Toeval?

Door: Dirk Huizinga

Toeval bestaat niet, volgens een modieuze slogan, en ook een beroemd filosoof als Baruch de Spinoza meende dat al wat gebeurt, noodzakelijk gaat zoals het gaat. Accepteren dat zaken toevallig gebeuren en even goed niet hadden hoeven te gebeuren, is lastiger te accepteren dan het idee dat alles nu een keer is zoals het is. En zo zien we op de foto van Hindeloopen drie botters, een houten visaak (HI 30), een tjalk en twee visvletten als een vanzelfsprekende werkelijkheid van zo'n honderd jaar geleden.

Het zal wel zondag zijn. De leugenbank naast de sluis is druk bezet. Dat is dus geen toeval. Maar die schepen zijn dat wel. Nog eens honderd jaar eerder werd er vanuit Hindeloopen namelijk niet beroepshalve gevist. De visserij kwam door toeval tot ontwikkeling, dankzij de activiteiten van twee Lemster ondernemers. Dat de Hylpers hier omstreeks 1930 met botters en een aak vissen, is geen toeval, maar het gevolg van de winstgevende visserij met jollen, waarmee zij eind 1800 begonnen. De Lemster vishandelaren kochten de vis die de Hylpers vingen op en hadden ter plaatse rokerijen en zouterijen om de vis te verwerken en te kunnen bewaren. Zonder de gegarandeerde afzet van de gevangen vis bij de vishandelaren zouden de Hylpers ook helemaal niet de zee op zijn gegaan om vis te vangen. Zelf hadden ze namelijk geen mogelijkheden de vis te verkopen.

Die grote visvletten zijn wel weer toevallig. De vissers langs de Hollandse kust in de zuidelijke Kom van de Zuiderzee visten traditiegetrouw met botters die een kuilnet door de zee trokken. Met gaand want, dat door de botter wordt voortbewogen. In de 20e eeuw komen er ook vissers die met staand want haring en ansjovis proberen te vangen. Met netten die verticaal in het water staan en met ankers verbonden zijn aan de zeebodem. Dat was de vinding van de Lemster vishandelaren. De botters bleken echter minder geschikt om op die manier te vissen. De visserij met staandwant ging beter vanuit een kleiner open scheepje, bijvoorbeeld vanuit een vlet, dat gevuld met de staande netten, de beug, met een botter of een aak naar de visgronden werd gesleept.

Die grote visvletten die in de 20e eeuw op de Zuiderzee werden gebruikt bij de botters en aken, zijn er niet steeds geweest. Ze zijn nodig om met staand want te kunnen vissen. Die noodzaak berust op toeval. Als Poppe de Rook en Jan Pen uit De Lemmer niet toevallig hun staand want voor ondiep water hadden ontwikkeld, hadden deze vissers geen visvletten nodig gehad en hadden de werfbazen geen vletten hoeven te bouwen. Alles hangt met alles samen, toeval bestaat niet, maar tegelijkertijd zijn toevallige ontwikkelingen die helemaal niet noodzakelijk plaats hoefden te vinden de bron voor vele nieuwe activiteiten, die door die bron weer een noodzakelijk karakter krijgen.

Het lijkt een woordenspel, maar de gedachte dat essentiële ontwikkelingen toevallig gebeuren, dat uitvindingen en innovaties contingent zijn, maakt het leven wel veel spannender en meer de moeite waard.

Makkum, ca. 1927. Twee botters met stalen vletten hebben de vangst afgeleverd.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.