Scheepswerf 'De Herstelling' aan het Dok.
Age Bakker[1]
Op de hoek van de Langestreek en het Waaigat in Lemmer staat een markant in Jugendstil gebouwd wooncomplex, beter bekend als het ‘Vredespaleis’. Op die plek bevond zich vroeger een grote en bedrijvige scheepswerf, die eigendom was van de familie Bakker. Op de werf werden vooral schepen voor de kust- en binnenvaart gebouwd: kofschepen en schoeners voor de Oostzeevaart en voor de handel met vooral Frankrijk en Italië, tjalken voor de binnenwateren. Aan de overkant waar nu het Turfland begint bezat de familie nog een helling waar schepen van de Lemstervloot en de beurtschepen op Amsterdam en Groningen werden gerepareerd.
De scheepswerf, die al snel de naam De Herstelling kreeg, werd in 1838 verworven door Cornelis Bakker, die er een goed lopend bedrijf van maakte. Na zijn overlijden werd de werf nog vijftien jaar voortgezet door zijn weduwe Dieuwke Siemens Visser, een van de vele weduwen in Lemmer die het bedrijf na de dood van haar man voortzetten. Uiteindelijk nam haar zoon Poppe Bakker, beter bekend als Poppebaas, het bedrijf over totdat de werf in 1904 van de hand werd gedaan aan Wiebe Nijdam. Het is een mooi verhaal van Lemster bedrijvigheid en samenwerking, maar ook van tegenspoed en uiteindelijk verval. En passant komen we nog de Prins van Oranje tegen die aan de 4-jarige dochter van de scheepsbouwer twee prachtige glazen knikkers cadeau doet.
Bakkerszoon wordt scheepsbouwer
Cornelis Bakker was de tweede zoon van Poppe Cornelis Bakker (1774-1822) en Hendrikje Feites (1785-1851), hoofdpersonen in het boek De weduwen van Lemmer[2], die een bakkerij aan de Oude Sluis hadden. In de bakkersfamilie sprak het eigenlijk vanzelf dat de oudste zoon de bakkerij zou voortzetten. Zo werd Feite, de oudste zoon, van jongsaf aan al opgeleid als bakker. Ook twee jongere broers Hylke en Jelte vestigden elk een eigen bakkerij vlakbij de sluis. Het was een aantrekkelijk beroep en er was met alle reuring van sluis en reizigers op de Lemmerboot en andere veerdiensten voldoende omzet voor meerdere bakkerijen.
Maar Cornelis, de tweede zoon van Poppe en Hendrikje, geboren in 1812, wilde iets anders. Elke dag zag hij de beurtvaarders en de schepen met turf, hout en andere waren langs varen in Lemmer als er geschut werd in de zeesluis. Die lag toen nog midden in het dorp; nu heet dat stukje kade Oude Sluis. Zijn hart werd gegrepen door de scheepvaart en Cornelis bekwaamde zich na de lagere school, waar hij goed leerde rekenen, in het vak van scheepstimmerman. Dat vak leerde je in de praktijk op de werven die Lemmer rijk was.
In de tussentijd was hij verliefd geworden op Dieuwke Siemens Visser die een paar jaar jonger was. Zij was de dochter van de welgestelde Lemster ondernemer Siemen Wiegers Visser (1793-1862) en Anke Frederiks Sleeswijk (1790-1827), die enkele huizen verderop aan de Langestreek in een groot pand woonden. Siemen was geboren in Gaastmeer en was familie van de bekende palinghandelaar Anne Wiegers Visser.
Het gezin was in goeden doen: volgens de gemeentelijke belastingaanslag behoorde Siemen tot de top vijf grootverdieners in Lemmer. Hij was koopman, reder en dreef er een zeilmakerij en een leerlooierij. Hij bezat ook veel onroerend goed en was enige tijd wethouder in Lemsterland. Het was een druk huishouden en er waren twee dienstboden. De ouders van Dieuwke lieten zich in 1827 fraai portretteren, maar in datzelfde jaar overleed moeder Anke, slechts 37 jaar oud, in één dag aan een plotselinge beroerte. Het was een onverwachte klap. Siemen hertrouwde vrij snel met Aaltje Fortuin (1791-1859), die zelf anderhalf jaar daarvoor haar man had verloren.
[1] Veel dank is verschuldigd aan Jelle de Jong en Jelle Kaastra voor waardevolle suggesties.
[2] Age Bakker, De weduwen van Lemmer, Een Friese bakkerskroniek, Uitgeverij Wijdemeer, 2025.