Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » Jan de Blaauw en Jette Bootsma

Jan de Blaauw en Jette Bootsma

Mijn naam is Tjitske de Blaauw en ik ben geboren op 12 januari 1946 als oudste dochter van Jan de Blaauw en Jette Bootsma. Na mij zouden er nog 3 dochters volgen.

Jan de Blaauw en Jette Bootsma

Mijn eerste levensjaar bracht ik door op het Turfland. Mijn ouders woonden in bij een broer van mijn moeder, omke Sake. Zijn vrouw was heel jong overleden en hij bleef met een zoontje achter. Mijn moeder verzorgde de huishouding.

Later verhuisden mijn ouders naar een bovenwoning boven een visopslag aan de Langestreek toen ik 2 jaar was. Het pand aan de Langestreek bestaat nog en is nu een woninginrichtingszaak. In het pand ernaast woonde een vrijgezelle vrouw die kwam mijn moeder helpen wanneer ik moest eten. De buurvrouw kneep dan mijn neus dicht en mijn moeder stopte het eten erin. Ik had toen ook last van schurft. Het zullen de naweeën van de oorlog wel geweest zijn. Die woning is nu het architectenbureau van de Jong.

Na de Langestreek verhuisden we naar de 3e Parkstraat. Wij woonden op de hoek naast de Flevostraat. Onze buren waren de vissersfamilie Visser. De huizen waren klein. Een slaapkamertje beneden, kamer en een keukentje, boven een slaapkamertje en een zolder. We hadden wel water maar geen afvoer. Het water werd opgevangen in een emmer en buiten leeggegooid.
Onze WC was buiten en we deden onze behoefte op tonnen. Die tonnen werden 1 keer in de week geleegd. WC-papier bestond uit oude kranten die in stukken waren gescheurd. Toen we klein waren gingen we in de tobbe in bad. Dit klusje deed mijn vader op zaterdag. Als het winter was gebeurde dat voor de kachel waarin alles gestookt werd wat maar branden kon. Soms stonk dat verschrikkelijk.

Toen ik wat ouder werd ging ik met een bak met water naar boven om mijzelf te wassen en later toen er een badhuis kwam ging ik daar naar toe. Dat kostte 25 cent. Naast het badhuis was de openbare Mulo waar ik later naar toe zou gaan. De lagere schooltijd bracht ik door op de Dam.

Mijn ouders hadden het niet breed. Toen ik nog klein was viste mijn vader bij zijn ooms. Eerst bij oom Jan en Andries, later bij oom Gerrit. Die woonde met tante Jeltsje aan de Vissersburen in het huis met de blauwe stoep. De Rien was toen nog niet gedempt. Op zaterdagochtend ging ik met mijn vader naar oom Gerrit om zijn besomming van de week op te halen. Ik kreeg dan een stuk Urkerbrok, dat kocht tante Jeltsje bij Scheffer in de Schans. Later heeft Hielke de Groes in het huis gewoond. Nu is dat huis er niet meer. Oom Jan en Andries woonden met hun zuster Fokje aan de Lijnbaan. Zij zijn allemaal vrijgezel gebleven. Ik maakte later mijn huiswerk bij hen thuis. Bleef daar vaak brood eten. Altijd roomboter op brood met kaas en soms een ei erbij.

Mijn vader werkte later op de Houtmolen, de melkfabriek in Oosterzee, bij de Zuiderzeewerken en in de havens van Amsterdam. Hij zou later in het ruim van een schip vallen en worden afgekeurd om te werken.
Hij was toen de hele week van huis en mijn moeder hield het gezin draaiende. Naast haar gezin had ze werkhuizen en deed de was voor een gezin dat aan de Straatweg woonde. Alles werd op de hand gewassen en bracht 5 gulden op. Op zaterdag bracht ik op de fiets de schone was daar naar toe. Ik moest als ik ‘s morgens uit school kwam de aardappelen opzetten omdat mijn moeder pas om 12.00 thuis kwam. Vaak bracht mijn moeder als ze moest werken, ons naar tante Riek in het Achterom. Die was getrouwd met omke Leeuwke een broer van mijn moeder. Ze hadden zelf geen kinderen. Daar kregen wij onze eerste patat frites. Tante Riek had als dienstmeisje in België gewerkt.

De was werd op de hand altijd buiten gedaan. Mijn moeder tilde de loodzware ketels met hete was naar buiten en deed die in de tobbe. Er werd met koud water gespoeld. Ook in de winter moest dat buiten gebeuren. Wat een leven. Mijn moeder was een sterke vrouw en nooit ziek.
Later verhuisden we naar het midden van het blokje van 4 huisjes. Dit was beneden wat ruimer omdat er een stukje bij de keuken door de familie Koornstra was aangebouwd. We hadden nu andere buren, de familie Sloothaak. Buurman Lammert werkte bij de tram.

Het was rond 1960 toen wij met garnalen pellen begonnen. Pure armoede, maar de halve Lemmer pelde garnalen. Je wist niet beter omdat bij ons in de straat iedereen garnalen pelde. Er was toen veel minder verschil tussen arm en rijk. Mijn vader had soms geen werk en de sociale voorzieningen waren niet toereikend voor een gezin met 4 kinderen waarvan er inmiddels 2 op het voortgezet onderwijs zaten. Mijn ouders wilden dat wij verder zouden leren, iets waar ze zelf nooit de kans voor hebben gehad. Zij wilden dat wij het beter zouden krijgen dan zij. Vooral in het gezin waarin mijn moeder is grootgebracht was het soms bittere armoede. 12 kinderen waarvan pake Leeuwke soms alleen met vissen de kost moest verdienen. Mijn moeder vertelde dat ze vaak met een stuk koolraap op bed gingen omdat er geen eten was.

Mijn vader kon goed leren, maar moest in de 3e klas van de Mulo van school aan het werk. Als mijn vader geen werk had was hij aan het netten breien en hoekwant klaarmaken. Na het maken van het huiswerk kwamen ‘s avonds de garnalen op de keukentafel. Mijn oate Tjitske en pake Lieuwe van vaders kant kwamen dan helpen. Het was dan ook wel gezellig met de radio aan en luisteren naar een hoorspel van Paul Vlaanderen. Mijn vader ging soms de hele nacht door met pellen om de garnalen klaar te krijgen. Meestal waren we rond een uur of tien klaar en dan bracht ik met mijn vader de gepelde garnalen naar de afslag. Zomers stonken de garnalen vreselijk en in de winter kwamen ze bevroren aan en dan moesten ze eerst voor de kachel om te ontdooien.
Wij hadden nooit nieuwe kleren, altijd tweedehands, ook de schoenen, die soms ook nog te klein waren. Ik moest van mijn moeder vaak voor 25 cent gebroken koekjes bij bakker Bles op de Kortestreek halen.

Wij speelden na schooltijd altijd buiten. Knikkeren, kop staan tegen de muur, landjesteken, touwtjespringen en hinkelen. Er waren veel kinderen in de straat om mee te spelen. Het was altijd gezellig in de straat. We hadden ook buurtfeesten. Onze straat werd de vrolijke buurt genoemd. Speelgoed hadden we bijna niet. Mijn moeder verstopte de cadeautjes voor Sinterklaas altijd in de donkere hoek op zolder. Daar kwamen wij achter. Als het sinterklaasavond was en de cadeautjes uitgedeeld werden hadden wij de kleurboeken al bijna vol gekleurd.

Bij ons werd er veel vis gegeten, omdat vlees vaak te duur was. De vis werd gekookt, gestoofd, gebakken en gerookt. Bovendien kreeg mijn vader veel vis. Op zaterdagochtend was mijn vader bezig met het roken van ondermaatse paling. Die werden uit Urk gehaald. Hij had veel kennissen op Urk vanwege de Zuiderzeewerken. Er werd altijd gerookte paling, vanwege overlast van het roken, naar de achterburen gebracht, de familie Boeienga. Hij was het hoofd van de Koningin Wilhelminaschool. Zij hebben nooit geklaagd over de rook van het palingroken. Fijne mensen.
Ik slaagde met heel goede cijfers voor de Mulo. De directeur, de heer van Heiningen, kwam persoonlijk bij ons langs om mijn ouders te feliciteren. Ik en nog een paar kinderen uit de Parkstraat waren de eersten die een Mulo-diploma behaalden. Dat vond van Heiningen geweldig omdat de meeste kinderen uit een volksbuurt al met 15 jaar aan het werk werden gestuurd.
Voor het examenfeest had mijn moeder voor mij een echt suède jasje op afbetaling bij postorderbedrijf Vos gekocht. Ook een nieuwe jurk. Mijn diplomacadeau van mijn ouders was een gouden ring. Omdat ik een hoge cijferlijst had kwam ik in aanmerking voor een studiebeurs. Ik zou naar de kleuterkweek in Leeuwarden.

Ik heb geen gebruik van de studiebeurs gemaakt, omdat ik zag hoeveel mijn ouders moesten zwoegen om de extra kosten te kunnen betalen. Bovendien zag ik tegen het reizen naar Leeuwarden op. Ik was toen zestien jaar. Toevallig kwam er een vacature bij het wegenbouwbedrijf van Van der Wal. Ik heb gesolliciteerd en werd aangenomen en kon van mijn eerst verdiende geld, 20 gulden, mijn ouders 10 gulden kostgeld betalen en mijzelf kleden. Zo kregen mijn ouders wat meer financiële armslag.

Toen ik 17 jaar was zijn we verhuisd naar de Urkerstraat. Wat een weelde. Een eigen slaapkamer en een douche.
Ondanks het feit dat we het thuis niet breed hadden hebben onze ouders ons met heel veel liefde en zorgzaamheid grootgebracht.

De Lemmer, 19 december 2018

Familie de Blaauw

Reactie plaatsen

Reacties

Tjitske de Blaauw
4 maanden geleden

Prima Roelie groetjes