cornelis, de tweede zoon van Poppe en Hendrikje, geboren in 1812, wilde iets anders. Elke dag zag hij de beurtvaarders en de schepen met turf, hout en andere waren langs varen in Lemmer als er geschut werd in de zeesluis. Die lag toen nog midden in het dorp; nu heet dat stukje kade Oude Sluis. Zijn hart werd gegrepen door de scheepvaart en Cornelis bekwaamde zich na de lagere school, waar hij goed leerde rekenen, in het vak van scheepstimmerman. Dat vak leerde je in de praktijk op de werven die Lemmer rijk was.

In de tussentijd was hij verliefd geworden op Dieuwke Siemens Visser die een paar jaar jonger was. Zij was de dochter van de welgestelde Lemster ondernemer Siemen Wiegers Visser (1793-1862) en Anke Frederiks Sleeswijk (1790-1827), die enkele huizen verderop aan de Langestreek in een groot pand woonden. Siemen was geboren in Gaastmeer en was familie van de bekende palinghandelaar Anne Wiegers Visser.

Het gezin was in goeden doen: volgens de gemeentelijke belastingaanslag behoorde Siemen tot de top vijf grootverdieners in Lemmer. Hij was koopman, reder en dreef er een zeilmakerij en een leerlooierij. Hij bezat ook veel onroerend goed en was enige tijd wethouder in Lemsterland. Het was een druk huishouden en er waren twee dienstboden. De ouders van Dieuwke lieten zich in 1827 fraai portretteren, maar in datzelfde jaar overleed moeder Anke, slechts 37 jaar oud, in één dag aan een plotselinge beroerte. Het was een onverwachte klap. Siemen hertrouwde vrij snel met Aaltje Fortuin (1791-1859), die zelf anderhalf jaar daarvoor haar man had verloren.

Portretten van Siemen Wiegers Visser, reder, zeilmaker en leerlooier te Lemmer, en zijn vrouw Anke Visser-Sleeswijk, 1827, maker onbekend, Fries Scheepvaart Museum.

Toen Cornelis Bakker in 1838 met Dieuwke, de dochter van de rijke ondernemer, trouwde, sloot hij dus een uitgesproken gunstig huwelijk. Zijn moeder Hendrikje, inmiddels weduwe, was bij het huwelijk aanwezig net als Siemen Wiegers Visser. Er was ‘consent van de kommandeerenden Officier van den Schutterij waartoe den bruidegom behoort’. Volgens de huwelijksakte was Cornelis inmiddels al scheepstimmerbaas. Hij had het vak al goed in de vingers.

Hij had nu de kans om voor zichzelf te beginnen en twee maanden na zijn huwelijk kocht Cornelis voor 2.700 gulden een scheepstimmerwerf met kanthelling op de Langestreek. Het stuk grond lag aan de Zijlroede, de waterloop (roede) bij de sluis (zijl), dat op die plek ook het Dok werd genoemd vanwege zijn drukke kades en de grote hoeveelheid bedrijven die er waren gevestigd, waaronder een zeilmakerij. We zouden het tegenwoordig een industriegebied noemen. Nu herinnert de Tsjerke oan it Dok, de hervormde kerk uit 1716, aan die bedrijvige tijd en wandelen toeristen het Rondje Dok langs de vele terrasjes.

De scheepswerf was vroeger eigendom geweest van Hylke Meinses de Vries die het eerder dat jaar aan scheepstimmerman Roel Binderts Spoelstra uit Nijehaske voor 2.700 gulden had verkocht. Maar Roelof overleed onverwacht een maand later op slechts 33-jarige leeftijd – het leven was onzeker – en de werf was dus beschikbaar. Cornelis betaalde aan diens weduwe de koopsom van opnieuw 2.700 gulden ter plekke uit in ‘goede klinkende alhier gangbare geldspeciën’. Kortom, er werd contant betaald en Cornelis kon meteen de werf in gebruik nemen. Mogelijk hielp zijn vermogende schoonvader met de aankoop.  

Leeuwarder Courant, 6 maart 1838

De werf die Cornelis had overgenomen lag bij een kleine zijarm van de Zijlroede naar het Waaigat. Daar was een kanthelling aangebracht, het hellinggat, waar het schip met de zijkant naar het water werd gebouwd of opgeknapt op een schuin aflopende helling. Op de wal stonden kaapstanders, stevige lieren die werden gebruikt om de schepen in het hellinggat scheef te trekken en droog te zetten, bijvoorbeeld voor reparaties. Dan werd eerst de ene kant en vervolgens de andere kant schoon geschrobd en geteerd. Het schip rustte tijdens de werkzaamheden op de hellingbaan op houten balken. Op het terrein lagen stapels hout, er stonden teertonnen en er was een grote zwarte schuur met gereedschappen. De helling lag recht voor het Waaigat en er stond een geel houten hek als afscheiding.

Op de werf werden schoeners en kofschepen gebouwd, behoorlijk grote zeewaardige schepen met een tonnage van circa 150 ton en met een lengte van 25 tot 30 meter. Ook werden er kleinere schepen zoals tjalken gebouwd van circa 50 ton, in beginsel bestemd voor de binnenvaart, al werden tjalken ook wel voor de kleinere kustvaart ingezet. De werf van Cornelis Bakker was een van de ruim honderd scheepswerven die Friesland toen rijk was. Cornelis en Dieuwke gingen wonen in het werfhuis ten oosten van de timmerschuur. Dat huis bestaat nog steeds met als huidig adres Langestreek 28.

De schepen van De Herstelling

Cornelis was een succesvolle scheepsbouwer en maakte er een bloeiend bedrijf van. Er werd ‘op oog’, dus niet vanaf tekening gebouwd, vaak vanaf oude mallen. Daar had je bekwame timmerlieden nodig waarvoor regelmatig werd geadverteerd. Die moesten hun werk goed verstaan.

Leeuwarder Courant, 26 februari 1839

Binnen een jaar werd het eerste schoenerkofschip afgeleverd, de Archangel die op 5 juni 1839 te water werd gelaten. Er zou een behoorlijk aantal schepen van de helling komen, waarover met enige regelmaat werd bericht in de kranten. Cornelis zorgde er wel voor dat zijn werf in het vizier kwam en hij adverteerde regelmatig. Zodanig dat er een wat geprikkelde ingezonden brief van een scheepsbouwer uit Oude Pekela in de krant verscheen dat er op zijn werf wel zeven kofschepen in aanbouw waren, maar ‘daarvan maakt men met geen ophef melding in de nieuwsbladen.’ [3] Enige rivaliteit tussen de Friese en de Groningse scheepsbouwers was er zeker.

Het lijkt erop dat bij de werf van Bakker in drukke periodes gemiddeld één kofschip of schoener per jaar van de helling kwam. Onderhand werden kleinere schepen gebouwd, oudere schepen opgekalefaterd en er werden op eigen risico kofschipshollen (casco’s) gebouwd. Die werden dan elders opgetuigd

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 7 januari 1848

Vlakbij in Lemmer waren de toeleveranciers voor de tuigage: de zeilmakerij van schoonvader Siemen Wiegers Visser en later zijn zoon Jan, de blok- en mastenmakerij van Jans Siebolts de Vries, de touwslagerij met lijnbaan van Cornelis Rienks Sleeswijk en later de firma Hollander voor het ijzerwerk. Tezamen vormden deze bedrijven een ware scheepsbouwindustrie in Lemmer. Van de 42 zeeschepen die in de periode 1854 tot en met 1858 in Friesland werden gebouwd kwamen de meeste uit Lemmer: een derde (14 zeeschepen) kwam van een scheepswerf in Lemmer, waaronder die van Cornelis Bakker [4]. Zeeschepen werden verder onder meer in Nijehaske, Harlingen en Joure gebouwd. Maar na 1858 liep de vraag terug en er werden door de reders grotere schepen gevraagd waarvoor de sluizen te klein bleken. Bovendien gingen de Friese scheepsbouwers onvoldoende mee met de overgang naar ijzeren boten, men hield vast aan de houten bouw.

In de grote loods op de werf werden de namen van de schepen die er waren gebouwd op planken geschilderd en aan de zijkant vast gespijkerd. Cornelis was er trots op, zo veel was wel duidelijk. Er zijn geen afbeeldingen van zijn schepen bekend, maar de aquarel van de tweemaster De drie Aurelia’s laat een vergelijkbaar schip zien. Het waren goede zeewaardige schepen en ze werden op verre reizen ingezet. De handel was lucratief, maar de risico’s op zee waren ook enorm. Dat blijkt wel als we de historie van een aantal van de door Cornelis gebouwde schepen volgen.

Schoenerkof Drie Aurelia’s, Dirk Teupken, 1848, Nederlands Scheepvaart Museum

In de databank van de Stichting Maritiem Historische Data zijn de gegevens te vinden van de onder de Nederlandse vlag in de vaart gebrachte koopvaardijschepen. Het zijn schepen die geregistreerd werden en een zeebrief, een soort paspoort, kregen waarmee ze buitenlandse havens konden aandoen. Daartoe behoren tien grotere kofschepen en schoeners die in de loop van de tijd van de scheepswerf De Herstelling van Cornelis Bakker te water werden gelaten. Het waren houten schepen, soms met zink afgewerkt, met een tonnage tussen 100 en 150 ton en een lengte van 25 tot 30 meter. Er waren ook periodes dat Cornelis vooral kleinere binnenvaartschepen bouwde waarvan in de meeste gevallen de gegevens verloren zijn gegaan.

De koopvaardijschepen werden gebouw in opdracht van rederijen in Friesland en Holland. Het eerste schip dat van de helling kwam werd verkocht aan een Rotterdamse rederij, de volgende twee schepen werden gebouwd in opdracht van de Friesche Kofscheeps-Reederij uit Woudsend. In de Scheepstijdingen in de kranten lezen we dat de schepen de Oostzee tot aan het Russische Archangelsk bevoeren en de Noordzee en de Middellandse Zee tot aan het Italiaanse Civitavecchia. Soms werd ook een verre tocht over de oceaan gemaakt, zoals naar Colombia en Curaçao.

Bij bestudering van de gegevens valt nog iets opmerkelijks op: met geen van de zeeschepen die van de werf De Herstelling af kwamen liep het uiteindelijk goed af. Van drie schepen die waren uitgevaren werd nooit meer iets vernomen: ze vergingen waarschijnlijk in een zware storm. Andere schepen strandden op de kust of liepen vast in het ijs. Een schip werd in het Kattegat door een Russische brik overzeild en zonk meteen. Het houten kofschip Friesland hield het nog het langste vol, maar na 43 jaar trouwe dienst liep het in de winter van 1883 vast in het ijs voor de kust van Letland, waardoor het schip uiteindelijk geheel werd verbrijzeld. De kapitein en de equipage werden gered. De koopvaardij was uiterst lucratief – er werd goed geld verdiend - maar de scheepvaart was ook gevaarlijk en risicovol. De ongelukkige afloop van veel schepen illustreert het gevaarlijke karakter van de koopvaardijvaart.

Gebouwde schepen bij scheepswerf De Herstelling

Bron: Sichting Maritiem Historische Data.

De in 1850 gebouwde schoener Johannes verging op zijn maiden voyage naar New York. Het schip verliet nog Ramsgate aan de Engelse kust, maar nadien: ‘van Schip en Lading, Kapitein, Scheepsvolk, bestaande uit zeven man is niets meer vernomen en naar alle waarschijnlijkheid zijn zij geheel en al vergaan.’ Aan de weduwe van kapitein Poppe Poppens, die aan het Rapenburg in Amsterdam woonde, werd door het bestuur van Zeemanshoop een uitkering toegekend, met de conditie van teruggave indien later zou blijken dat de kapitein nog in leven was.

In 1855 werd het tot dan grootste schip te water gelaten, het 250 ton metende brikschip Eliza. Het houten schip, met zink afgewerkt, was in opdracht van een Amsterdamse reder gebouwd. Het zou onder partenrederij gaan varen, dat wil zeggen dat meerdere personen een aandeel (part) in het schip namen, waaronder ook de schoonvader van Cornelis, Siemen Wiegers Visser. Het zou een bijzonder ongelukkige investering blijken te zijn. Op 20 november van dat jaar vertrok het schip op zijn maiden voyage uit Amsterdam naar een aantal Amerikaanse bestemmingen. Op 7 december lag het schip op de rede van Newcastle zeilklaar om de oversteek over de Atlantische Oceaan te maken naar Charleston. Maar op de Long Sand voor de Zuidoostkust van Engeland verongelukte het schip. Gelukkig werd de bemanning gered.

Rotterdamsche Courant, 15 december 1855

Twee schepen, de Aurora en de Elsina, werden gebouwd in opdracht van zeilmaker Jan Siemens Visser, de zwager van Cornelis, en hadden als thuishaven Lemmer. De Aurora strandde acht jaar later op de Deense kust, terwijl de Elsina, herdoopt als de Herstelling (naar de naam van de scheepswerf) in 1869 met man en muis verging terwijl het met een lading mahoniehout onderweg was van Mexico naar Engeland. Het waren zware tegenslagen, ook in financieel opzicht.

Reparatiewerf

Voor de scheepsreparaties kwam er een sleephelling bij aan de overkant van de Zijlroede aan de Kortestreek. Ook de Lemmer-Groningen stoomboten zouden er later hun geregelde opknapbeurten krijgen. De werf deed daarmee zijn naam ‘De Herstelling’ eer aan. Het was een hele bedrijvigheid, daar aan de westelijke rand van het dorp, de omvangrijke scheepswerf liep goed. Maar vanaf ongeveer 1860 liep de vraag naar grotere nieuwbouwschepen voor de koopvaardij terug en de werf legde zich steeds meer toe op onderhoud en reparaties.

Cornelis en Dieuwke kregen samen vier kinderen. Oudste dochter Anke bleef ongehuwd. Tweede dochter Hendrikje trouwde met scheepskapitein Adrianus de Jong, die jarenlang op de wilde vaart de hele wereld over zeilde, maar toen hem dat te veel was geworden kapitein werd op een van de Lemsterboten op de beurtvaart naar Amsterdam. Derde dochter Aaltje trouwde met Paulus Zeeman, een onderwijzer die uiteindelijk hoofd van de openbare school aan de Kortestreek in Lemmer zou worden. Aaltje en Paulus komen we verderop nog tegen. In 1855 werd zoon Poppe geboren, vernoemd naar zijn grootvader aan vaderszijde.

Poppe was vier jaar oud toen zijn vader Cornelis in 1859 plotseling overleed op betrekkelijk jonge leeftijd, hij was net 47 jaar geworden. Het was een harde slag die totaal onverwacht kwam. In het familiealbum werd geschreven dat Cornelis ‘aan een allertreurigste ziekte van hersenskoortsen in weinig dagen’ was overleden. Dieuwke plaatste een overlijdensadvertentie in de Leeuwarder Courant: ‘Heden morgen overleed na eene korte maar hevige ziekte, mijn geliefde Echtgenoot en der Kinderen zorgdragenden Vader Cornelis Poppes Bakker, scheepsbouwmeester alhier, in den ouderdom van 47 en na eene allergenoegelijkste echtvereeniging van ruim 21 jaren.’ Weer was er een weduwe in Lemmer.

Weduwe Dieuwke zet de werf voort

Dieuwke zou daarna nog vijftien jaar de scheepswerf op voortvarende wijze voortzetten. Dieuwke zorgde voor bekwaam personeel, zo adverteerde ze voor een scheepstimmerman, ‘om als baas te ageren … goed bekend met den eikenhouthandel en voorzien van goede getuigschriften.’ Aanvankelijk werd ze daarbij ondersteund door scheepstimmerman Pier Klazes de Boer (1837-1904) uit Woudsend, maar die begon enkele jaren later met zijn vrouw Sjoerdje zijn eigen werf, aan de Rien tegen de zeedijk aan. Daar werden Lemsteraken gebouwd [5].

Leeuwarder Courant, 4 maart 1870

In 1862 overleed Dieuwkes vader Siemen Wiegers Visser op 69-jarige leeftijd ‘na eene keelongesteldheid en langzame verzwakking’. De zes erfgenamen, waaronder Dieuwke, kregen elk een zesde deel van de erfenis van ruim 62.000 gulden, een voor die tijd groot bedrag. Een jaar later verdeelde Dieuwke de erfenis van haar eerder overleden man Cornelis met haar kinderen. De scheepwerf en de hellingen werden met uitstaande vorderingen gewaardeerd op een kleine 27.000 gulden. Een deel werd aan de kinderen in contanten uitbetaald. Het was een heel gereken.

Dieuwke Siemens Visser (1817-1874), circa 56 jaar oud

Vlak voor zijn overlijden had Siemen Wiegers Visser het in zijn opdracht in 1842 op de werf van Cornelis gebouwde kofschip Tjallinga Aurelia te koop aangeboden. Het werd in maart 1862 geveild in De Wildeman, waarbij het schip werd aangeprezen als ‘een extra ordinair snelzeilend gezinkt schooner-kofschip thans liggende aan de scheepstimmerwerf Het Schaap op de Zoutkeetsgracht te Amsterdam’. Uiteindelijk kocht zoon Jan Siemens Visser het schip voor ruim 6.000 gulden als partenrederij. Dieuwke nam voor een achtste deel in het schip. Ook dit was een ongelukkige belegging. Het schip strandde in november 1863, onderweg van Petersburg met een lading lijnzaad naar Rotterdam, in de Sont op de Zweedse kust. Een deel van de lading kon nog worden geborgen, maar het schip, vol water, was geheel wrak.

In 1874 overleed Dieuwke zelf, op 57-jarige leeftijd ‘na een langzaam en geduldig lijden’. Als grafschrift werd ‘Zalig zijn de doden die in den Heere sterven’ op de steen gegraveerd. Zoon Poppe was negentien jaar en dus nog minderjarig en zijn oom Frederik Sleeswijk Visser, wethouder te Lemmer en lid van de Staten van Friesland, werd aangesteld als zijn voogd. Poppe was in opleiding voor stoombootkapitein in Amsterdam, waar hij op kamers woonde in de Nieuwmarktbuurt. Hij wilde eigenlijk niet op de werf verder. De scheepsbouw veranderde ook snel met de opkomst van stoomboten. Hoe moest het nu verder met de inmiddels toch wat verouderde werf?

Poppe Cornelis Bakker (1855-1935), circa 18 jaar oud

Voorlopig werd de werf zo goed en zo kwaad als het ging voortgezet door de nog betrekkelijk onervaren zoon Poppe met hulp van de opzichter. Er waren nog enkele kleinere schepen in aanbouw, al was het de laatste jaren wel wat minder druk geworden aan de Zijlroede. Poppe presenteerde zich in advertenties wel als scheepsbouwmeester.

Leeuwarder Courant, 24 december 1875

Dieuwke had geen testament opgesteld en de vier kinderen waren dus wettig erfgenaam. Ze had nogal wat onroerend goed nagelaten en er waren veel vorderingen op klanten, waarvan overigens niet zeker was of die inbaar waren. Oudste dochter Anke zorgde bij notaris Frans Schaafsma voor een uitgebreide inventarisatie van zestien dichtbeschreven pagina’s, die een goed beeld geven van wat er zoal op de scheepswerf en in huis aanwezig was.

De erfenis van Dieuwke Siemens Visser

Op de scheepstimmerwerf en de sleephelling lagen onder meer een partij hout en een partij eiken planken. Er waren nogal wat vorderingen voor een totaal van ruim 12.000 gulden, maar er werd opgemerkt dat ‘wegens immobiliteit der schuldenaren … zullende nader moeten blijken in hoeverre deze pretentiën geïnd kunnen worden’. Het ging economisch minder in Friesland en uiteindelijk zou een groot deel oninbaar zijn.

In het woonhuis van Dieuwke werden kamer voor kamer de aanwezige goederen beschreven en gewaardeerd: de woonkamer met een pendule en twee vazen, de voorkamer tegenover de woonkamer, met secretaire en twaalf stoelen, de gang, het achterkamertje, de keuken met vijf tobben, drie trappen en een partijtje turf. Op zolder stonden meerdere bedden en peluwen en een grote voorraad linnengoed, waaronder liefst vierentwintig linnen lakens. Ook waren er juwelen, goud en zilver, waaronder een gouden oorijzer met hoofdnaalden en een halsboet met twee string gitten.

De waarde van de roerende goederen, inclusief vorderingen, bedroeg ruim 17.500 gulden. Er was voor ruim 6.000 gulden aan schulden. ‘Aangeefster’ Anke, de oudste dochter, verklaarde ‘dat zij niets verduistert noch gezien heeft of weet dat dit verduisterd is geworden van hetgeen tot de nalatenschap behoort.’

Een deel van de inventaris van Dieuwke is bewaard gebleven. Bij een presentatie van het boek De weduwen van Lemmer bij Tresoar in Leeuwarden in januari 2026 ontmoette ik Jelle Kaastra die vertelde dat de pendule en de twee vazen die in de boedel waren beschreven nu bij een zuster van hem op de kast stonden. Ook waren er nog voorwerpen van de scheepswerf die in de familie steeds waren doorgegeven. Jelle is een achterkleinzoon van Dieuwkes jongste dochter Aaltje (1847-1898) en haar man onderwijzer Paulus Zeeman (1846-1909). Hun graf bevindt zich nog in goede staat op de Oude Begraafplaats in Lemmer.

Paulus Zeeman en Aaltje Cornelis Bakker

Tot de bewaarde voorwerpen uit de erfenis van Dieuwke behoren ook twee grote antieke knikkers. Daar hoort een bijzonder verhaal bij. In de zomer van 1851 maakte de jonge Prins van Oranje (1840-1879), tien jaar oud, een min of meer incognito vakantiereis van vier weken door de Noordelijke provincies, samen met zijn gouverneur Jonkheer Eduard de Casembroot. De oudste zoon van koning Willem III, ook wel Wiwill genoemd, deed ook Lemmer aan waar hij, geïnteresseerd in de scheepsbouw, de werf van Cornelis bezocht. Jongste dochter Aaltje, vier jaar oud, zag de prins en zijn gouverneur er aan komen door de grote schuur van de werf en ze holde op de prins af. ‘Zoo achter en door ons huis gaande gaf Z.K.H. Aaltje een zoen en zij zeide: ‘Tutje, tutje’ en Z.K.H. na zei ‘Tut, tut, wat is dat?’ en lachte daarover hartelijk.’ [6] Aaltje gaf de prins een roos, die hij in de hand hield toen hij verder door Lemmer liep. Aaltje kreeg van de prins twee knikkers, die sindsdien altijd in de familie bewaard zijn gebleven. [7]

De twee knikkers die de Prins van Oranje in 1851 gaf aan Aaltje Cornelis Bakker

De afwikkeling van de erfenis van Dieuwke tussen de kinderen nam de nodige tijd in beslag. In 1879, een kleine vijf jaar na het overlijden van Dieuwke, werd de scheepstimmerwerf, het bijbehorende huis, het huis van de meesterknecht en nog wat pramen in de verkoop gezet. Op 15 februari 1879 zou na twee biedrondes ‘ten huize van den Logementhouder Kreefft’ de finale toewijzing plaatsvinden. De belangstelling had tot dan niet overgehouden en in de advertentie voor de finale toewijzing werd toegevoegd dat de werf zeer geschikt was voor herstelling van stoomboten. De werf, zo werd duidelijk gemaakt, was meegegaan met zijn tijd. Misschien zou dat meer belangstelling trekken.

Het mocht niet baten. Notaris Frans Schaafsma constateerde dat er ondanks herhaalde oproepen geen verhoging van de biedprijs van 12.000 gulden was gekomen en dat de verkopers (de drie zusjes en Poppe) te kennen hadden gegeven ‘dat de percelen niet worden gegund of toegewezen en alzoo worden ingehouden.’ Klaarblijkelijk werd het bod voor de scheepstimmerwerf en hellingen te laag gevonden. Dat was ook wel begrijpelijk, de werf was immers twaalf jaar daarvoor, toen vader Cornelis overleed, nog op 27.000 gulden getaxeerd. Ook het bod van ruim 4.000 gulden voor het naastgelegen grote huis met tuin aan de Langestreek 28 werd afgewezen.

Poppebaas

Uiteindelijk besloot Poppe om de scheepswerf dan maar definitief zelf voort te zetten. Op 25 mei 1880 maakte hij in een annonce bekend dat hij de scheepswerf had overgenomen ‘tot het maken en repareeren van schepen en stoombooten.’ De werf werd weer opgestart en waar in 1870 nog behoefte was aan kennis van de eikenhouthandel, werden nu bekwame scheepstimmerknechten aangezocht, bij voorkeur bekend met ijzerbouw. Naar verluidt werd in dat jaar ook het laatste grote brikschip op de werf gebouwd. [8] Poppe was 25 jaar en bleef samen met zijn zus Aaltje en haar man onderwijzer Paulus Zeeman en hun tweejarige zoontje Cornelis in het grote ouderlijke huis aan de Langestreek 28 wonen.

Niet veel later werden de drie zusjes uitgekocht voor 4.500 gulden en zo werd Poppebaas, zoals hij in Lemmer bekend zou staan, de enige eigenaar. Op de werf werden nog wel tjalken gebouwd en op de helling aan de overkant werd de Lemster vissersvloot onderhouden en werden stoomboten opgeknapt. Poppe zou de werf nog een twintigtal jaren voortzetten. Al die tijd bleef hij vrijgezel. Zijn droom om stoombootgezagvoerder te worden had hij opgegeven. Maar had hij daar goed aan gedaan?

De reparatiehelling aan de Kortestreek

De werf was in de laatste jaren nogal verwaarloosd. Dat blijkt ook wel uit een beschrijving die chroniqueur Minze Zeilstra (1877-1953) er van gaf. Minze was nettenmaker geweest aan de Spinnerspolle en beschreef op zijn oude dag zijn herinneringen aan het Lemmer rond 1880 in een groot aantal afleveringen in het weekblad Zuid Friesland. [9] Aangekomen bij de scheepswerf van Poppe Bakker schreef Minze: ‘Verderop het huis (aan de Langestreek) van onze schoolmeester Zeeman met zijn zwager Poppe Bakker, de baas van de aangrenzende scheepswerf. Dit moet vroeger een grote scheepswerf zijn geweest, maar was toen al behoorlijk in verval.

Als kinderen waren we 's avonds soms een beetje bang om erlangs te lopen, omdat we elkaar vertelden dat er een spook in die oude scheepswerf rondspookte en dat er kettingen rammelden, maar dat was gewoon een spookverhaal.’

De eerste tien jaren liep de werf nog redelijk. Uit de kohieren hoofdelijke omslag, waarin het geschatte inkomen en de te betalen gemeentebelasting werden bijgehouden, blijkt dat Poppe tot 1891 een inkomen van zo’n 1.000 gulden had, niet gek in een tijd waarin het gemiddelde inkomen in Lemmer op zo’n 600 tot 700 euro lag. Maar het lijkt erop dat de nieuwbouw van schepen steeds minder werd en dat reparatiewerkzaamheden de overhand kregen. Zijn inkomsten liepen in de jaren negentig drastisch terug naar een kleine 500 gulden. Daar kon je niet goed van rondkomen en het is duidelijk dat hij in deze jaren inteerde en er werkzaamheden bij zocht. Zo werd hij benoemd tot directeur van de gemeentereiniging in Lemmer.

Leeuwarder Courant, 19 oktober 1886

Ook was hij al enige tijd opzichter bij de Commissie tot Werkverschaffing in Lemmer. Werklozen konden partijtjes ‘klopsteen’ via de commissie aanleveren ten behoeve van het waterschap dat de ronde stenen gebruikte voor versterking van waterkeringen en voor wegverharding, de zogenaamde ‘macadam’ wegen. Het was een manier voor werklozen om wat te verdienen, er was aan het einde van de negentiende eeuw veel armoede in Lemmer.

Leeuwarder Courant, 3 januari 1888

In mei 1888 werd Poppe boekhouder bij de Nutshulpbank in Lemmer. De plaatselijke afdeling van ‘Tot ’t Nut van het Algemeen’ had een hulpbank opgericht met als doel 'om minvermogende ambachts- en handwerkslieden, neringdoenden en andere nijvere personen, door het verleenen van een geldelijk voorschot in staat te stellen hun beroep of bedrijf uit te oefenen of uit te breiden'. In die tijd stond zo’n 5.000 gulden uit bij een dertigtal leners. Poppe was meer dan dertig jaar boekhouder van het Nut in het Nutsgebouw aan de Nieuwburen. Daar was ook de bibliotheek van het Nut gevestigd

Nieuwsblad van Friesland, 23 april 1913

Herinneringen aan de werf

In de grote houten loods op de werf liet Poppe een kleine woning timmeren die verhuurd werd aan armere inwoners. Veel stelde het niet voor en de woning werd daarom ook wel het ‘geitenhok’ genoemd. Oud Lemster Geurt Kuiper, die er als kind heeft gewoond, haalde daaraan elders in Spanvis herinneringen op, die een aardige indruk geven hoe het leven er in die tijd rond de werf van Poppebaas uitzag. [10]

Geurt vertelde hoe hij als buurjongetje van Poppebaas er met zijn ouders in grote armoede had geleefd. Geurts vader was zeilmaker maar zat zonder werk. Samen met zijn vrouw werden deurmatten gemaakt van oud zeildoek en manilla touw, die aan de deur bij gegoede burgers voor een paar gulden werden verkocht. Af en toe kreeg hij wat werk toebedeeld en zat dan op zolder 'boven het geitenhokje' een zeil te repareren. In de koude winters waren ze afhankelijk van burenhulp. In een poging zich aan de armoede te ontworstelen ging Geurts vader met de boot naar Amsterdam om daar in de haven als sjouwerman wat te verdienen. Maar het werk was te zwaar en hij kwam teleurgesteld terug naar het ‘geitenhokje’. Daar liepen de muizen rond het nachtlichtje of over de dekens.

Geurt bewaarde warme herinneringen aan Poppes zwager, meester Paulus Zeeman die les gaf in de hoogste klas van de openbare school en die het grote huis aan de Langestreek met Poppe deelde. Geurts ouders waren goed met hem bevriend. Hij hoorde nog de krachtige stem van meester Zeeman als hij 's avonds in de stille omgeving zijn zoon van de werf thuis riep, een opgeschoten jongen die met vrienden op de zolder boven het geitenhok toneelstukjes opvoerde. In de familie wordt nog een stapeltje drukwerkjes van de toen populaire toneelstukjes bewaard. Deze zoon zou later dominee worden. Moeder Aaltje, het meisje dat knikkers had gekregen van de jonge Prins van Oranje, was kouwelijk aangelegd en vaak ziek, aldus Geurt, en zijn moeder werd door haar vaak te hulp geroepen. Dat was nodig toen Paulus en Aaltje in 1888 een tweeling kregen. Beide jongetjes overleden snel. De kindersterfte was nog hoog in Lemmer. De speciaal voor de tweeling gemaakte doopjurkjes zijn bewaard en er worden nog steeds kinderen in gedoopt.

Vanuit het ‘geitenhokje’ keek Geurt uit op de grote achtertuin van het huis aan de Langestreek dat scheepsbaas Poppebaas deelde met het gezin van zijn zwager. ‘Hoe rustig was het daar! Met mooi weer zaten we op een bank, vlak voor ons raam in de tuin. Ik weet nog dat daar ook perenbomen stonden met in het najaar heerlijke vruchten.’ Hij kende Poppebaas op afstand. Deze stond bekend als een uitstekend zwemmer: ‘Zelf heb ik eens stomverbaasd over zoveel durf, gezien hoe hij uit het vrij brede water tegenover zijn huis, een jongen redde, die al gezonken was. Gewaarschuwd voor het gevaar dat het jongmens dreigde, daar aan de overzijde, liep meneer Bakker in zijn witte hemdsmouwen pardoes het water in, en kwam weldra aan de overzijde met de drenkeling tevoorschijn’, aldus Geurt. In de krant werd Poppe bedankt voor het redden van het jongetje.

Nieuwsblad van Friesland, 16 april 1902

Sportief was Poppe Bakker zeker; hij had niet het zwakke gestel van zijn zusje Aaltje, die in 1898 overleed op vijftigjarige leeftijd. Poppe was actief in het verenigingsleven in Lemmer en hij was een aantal jaren secretaris van de IJsvereniging Lemmer, één van de oudste schaatsverenigingen in Nederland, opgericht in de strenge winter van 1861. Deze organiseerde regelmatig hardrijderijen, waar forse prijzen konden worden gewonnen. Pope was dus heel actief buiten de scheepswerf om.

Maar de scheepswerf zelf liep achteruit, er kwamen nieuwe typen schepen en er werd door Poppe niet meer geïnvesteerd. Hij was al gestopt met de nieuwbouw. Zou hij achteraf bezien toch niet liever stoombootgezagvoerder hebben willen zijn? In het kohier hoofdelijke omslag werd vanaf 1898 als beroep niet langer scheepstimmerbaas opgegeven, maar dat van verslaggever. Dat beroep bleef hij de volgende tien jaren opgeven, tot 1907. Was hij verslaggever van het nieuws uit Lemmer voor een van de Friese dagbladen?

De werf van Nijdam en het Vredespaleis

Hoe het ook zij, in 1902 verhuurde Poppe de helling met de herstelnering aan de Kortestreek aan Wiebe Jelles Nijdam. Deze zette er het onderhoud aan de schepen van de vissersvloot van Lemmer voort. Nijdam had het vak geleerd bij zijn vader die een werf had in Woudsend en had korte tijd op de werf van De Boer in Lemmer gewerkt. Nu probeerde hij het voor zichzelf. Twee jaar later nam Nijdam in een onderhandse transactie met Poppebaas de helling met toebehoren over voor 1.900 gulden. Niet te veel geld, maar de helling was in de tussentijd dan ook behoorlijk verouderd. [11]

De helling van Nijdam aan de Zijlroede, circa 1910

Datzelfde jaar liet Poppe de restanten van de scheepswerf aan de overkant van het water, aan de Langestreek, door notaris Spannenburg veilen. Het geheel bestond uit een lap grond met een grote schuur met kanthelling en het naast staande huis, en was gelegen naast de smederij van R. Hollander & Zn. die ijzerwerk voor de scheepvaart leverde. Na de biedronden was uiteindelijk bakker Johan Brouwer samen met koopman Bouwe Oosten de hoogste bieder, ze betaalden er 1.200 gulden voor.

Het was duidelijk niet hun bedoeling om de werf voort te zetten. Misschien zouden we nu van projectontwikkelaars of speculanten spreken. Johan en Bouwe zagen de potentie van de locatie. Er zou een gebouwencomplex in Jugendstil worden gebouwd, dat al snel in de volksmond het Vredespaleis werd genoemd, vanwege de statige uitstraling. In die tijd waren net de plannen voor het Vredespaleis in Den Haag gereed na een grote schenking van Andrew Carnegie. Nu had Lemmer zijn eigen ‘paleis’. [12]

De voormalige locatie van de scheepswerf van Poppe Bakker in 1905. Op deze locatie werd het Vredespaleis gebouwd nadat het zijwatertje van de Zijlroede, waar vroeger de helling en het hellinggat voor de werf was, was gedempt. De op de achtergrond zichtbare Lange Wipbrug werd verplaatst naar waar nu de Flevobrug staat.

Nadat Poppe de grond aan de Langestreek had verkocht werd nog een openbare verkoping op de werf georganiseerd van daar aanwezige gereedschappen en hout. Er waren meerdere kopers, waaronder ook Wiebe Nijdam, die boden op partijen hout, spijkers, zagen, trossen en wat ijzer- en koperwerk. Het stelde allemaal niet veel voor, het hoogste bod was zes gulden voor trossen. Het totaal bracht 146 gulden op.

De Langestreek en het Waaigat met het Vredespaleis voordat hier de Langebrug (later Flevobrug) werd gebouwd. Rechts de smederij van de familie Hollander.

Inmiddels had de helling van Wiebe Nijdam aan de overkant ook zijn langste leven gehad: de werf lag te veel midden in het zich uitbreidende dorp. De gemeente wilde er een brug bouwen om zo een betere verbinding te krijgen met de nieuwe woningen die waren gebouwd, waaronder het Vredespaleis. Daarmee was er geen bestaan meer voor de werf. In 1913 werd de helling verkocht aan de gemeente, die de grond gebruikte voor een nieuwe brug over de Zeilroede. Deze Langebrug werd in 1954 vervangen door de huidige Flevobrug. [13] Na de verkoop van de werf onderhield Nijdam nog vijf jaar de dagelijkse veerdienst tussen Lemmer en Bolsward. Daarna ging hij toch weer als scheepsbouwer verder op een aangekochte werf in Sloten. [14]

Poppe verkocht ook zijn huis aan de Langestreek 28 aan zijn bij hem inwonende zwager Paulus Zeeman, de onderwijzer die getrouwd was geweest met zijn eerder overleden zus Aaltje. Paulus betaalde er 2.220 gulden voor, het woonhuis bracht dus meer op dan de scheepswerf.

Paulus Zeeman, 61 jaar oud

Al die tijd was Poppebaas vrijgezel gebleven, maar daar kwam, nu de werf verkocht was, verandering in. Op 22 november 1905 trouwde Poppe – inmiddels al vijftig jaar – op Ameland met de in Nes (Ameland) geboren doopsgezinde schippersdochter Johanna Schols. Bij haar kreeg hij in 1906 nog een zoon, Cornelis Jacobus (1906-1993), die later als jurist in Den Haag ambtenaar zou worden.

Het gezin van Poppe ging verderop in een kleiner huis aan de Langestreek wonen. Oud-scheepsbouwer Poppe Bakker werd boekhouder en uiteindelijk in 1916, assurantiebemiddelaar in Lemmer. Het was een hele overgang, maar gelukkig kwamen toen ook de inkomsten weer op gang. Dat blijkt uit de kohieren hoofdelijke omslag waar hij belasting moest betalen over een inkomen van een kleine 1.000 gulden; hij was qua inkomen weer terug op zijn oude niveau toen het op de scheepswerf nog voor de wind ging. Zijn vrouw Johanna overleed in 1927.

Poppe Cornelis Bakker, Cornelis Jacobus Bakker en Johanna Schols, circa 1922

Poppe overleed in Lemmer op tachtigjarige leeftijd op 26 mei 1935. Hij was tot op hoge leeftijd maatschappelijk actief gebleven. Er is in Lemmer niet veel meer dat aan de indertijd goedbeklante scheepswerf De Herstelling herinnert. Maar de antieke voorwerpen waaronder de pendule met siervazen van Dieuwke, die Poppe had geërfd, zijn nog in het bezit van het nageslacht. Net als de glazen knikkers van de jonge Prins van Oranje.


[1] Veel dank is verschuldigd aan Jelle de Jong en Jelle Kaastra voor waardevolle suggesties.

[2] Age Bakker, De weduwen van Lemmer, Een Friese bakkerskroniek, Uitgeverij Wijdemeer, 2025.

[3] Algemeen Handelsblad, 11 juli 1839

[4] Gebaseerd op de Provinciale Verslagen, geciteerd bij L. Kamminga, De Friese scheepsbouw en scheepvaart.

[5] Sjoerdje, die volgens sommigen ‘de broek aanhad met een leren kont’, had een belangrijk aandeel in bouw en ontwerp van de aken. Met Pier zou ze maar liefst twaalf kinderen krijgen, maar in 1900 liet ze zich scheiden wegens overspel van Pier en mogelijk ook wel zijn drankzucht. Sjoerdje zette de werf voort die spoedig daarna door haar zonen werd overgenomen. Bron: Mr. dr. T. Huitema, Lemster aken, van visserman tot jacht, 1982. Kleinzoon Arie de Boer ontwierp later als laatste werfbaas de ‘Groene Draeck’, een nieuwe Lemster aak die als nationaal geschenk werd aangeboden aan Prinses Beatrix voor haar achttiende verjaardag.

[6] Schriftje met familieaantekeningen van Dieuwke Simons Visser, in bezit van Jelle Kaastra.

[7] Jelle Kaastra, Een koninklijke kus, Afdelingsblad NGV Amersfoort en Omstreken, september 2016.

[8] Spanvis, Werf W. Nijdam.

[9] Minze Zeilstra, Lemmer om 1880 hinne, byelkoar fandele en skreaun troch Minze Zeilstra, 2 delen, 1953.

[10] Geurt Kuipers, Herinneringen aan Lemmer 100 jaar geleden, 1882–1962, Spanvis.

[11] In een brief waarvan het origineel zich bevindt in het Fries Scheepvaart Museum in Sneek heeft Nijdam het over ‘een oude sleephelling en een kanthelling, een ouderwetse constructie, plus een oude heele groote schuur’. De manier waarop hij erover schrijft maakt wel duidelijk dat de werf niet veel meer voorstelde.

[12] Banketbakker Johan Brouwer deed wel vaker onroerendgoedtransacties. Zo kocht hij in 1910 hotel ‘De Wildeman’ voor 7.100 gulden om het een paar maanden later weer door te verkopen aan Wytze Faber en zijn vrouw Grietje Knol voor 7.500 gulden. Het verschil van vierhonderd gulden was snel verdiend, ruim voordat Johan de koopsom moest betalen op Alde Maaie 12 mei 1911, de dag waarop het pand beschikbaar zou komen.

[13] De Langebrug verving de Lange Wipbrug die honderd meter oostelijk lag.

[14] Er is een aardig boekje verschenen van Hessel Bosma, ‘De scheepsbouwmeesters Nijdam en hun familie’, waarin het verhaal van de werf in Lemmer voorkomt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.