LE 10

  • a= ansjovis, b=bot, g=geep, h=haring, ha=hoekaal, kv="kustvisscherij", p=paling of aal, sn=snoekbaars, sp=spiering, zz="op de Zuiderzee"
  • Visserijregister kaarten van Zuiderzeecollectie
  • De schepen kregen hun LE nummer toegekend door de gemeente, nadat er internationale afspraken waren gemaakt voor de zee en kustvisserij per 1 augustus 1882. Maar als een visser zijn schip verkocht mocht hij zijn eigen nummer meenemen op zijn volgende aangekochte schip. Dit hield in dat er meerdere schepen waren met hetzelfde nummer. In 1911 werd bij het visserijbesluit besloten om via een vernummering (de) ontstane lege nummers op te vullen, die ook waren ontstaan.

  • Naam schip: LE 10 Twee Gebroeders
  • Type: halfgedekte platbodem
  • Vergunn.periode: 1911-1921
  • Eigenaar: Stienstra, Jacob
  • vis: a, b, h
  • Opm. {aak, "De Drie Gebroeders", LE 10 in 1915 door Gebr. de Boer te Lemmer gebouwd voor Marten Raadsveld, Huitema, Lemsteraken, 254, Brilleman. De LE 10, monografie, 323ev}
  • Verhaal: Het was een klein maar mooi aakje, in 1907 gebouwd bij Gebr. de Boer en was 8.60 lang. Later hebben Jan en Jacob Wouda ermee gevist en is daarna als plezierjacht in handen gekomen van Henny Kingma, die weer in Lemmer kwam wonen. Marten is op oudere leeftijd getrouwd met een vrouw uit Hindeloopen Tjitske Poeze? (leuk bericht in het gastenboek over de LE 10 van Roel Kingma) (Leuk artikel over de LE-10, het aakje dat mijn vader gekocht en omgebouwd heeft tot jachtje en het bijzondere feit dat Brilleman het terug gerestaureerd heeft. Het schip is weer terug in Lemmer, mooi initiatief van plaatsgenoot Schirm. Jammer dat mijn vader Hendrik die op 21 juni2005 op de leeftijd van 87 jaar is gestorven, dit niet meer heeft meegemaakt. Deze week (17 mei 2008) zag ik de Lemmer-10 vanuit mijn huiskamer langs varen: een prachtig en zelfs ontroerend moment!) Deze kleine aak, De Drie Gebroeders, 'een mooi scheepje van 8.60 meter lengte', werd door de opdrachtgever Maarten Raadsveld (Lytse Marten) later verkocht aan Jacob en Jan Wouda. Daarna werd het overgedaan aan H. Kingma, eerst woonachtig in Oostzaan en thans weer in Lemmer. Stofberg haalde de bun er uit en later kwam er een soort kajuit je op. De aak werd vervolgens eigendom van J.J. de Korte in Aerdenhout onder de naam Grote Pier, die het schip in 1981 verkocht aan H. Hijdra te Leimuiden, die het aakje weer terugbracht in visserman-uitvoering. Deze restauratie wordt thans voortgezet door de nieuwe eigenaar, J. Brilleman te Leeuwarden.
  • De Lemster vissersvloot van ± 1915 volgens Jan Wouda: LE 10: Eigenaar: Marten Raadsveld. Bijnaam: Lytse Marten. Woonplaats: Lemmer. Soort: Aak vt 31. Naam Schip: "Twee gebroeders" Bouwjaar: 1907 Werf: Gebr. de Boer. - LE 10: gebouwd in 1912 bij Gebr. de Boer te Lemmer, in opdracht van Jacob Stienstra, later Gebr. Wouda, genaamd "Twee Gebroeders" - LE 10 - 1915- De Drie Gebroeders-Gebr. de Boer.

Een foto van rond 1930, want de Werkhaven is inmiddels al aangelegd. Op de LE 10 en op de LE 31 van Kuipers, wordt o.a. gewerkt aan het hoekwanten, en het repareren van de netten.

Auke Coehoorn, vertelt: "De kotter is van Toering de LE 62,  schouw is de LE 44 Jurjen van Jouke, Marten de Haan staat op de plecht dan de LE 31 Tjalling van Rouke, Bart Thijseling zit op de plecht van de schouw, Rauke en omke Rienk Coehoorn hoekwant aan het opspleten, dan de LE 10 ook met de hele bemanning aan het opspeten van het hoekwant voor het volgende schot".

De LE 10 -J. Brilleman

Het aakje getekend en geklost door Tine Brilleman, 1983

Inleiding

'Van tafelblad tot Lemsteraak'

Door een rasechte Fries, een kenner van het Ronde- en Platbodemjacht, werd mij onlangs gevraagd: 'Hoe komt het dat een Twentenaar zoveel liefde voor het Ronde schip heeft.' Welnu ik werd groot gebracht op een Havezathe in Twente, die na de restauratie in 1946, als Jeugdherberg in gebruik werd genomen. Mijn ouders waren daar de beheerders. Om die Havezathe lagen twee grachten en wat is er voor een kind nou mooier dan met een tafelblad, gemonteerd op een paar jerrycans, een linnen slaapzak als zeil, te varen op de wilde wateren der grachten?

Wij als kinderen van Jeugdherbergouders konden in de vakantie uitgewisseld worden. Voor ons was dit erg gemakkelijk, want ik kon naar de Jeugdherberg 'lt Beaken' in Heeg. Toen ik acht jaar was zeilde ik mee in de tjotters, de schouw en het Friese Jacht, welke tot de vloot daar behoorden. Door heit Piersma wordt je dan de liefde voor het Ronde- en Platbodemjacht wel bijgebracht!

Op elf-jarige leeftijd haalde ik het zeilbrevet in het Friese Jacht 'Reiddomp', waarvan de legende vertelde, dat het oorspronkelijk eigendom was geweest van Egbert Douwes (de Jong) uit Joure, die hiermede zijn koffie en thee bij de boeren in het waterland aan de man bracht!

Helaas stierf dit schip een roemloze dood, nadat het door de Jeugdherberg was verkocht naar 'Holland', want het zonk op de Nieuwemeer bij Amsterdam. In Heeg had ik in die tijd genoeg te dromen. De oude zeilvaart was nog niet geheel voorbij. Berend de Jong bouwde nog boeiers, jachten, tjotters en wildsjitters en de vloot van de Jeugdherberg was op zichzelf al een droom!

In één van die vakanties, herinner ik mij, lagen er twee tjotters bij de werf te koop. De Jong had deze voor eigen rekening gebouwd, ik dacht: 'als ik zo'n bootje heb, kan ik overal naar toe waar de wind waait!' Het zou echter nog vele jaren duren voor ik zelf een boot kon kopen. Eerst beperkten wij ons met rondjes te maken langs de haventjes van het IJsselmeer, we woonden in Amsterdam, om bootjes te bekijken. Inmiddels stelden we een tien-jaren-plan op om dan een schip te kunnen kopen als de 'Reiddomp'. Dat was echter te hoog gegrepen, maar we konden een Van der Meulen schouw uit Sneek van 5.25 m. aanschaffen. Een lief scheepje, maar het werd alras te klein voor ons groeiend gezin. De grote wens bleef echter nog steeds een Rond Jacht. Deze wens kon in de winter van 19751976 in vervulling gaan, toen P.P. Piersma te Heeg voor ons een Fries jacht bouwde van 5.60 m, een pracht van een schip.

Nergens 'staat het stil' en was bijzonder fraai van verhoudingen. Piersma leverde het als casco, waarna wij zelf de spijkergaten afdopten, verder schuurden en lakten, waarmede vele kostbare uren werkloon werden uitgespaard, dat besteed kon worden aan het laten maken van het voordek, de kistbanken en de scherpe sleepijzers voor de zwaarden.

Ook onze kinderen hadden de smaak te pakken gekregen van het zeilen, zodat ik voor hen een Piraatje zelf had gebouwd, maar achter een Fries jacht moest toch een ander bij-bootje. Door Berend de Jong werd toen een wildsjitter gebouwd, die we zelf afwerkten.

Meerdere jaren voeren wij tot ons aller tevredenheid met deze fraaie combinatie. Maar het ruimere water bleef trekken. We besloten, wel met pijn in het hart, het Friese jacht te verkopen en overwogen in samenwerking met een derde een boeier te bouwen. Intussen waren we echter niet 'bootloos', want ik kocht een in 1960 door De Jong gebouwde tjotter, een heel handzaam scheepje.

Die boeier-bouw bleek toch wat te hoog gegrepen en we keken uit naar een ander rond schip, dat echter wel karakter moest hebben. Een vriend van ons zei toen: 'Waarom nemen jullie niet een ouderloos kind?' Welnu, dat is uiteindelijk geschied. Wij hebben ons het lot aangetrokken van een zeer verwaarloosd en in slechte staat verkerend Lemsteraakje, de LE 10 in 1912 gebouwd. Tot 1957 werd het voor de visvangst gebruikt en vervolgde haar bestaan verder als jacht. Het is mij een genoegen hierna de geschiedenis van dit unieke scheepje te laten volgen.

De aankoop en restauratie

In de Spiegel der Zeilvaart van februari 1982 stond de volgende advertentie:

Te Koop: Lemsteraak LE 10.
Gebouwd door Gebr. de Boer. Bouwjaar 1908.
L.O.A. 8,25 m. Breed 3,10 m.

Wij zijn dadelijk gaan kijken en constateerden dat het aakje in niet al te beste staat was en dat onder het berghout polyester was aangebracht. Gelukkig waren de rondhouten goed, hoewel erg verwaarloosd, de zeilen en zwaarden eveneens. Het roer en het overige houtwerk moest vernieuwd worden.

We kwamen met de eigenaar, Henk Hijdra, overeen dat ik een optie kreeg tot dinsdag 2 februari. lk ben toen met twee mensen, die meer verstand van ijzer hadden dan ik, weer naar Leimuiden, waar het schip lag, gereden. Op de werf van Stofberg (de bekende Lemsteraken-bouwer) hebben we de LE 10 op de helling getrokken. Henk Veenstra begon te kloppen om te kijken of er meer slechte plekken onder zouden zitten dan die welke we al gezien hadden.

Het aakje was onder de waterlijn nog mooier dan er boven: zo heel mooi rond! Dit is uniek dacht ik en mijn reactie was dan ook: 'Henk kom er maar onder vandaan, want ik koop het aakje toch.' We hebben daarna een proefvaart gemaakt op de Brasemermeer. Dat was eer: nieuwe ervaring, waarbij ik kon vaststellen dat het schip veel wind kon hebben. Op 14 april hebben we onze aankoop overgebracht naar Gaastmeer; wind stond er de eerste dag niet, zodat wij op de motor van Leimuiden naar Enkhuizen voeren.

's Middags half vijf kwam er wind opzetten uit het noorden. We zijn toen na Enkhuizen bakboord uit gegaan naar Medemblik. De LE 10 was echt weer in haar element. De volgende dag van Medemblik naar Stavoren; weer geen wind en bovendien slecht zicht, maar dankzij de motor, het kompas, en de kaart lagen we om elf uur al aan de overkant in de haven. Daar kwam zeilmaker Zwaan een tent opmeten voor de kuip, het begin van de restauratie.

In de weekenden en de vakanties heb ik elke dag een stukje aan de binnenkant tussen de spanten afgekrabt, er zaten op sommige plaatsen wel zes lagen verf op! Op 2 oktober hebben we het aakje in Gaastmeer bij Hielke Wildschut op de werf gezet. We begonnen de oude buikdenningen in de kuip en de betimmering onder het voordek te slopen; daarna de oude motor, nog van 1932, er uitgehaald. Vervolgens werd het aakje op z'n kant gelegd ten einde de polyesterlagen, welke onder het berghout waren aangebracht, er af te halen. Dat was een hele klus: warm stoken met een gasbrander, dan schrabben of steken. Na acht lange dagen, waarvan vier met twee man, was de huid ontdaan van dit moderne materiaal. Gelukkig kwam de huid er beter onder vandaan dan we verwacht hadden. Toen kon Hielke aan het werk. Hij begon de motorsteunen er uit te branden, het waren er drie t.w. een steun voor een Ford motor van 12 pk, daar weer overheen een steun voor 'de Witte' motor van 9 pk, en daartussen de steun van de Scoda motor.

Het voordek en de mastkoker moesten er af. Daarna werd weer gekeerd om de slechte platen er uit te halen o.a. onder de mastkoker en daar waar vroeger de bun had gezeten, het hoosgat en de platen waar vroeger de bun-inlaat was. Alles werd er uit gebrand en bijgeslepen. Drie spanten werden aangebracht, want waar de bun zat waren geen spanten, daar met de beugel de vis er uit gehaald moest worden.

Foto de Korte.: De LE 10 als jacht 'Grote Pier' omstreeks 1965.

Vervolgens zijn er nieuwe platen ingelast, welke nu met de gangen van vooren achterschip doorlopen. De diepe putten in het ijzer werden bijgewerkt en de deuken er uit geklopt. De berghouten in de rondingen aan de voor- en achterzijde zijn vernieuwd en een halfrond er op gelast.

Na dit karwei kon het aakje wederom gekeerd worden, waarna het achterschot werd verwijderd en de reparatie van het voordek kon beginnen. Nadat dit alles vernieuwd was, werd een nieuwe mastkoker geplaatst, terwijl tevens een z.g. tjalkenluik werd aangebracht, zulks in verband met het strijkbaar maken van de mast.

Dit luik is in tweeën om ruimte te krijgen voor een koekoek op dezelfde plaats waar deze vroeger ook had gezeten. Kleine reparaties aan het boeisel, achterhuisje en bank waren nu mogelijk. Door dit alles is de aak nu in een goede conditie.

Vervolgens kwam de motor aan de beurt, een nieuwe steun werd aangebracht, waarop de Volvo-Penta werd geplaatst. Gelukkig was de schroefaskoker geheel intact, zodat die niet vervangen behoefde te worden.

Inmiddels had ik zelf een nieuw roer gemaakt, mast, giek en gaffel geschrapt en geschuurd en in de blanke lak gezet. Tevens had ik de strijkklampen, de beretanden en een nieuwe knecht gemaakt. Toen het ijzerwerk klaar was, kon ik een motorkist maken en werd de motor afgemonteerd. Van eikenhout maakte ik de buikdenning en de kistbanken in de kuip. Deze kistbanken kunnen tevens als slaapplaats worden gebruikt. Op vrijdag 13 mei hebben we de proefvaart gemaakt, gelukkig liep alles prima. De interkoeling van de motor werkte perfect, zodat ik dik tevreden was.

De volgende dag voeren we binnendoor naar Harlingen, waar Johan Prins het vooronder zal betimmeren. De reis verliep vlot, kalm aan, om de motor de eerste draaiuren te laten maken. Het vooronder is voorzien van voorin een dwarskooi, waarin drie kastjes. Deze kooi is afgescheiden van de leefruimte door een schot, een soort bedstede zonder deurtjes, waar ook weer twee kastjes in zitten. Aan bak- en stuurboord zijn de andere kooien, terwijl aan bakboord nog een kastje is aangebracht met daarboven een plank voor het kooktoestel. De achterschotten zijn zo geplaatst dat een goede rugsteun is verkregen, met daarboven een plank voor allerlei kleine spullen. Het plafond van vuren kraalschrootjes, de andere betimmering van vuren planken met een V-motief.

Foto van Lingen: De kuip voorzien van buikdenning, kistbanken en motorkist. En het vooronder van achter naar voren gezien.

Foto van Lingen: Het vooronder van achter naar voren gezien. En vooronder bakboords kooi met plank voor kooktoestel. Links op de foto het kontragewicht van de mast.

Op 9 juni was alles klaar en vertrokken we naar Gaastmeer. De aak werd weer drooggezet, opdat ze ontroest en vervolgens afgeschilderd kon worden. Biezen werden gezet in wit onder en boven de berghouten en LE 10 aangebracht. Vervolgens werden de beretanden, strijkklampen, de knecht, het roer en de zwaarden en tenslotte de mast geplaatst, zodat 's avonds de aak getuigd te water kon.
De kussens voor de kooien, gemaakt door mijn vrouw, pasten goed bij het geheel.

OP 18 juni 1983 vond de herdoping plaats. Wij hebben gekozen voor de eerste naam, welke het aakje in 1912 kreeg van Jacob Stienstra, de opdrachtgever voor de bouw, nl.: 'Twee Gebroeders'. Onze zonen hadden twee fuiken geknoopt in de mast, de sein vlaggen aan één geregen over het schip gelegd en voor het naamschildje in het spinnegat een doek gehangen. Toen alle genodigden aanwezig waren, trok mijn schipperske aan een koord, waardoor de fuiken los vielen en de seinvlaggen omhoog gingen en het naamschildje zichtbaar werd met de oude naam 'Twee Gebroeders', de naam van de bouwer en het jaartal 1912.
De klus was geklaard.

*) Ik had de lengte van het aakje nooit opgemeten, maar de afgelopen zomer kreeg ik een formulier in handen waarop Jacob Wouda in 1943 de maten moest opgeven. Hij geeft op, lengte 8.07 meter. Ik was verbaast en natuurlijk nameten. De lengte is inderdaad 8.07 meter

Foto Brilleman: De aak vlak voor de herdoop "Twee Gebroeders"

Lemsteraak uit 1912 na omzwervingen terug in Friesland.

Een visaakje lang 8.25 breed over de spanten 2.90 voor de Heer J. Stienstra, Lemmer, zo staat de LE 10 in de boeken van scheepswerf de Boer. De Lemster onderneming bestaat nu niet meer, maar in 1912 en nog lang daarna was het een bloeiende scheepswerf "De Lemmer" liet zijn schepen bouwen bij de Boer.

Ruim 70 jaar later klopte iemand anders aan bij de Zuid-Friese haven, maar hij kon geen werf meer vinden onder de oude vertrouwde naam. Wel kwam de Leeuwarder douaneambtenaar Jan Brilleman in contact met mevrouw de Boer, die de bouworder boven water haalde. In het nota boek van de werf staat Stienstra's aakje genoteerd onder nummer 291, met een volledig uit gewerkte nota.

Alle werkuren staan er in, de duur van het kloppen van het plaatijzer, gewicht van het gebruikte ijzer (2755 Kg) en het gewicht van de klinknagels 188 Kg. Dirk de Boer was toentertijd de boekhouder en hij bracht de nota op 26 september 1912 naar de opdrachtgever.

Ruim 70 jaar later kreeg Jan Brilleman een rekening van Hielke Tromp, werfbaas in Gaastmeer. De opstelling van de nota lijkt op die van de Dirk de Boer, maar de bedragen zijn wel even wat anders, dat is mooi van Hielke, hij wilde het net zo mooi doen als de bouwer. Een vakman hoor daar in Gaastmeer. Zoals hij het IJzer bewerkt, dat zie je niet zo gauw meer, zegt een geestdriftige Jan Brilleman. Hij is de nieuwe eigenaar van de LE 10 die op een Zaterdag in Juni met zomerweer in de Harlinger Rommelhaven ligt.

Onderdeks werkt scheeps-beschieter Johan Prins. Hij moest er voor op de knieën, want de kleinere type Lemsteraak en de LE 10 hoorden tot deze categorie. De aak bezat weinig comfort, althans gezien door de laatste twintiger eeuwen. In de punt lag gewoonlijk de schipper, de knechten konden tussen het harde werken door hun benen strekken op de harde banken aan stuur en bakboord. De kooi in de punt is niet groot maar dat was voor de latere eigenaar-schipper van de LE 10 geen bezwaar. Zijn naam: Marten Raadsveld, indertijd bekend als Lytse Marten, hij zou 1.60 meter groot zijn geweest. Marten was de stiefzoon van Stienstra, die de LE 10 liet bouwen.

Haring en Ansjovis.

De Lemsteraak , inhoud acht m³, 'Twee Gebroeders' van Stienstra en later van Raadsveld, visten op de Zuiderzee op haring, ansjovis en bot. Marten Raadsveld, sedert januari 1923 alleen eigenaar van de 'Twee Gebroeders' door het overlijden van Stienstra, liet een motor inbouwen in 1931, een ford van twaalf PK.

Een jaar later werd het visserijregister afgeschaft in verband met de afsluiting van de Zuiderzee, de grootste morele klap die de vissers van de oude binnenzee ooit werd toegedeeld. Jan Brilleman die zoveel mogelijk gegevens heeft verzameld over zijn nieuwe oude aanwinst, constateerde dat de LE 10 in 1928 een besomming maakte van ƒ 2109,- en dat kon er mee door. De visserij was toen niet gemakkelijk met zo'n zeilaak, een vlet met een bootje met vistuig er achter aan. Volgens de boeken van S.J. de Vries, de onderneming waar reparaties werden uitgevoerd had de LE 10 vaak een nieuwe boegspriet nodig.

De naspeuringen van Brilleman maakte ook duidelijk dat de Zuiderzeevisserij, direct na het afdamming in het Noorden een catastrofale duikeling van de visopbrengsten had veroorzaakt. In handschrift word daar melding van gemaakt.

De LE 10 kwam in 1937 niet verder dan een besomming van ƒ 456.40,- de knecht kreeg ƒ 129.75 en de premie voor de verzekering bedroeg ƒ 19.70. Beste tijden beleefde de Zuiderzeevisserij in de eerste wereldoorlog, toen onze neutrale status de oorlogvoerenden buiten de deur hield, en er althans op eigen wateren naar hartenlust kon worden gevist. Het tij nam zelfs letterlijk een kering toen het gat in de Afsluitdijk werd gedicht. De steunmaatregelen voor de Zuiderzeevissers waren op het oog misschien voldoende, in de praktijk, of als gevolg van allerlei manipulaties? vielen de resultaten van de Zuiderzee- steun-wet bar tegen. De mensen zijn belazerd door de steun-wet, zegt Brilleman beslist.

Steun voor vissers.

Zijn beide boeken met het verhaal over het reilen en zeilen van de LE 10 geven de opgang en teloorgang van de Zuiderzee visserij in Lemmer weer.

De waarde van Marten Raadsveld visuitrusting word door de directie voor de uitvoering van de steunwet vastgesteld op ƒ 650,- nog niet het derde deel wat de eigenaar ervan had verwacht. Hij bezat de aak, een vlet, een bootje speet-aalwant, botnetten, garnalenkorren, ankers en haringreep-netten, ansjovis-netten, zo maar een opsomming. In juli 1933 krijgt Raadsveld een uitkering van ƒ 9,- gulden per week. 's winters vijf gulden meer.

Drie jaar later word de visser afgescheept met f 6.50,- en daar moet hij ook vrouw en kind van onderhouden. De Lemsters Jaap en Jan Wouda, de bemanning, nemen de aak over als Marten Raadsveld komt te overlijden. Jaap en Jan visten waren de laatsten die met de LE 10 visten, samen met de twee zoons van Jan, Harm en Jacob Wouda. (Jacob was een goede visser. In 1967 is hij onwel geworden tijdens een voetbalwedstrijd, en ging op huis aan. In de steeg bij zijn huis is hij gevallen, waar hij door de gebroeders Rottiné dood werd gevonden)

De oud Lemster Hindrik (Henny) Kingma die toen in Amsterdam woonde thans weer in zijn geboorteplaats, kocht de LE 10 en hij maakte er een plezier vaartuig van, door er een kajuit op te zetten. De vaste mast werd vervangen door er een strijkbaar exemplaar op te zetten.

Kingma is een telg van de bekende Lemster visser familie van wie Jilling Kingma zelfs enige faam genoot. Minder bekend bij de Friezen die zich bezig houden met de oude zeilsport is wellicht het feit dat de Lemsters visser meermalen en met succes hebben deelgenomen aan zeilwedstrijden bij Amsterdam. Opgetuigd als het even kon. Raasden de aken over het ruime water bij de hoofdstad, op weg naar een goede prijs.

De LE 10 heeft zijn naoorlogse jaren onder de naam 'Roela' gevaren bij de zoons Roelof en Jan Kingma. In Durgerdan was de aak een bekende verschijning tot 1963, toen J.J. de Korte uit Aerdehout, haar overnam. De Korte liet in Lemmer een nieuwe Fok en een nieuw grootzeil maken, bij de Vries, en van der Neut leverde in 1963 een nieuwe mast af, geschaafd uit een oude Tjalkmast. De LE 10 werd van af toen 'Grote Pier' genoemd.

Enkele jaren daarna kocht Henk Hijdra, uit Leimuiden het verwaarloosde scheepje, toen hij het zag liggen bij werf van Stapel in Sparendam. Hijdra sloopte de onechte kajuit, maar zijn poging om er weer een echte aak van te maken moest hij opgeven.

In de spiegel der zeilvaart lazen Jan en Tine Brilleman de advertentie waarin de LE 10 te koop werd aangeboden. Het beste was er toen al af, herinnert Jan Brilleman zich. Hij had al een tijd gezocht naar een zeilschip of scheepje. We hebben ons echt dingen moeten ontzeggen om de aak te kunnen kopen. Nu is het ook echt afgelopen we kunnen het niet meer, zegt de geboren Twentenaar die zich al jong verknocht voelde aan Friesland.

Foto van Roel Kingma

  • Roel Kingma: 16 augustus 2018; De Lemmer 10. Door mijn vader in 1956 gekocht, tot wit jacht gerestaureerd en later weer terug gerestaureerd. Prachtige jeugd op gehad. Ligt nu weer in zijn thuishaven Lemmer.

Zo mooi rond.

De Foto's herinneren aan de drukke dagen die de familie heeft doorgebracht op Tromp/Hielke Wildschut's werf in Gaastmeer, om de LE 10 weer in uitstekende staat te brengen. Alles moest eruit en eraf, mast, motor noem maar op. De polyesterlaag onder het bergijzer hebben wij eraf moeten branden. Branden en schrapen tot vervelens toe. Hielke haalde de motorsteunen eruit, voordek en mastkoker weden gesloopt. Maar toen kwam het echte schip tevoorschijn, zo mooi rond. Je hoort dat wel eens zeggen dat er niets stil staat, alles is rond, nou zo was dat ook met onze aak.

Na het ontroesten werd het vlak in de teer gezet, het boeisel in de primer, voordek en achterschip in de lijnolie. Een nieuwe motor werd binnenboord getakeld (Volvo Penta) en in de kist geplaatst. Half mei voer de LE 10, toen weer als 'De Twee Gebroeders', van Gaastmeer naar Harlingen, naar de Rommelhaven. Volgende week wordt de LE 10 in Gaastmeer officieel herdoopt, ruim zeventig jaar nadat de Lemster werfarbeiders werkend voor zestien cent per uur, de aak fabriceerden.

Dit is de eerste LE 10 van ongeveer 1896 - 1903, later is er weer een nieuwe aak gemaakt ook met het nummer LE 10, overgenomen in verband met het vis-recht-nummer.

Meer foto's

LE 10
PDF – 1,7 MB 450 downloads

Jan Brilleman.

Foto van Roelof Varkevisser: De LE 10 droogleggend voor de (wadden)kust van Vlieland. (23-7-2013)