Mijn jeugdjaren in Kamp Lemmer
Mijn jeugdjaren in Kamp Lemmer. Dit verhaal kwam per mail binnen met een publicatie verzoek zodat dit verhaal niet verloren zou gaan. Dit is een authentiek bericht waaraan niets is toegevoegd of weggelaten.
Op 1 december 1950 vertrokken wij als gezin (familie Petitjean: vader, moeder en 4 kinderen) met het Engelse schip ss ‘MALOJA’ van Tandjong Priok, voormalig Nederlands-Indië (nu Indonesië) naar Nederland. Op 28 december 1950 kwamen wij in Nederland aan. Nadat we aangekomen waren in Amsterdam, werden we in bussen vervoerd naar Lemmer (Kamp Lemmer). Maar van de busreis van Amsterdam naar Kamp Lemmer kon ik me merkwaardig genoeg niets meer van herinneren. Dat stukje is uit mijn geheugen verdwenen. Misschien dat ik door vermoeidheid in de bus in slaap was gevallen.
Kamp Lemmer bestond uit 2 à 3 groene houten barakken, die naast elkaar waren geplaatst. In die barakken waren circa 20 gezinnen gehuisvest. Deze gezinnen waren o.a. Nederlandse, Indische Nederlandse en Molukse gezinnen. De meeste mannen waren KNIL-militairen. Toen wij in Nederland aankwamen, werd mijn vader overgeplaatst naar de Koninklijke Landmacht (KL).
Kamp Lemmer was zover ik me kan herinneren niet afgesloten met een hek, had een centrale keuken en een algemene grote ruimte om te wassen en douchen. Aan buitenkant van Kamp Lemmer waren er wilgenbomen geplant als omheining. De gezinnen hadden volgens mij geen eigen keuken. Alleen slaapkamers en een kleine zitkamer. Er was een kachel aanwezig. De kachel werden gestookt met eierkolen. Warme maaltijden, brood en melk kregen we van de centrale keuken. De warme maaltijden bestonden uit Nederlands en Indisch eten. Bijna elke dag kwam de melkboer met een grote wagen verse melk en eieren brengen. Ik weet nog dat de melkboer altijd houten klompen aanhad.
In de winter van 1950 werden we met een bus naar het bekende warenhuis V&D in Heerenveen gebracht om kleren te passen. Ik kreeg een trainingspak, kaplaarzen, een winterjas en een wollen trui. Ook mijn ouders en broers en zus kregen hun kleding. De vier jaargetijden waren, zover ik me kon herinneren, altijd stil in de polder. Eromheen zag je toen alleen maar boerderijen en weilanden. Je zag niet veel of nauwelijks auto’s rijden. In de winter van 1950 speelde ik vaak buiten. Ik was als 10- jarige jongen één van weinigen die vaak buiten speelde.
Op de bevroren sloten in de weilanden leerde ik schaatsen met de schaatsen (doorlopers) van een meisje van de dichtstbijzijnde boerderij. In de zomer gingen we in het kanaal de Lemster Vaart vaak vissen, met een hengel van een wilgentak, vlakbij Kamp Lemmer. We vingen meestal rietvoorns.
Langs het kanaal liep een hele lange geasfalteerde weg naar Emmeloord. En een van de zijwegen bij een driesprong, zag je aan de rechterkant Kamp Lemmer op een hoek en een boerderij aan de linkerkant. Na schooltijd gingen we bij een waterval stekelbaarsjes vangen uit de sloten. Van de Kamp leiding kregen de kinderen soms van hem opdrachten. Bijvoorbeeld om op een wilgentak iets moois in te kerven met een zakmes. Er waren drie prijzen te winnen, ik had de derde prijs van de 10 kinderen.
We gingen in Lemmer op school, ik dacht de Openbare School, in de nabijheid van een kerk. Mijn schoolkameraden waren de gebroeders Verschoor, Bram en Bert. Hun vader werkte op de Lemsterboot de ‘JAN NIEVEEN’ als stuurman of kaptein. De Lemsterboot voerde van Lemmer naar Amsterdam en terug. Na schooltijd mochten we (mijn broer en ik) vaak op de fietsen van de jongens Verschoor naar huis meerijden. De jongens leerden op Kamp Lemmer het Indisch eten (Nasi Goreng) van ons kennen. Dat is wat anders dan boerenkool met worst. En Wiegerd, mijn andere kameraad had een grote boerderij van zijn ouders. Soms gingen we na schooltijd ook vaak naar de vissersbootjes (botters) kijken, die achter de huizen op de grond droog lagen en we gingen naast de bootjes ook naar vishaakjes tussen de visnetten zoeken. Ook gingen we ’s-middags over de brug vaak naar ‘us Mem’ van Bam en Bert. Van haar kregen we altijd wat lekkers, zoals een stukje cake.
In 1952 begon langzamerhand de verhuizing van de vele bewoners naar elders in Nederland. De families die ik persoonlijk kende, waren familie van der Wijk die naar den Haag ging, de familie Vis naar Steenwijk en de familie Roumimper. Zij gingen naar Zoetermeer. Wij moesten naar Ginneken een wijk in Breda verhuizen en daarna naar Roosendaal. De andere gezinnen moesten ook naar elders in Nederland verhuizen. In 1952 en daarna liep Kamp Lemmer langzaam leeg. De barakken werden – wat ik gelezen heb- gesloopt. Daarna werden ze naar Zeeland vervoerd en hergebruikt.
En zo eindigt hierbij het jeugdverhaal van de heer A.R. Petitjean vanaf 1950 over Kamp Lemmer. Nu ik 80 jaar ben, wil ik nu mijn jeugdherinneringen doorgeven, omdat het anders te laat is.
A.R. Petitjean
17 december 2021: De Lemster Krant.
Reactie plaatsen
Reacties