Home » Historie-Friesland » Geschiedenis van Friesland |1| EERSTE TIJDVAK (1) » Geschiedenis van Friesland |8| VIERDE TIJDVAK (2)

Geschiedenis van Friesland |8| VIERDE TIJDVAK (2)

Foto van Wikipedia; Willem Frederik van Nassau-Dietz (Arnhem, 7 augustus 1613 – Leeuwarden, 31 oktober 1664)

37. STRIJD TEGEN BUITENLANDSCHE GEVAREN BIJ BINNENLANDSCHE WELVAART, TUSSCHEN DEN MUNSTERSCHEN EN DEN UTRECHTSCHEN VREDE. 1648-1713.

De vrede van Munster had in den staatkundigen toestand van Nederland eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins Willem II overleed (1650). Daar Groningen en Drenthe nu den Frieschen Stadhouder, Graaf Willem Frederik, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten dikwijls aanleiding tot hevige botsingen.

Friesland en zijn Stadhouder hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het overmagtige en overmoedige Holland, dat, sterk door zijne ligging, welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig had als bolwerken tegen Spanje, zijn belang en staatkunde voortaan alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen gelden. Dát Holland ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste vond het steeds een krachtigen bestrijder in Friesland.

Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te ’s Hage was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (unie, religie en militie). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen daar bijeen. Friesland zond er zestien van zijne bekwaamste staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende provincie, de vergadering door Dr. Pibo van Doma, Ontvanger en Dijkgraaf van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde Raadpensionaris Jacob Cats de voorstellen mededeelde en Hollands gezindheden ontvouwde.

Wel zegevierde de staatkunde dier provincie, al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in 1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins Willem II zoo ver ging, dat zij, bij eene acte van seclusie, diens eenigen zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de Staten van Friesland zich krachtig daartegen.

In hevige bewoordingen betoonden zij zich verontwaardigd "over de ongehoorde ondanckbaerheyt tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert, met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden”.

De afgevaardigden van Holland, stelden alle moeite in het werk, om Friesland dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden, Hautbois en van Wyckel, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van Holland, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen.

Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer van Brederode was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen Amsterdam ook bij Holland in ongenade gevallen.—Zóó ijverden de verbroederde gewesten tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen lands bedreigde.

  • De Engelsche oorlogen.

Hevige burgertwisten in Engeland hadden in 1649 ten gevolge, dat Koning Karel I, de schoonvader van Prins Willem II, onthoofd- en dit rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van Olivier Cromwell. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen Nederland, dat den verdreven koningszoon Karel II had opgenomen, en welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap over de zee voor zich alléén begeerden.

Hoe gevaarlijk het ook was, zich met die zeemagt te meten—voor ons land was een oorlog onvermijdelijk; vooral, nadat Cromwell onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt door de acte van navigatie (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd verboden, hunne waren binnen Engeland te voeren, ten zij met Engelsche schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen zouden uitrusten.

Van de eerste, of de directieschepen, zou Holland 38, Zeeland 9 en Friesland met Groningen 3 leveren; van de laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de Maas, van Zeeland en het Noorder-kwartier (Noord-Holland) ieder 161⁄2, Friesland met Groningen 171⁄2 en Amsterdam de overige 33 schepen bekostigen.

Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had Friesland, in vereeniging met Groningen, in 1596 een eigen Collegie ter Admiraliteit verkregen, hetwelk te Dokkum was gevestigd. Dan de minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen.

Ook later, toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645 volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar Harlingen, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en pakhuizen van het Collegie te bekostigen.

Van de gunstige ligging, ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad, welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen, verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en handel van Harlingen zelf scheen deze verplaatsing van zulk aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn.

En toch bleef het Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting, waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden. Het Collegie was alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2 millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie.

De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken, bemand met 500 matrozen, toebrengen. Bij herhaling deden de Staten hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in 1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld. toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat Friesland het zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.

Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen, die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden. Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde Michiel Adriaansz. de Ruyter zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in ’s lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30 schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de Engelschen,—op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf, de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit.

Deze was Douwe Aukes, bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten oorlog waren toegerust, de Struisvogel of Vogelstruis geheeten, gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van de Ruyter zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26 Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal George Ayscue, die 40 schepen onder zich had, bij Plymouth pas begonnen, toen bovengenoemd schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf, die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten.

De matrozen, ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten, wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de andere hand, "trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik in de hand hebbe.”

Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post. "En den valjanten douwe, die een Stuck op den Overloop hadde staen, waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; Douwe trefte die als de eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen (dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;” waarna onze dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit den drang te geraken en zich bij ’s lands vloot te voegen. In den avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en de Ruyter, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote overmagt, betuigde: "Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan verkrijgt men de overwinning”.

Nadat Johan de Witt in 1653 Raadpensionaris van Holland was geworden, deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654 gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen.

Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke zeevoogden de Ruyter, Corn. tromp, de With, van wassenaar en anderen grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee en de verdediging van Denemarken tegen Zweden (1655, 1659), door het straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met Portugal (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart en buitenlandsche bezittingen.

Karel II, die in Holland zoo vele blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed Nederland, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige onzer schepen en bezittingen.

De verontwaardiging over zulk eene handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon strekken. De Staten van Friesland waren thans meer dan ooit gezind, het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. "Nu ontwikkelde ook de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt.

Met geenen minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende en uitmuntendst bemande van ’s Lands vloot gerekend werden; waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven en zelfs te vermeerderen.

Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige overtrof.

Nu meenden de Staten van Vriesland, daartoe aangespoord door hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in Holland en Zeeland gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen Auke Stellingwerf, Rudolf Coenders en Hendrik Bruynsvelt”.

Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met ’s lands vloot, welke door de zorg der Admiraliteiten en van de Witt tot eene ongemeene sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869 stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten.

Deze magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den Luitenant-Admiraal Jacob van Wassenaar Obdam in zee. Doch tegen alle verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met zijn schip in de lucht vloog,—de wakkere Admiraal Kortenaer gevallen en ook onze Admiraal Stellingwerff gesneuveld en diens schip, de Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de vaderlandsche havens terugkeerde.

Vele kapiteins werden wegens pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was Tjerk Hiddes de Vries van Sexbierum, die, als Kapitein van het schip: de Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander doorzigt onderscheiden hebbende, dadelijk in Stellingwerff’s plaats tot Luitenant-Admiraal van Friesland werd aangesteld. Met weergalooze kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal de Ruyter, die, pas uit Amerika in het vaderland teruggekeerd, onzen de Vries het bevel over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde.

Hoe krachtig en moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe buitengewone heffingen en geldleeningen te doen.

Werkelijk stak de ruyter den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder het bevel van tjerk hiddes, die nu het schip Groot Frisia voerde. Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin laatstgenoemde zeeheld, nadat Evertsen gesneuveld was, veelvuldige blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij "een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel der overwinning toekwam”.

Mede onderscheidde zich zijn Schout-bij-nacht Hendrik Brunsveldt, van wien gemeld wordt, dat hij "sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal George Ascue ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo gheseght soo gedaen wierdt, nemende de Valjante Brunsveldt, eer hy eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte hun beyde tot syn ghevangens.” Niet genoeg bezet en daarna bevrijd, werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein paauw ten tweeden male vermeesterd.

Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning, welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond.

Op den 4 Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min gunstige omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de Luit.-Admiralen Jan Evertsen en Tjerk Hiddes de Vries, had de voorhoede, viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal Coenders, in het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. "Hierdoor van hunne voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid.”

Terwijl nu de voorhoede wijkt, verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de vijand met des te meer geweld op den middeltogt van de Ruyter aan, die, eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn stouten togt naar Chattam de smet dezer nederlaag uit, en werden de Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te Breda werd gesloten.

Voor Friesland vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken Tjerk Hiddes de Vries een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche Admiraliteit getuigde van hem, Zie verder Aanteekening 23. "dat hij begaafd was met vele uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van prompte expeditie.”

De Ruyter schatte hem zóó hoog, dat hij niemand waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan de Vries, van wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij "als een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk” geroemd. Ook ’s lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te Harlingen, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen.

Tot opvolger van de Vries werd niet de vroeger zoo loffelijk vermelde Douwe Aukes gekozen, maar een edelman, Hans Willem Baron van Aylva, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man, die wel in 1667 den togt naar Chattam mede maakte, doch een land- en geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van Friesland aan land bleef.

Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde Friesland slechts een fregat en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij ’s lands vloot. Ook werd er in Aylva’s plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te verdedigen, geldgebrek, verschillen met Groningen en tusschen de Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende onverschilligheid omtrent Frieslands belang bij eene zoo talrijke vloot—ziedaar zoo vele redenen, "waardoor de Vriesche zeemagt, welke in den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed had, van hare kortstondige grootheid verviel”.

In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald, bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder banckers vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen zich door roemrijke daden te onderscheiden.

Onder deze verdient eene eerste plaats de uitmuntende Kapitein Jacob Binckes of Benckes, van Koudum, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de West-Indien gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673 met Evertsen in Virginië grooten buit op de Engelschen behaalde, New-York of wel geheel Nieuw-Nederland op de Britten veroverde, en eindelijk "het eiland Tabago tot het schouwtooneel maakte eener dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf”.

Terwijl het vaderland aldus van buiten bedreigd werd door een geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van binnen verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden.

Hierdoor werden de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet behoeven terug te wenschen.

Zoo werden de steden Leeuwarden en Franeker in 1657 grootelijks verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden meester gemaakt.

Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder en de Staten bevredigd. Een ander misbruik dier dagen was het verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste som daarvoor aanboden, opdroegen.

Het misnoegen hierover, in 1662 op nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen strenge verbodsbepalingen uitvaardigden, en eene boete van 100 gouden Rijders op de overtreding daarvan vaststelden.

Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins Willem Frederik van Nassau, bezielde. Groot was dus het verlies, toen deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf.

De Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd, overtuigd van zijne "loffelycke, meriten, treffelycke daden en singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen,” huldigden zijne nagedachtenis mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15 December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld bestreden.Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze waardigheden op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot gesteld werd van het traktement.

Zijne opvoeding droegen zij zijner moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses Albertine Agnes, op, en deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn.

Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten.

Een geweldige storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken en eenen watervloed, zoo als Friesland sedert 1570 niet had ondervonden. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666). De oorlog met Engeland (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen, onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen.

Doch niet enkel ter zee, ook te land werd Nederland gelijktijdig aangevallen en wel aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige Christof Bernhard van Galen, Bisschop van Munster, achtte zich door onzen Staat beleedigd, viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de Dijlerschans, waaruit hij echter door onzen Stadhouder Willem Frederik werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte van Gelderland en Overijssel, en, na het winnen der schans van Rooveen, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen van Friesland (1665).

Groot en algemeen was daarover hier de ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de Veldmaarschalk Joan Maurits van Nassau weldra over zee herwaarts, stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die door Drenthe in Groningerland was getrokken, met zóó gunstig gevolg, dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede met den Bisschop werd gesloten.

  • De Oorlogen met Frankrijk.

Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld met Engeland tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,—geene drie jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot in den hooghartigen en oorlogszuchtigen Lodewijk XIV, Koning van Frankrijk, die het evenzeer te doen was om de Spaansche Nederlanden (België), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man binnentrok.

Wel scheen het drievoudig verbond tusschen Nederland, Engeland en Zweden, gelijk ook de vrede van Aken (1668) aan den voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,—men bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van de Witt ook vele gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien, gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen "oyt couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in ’t velt te durven komen.” De uitslag was echter geheel anders.

De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo vele grieven jegens Nederland meende te hebben; de krijgshaftigheid zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten—en daar tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst der vijandiggezinde naburen—dit alles begunstigde zijn toeleg, om Nederland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist Lodewijk eerst het drievoudig verbond te ontbinden, Engeland en Zweden aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te verzekeren van den Keurvorst van Keulen, van de Bisschoppen van Munster en Osnabrug en van den Hertog van Brunswijk-Lunenburg.

Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van Nederland, dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en hoe zeker de ondergang des lands ook scheen—onze vaderen vertsaagden niet, wapenden zich moedig en vertrouwden den uitslag aan God, dien zij in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.

Nadat Frankrijk en Engeland op den 7 April 1672 aan Nederland den oorlog hadden verklaard, trok Lodewijk XIV in persoon aan het hoofd van een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met oogmerk om Holland in eens binnen te dringen en de republiek in den hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend was dat leger, door veldoversten als Condé, Turenne en de Chamilly aangevoerd.

Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk den twee-en-twintigjarigen Prins Willem III het opperbevel over het krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen Overijssel binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond Lodewijk op onze grenzen om den Rijn over te trekken.

Bij dezen overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had gekozen bij het Tolhuis, niet ver van Lobith en de Kleefsche grenzen, had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de smadelijke vernedering des vaderlands.

Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de Betuwe, de montbas, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had verlaten, werd de Veldmaarschalk Wirtz door den Prins van Oranje naar den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier regimenten ruiterij van Kingma, Haersolte, la Lecq en Joseph, en ontmoette hier het regiment voetvolk van Aylva. de Montbas had dit laatste doen aftrekken naar Nijmegen.

De bevelhebber dezer vesting, overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen echter terug, en, nadat ze op nieuw naar Nijmegen waren gezonden, wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat aankwamen op het oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van Wirtz trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren. Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval, doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met al zijne kavalerie de vlugt.

Het regiment van Aylva, dat Wirtz krachtig had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te vragen. Condé staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen.

Doch, wat zien zij? Daar vliegt de Hertog de Longueville, wien nog geene gelegenheid tot eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren (waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan ’t woord des Generaals houden mag) door de Longueville met eene pistool treffen, en nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te vatten.

In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten, die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook waren, zij treffen zeker. De Longueville, de aanvoerder, de volle neef van Condé, stort terneder. Aan zijne zijde valt Guitri, Grootmeester der koninklijke garderobe; de Graven du Plessis, de Theobon, de Heeren Boury, d’Aubusson, de la Force, de la Salle—allen vinden hier hunnen dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.

Condé, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende, vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad te stuiten. Een onzer officieren, Ossenbroek of Hasebroek, trekt de pistool, mikt op Condé, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond, die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd.

"De Fransche Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse Resistentie bieden.” Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun leven duur verkoopen. Lodewijk ziet het verschrikkelijke lot der zijnen, en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik, waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan menige veldslag.

Van het schoone regiment van Aylva bleef ten laatste, na langdurige worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins Andries van Velsen en Duco van Hemmema; vijf Luitenants: Douwe van Eppema, Hajo Twingbergen, Barent Hekman, Bavius Rommeda en Joh. Bechius; drie Vaandrigs: Frederik van Ockinga, Tarquinius Beintema en Jan Duden, met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar Emmerik gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans vergeten akker.

Indien zulke mannen door den verraderlijken de montbas niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen—gewis zij zouden als leonidas met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.

Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van Nederland als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld.

Het tweede voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat Condé hier de eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen, waardoor hij langer dan twee maanden te Emmerik aan zijne legerstede geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met 20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard, regelregt op Amsterdam aan te rukken, en deze stad, van waar alle verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen, om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek.

Dat zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en bescherming,—ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren! (Zie verder Aanteekening 24.)

Bij het voortrukken van de Franschen had Prins Willem III Overijssel verlaten en zich naar Holland begeven, ten einde de oostelijke grenzen dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te gelijk den Luitenant-Generaal Hans Willem Baron van Aylva met zijne overige benden naar Friesland gezonden, ten einde zich geheel te wijden aan de bescherming van dit gewest.

Doch naauwelijks was deze te Leeuwarden aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de Munstersche en Keulsche benden zich door Drenthe naar Koevorden en Groningen hadden gewend en op de grenzen stonden van Friesland. Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos; het geheele land was vol verwarring en vrees.

Men noemde de regering radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.—In plaats van vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat, door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken, den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en verwachtte ieder oogenblik den vijand.

In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou verdedigen, dan of men door eene provinciale capitulatie, op gunstige voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden.

Die keus was voor Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle bezwaren, nam men "een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te spendeeren”. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in Holland en Groningen hulp te erlangen, welke echter door niemand werd verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen tot verdediging dezer provincie werd belast.

Zij kon echter over geene grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16 compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van Leeuwarden, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie vrijwilligers, reeds den volgenden dag "met ongemeene couragie en vreugde uyt marcheerden naar Heerenveen.”

Zulk een voorbeeld der Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door "dit manmoedig Exempel der Stede Leeuwarden raakten alle andere Steden in Vriesland te gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan.” Allen voegden zich bij het krijgsvolk van Aylva, ten einde "een Legertjen te formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy noch van ’t rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in stantvastigheyt alle Natiën overtroffen”. Dit leger werd door Aylva met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.

In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de schansen Munnekezijl, Friesche palen, Zwartedijk, Bredenberg, Bekhof of Bekaf, bij de Schoterbrug enz. hersteld en met krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de Blessebrug, aan de Wetering tegenover de Oudeschouw, te Gorredijk en twee aan den Zwarteweg op een uur afstands van Leeuwarden, welke laatste de namen ontvingen van Albertine Agnes en Hendrik Casimir.

Een dergelijk retranchement werd ook aangelegd te Heerenveen, waar de Generaal Aylva, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te Bergum, van waar hij zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de talrijke belegeraars van Groningen een uitval in deze provincie te wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst Groningen te bemagtigen en intusschen Friesland met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te houden.

Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in het Wester-kwartier van Groningen hunne plunder- en roofzucht betoond te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over Duurswoude naar Dragten, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen, waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij Nijega, spoedig met de Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken, lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij zij slechts 25 man verloren.

De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel benarde Groningen nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij, waarmede de Generaal Aylva zelf die stad den 14 Augustus bezocht.

Men vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit Steenwijk, een aanval op Friesland zou wagen. En inderdaad had deze plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar Heerenveen hadden gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen, vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten aannemen.

Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde Overijssel aan te vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van aylva, om met 1200 man de Kuinder te veroveren, door het spoedig naderen van ontzet uit Kampen en Zwolle mislukte, liet men zich daardoor niet afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes bolwerken versterkte Blokzyl gekozen.

Na geheime onderhandelingen met ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden, zich door een eed aan den Bisschop van Munster te verbinden, waarom hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van Dirk van Baerdt, Grietman van West-Stellingwerf en Lid van Gedeputeerden, en onder het bevel van den Kapitein Albert Christoffel van Hania, over de Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te Blankenham, op een uur afstands van Blokzijl, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken tegemoet.

De Friezen vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den bevelhebber, om met hem de aanvallers te weerstaan, maar ze dwingen hem zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit, maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te redden, door een Fries wordt doorschoten.

"Alsoo is de Fortresse Blokzijl door de wonderlijke bestieringe des Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude Vryheyt gestelt. Vollenhoven is ook daar op van de Vyanden verlaten.” De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke Kuinder-schans werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.

Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat, nog vóór de verlossing van Groningen, "het kleine Blokzijl zich de eer verwierf, van het eerst van alle Nederlandsche steden, het juk der vreemde overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen, te hebben afgeworpen”.

De moed, om den vijand met goed gevolg te wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van Groningen. Zelfs wil men, dat dit feit en de magt, welke Aylva verder ontwikkelde, mede hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van Groningen (28 Aug.) te doen opbreken.

Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in Friesland eene algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort mogelijk verhalen.

Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van ’s lands ongeval door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en omtrent Sneek het huis van den Grietman van Wymbritseradeel te Ysbrechtum deed plunderen.

Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit gewest van buiten met ondergang bedreigden—nog grootere ramp scheen den lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.

Naauwelijks was op den 6 Julij te Leeuwarden het berigt ontvangen, dat ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vesting Koevorden zich zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering.

Op aansporing van eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60 burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar Prinses Albertine, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het bedreigde vaderland.

Intusschen groeide het getal misnoegden, dat op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij te Leeuwarden werden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke door Gecommitteerden aan de Staten werden overgebragt.

Gelijktijdig vergaderden ook de Predikanten der Klassis van Leeuwarden, die op den 12 Julij alle Predikanten van Friesland in de hoofdstad ontboden, om zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen.

Een getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den moedigen, later zoo beroemden, Balthasar Bekker, destijds Predikant te Franeker, aan de Staten te kennen gaven, "hoe groot de misbruiken waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten, maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen, die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd” enz. Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij ook des anderen daags, van ’s morgens tot ’s avonds, met de Staten beraadslaagden.

Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13 Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prins Hendrik Casimir van Nassau te ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig jaren, en "te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie” enz.

De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop, dat men van deze bevordering "alles goeds voor den dienst ende welstandt van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten.”

Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en dadelijk uitgevoerd.

Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken vier compagniën burgers van Leeuwarden uit; twee compagniën (mede ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar de Oudeschouw en tusschen Garijp en Tietjerk begaven.

Eerst thans werden ook de wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld. hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd. Nu was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar buiten.

De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man als Aylva, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven—daarvan hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld. Aylva bevond zich met het hoofdleger meest te Heerenveen, en zag zijne magt door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog 5,000 gewapende landlieden werd geschat.

Hij, die met den bijnaam van "de ontzaggelijke Generaal” was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen, om Friesland voor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en veldverschansingen opgeworpen, die de zoogenaamde Friesche linie uitmaakten. Deze linie begon van de Kuinder aan de Zuiderzee, volgde de Linde tot de Blessebrug, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger en de verschanste Schoterbrug, wendde zich vervolgens over Heerenveen en Terbandsterschans naar Gorredijk, en van daar over de schansen Bredenberg, Zwartedijk en Friesche palen naar de grenzen.

Echter is "Friesland in 1672 minder behouden gebleven door zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid van Aylva en door de geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken aanval op Friesland deed afzien”. Hoe algemeen de nood en hoe dreigend het gevaar in den beginne ook ware—Friesland bleef, God lof! vrij en ongedeerd, en met Zeeland de eenige provincie des vaderlands, waar de overmagtige vijanden, die den ondergang van Nederland besloten hadden, geene veroveringen behaalden.

Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden, vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een gezuiverden luchtstroom aanvoeren,—zoo leert ook de geschiedenis der volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen, in den loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude, niet konden tot stand komen.

Zóó was het geweest voor de reformatie—die hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!—zóó was het gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626 verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen "Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen,” inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de misnoegde burgers "reformatie, resolutie ende approbatie” van al die 35 punten toe te staan.

Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in 1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie benoemden, "om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in ’t stuk van Militie, of Politie ende Finantien dienende”. Die commissie bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben, in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen.

De Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen hadden verloren. Van lieverlede werd dus de strijd voorbereid tusschen de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten.

Groningen was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;—Blokzyl was gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr vingen de vergaderingen op den Doelen te Leeuwarden aan. Deze "Doelisten” verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit alle Steden van Friesland bijeen te roepen.

Dit geschiedde, en op den 9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de tegenwoordige behoeften. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.

Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van Hieronimus de Blau, Burgemeester van Leeuwarden, verzochten zij de goedkeuring en aanneming van deze punten, "die tot groot nut en eenigste behoud van het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld mogten worden.”

Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten, die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der aanwezige leden Leeuwarden zou mogen verlaten, en dat de overige leden op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld).

Nu werden de poorten gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning der gemoederen.

De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den 20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot afdoening.

Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken. Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de resolutie genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten hadden aangenomen.

Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan. Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of betrekkingen hadden, moesten worden gestemd.

Dit geschiedde, en op den bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd, door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig "geintroduceerd”, als ’s lands hoogste en souvereine magt. Dan, al dadelijk rees er verschil, wie de geloofsbrieven der nieuwe leden moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot, waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.

Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen, dat de nieuwe Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten, dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden als ’s lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan de vergadering onthield.

Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu zich hevig beklaagden, dat zij binnen ’s tijds wederregtelijk uit de regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige magt wilden erkennen.

Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich "de olde en wettelycke Regeringe deser Provintie” noemden, een Landsdag van al de vroegere Staten te Sneek uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt, alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen Gedeputeerde Staten zich naar Sneek te begeven, nadat de regering van Leeuwarden geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.

Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat, terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers, indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe Staten te Leeuwarden hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen.

Dit was echter niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te Sneek niet erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te bewegen ter vergadering te verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was. Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn: want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve van den vrede te willen opofferen.

De reeds zegevierende partij van vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de volksgunst, enkel tot steun de Regering van Leeuwarden, terwijl de partij van het behoud, of de oude Staten te Sneek, gesteund werd door den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde. Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar 1672.

Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar ’s Gravenhage opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de gemeene rust aanklaagden.

Daarom wilden zij veeleer de bemiddeling van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was, en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden herwaarts te zenden. Het waren de Heeren R. van Molenschot, Pensionaris van Dordrecht, wegens Holland, M. van Crommon, wegens Zeeland, en Johs. Eeck, wegens Groningen, die in last hadden, "om de ontstane onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te leggen” niet alleen, maar ook, "om de Staten serieuselyck te versoeken ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft, waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten, defectueus was gebleven”; terwijl zij vast besloten waren, niet te vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.

Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen, reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden bedwongen.

Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te Leeuwarden was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch alles te vergeefs: "alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende Ingesetenen des Landts”.

Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en Friesland op nieuw eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der Staten-Generaal, door de onderliggende partij van Sneek slechts begeerd, doch door die van Leeuwarden steeds afgekeerd en vermeden, had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te Sneek bereids in zich zelven was te niet gegaan.

Reeds den 7 Maart werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden deze een Reglement en 97 "Poincten Reformatoir” in, bevattende uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, "op dat de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten, dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen worden weggenomen ende uytgewischt.”

Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de welmeenende ingezetenen des lands.

Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig gevolg de dappere Willem III de Franschen op de Hollandsche grenzen wederstand had geboden, terwijl de Ruyter ter zee de Engelschen met roem bestreed—de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk.

Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van Munster met versche benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene Koevorden te herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat turenne met eene groote magt naar Friesland zou oprukken. Daarom trachtten de Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60 jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste bevel uit te trekken.

Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins Joan Maurits van Nassau herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij en voetvolk, die tot versterking van Heerenveen en Joure gebruikt werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om een aanslag op Koevorden te wagen, waarop hij zich dadelijk naar Groningen begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde vesting en de beveiliging van die provincie.

Vervolgens gelastte hij hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken; terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden. Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden en grietenijen hadden gebragt.

Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was, en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was gestreden; ook had Prins Maurits den 2 Julij vier regimenten voetvolk en een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te Staphorst aangetast, waarna Aylva te vergeefs een aanval op Zwartsluis waagde:—doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken.

De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van Friesland beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen te Steenwijk eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op 8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd.

Op den 15 Augustus rukt hij daarmede langs verschillende wegen op Friesland aan. Op het eerste berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met den vijand, van Wolvega terug tot Heerenveen, welk hoofdkwartier Prins Maurits, Prins Hendrik Casimir en Aylva tot het uiterste wilden verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de burgers van Leeuwarden, Sneek, Franeker enz. reeds den volgenden nacht naar Heerenveen vertrokken.

Na de schansen van de Blessebrug en Bekaf genomen te hebben, trok de vijand de Stellingwerven in tot Oudeschoot. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om Heerenveen te overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven of te verwoesten. Vooral Wolvega, Oudeberkoop en Makkinga hebben daarbij veel geleden.

Ondanks het bekomen van versterking uit Steenwijk, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot verlies naar Zwolle, Zutphen en Arnhem terugtrokken.

Eerst nadat de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door den Bisschop zoo lang en fel benarde Koevorden te ontzetten, hetgeen in het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind, gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren. (Zie Aanteekening 25.)

Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van Friesland, hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen geworden, volkomen vrij was gebleven.

Der Friezen oude moed en trouw had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder hunne heerschappij te brengen.

"Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige Friesland, van alle eeuwen vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld ongenaakbaar bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen”.

Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en vrede. Er werden daartoe met Munster, Keulen, Engeland, ja zelfs eerlang ook met Frankrijk, en wel bij herhaling, verdragen gesloten, doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen Lodewijk XIV hield ons land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den vrede van Rijswijk (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe gelukkig, dat Nederland gedurende al die jaren in den, eerst lang vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins Willem III een staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.

Ook Friesland, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,—ook dit gewest bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den Prins van Oranje krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. De Ruyter vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder banckers vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen "met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten”; een krachtigen steun.

De dappere Jacob Binckes, geroemd als "een voorsichtig soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van grooter verwachtingen,” mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in de West-Indien roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op de Franschen behalen, na "een der hardnekkigste gevechten, waarvan de Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt”.

De belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als Willem van Haren, Allart Pieter van Jongestal, Hans van Wyckel, Pibo van Doma, Matthijs, Assuerus en Gysbert van Vierssen, Isaac de Schepper en anderen, waarvan de eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden Hans Willem Baron van Aylva (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), Menno Baron van Coehoorn en de Stadhouder Hendrik Casimir II in den strijd voor het vaderland.

Aylva, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt verwerven, wist in den slag van Senef (1674) "door uitstekende dapperheid zijn reeds verkregen "roem loffelijk te handhaven,” en dien bij de belegering van Keizersweerd en Bonn en inzonderheid vóór en in den slag van Fleurus (1690) te vergrooten. Als een der voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns levens het opperbevel over de Staatsche troepen in Braband opgedragen. Coehoorn, die zich in 1673 bij de belegering van Maastricht als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde, en vóór Grave en in den slag van Senef aan zijn heldenmoed de bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen Ingenieur Vauban.

In den slag van Fleurus, waar hij "boven andere Nederlanders uitmuntte”; bij de roemrijke verdediging en daarna herneming van de sterke vesting Namen (1692, 1695); door de versterking van Groningen, Koevorden, Nijmegen en Bergen op Zoom; door de verovering van Luik (1702), van Bonn (1703) en andere schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands.

Prins Hendrik Casimir II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke moeder, Prinses Albertine Agnes, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15 jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als voogdes ter zijde stond, gelijk hij in Aylva een uitstekend leermeester en voorganger vond in den krijg.

Reeds op zeventienjarigen ouderdom woonde hij den slag van Senef bij, en was, "ook in het dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen Opperbevelhebber Willem III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van oranje op den Frieschen stam was overgeplant.” Als Stadhouder, mede over Groningen en Drenthe, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds edelmoedig jegens Prins Willem III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen tegenstand uitlokte van Frieslands Staten, die onverzettelijk bleven in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de troepen af te geven.

Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses Amalia van Anhalt-Dessau, werd haar niet enkel een geschenk van 100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den luisterrijken intogt te Leeuwarden, op den 19 Augustus 1684, een onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende dagen ten toon spreidde.

Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz

Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau

Johan Willem Friso van Nassau-Dietz

Afdrukken van Wikipedia

In 1690 aangesteld tot tweeden Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de veldslagen van Fleurus, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen veroverde op de bloem des Franschen legers, van Steenkerke en Neerwinden. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te Leeuwarden, algemeen om zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses Albertine Agnes, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14 Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis Oranjewoud overleed.

Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, Jan Willem Friso, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te Franeker kon bezoeken.

In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van Utrecht, en wel op verzoek van Prins Willem III, die, zelf geene kinderen hebbende, den naam van Oranje en de voortduring van zijn Huis in de Nederlanden op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel, als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven.

De naijver van Holland en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze, provinciën jegens Friesland en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat Pruissen zich van een gedeelte der erfenis van Oranje meester maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten, als uitvoerders van Koning Willem’s uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen.

Te vergeefs ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal (1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking ondervonden. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen, maar door dappere daden verdienen.

Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703, eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman van Heemstra den eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en trouwelooze Koning Lodewijk XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan 30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu, ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging, den oorlogsfakkel in de Spaansche Nederlanden (België) geworpen, waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders ontmoette in Prins Eugenius van Savoije, die de troepen des Duitschen Keizers, en in den Hertog van Marlborough, die de verbondene Engelsche en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan men "de vrijheid van gantsch Europa” gelegen achtte, waren de Staten der Vereenigde gewesten, en wel bijzonder Friesland, eenstemmig gezind, tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen.

Zij hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot 1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man bedroeg. Ook Friesland getroostte zich tot dat einde verbazende opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner krijgsoversten en soldaten met eere erkend.

Reeds omtrent de vier eerste jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de volgende woorden: "Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare Vriesen zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de uitgepikte magt van ’s Konings huis by Ramillies gebrooken en vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn, zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke Vestingen, voor ’t vuur van Koehoorn, de Vriesschen Archimedes, plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na Europa’as Vryheid, door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen Franschen Dwingeland”.

’t Mogt den jeugdigen Prins Friso, hoezeer brandend verlangende naar den strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog aan de zijde van ouwerkerk bijwoonde, bijzondere blijken te geven van zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller oogen op zich te vestigen.

Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18 November 1707 met groote plegtigheid te Leeuwarden was ingehaald, werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid Ameland (voor ƒ175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van Groningen en Drenthe verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, waarover groote vreugde werd bedreven.

Inmiddels had de Prins in den slag bij Oudenaarden (Mei 1708) zich de baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst viel hij het "door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en daarna door een stouten marsch in den rug”, zoodat hij veel toebragt tot deze roemrijke overwinning. "De beslissende dapperheid, door Frieslands jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van elken Vaderlandlievenden Nederlander”.

In het beleg van Rijssel, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen aanval. Ook St. Amand, Doornik en Gent hielp hij veroveren. Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken slag bij Malplaquet (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen bataljons, die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur in.

"Voort, voort!” klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten.

Een vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op de vijandelijke werken in, en, roepende: "volgt mij, mijne vrienden! hier is uw post!” plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt veroverd. Juist deze "voorbeeldelooze stoutmoedigheid,” die persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van Oranje, welke aan roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt, ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat hij de eenige Vorst was uit de huizen van Nassau en Oranje, waarop de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem echter als door een wonder.

Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in het laatst van October met Prins Eugenius Bergen in Henegouwen had ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij Douai en St. Venant, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711 ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij naar ’s Gravenhage geroepen tot vereffening van de geschillen met den Koning van Pruissen over de erfenis van Koning Willem, werd hij door een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt.

De held, wien de kogelregen en het moorddadigste vuur bij Malplaquet hadden gespaard—vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw op het Hollandsche diep bij den Moerdijk. Het geheele land betreurde dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en verdiensten door uitbundige lofspraken. "Men had hem nooit genoeg geacht bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood.

Bij de sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een achilles, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een noodzakelijk kwaad beschouwde;—eigenschappen, die aan Jan Willem Friso de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten hebben waardig gemaakt!

Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen. Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van Oranje het altijd wist te bezielen”.

Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen—zij betoonde zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder.

Den 1 September 1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd Willem Carel Hendrik Friso te Leeuwarden geboren. De Staten van Friesland die zoo veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, "met aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad,” deelden nu evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van Oranje en Nassau, waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige liefde en belang was verknocht geweest.

Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij ’s Prinsen dood ten einde. De trotsche Lodewijk XIV, die jaar op jaar zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen, den 11 April 1713 te Utrecht werd gesloten. Die vrede, welke het vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte algemeene vreugde, die men ook in Friesland aan den dag legde door het afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te Leeuwarden.

Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de voortreffelijke staatsman Sicco van Goslinga, die tevens in den Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst was geweest.

In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors Frederik Vegilin van Claerbergen, Joachim van Ammama en Frederik van Grovestins. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door "met ongehoorde stoutheid” in Frankrijk een inval te doen, welke Lodewijk, dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen troon deed sidderen.

Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en huzaren, mede onder bevel van den Brigadier van Glinstra, trok hij door Champagne en de Bisdommen Metz, Toul en Verdun, legde in 48 dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch Lotharingen beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven.

Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch Europa helden kon toonen, die den krijgsroem van Nederland met nieuwen luister deden schitteren.—Dat Friesland in de rij der Nederlandsche gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene wijze, zijnen alouden roem waardig—dit vermeldden wij voor de eer onzer provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.

De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.

Aant. 24

De Friezen aan den Rijn, in 1672.

Het gedrag van het regiment van Aylva bij den overtogt van Lodewijk XIV over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het schoone werk van Bosscha, Neêrl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig en naar verdienste voorgesteld, volgens Valckenier, ’t Verwerd Europa, XV 455 en andere bronnen, doch kort daarna heeft Do. O. G. Heldring deze gebeurtenis nader onderzocht en toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel het meeste gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den titel van: de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in het 1e dl. van Nijhoff’s Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak voor 1840, 96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld door de berigten in het voortreffelijke werk der Heeren van Sijpestein en de Bordes, de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, ’s Hage 1850, 1e st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95 worden daar bovendien de overige hoofd-officieren en kapiteins van dit regiment, uit 8 kompagniën bestaande, met name opgenoemd. Dat al de in den tekst genoemde personen daartoe behoorden, is mij mede gebleken uit de Resolutiën van Gedep. Staten, waarin ik van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De namen verschillen echter eenigzins, als: b. v. Douwe van Ipema, Haje Twernbergen en Twenbergen, Bernhardt Hekman, Bavius Romeda. In laatst vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.—Zeker behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de belangrijkheid van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan omtrent andere bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672 en 1673 voorgevallene breeder heb behandeld dan het overige.

Aant. 25

De Burgerwapening in 1672 en 1673, ook ten aanzien van Friesland in het vermelde werk van Prof. Siegenbeek, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang, en mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn omtrent het uittrekken der burgers van onderscheidene steden en grietenijën bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan mededeelen. Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. A. Telting vele medegedeeld in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de Fulleniussen, in it Bloedjier 1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen foar 1835, en Brief van Goslik Colonna, Hopman over eene Compagnie Franeker burgers, aan den Magistraat van Franeker, voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog meerdere bijzonderheden omtrent de snelle oproeping van den derden man in 1673 heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden Colonna, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen in den Jaare 1673. Bevattende al ’t geene is voor-gevallen van den dagh onses uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673. tot den dagh van onse weder-komst, zynde den 5. October des selven jaars. Beschreven door Goslingh Colonna. Te Bolsward by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en Boekv. 1673, 4o.

De schrijver was toen „Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver van de Burgerij der stadt Franequer,” onder den kapt. Johannis Ennema, die met 65 koppen in twee ligters over Sneek en Terhorne te Heerenveen aankwamen, te gelijk met de burgers van Leeuwarden en Sneek, na het vernemen van ontmoedigende berigten en het ontmoeten van verscheidene „schepen met gevluchte goederen.” Nadat zij naar Joure gezonden waren, werd het berigt van het naderen van den vijand spoedig vervangen door dit, dat „de Bisschopsche volkeren wederom waren vertrocken.” Den 27 en 29 Aug. hielden de drie regimenten Oostergoo, Westergoo en de Steden, bestaande uit 27 compagniën, te Joure eene „magnevyckelycke inspectie” voor Prins Maurits, Graaf Hendrik, den Generaal Aylva en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12 compagnien over Heerenveen (langs 79 vonders of houten!) naar het retranchement Gorredijk, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning vorderde of vermelding verdient.

Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl. Mercurius, 153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke uittrekking bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt.

Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de stukken van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene schrijver de dagteekening van den ouden en de ander die van den nieuwen stijl volgde. Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in Friesland aangenomen. Volledige verklaringen omtrent dat belangrijk punt bevat de Hist. Verhandeling over den Nieuwen Stijl, van wijlen mijn vriend den Hoogl. Mr. J. W. de Crane, geplaatst in Visser en Amersfoordt, Archief, 1827, 2e dl. Bovendien heeft laatstgenoemde geleerde in zijne Letter- en Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841, 63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale Annotatien van Horatius Vitringa, welk Handschrift, thans bij het Friesch Genootschap bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken van dien tijd daarin mede zijn opgenomen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.