Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » Herinneringen aan Lemmer 100 jaar geleden

Herinneringen aan Lemmer 100 jaar geleden

Door Geurt Kuiper


1882 - 1962

Ynze Geurt Kuiper, zoon van Janke Hotzes Veldman, geboren in Oldeboorn, Utingeradeel. Gehuwd 1881 met Homme Kuiper, geboren in Harlingen, zoon van Ynze Goverts Kuiper en Zwaantje Hommes Poort.

Huisje 1

Wat ik uit mijn kinderjaren in de Lemmer nog weet, is alweer heel wat meer gedetailleerd. Ik denk dat ik 5 of 6 jaar was toen we daar heen gingen. (1887) We hebben er in drie huizen gewoond.

1. Het huisje dat ik op onze tocht Heilo - Staveren, - Lemmer - Amsterdam - Rotterdam, in het jaar 1930, gefotografeerd heb, gezien van de brug, aan een smal straatje langs de Rien, (het kleine riviertje, dat daar in de Zuiderzee uit mond).

2. Het huisje onderaan de Zeedijk (richting Oosterzee) waar we op dezelfde tocht met de vader van Fedde Schurer, die er toen in woonde, hebben staan praten.

En 3. Het zogenaamde "geitenhokje" een houten woning, deel van een houten schuur van de scheepswerf van Bakker (aan de Langestreek) aan het westelijk uiteinde van De Lemmer (de werf die al verdwenen was toen wij Lemmer bezochten)

Huisje 2: In het middelste huisje heeft Fedde Schurer van 1904 tot 1924 gewoond.

Afdruk van: Monumentenwandeling

Huisje 3: Poppe Cornelis Bakker. bewoonde het pand Langestreek 28 te Lemmer. Dit was een achttiende eeuwse herenhuis onder schilddak met hoek-schoorstenen.

In het eerstgenoemde huisje hebben we de zeer strenge winter van 1888 meegemaakt, en er diepe armoede geleden, maar ook een grote uitkomst beleefd. Ik schreef al dat Pa al gauw door zijn baas, die hem had laten overkomen voor een "vaste" betrekking, was ontslagen. Niemand kende ons daar. Mijn Pa en Moeke durfden niet met hun armoede voor de dag te komen; zij waren te trots om iets te vragen.

Het enige wat zij deden om aan een paar centen te komen was; op een vierhoekige lap oud zeildoek, met stukjes ongeteerd en geteerd manillatouw een soort smyrna -kleedje maken, met in het midden een figuur: met een anker of een liggende hond, en ook een rand van stukjes geteerd touw.

Als zo'n mat, heel geschikt als deurmat bij de buitendeur klaar was, trachten ze hem te verkopen. Ik zie mijn vader nog ijverig werken aan zo'n mat, hij trok met rood krijt strepen op het zijldoek, en tekende er het figuur op, en met een els stak hij door het op de strepen gevouwen zeildoek gaatjes, waar doorheen dan de stukjes touw werden gestoken en later open geplozen tot twee pluimpjes. Als alles klaar was werd de mat omgezoomd.

Gegoede burgers wilden zo'n degelijke mat wel voor 4 of 5 gulden kopen. Maar hoe het verkopen in zijn werk ging, dat was voor die trotse Friezin, die mijn moeder was een toer op zichzelf. Als het half donker was, ging zij met de mat onder haar schort op haar doel af: een rijkelui huis. Ik moest mee, dan voelde zij zich tenminste niet zo eenzaam. Ze stond eerst langs de walkant wat te dralen, en dan zette ze toch maar door en trok aan de bel. Gelukkig werd zij niet als een bedelares weggestuurd, maar werd de mat gekocht. En we hadden de andere dag weer brood, we konden met ons gezin van zes personen weer even vooruit.

Maar in de winter is de nood hoog gestegen. Het vroor dat het kraakte. Er was geen eten en geen brandstof meer in huis. Wij als oudste kinderen waren wel onder de indruk, als we pa en moeke teneinde raad in de ijskoude kamer zagen zitten. Zij hebben ongetwijfeld om uitkomst gebeden. En hun gebed is op bijzondere wijze verhoord.

De andere morgen liep een vrouwtje, een der buren, langs de bevroren ramen. Zij begreep dat er iets niet in orde was. Zij kwam binnen en voelde aan het ijskoude fornuis. ze begreep alles, "dat dacht ik wel, zitten jullie hier met elkaar te verhongeren"?. Zij sloeg onmiddellijk alarm. Binnen enkele uren wist half of misschien wel heel Lemmer, dat bij het gezin van de zeilmaker de nood zo hoog gestegen was.... en de gaven stroomden onze woning binnen.

Het leek ons een wonder Gods, dat iedereen zo bewogen was met ons lot, want het waren bijna allemaal vreemden voor ons. We konden weer geruime tijd eten, en ons verwarmen. Ook kreeg mijn vader weer werk. Zo werd hij hulp telegrambesteller en moest als zodanig lange voetreizen maken, naar naburige dorpen en gehuchten. Ik weet ook dat hij in de Lemmer weer een zangvereniging heeft geleid.

Men scheen hem voor allerlei karweitjes te kunnen gebruiken, Zo heeft hij bij een grote Sint Nicolaas viering eens de rol van de goede Sint vervuld, in de zaal naast de Hervormde kerk. Jans en ik mochten daar ook bij zijn. Daar zag ik de eerwaarde grijsaard binnen schrijden. Zijn zware stem, (die mij zeer bekend voor komt) spreekt de kinderen toe. Hij zegt o.a. dat de kinderen van zoveel jaar naar voren moeten komen om een geschenk in ontvangst te nemen. Als ik mijn leeftijd hoor wil ik opstaan, maar wat is dat? Sint Nicolaas komt naar de rij waar ik zit, en mij met zijn kostbare staf aanraakt, beduidt hij mij dat ik moet blijven zitten.

De bedoeling bleek later, toen hij mij bij de hogere leeftijd indeelde, om me een meer waardevol geschenk te kunnen geven. In dit verband schiet me nu te binnen, dat wij arme kinderen omstreeks Sint-Nicolaas meer dan eenmaal gelukkig werden gemaakt, doordat mijn welgestelde oom Sierd en tante Hiske uit Harlingen ons een groot pakket stuurden. Daar zaten kleren in, maar ook prachtig gebruikt speelgoed, nog in zeer goede staat. Ik herinner mij nog een grote stal met paardjes, die nog meegegaan zijn toen we naar Delfshaven verhuisden, en waarmee we hier nog gespeeld hebben. Ja al hadden we het in De Lemmer arm, als kinderen voelde we ons toch gelukkig.

Mijn ouders hebben het daar niet gemakkelijk gehad. Zo herinner ik mij nog levendig, want ik trok het mij sterk aan, dat mijn vader eens een poging deed om uit deze armoede - plaats weg te komen, naar een plaats waar meer werkgelegenheid was. Hij ging op zekere dag met de boot naar Amsterdam om......daar aan de haven sjouwerman arbeid te verrichten. Lui was hij geenszins!.

Maar een zeilmaker tussen de 30 en 40 jaar oud, altijd gewend aan een zittend leven, wilde zijn krachten beproeven in het zware bootwerkers vak! Hij had zijn krachten natuurlijk overschat, want na een paar weken, we hadden al een paar brieven van hem ontvangen, kwam hij onverwacht thuis. Hij was onder een zware last in elkaar gezakt, en kon het werk dus onmogelijk volhouden. Ik zie hem nóg thuis komen, vermoeid en teleurgesteld. Het was in het "Geitenhokje".

Of het er spoedig daarna is geweest weet ik niet. Maar een poging om naar Holland te verhuizen is later wel gelukt. Maar ik loop daar niet op vooruit, want ik moet het nog hebben over enkele jeugdherinneringen van mij in de Lemmer. Veel mensen met wie we zo langzamerhand bekend waren, herinner ik mij niet, maar wel enige hunner, zoals de smid Wierda, wiens werkplaats en woning grensde aan het huis aan de Rien, waar we de wonderlijke uitredding beleefden. (Waarvan mijn vader zoals ik vergat op te schrijven, een getrouw verslag op heeft gemaakt, en dat hij voor de zangmuziek gebruikte (hectograaf had vermenigvuldigd met het motto) "Ik zal gedenken hoe voor dezen ons de HEER heeft gunst bewezen". (Een exemplaar hiervan heb ik in 1927 in Grand Rapids, Michigan, nog bij de oude papieren van mijn moeke gezien). Van Wierda weet ik echter geen bijzonderheden.

Gerrit Wierda, is in 1898 is begonnen met het bouwen van zeeschouwen, woonde en werkte aan de Polle-hoek-Polderdijk.

Scherper herinner ik mij Jan de Roos, een onzer goede kennissen, een matten en kleden koopman, die een winkel had in de kom van de Lemmer, aan de noordzijde van het water, vlakbij de openbare school. Hij was nogal gezet en droeg gouden ringetjes in de oren. Wij bezochten hem nogal vaak.

Vrij scherp herinner ik me meester Zeeman, zijn zieke vrouw en zijn zoon Cornelis. Ze woonden voor mijn toenmalig begrip in een groot huis dat ze deelden met zijn zwager Bakker. De eigenaar van de scheepswerf bij ons "Geitenhokje". De grote achtertuin van het huis, was tevens het uitzicht van onze woning. Hoe rustig was het daar! Met meester Zeeman, hoofd van de openbare school, waren wij goed bevriend.

Mijn moeder werd door de ziekelijke kouwelijke mevrouw Zeeman, vaak te hulp geroepen o.a. toen er een kleintje geboren werd, dat algauw overleed. Ook bij de familie Ds. Stelma, die vlak naast onze toegangsplaats met teertonnen woonde, ging ik met mijn moeder vaak helpen en ze bracht dan nogal eens lekker eten, dat overgebleven was mee.

Eén der herinneringen uit het "Geitenhokje" was dat meester Zeeman, 's avonds zijn zoon van de werf moest thuis roepen. Met zijn krachtige stem klonk het dan in de stille omgeving, Cornelis! "Ja pa" en even later was Cornelis braaf ter bestemming. Hij is dominee geworden. In de tijd dat wij de bewoners van het geitenhokje waren, was Cornelis een opgeschoten jongen. Hij heeft met een aantal vrienden, ons en andere kinderen eens onthaald op een toneelstukje, waarvoor zij een toneel en zitbanken hadden geïmproviseerd op de zolder boven onze woning. Ik begreep er nog niet veel van, maar het was in ieder geval mijn eerste kennismaking met het toneel.

Bakker de eigenaar van de werf, kende ik alleen op afstand. Hij was meen ik vrijgezel, en stond in de Lemmer bekend als een uitstekend zwemmer. Zelf heb ik eens stomverbaasd over zoveel durf, gezien hoe hij uit het vrij brede water tegenover zijn huis, een jongen redde, die al gezonken was. Gewaarschuwd voor het gevaar dat het jongmens dreigde, daar aan de overzijde, liep meneer Bakker in zijn witte hemdsmouwen pardoes het water in, en kwam weldra aan de overzijde met de drenkeling te voorschijn.

Op de binnenplaats met teertonnen heb ik ook mijn eerste besef gekregen van het mysterie van de natuur om mij heen. Ik lag vaak in het gras en bekeek dan b.v. naar de daar veel groeiende weegbree, van wiens geestkracht ik op school en thuis gehoord had. Ook leerde ik daar de over onze regenton hangende gouden regen kennen, doordat ik voor zijn giftigheid gewaarschuwd was.

Ik bewonderde ook de witte stapelwolken die uit zee kwamen overdrijven. Ja daarin en om het sobere geitenhokje waar ik 's avonds de muizen rond het nachtlichtje zag marcheren, of over mijn dekens voelde lopen, waar ik in de donkere bedstee me beangst maakte voor de prentjes van de nacht. Afschuwelijke tronies, die de een na de ander op mij toe kwamen, heeft mijn geest een hele ontwikkeling door gemaakt.

Zondags als pa niet werkte en geheel te onzer beschikking was, genoten we dubbel. Dan kon hij met ons praten en vertellen. Met mooi weer zaten we op een bank, vlak voor ons raam in de tuin van meester Zeeman. Ik weet nog dat daar ook perenbomen stonden met in het najaar heerlijke vruchten.

Tegenover de herinneringen van het geitenhokje, zijn die van het huis aan de Oostzijde van De Lemmer, dat achter de Grienedyk, vlakbij een andere scheepswerf en een aantal grote houtloodsen lag, niet zo rijk. De loodsen met hout behoorde bij een houtzaagmolen, waar ik dikke bomen tot planken zag zagen. Ons huis grensde aan de achterzijde aan het water van de Rien, in het genoemde riviertje hier heb ik voor het eerst gehengeld, vlakbij de ramen waar mijn moeder mij kon waarnemen.

Op de houtwerf ben ik zonder een mij bewuste aanleiding eens pijnlijk afgerammeld door een oudere jongen, die met een stok op mij af kwam. Dit heb ik nooit vergeten, want ik was er diep door gekrenkt in mijn rechtsgevoel. In dit geval denk ik ook aan onze buren, een Joodse familie met een half-wijze volwassen zoon, Jozef. Hij werd door de jongens van de plaats wreed nageroepen en geplaagd, totdat hij hard huilend en schuimbekkend naar zijn ouderlijk huis vluchtte. Bij zo'n gelegenheid is de stakker te water gelopen en verdronken, hetzelfde is ook een achterlijk vrouwtje overkomen. De jeugd in Lemmer was wel hard en wreed.

Eens heb ik nabij dit huis een kwartje waarmee ik een boodschap moest doen, spelend weggegooid in een diepe werkput voor de nieuwe sluis, die destijds gemaakt werd. Wat een schrik en schaamte voor mijn onbedachtzaamheid en lompheid, terwijl ik wist dat een kwartje voor mijn moeder zoveel betekende!.

Ik ben in de Lemmer een paar jaar op de lagere school geweest. Hoofd was meester Funcke. Deze is zeer oud geworden. Een paar jaar geleden is hij, ik las het in de krant, ik meen te Zeist overleden. De andere onderwijzer was Salberda, een man met een scherpe kromme neus, zoiets als de neus van mijn vader, doch met een extra schotje in één der neusgaten, zodat hij drie neusgaten leek te hebben.

Vermoedelijk uit tactische overwegingen om orde van zijn 2 of 3 klassen in één lokaal te herstellen, liet hij al zijn leerlingen tegelijk iets zingen. Tot zijn repertoire behoorde het A,B,C. lied, de kinderen zongen het hele alfabet uit, terwijl zijn zware basstem deze tekst, als tweede stem erdoor heen zong, en wel zo hard en duidelijk dat we het woord voor woord verstonden.

Van de school werkzaamheden zelf heb ik geen herinneringen meer, wel van een mijner schoolvrienden, een zekere Willem Platte, zoon van een weduwe die vanwege haar lengte "Greate Janke" genoemd werd. Zij was wasvrouw en woonde nabij de Hervormde kerk, in een steegje aan de grote vierhoekige bleek. In haar huisje was het altijd schemer, door het vele wasgoed dat er te drogen hing en "Greate Janke" leek in haar woning altijd nog veel groter, dan ze in werkelijkheid was, omdat ze de gewoonte had om het wasgoed met haar eigen gewicht te mangelen. Ze zat op een stapeltje schoon wasgoed en hield zich ondertussen bezig met het vouwen van andere stukken wasgoed.

Willem Platte zien we hier als vierde van links.

Voor ik met mijn aantekeningen over ons verblijf in De Lemmer eindig, nog een paar bijzonderheden. Mijn vader nam mij wel eens mee op zijn voetreizen in de omtrek. Bijvoorbeeld eens naar Sloten, de typische kleine vesting met wallen en brugpoorten. Dat plaatsje maakte veel indruk op mij. Daar de zeilmakerij achteruit vloog pakte mijn vader allerlei los werk aan. Ik weet nog hoe wij om hem in de war hebben gezeten toen hij om een daggeld te verdienen, meedeed aan het trekken van vele mannen aan een zware kabel, met het doel een in het ijs bekneld schip de haven binnen te slepen. Het gebeurde namelijk meerdere keren dat door de kronkelende kabel, waarop zoveel spanning kwam te staan, een der mannen tegen de basalt-stenen werd geslagen en dood werd opgenomen.

Toch heeft hij zijn beroep als zeilmaker ook in de Lemmer kunnen uitoefenen, want ik herinner mij nog, dat hij boven op zolder 'boven het geitenhokje' een zeil zat te repareren. De Lemmer had een bijzondere sfeer van zee - haven en vissersplaats gecombineerd met een plaats van veeteelt, want er lagen prachtige boerderijen vlakbij. Ik heb daar eenmaal een boerderij brand meegemaakt, tenminste de gevolgen van de ramp gezien met de door vuur verschrompelde peertjes nog aan de bomen op 't hiem'.

Terwijl ik in De Lemmer woonde, is Koning Willem de Derde gestorven. Mijn vader moest het telegram uit Den Haag naar de Burgermeester, van een naburige plaats brengen. Als iets behaaglijks en tevens iets dreigends voelde ik het, dat wij in de Lemmer altijd de zee hoorden ruisen, wind en water speelde toen reeds een rol in mijn leven. Als mijn oudste zus en ik 's winters of in de herfst uit school kwamen, liepen we hand in hand, en dan hoorden wij de wind, en de branding achter de dijk, en als we de houtzaagmolen passeerden, zoefden de wieken in razende vaart door de lucht.

Er kwamen daar nogal eens waterhozen uit zee opzetten. Men had ons zo van het gevaar doordrongen, dat we bij hevige wind, angstvallig speurden naar zo'n naar beneden hangende wolken kous (hoas)! Als we er één vermoeden, gingen we volgens voorschrift plat op de grond liggen. Ook anderen natuurwaarnemingen heb ik in de Lemmer opgedaan, met name aan de Straatweg die van de Lemmer in noordelijke richting loopt. Het meest is mij bij gebleven dat op zwoele vooravonden, zwaluwen vlak over het water van de sloten scheerden. Wat was dat allemaal mooi en geheimenis.

Ondanks alle armoede die we er geleden hebben heb ik er als kind veel genoten. Maar op zekere dag bevond ik mij met mijn moeder en vier zusjes en ons schamele huisraad op de boot van de 'Holland Friesland lijn' op weg naar Holland, naar Rotterdam. Ook onze Lemster tijd was voorgoed achter de rug. Er zouden zich nieuwe vergezichten voor mij openen. Mijn vader had een betrekking gekregen bij de zeilmaker Teekens, aan de Aelbrechtskolk te Oud Delfshaven.

Johannes Christoffel Teekens, geboren op 29 februari 1836. Zeilmaker te Delfshaven, Zuid-Holland, overleden op 23 januari 1905.

De Aelbrechtskolk, in 1850.


TOP