Verborgen verbanden

Door: Dirk Huizinga

Als het gaat om historische foto’s van bijvoorbeeld de Zuiderzeevisserij of de palinghandel in Heeg, kijken we meestal alleen naar de vissersschepen, terwijl die op zichzelf helemaal geen bestaansrecht hebben. Op de foto van de Syl in Heeg zien we links een aaljager, voor een aallegger en rechts een palingaak bij de werf. De aalvissers zijn elders, aan het vissen.

Dat alles is niet vanzelfsprekend. In 1812 tijdens de Franse Tijd rapporteerde de Prefect van het Departement Friesland aan het centrale gezag dat er langs de Friese Zuiderzeekust geen sprake was van visserij. Alleen in Stavoren waren 12 vissers die met kleine bootjes drie maanden per jaar op zee vlak langs de dijk met fuiken op paling visten. Die visten echter niet zomaar uit eigen beweging op aal, maar op grond van een overeenkomst met vishandelaren van de familie Visser uit Heeg.

Vissen op de Zuiderzee was vrij, maar wat moesten de vissers met die vis? Er was voor hun geen mogelijkheid de vangst te verkopen, er was geen afzetmogelijkheid. Het had voor de kustbewoners daarom geen zin om de vis te vangen.

Heeg, De Syl, centrum van de internationale palinghandel vanuit Friesland.

De vishandelaren hadden in de 18e eeuw echter met het Waterschap geregeld dat er vlak langs de dijk bij Stavoren gevist mocht worden en lieten vervolgens de 12 vissers die zich verenigd hadden tot het Staverse vissersgilde onderling regelen hoe zij het visgebied verdeelden. Dat gilde zorgde voor een monopolie voor de 12 vissers dat bleef functioneren totdat de Zuiderzee in 1932 werd afgesloten.
De gevangen aal kochten de handelaren voor een vaste (lage) prijs van het gilde. Behalve 12 kleine fuikenbootjes lag er daarom in de vissershaven ook een blazer. Dat grote schip was van de handelaren en diende als legger, als berging voor de aal die in leven moest blijven.

Diezelfde vishandelaren uit Heeg, Gaastmeer en Workum, allemaal familie van elkaar, kochten niet alleen de aal van de Staverse vissers, maar kochten ook paling van binnenvissers in Friesland die met visaakjes bij fuiken en dichtzetten lagen te vissen.
Die binnenvissers mochten ook niet zomaar ergens gaan vissen. Ook zij moesten ieder jaar een visperceel zien te pachten van de eigenaar van het water. Ook die vissers waren geen zelfstandige ondernemers. Ze konden dit alleen doen, omdat zij een contract hadden met deze palinghandelaren, zodat zij verzekerd waren van afzet. De palinghandelaren op hun beurt lieten schippers met zeilscheepjes varen, palingjagers, die de levende aal bij de vissers opkochten en naar Gaastmeer brachten, waar die bewaard werd in grote leggers die in het water dreven. De aaljagers waren de koeriers in dienst van de palinghandelaren.

Deze organisatie was voor de palinghandelaren noodzakelijk om te kunnen beschikken over voldoende levende paling die zij op de beroemde Londense vismarkt, op Billingsgate Fishmarket, konden verkopen. Zij hadden op de Thames zelfs een vaste ankerplaats voor hun grote palingaken, vlak voor de overdekte vismarkt. Daar in Londen woonden de uiteindelijke klanten voor de aal die in Friesland werd gevangen. Zonder toegang tot de Londense markt, zouden er in Friesland veel minder palingvissers zijn. De economische keten moet je dus eigenlijk vanuit Londen teruglezen tot aan de binnenvisser die het recht koopt om in een vaartje een dichtzet te mogen plaatsen.

Voor de vangst van ansjovis op de Zuiderzee geldt een vergelijkbare keten. Het vissen op zee was vrij, daar was geen toestemming voor nodig. Toch werd dat visje pas interessant om te vangen, toen het mogelijk werd deze vis naar klanten te brengen. In 1845 werd Amsterdam met het nieuwe Nederlandse Rhijnspoor verbonden met de Deutsche Rheinbahn en werd het mogelijk ansjovis met de trein naar klanten in Zuid-Duitsland te brengen. Zonder die vervoersmogelijkheid was het zinloos voor de Zuiderzeevissers om ansjovis te vangen. Er waren geen klanten voor, er was geen afzet, dus deze onverkoopbare vis werd alleen als bijvangst meegenomen.

De vissers langs de Friese kust gingen pas ansjovis vangen, nadat de Lemster handelaren Poppe de Rook en Jan Pen in 1883 staand want voor ondiep water op de markt brachten, waarmee vanuit kleine bootjes haring en ansjovis gevangen kon worden. Pas daarna kwam de Zuiderzeevisserij langs de Friese kust tot ontwikkeling. De vissers leverden daarbij al hun gevangen ansjovis af bij zouterijen van de Lemster handelaren De Rook en Sterk, die het daarmee voor die vissers zinvol maakten om überhaupt te gaan vissen. Er wordt wel eens afgegeven op 'het kapitaal', maar zonder kapitaal om te investeren zou er niet veel arbeid overblijven.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.