Home » Historie-Friesland » Geschiedenis van Friesland |1| EERSTE TIJDVAK (1) » Geschiedenis van Friesland |4| TWEEDE TIJDVAK (2)

Geschiedenis van Friesland |4| TWEEDE TIJDVAK (2)

Foto van Wikipedia: Friezen vallen de toren van Damietta aan. Op de boeg staat een Fries met een dorsvlegel te zwaaien.

16. DER FRIEZEN AANDEEL IN DE KRUISTOGTEN NAAR HET HEILIGE LAND. 1096-1270.

In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel Europa in beweging bragt. Palestina of het Heilige land, waar de stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de Christenen aandeden, wekten in Europa den godsdienstijver van vorsten en volken op tot het doen van een kruistogt, om Palestina weder in de magt der Christenen te brengen.

De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het gelukte echter deze kruisvaarders de steden Nicéa, Antiochië, Cesaréa en Jeruzalem te veroveren, en het koningrijk Jeruzalem te stichten, waarvan godfried van bouillon, Hertog van Neder-Lotharingen, tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.

’t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook na Karel den Groote hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig bijstand geboden, en bekend is het, dat de Burmania’s, Cammingha’s, Roorda’s en anderen in de 11e eeuw met roem overladen terugkeerden uit het leger van Keizer Hendrik III, dien zij op zijne oorlogstogten in Boheme, Hongarije en elders gevolgd waren.

In bijna al de kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt uittrokken, als de leden der geslachten: Liauckama, Botnia, Hermana, Galama, Forteman en anderen.

Eelko Liauckama en Feiko Botnia worden na de verovering van Jeruzalem tot ridders geslagen

Bijzonder onderscheidden zich door dapperheid Eelko Liauckama en Feiko Botnia, waarom zij tot bevelhebbers over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van Jeruzalem, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders geslagen. Bij de belegering van Nicéa sneuvelde de laatste afstammeling der Fortemans met Sicko Liauckama en Epo Hartman op het bed van eer (1097).

Onderscheidene andere edelen, als Homme Homminga, Goffe Roorda, Sicko Cammingha en Tjalling Ockinga voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan. In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van dapperheid, waarom Boudewijn, de tweede Koning van Jeruzalem, en andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar Jaffa, vanwaar zij zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in Friesland terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt werden ontvangen (1106).

Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119, 1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217 ondernomen. De Priester Olivier van Keulen was naar Friesland gezonden, om daar het kruis te prediken.

Het gelukte hem, de menigte met zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te Dokkum en elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze vloot zich met die van Graaf Willem I van Holland. Na zich lang in Portugal te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der Italiaansche stad Corneto, waar zij van Paus Honorius III vele gunstbewijzen ontvingen.

In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke Egyptische stad Damiate, aan een der monden van den Nijl en de Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen ongehinderd konden opslaan.

Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij Damiate te komen, moest er een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren belegeren.

Dappere tegenweer deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend gestreden.

Een jong ridder uit Luik beklom het eerst den toren. Hem volgde een zeer jonge Fries, Haijo, van Wolvega, die, met een dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen en de vrije vaart op deze rivier te openen.

Geene mindere hulp boden zij bij de belegering van Damiate, dat in het laatst van 1219 overging. De Patriarch van Jeruzalem en Olivier gaven de Friezen bij hunnen aftogt loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van Dokkum, in welke zeeplaats vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende, alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het stadswapen voerden, afkomstig zijn "ter gedachtenisse van de overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald.”

De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door het opperhoofd der kerk, Paus Honorius III, dankbaar erkend, bij gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: Voorwaer, also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven; vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie ’t Heylige oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor ’t aertsche Jerusalem, het eeuwige sullen bekomen.

Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen.

Een moedig Friesch edelman uit het geslacht van Roorda, van Genum, kon niet dulden, dat zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen. Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt Roorda hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij, dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt.

Gejuich vervult het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen. Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog eeuwen lang na hem hebben gedaan.

Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden van Europa van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten kruistogt van 1147 in Portugal geland, was het mede door hunne hulp, dat de magtige stad Lissabon, na een lang en hevig beleg, aan de magt der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held, Poptatus, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven zal zijn.

Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25 schepen, de Portugesche stad Santa Maria op de Saracenen veroveren. In 1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een (bijna ongeloofelijk) bewijs daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te Suse gevestigd hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken priester, Gerlacus, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen.

Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der voornaamste vorsten van Europa. Twee Martena’s stonden bij Keizer Frederik Barbarossa (Roodbaard) om hunne kloekmoedigheid in hooge gunst. De een sneuvelde in Italië; de andere was ’s Keizers lotgenoot in den dood op zijnen togt naar Palestina (1199). In den noodlottigen kruistogt van Lodewijk IX, tegen Tunis, waren het de Friezen, die althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer Rudolf bewees de Friesche edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich Watse Joulsma als een manhaftig krijgsman.

Een andere Fries, die door zijne krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was Juw Dekama, die Koning Eduard I, bij de verovering van Schotland belangrijke diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond, met een der Beyma’s, den dood in Italië, waar zij te Pisa begraven werden op last van Keizer Hendrik VII, wien zij met hunne landgenooten Aylva, Hettinga en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312). Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te doen wedervaren.

Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun beleid, bij de belegering van de stad Aken, in 1248. De Hollandsche Graaf Willem II, door den invloed van den Paus tot Keizer van Duitschland verkozen, moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren Koning Koenraad hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban gedanen Keizer Frederik II, en weigerde haar over te geven.

Juist hadden verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt naar Palestina te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte, indien zij zich naar Aken wilden begeven, om deze stad voor Koning Willem in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.

Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, Tjaard Dotinga, in het leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten.

Doch dit was niet genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat, door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke bronnen der omgelegene bergen ontsprong.

De door de herfstregens opgezwollen beken konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich eindelijk overgaf, en Koning Willem zijne luisterrijke intrede in Aken deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.

Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten.

Want de eerste verordening, welke Koning Willem, na zijne krooning, als aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de Friezen bezaten, als door Keizer Karel den Groote hun gegund, bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, "om te strekken tot een eeuwig monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van Aken”.

Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden. Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.

Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning Lodewijk IX en den Engelschen Prins Eduard, nog eene poging te doen om het te herwinnen, waartoe ook de Paus in de Nederlanden het kruis deed prediken. In alle deelen van Friesland betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269 inscheepten. Na eenigen tijd in Vlaanderen vertoefd te hebben, vertrokken zij naar Marseille, waar het kruisleger zich zou verzamelen.

De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche kust, om Tunis te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met veel onverschrokkenheid den Graaf van Vlaanderen eene overwinning op de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar Ptolemaïs en Tyrus, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het bezit der Saracenen moesten laten. (Zie Aanteekening 11.)

Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.

Aant. 11

De Friezen in de Kruistogten.

Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen geschiedschrijver T. D. Wiarda (1786). De Heer J. van Leeuwen gaf daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr. J. Dirks deze berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221, onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of Schetsen gegeven, inzonderheid volgens de berigten van ooggetuigen en tijdgenooten. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de Friezen voor Aken, in het 5e dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën, onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, der Heeren Hettema en van Halmael.

17. VERANDERINGEN IN DEN TOESTAND DES VOLKS EN DE VESTIGING VAN GEMEENTEN EN STEDEN, GEDURENDE EN NA DE KRUISTOGTEN.

De Kruistogten naar Palestina zijn op zich zelve een merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door hunne gevolgen, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in eenige hoofdtrekken willen schetsen.

Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten.

De geest van Karel den Groote, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen.

Der geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden, doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden begrepen.

Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en de steun te worden van den staat.

De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook tot volgende geslachten uitgestrekt.

Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool, welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en gereedschappen van andere volken,—dit alles schonk aan de terugkeerende kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde.

De havens werden vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar Engeland, de Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze togten, bekwamen daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat behoord hadden.

Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken.

Heeft dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land te bevorderen?. Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de stand der Burgers ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot Steden werden verheven.

In Friesland was die overgang echter niet zoo groot als in andere landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders.

Hier kende men geen Leenstelsel en ook geene Graven of Heeren, die elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en daardoor de verheffing van de Steden bevorderden.

De voordeelen van deze verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen, waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden.

Omstreeks het midden der 13e eeuw en dus in den zelfden tijd, dat Oostergoo en Westergoo, tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden en Hemrikken geheeten, eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve naar eigene, en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte, wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner bescherming aan het hoofd der regering stelden.

Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in Friesland, tusschen het Flie en de Lauwers, elf Steden zijn ontstaan.

Reeds vroeger hebben wij gesproken over de oudste dier steden, over Stavoren, en evenzeer gewaagd van hare gunstige ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is geraakt. Dokkum, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg door den marteldood van Bonifacius algemeen bekend, wordt naar den ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden.

Aan de westzijde der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was Leeuwarden aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan; eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer zeeplaats bevorderde.

Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van Nijehove, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne leerschool beroemde dorp Oldehove, waarmede zij aan de westzijde, gelijk met het dorp Hoek aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was herschapen.

Dit zelfde was het geval met Bolsward, Sneek en Ylst, oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de Zuiderzee, verplaatsten naar Harlingen, Workum en Hindeloopen, die zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het verval van Stavoren.

De opkomst en uitbreiding van Franeker, waar reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen van Westergoo zich daar vestigde, en te midden der woningen van de nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de zeeplaatsen Ezonstad aan de Lauwerszee, Uitgong aan den mond der Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp Berlikum ontsproot, en Grind, thans eene zandplaat N. W. van Harlingen.

Het is echter zeer twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige streek, afgelegene Wartena, eertijds stedelijke regten hebben bezeten: want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad, hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen, zijn versterkt geworden; terwijl Ylst, Workum en Hindeloopen zelfs geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.

In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en beschaving hebben tegengehouden.

Groot waren alzoo de veranderingen, welke Friesland, vooral gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk eene betere toekomst scheen aan te breken.

Naar wijze wetten en verordeningen, welke nog voorhanden zijn, werden, bij jaarlijksche beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf, den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het volk verkozene regters geschiedde.

Toen werden de regtdagen of weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later in of aan de kerken, gehouden, waarvan de Wonser-, Midlumer- en Donia-weerstallen of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als de Warkeamers nog aan sommige kerken worden gevonden.

De straffen voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In Oostergoo hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de stins Barrahuis onder Wirdum, in Westergoo te Hartwerd en later te Franeker, en in de Zevenwouden (eerst in het begin der 15e eeuw tot een geheel verbonden) te Rottum.

Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven.

Welligt werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters in onze geschiedenis.Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden als van sommige edelen.

De Friesche natie leverde te dezen aanzien een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld.

Deze laatsten, welverre van de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden, die haar uitdelgden. De inwoners van Friesland, niet tevreden dat zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond, aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden, namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen.

Schoon de algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de 16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des Volks.

Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet minder gevreesde regtbank, die der Geestelijkheid, wier invloed destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te geven.

18. DE FRIESCHE GEESTELIJKHEID, KERKEN EN KLOOSTERS IN DE MIDDELEEUWEN.

In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden, als zij vroeger tegenstanders waren.

Het gezond verstand en de billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden) behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft leeren kennen.

Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders. Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde redenen uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die leer geringe sporen van dien ijver bekend.

Maar de geschiedenis getuigt en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke uitgestrektheid in Europa bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene overdrijving als wij zeggen, dat er in Friesland nagenoeg zoo vele Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken- en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn.

Indien dan vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het aanzienlijk getal torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van hunnen ijver voor Christendom en Kerk.

Vermits Karel de Groote bepaald had, dat de ingezetenen van ieder kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo werden er in dit gedeelte van Friesland bij de invoering van de Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt. Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate.

Daarvoor waren verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen, waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en Kloosters te bevorderen.

Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver; daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid, gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal kerken en parochiën deden vermeerderen.

Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal Kloosters; van die gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en werken van liefdadigheid.

Naarmate de onrust der tijden vermeerderde, ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het St. Bonifaas-klooster te Dokkum en dat van St. Odulphus te Stavoren worden hier voor de oudste gehouden.

In Oostergoo waren verder de voornaamste: de Abtdijen van Mariëngaard en Klaarkamp onder Hallum en Rinsumageest, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het Smallen-eester-, Gerkes- en Foswerder-klooster; terwijl er alleen in en bij de stad Leeuwarden vier zulke gestichten verrezen, waaronder het Dominikaner-Klooster der Predikheeren (1245) (waarvan de nog bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest gerekend werd.

In Westergoo bekwamen de Abtdijen van Lidlum bij Tjummarum (1182), Oldeklooster bij Hartwerd (1191), Ludingakerk onder Achlum (1157), benevens de kloosters Thabor onder Tirns (1406) en Groendijk bij Sneek, Monnikebaaijum onder Winsum (1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de kloosters der Zevenwouden de Aalsumer-, Nesser-, Hasker- en Schoter-konventen het meest vermaard waren.

Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in Friesland bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest. Want, vermits kloosters als Lidlum in 1293, zoo men wil, 600 en Mariëngaard 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den Staat geworden.

Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke, ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd, waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het leggen van sluizen enz.;—zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren.

Vele dorpen ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter- en kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo belangrijk werden.

Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.

Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche geestelijkheid.

Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in dit gewest of dat zij renten daarvan trokken; alsmede, dat de meeste dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak, waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en invloed konden en moesten uitoefenen.

De gansche strekking van het Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden.

In weerwil van al de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling. Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen aankleven, te beoordeelen.

Wie toch zou het evangelie willen verwerpen, om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid, onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, ’t welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning.

Deze vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog iets beters te vinden was dan het vergankelijke.

Door zulk een verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang, uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk, om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen.

Ja, hadden de middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in Europa slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan.

Reeds bij de invoering van het Christendom was Friesland tusschen het Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van Utrecht gesteld, met uitzondering van de grietenij Achtkarspelen, welke, met Groningen en verdere oostelijke landstreken, onder den Bisschop van Munster kwam.Het land was in de 13e eeuw verdeeld in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche kerk, welke Aarts Diakens in Friesland waren. De Dekens met hunne Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt of Syndriucht geheeten.

Alle drie of vier jaren kwam er een Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen.

Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de volken van Europa uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid, welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. "Zij toonden, wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus.

In den boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen wilden erkennen.

Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel Friesland”.

19. DE PARTIJSCHAPPEN TUSSCHEN DE SCHIERINGERS EN VETKOOPERS. (VAN OMSTREEKS 1300-1498.)

Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:

De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,
Verkleefd aan d’ eigen haard en d’ ouderlijken grond,
Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen,
Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,
De vrijheid voor zich-zelve en ’t oord door hen bewoond.
God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,
Ziedaar alleen ’t gezag, de Heeren die ze erkennen,
En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;
Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;
Geen keten waar’ zoo licht, die hem verdraaglijk viel.
Geen vreemde inzonderheid beproeve ’t hem te dwingen,
Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,
Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,
En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.—
Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;
Dien inborst kunt ge niet hervormen of weerstreven.

Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn, wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van vrijheid, orde en welvaart, in vrede en eensgezindheid had mogen smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde.

In die zelfde gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt, en als ieder burger van zijn persoonlijk belang iets wil afstaan, om het algemeen belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt, hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden.

In volksregeringen zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd!

De kruistogten hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed, vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij eene deugd, gevierd en geëerd werd.

Het was de onchristelijke wraakzucht, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht, die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der 12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den—Burgeroorlog.

Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,
Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,
Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,
En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;
Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,
En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.
Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,
Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,
Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.
Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,
En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,
Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.
Verblinden!

Ja, Vetkoopers en Schieringers waren de namen en leuzen der partijen, die, even als gelijktijdig de Heeckerens en Bronckhorsten in Gelderland en de Hoekschen en Kabeljaauwschen in Holland, hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een nutteloozen strijd—niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen zich zelve,—niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten.

Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had: verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het graauw genoemd, welk woord met schier verwant is en aan de grijze kleur der kleeding schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het vette der aarde genoten. ’t Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde: onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten.

De daardoor opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel gehad—het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot een krachtvollen middelstand hadden verheven.

De burgerijen der toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest kiezen.

Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in Friesland, aan wiens bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden, dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier, dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en onderling strijd voerde.

Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de voornaamste steden de geslachten: Cammingha, Unia en Auckama te Leeuwarden, Jongama te Bolsward, Sjaerdama te Franeker, Heemstra en Riemersma te Dokkum, Gerbranda en Gratinga te Harlingen, Harinxma te Sneek en Slooten enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden.

Met aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt, vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan.

 Wikipedia: Anno 1345. Graaf Willem IV van Holland sneuvelt bij Warns

Overal en tot alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen: want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof, moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren geweken.

En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten gevolge hadden—dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het ongelukkige volk. (Zie Aanteek. 12.)

Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor Friesland, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken.

Vooral geschiedde dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid door veroveraars belaagd werd. En hoe dikwijls was dit niet het geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en een volk om de vrijheid te zien kampen.

Aant. 12

De Schieringers en Vetkoopers.

Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven, zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere en naauwkeurige berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en Vetkoopers door A. v. H. uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. van Halmael Jr., die grondiger en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel: Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt. Belangrijk is ook de verhandeling van den Heer P. Burggraaff over den oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.—Echter stelt Jancko Douwama in zijne Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl. 20, dat de naam Schieringers sprekers beteekent tegen de rijken, door hen Vetkoopers genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de partijen in Holland, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te deelen, zóó, „dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to tasten.” Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden, voortduren deed. Misschien had een naijver tusschen Oostergoo en Westergoo daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig aangeblazen door de onlusten in Groningen, door de heerschzuchtige Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts Worp van Thabor, Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.

In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker zou opgekomen zijn,—later werd het enkel een strijd tusschen heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld van J. Douwama verdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg was, waarin het de armen te doen was, om buit te maken en zich met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar. Huber, Hed. Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, „bijna van alle tegen alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld, rooven en bloedvergieten.” Als bijkomende omstandigheid kan het echter zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en domheid der lagere standen.—„Die Vetkooper-Partei war die der Aristokratie,” zegt Dr. von Langenn, Hertog Albrecht der Beherzte, 238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening

20. DER FRIEZEN VERDEDIGING VAN HUNNE VRIJHEID TEGEN DE AANVALLEN VAN DE BISSCHOPPEN VAN UTRECHT EN DE GRAVEN VAN HOLLAND.

In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden de Kinhem of Reker in Noord-Holland) hadden de Duitsche keizers een groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop van Utrecht en de Graven van Holland en Zeeland.

De eersten, die het geestelijk gezag over het bijna geheel Friesland uitoefenden, trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden (de stad Groningen met Drenthe en het noorden van Overijssel) van het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te brengen.

Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de Bisschop Otto II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de Stellingwerven te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar staande te houden.

Tevergeefs liet Bisschop Guy van Henegouwen er daarom in 1309 eene sterkte bouwen—eer deze voltooid was, wierpen de Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot Vollenhove, dat zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden. Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies deed wijken.

Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een verdrag met hen te sluiten (1313) —Ook later deden de Bisschoppen herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te brengen.

Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als Frederik van Blankenheim, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok hij naar de Stellingwerven, verbrandde Peperga, Blesdijk en andere dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar zond hij zijn Maarschalk Adolf van Swieten met volk naar Lemsterland, waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet.

De Hollandsche Graven hadden van de slappe regering van Keizer Karel den kale en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt.

Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt worden.

Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden: want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage en toen nog zoo waterrijke Noord-Holland tegenover de in den krijg geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt te zullen moeten bezwijken,—toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en wederspannigen

Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen
Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang .

In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar.

Dit ondervond reeds in 1004 Graaf Arnoud in den bloedigen slag bij het dorp Winkel, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf Floris III met eene menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf Willem II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand gebragt- en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden.

En toen die zelfde Graaf Willem II, op het punt om Keizer van Duitschland te worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij Hoogwoud door het ijs zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den dood boeten (1256).

Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne oostelijke stamgenooten te bekomen.

In weerwil dezer toegenomene bezwaren, ondervond Graaf Floris V, brandende van verlangen, om den dood zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij der Friezen krachten (1288).

Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht genoeg den dwang te weerstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf Jan van Avennes bragt met vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche Zeelanden, en West-Friesland, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993 tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem verstrekte dan de overwinnaars.

Doch ook tot het bezit van Friesland tusschen het Flie en de Lauwers strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der Duitsche Keizers.

Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En evenwel schonken zij Oostergoo, Westergoo of Stavoren nu aan de Bisschoppen van Utrecht, dan aan de Graven van Holland of aan die van Gelder en later weder aan den Markgraaf van Brunswijk en anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot kwijting van schuld of wel om andere redenen.

De Friezen lieten hun regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden, zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.

Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,
In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;
De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,
Ontzag zich geen van hen haar d’ ouderen te ontschaken.

Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde Graaf Floris V ook Friesland te bemagtigen. In 1288 schijnt hij daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén te vestigen in de koopstad Stavoren, welke zich daartoe zonder tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van Friesland te bemagtigen.

Ofschoon Stavoren in 1299 Graaf jan II op gelijke wijze huldigde en de bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn. Immers, nauwelijks was Graaf Willem III, die eerlang den bijnaam van de goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met 1500 man een togt naar Friesland, en landde in Gaasterland, met oogmerk om Stavoren van de landzijde te bemagtigen.

Doch de Friezen boden, onder hunnen Potestaat Hessel Martena, hem zoo dapperen tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op. Daarom deden velen hunner een togt naar Noord-Holland, en bragten de ingezetenen van Enkhuizen en omstreken met rooven en branden groote schade toe.

Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in Friesland, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weerwraak stak men van hier nogmaals naar Enkhuizen over, verbrandde wel vijf-en-twintig huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster te Stavoren bij nacht uit te plunderen en in brand te steken. —Met zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten elkander in die dagen! En tot welk doel?

Graaf Willem had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken. In 1310 sloeg hij eene verzoening met Stavoren voor, welke werd aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid zelfs Westergoo bewoog, hem, bij een verdrag, nabij Alkmaar gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het magtiger Oostergoo, dat zich tegen de aanneming van den Graaf bestendig bleef verzetten.

Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door den Roomsch Koning Lodewijk, die zelfs Oostergoo en Westergoo beide beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen verschillen met Harderwijk en Kampen zeer in hun belang regelde, en door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten die van Stavoren in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen.

Hiertegen wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in Gaasterland, doch ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in West-Friesland wederkeerig te plunderen.

Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde werd gemaakt door een zoen, welke te Haarlem door den Graaf met Stavoren en Westergoo werd gemaakt, schijnt hij in Friesland weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door Oostergoo erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in Friesland geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende Stavoren zijn zoon en opvolger Graaf Willem IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch Westergoo volgde dit voorbeeld evenmin als Oostergoo .

Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te Stavoren voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen en onbesuisden Graaf Willem IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan te wenden, om gansch Friesland aan zich te onderwerpen.

Hij bragt eene groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de Zuiderzee en landde in de nabijheid van Stavoren. Een krachtige nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was een muur.

Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende Utrecht had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende Strijdlied in hunnen mond voegde:

Wierne de alde Friesen fry,
Friesce soannen binne wy.
De alde moed is net forroen:
O, wy stjerre foar ues groun!

Stoarm in wetter haww’ wy hôan
Oer ues ljeawe Friesce lôan;
’t Folk, dat foar nin weagen swicht,
Fait it oarlochsswird eak licht.

Jane wy den eak nin keap
Foar ien wylde stropers heap!
Frydom, koft troch eigen moed,
Is ues meer as goed in bloed.

’t Gleaune scerpe krigersswird
Loeke wy foar hoes in hird,
In wy binne eang of bang,
As foar frjemde keunings twang.

Broes’ nou ’t alde Friesce bloed!
Kom wer, frye Friesce moed!
Frydom, frydom is ues noft
As de foegels yn de loft.

De alde Friesen wierne fry,
Foar de frydom fjochte wy;
In ien echte frye Fries
Het fen frjemde twang ien grys.

De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig, zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door jan van Henegouwen aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van Holland, Zeeland en Henegouwen, wier getal op 240, gelijk het gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.

"Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage," zegt een Hollandsch geschiedschrijver. Wie billijkt niet die smart? en niet minder die der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots? Maar wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: dat zij daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne goederen in Holland allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het klooster Mariënhof op het eiland Marken, door de Hallumer Abtdij Mariëngaarde met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten oorlog en in koelen bloede, ’t gebouw in brand stak en de ongelukkige monniken in de Zuiderzee smeet”.

Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?

Maar nog geen wraak genoeg. Graaf willem V trachtte den dood zijns voorgangers te wreken door de Friezen—niet met eerlijke wapenen in openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te berooven (1347).

Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en Ingezetenen van Holland, Zeeland en West-Friesland;—een verdrag, waarbij de voorwaarden geheel in het belang van Oostergoo en Westergoo gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne onderzaten de grenzen van Friesland niet zouden overschrijden, dan in geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter enkel tot de drie marktplaatsen Harich, Kornwerd en Holwerd moesten bepalen. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid, om in Noord-Holland handel te drijven en de markt te Haarlem te bezoeken.

Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen, die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen.

Ofschoon Stavoren kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche koopsteden begunstigd waren;—ofschoon Keizer Karel IV Oostergoo en Westergoo beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen (1362) —werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig onderling in partijschappen hevig verdeeld waren.

Herhaaldelijk gaf echter de opvolgende Graaf van Holland, Hertog Albrecht van Beijeren, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van Friesland geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge waarvan zijn oudste zoon, Graaf Willem van Oostervant, naar Frankrijk gevlugt was.

Dáár werd deze echter aan ’s Konings tafel smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag van zijn oudoom Graaf Willem IV, die in ’s vijands land verslagen en nog onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had gewroken.

Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen en dezen te bewegen, om Friesland, het kostte wat het wilde, te veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog Albrecht, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof er een kruistogt gepredikt ware.

Vele aanzienlijke graven en ridders kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd, welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten ’s land te varen, geprest tot den togt naar Friesland.

Eene verbazende magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000 man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op 3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.—En zulk eene vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang, doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat Friesland met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.

Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest? Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen.

Om met deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door hen op een landsdag verkozen Potestaat Juw Juwinga of Jongama van Bolsward, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld, maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken.

Doch met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: "Wij sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te onderwerpen!” den vijand tegen, ten einde "vrij en friesch, met lijf en goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren eendragtelijk tegen te staan.”

Hertog Albrecht van Beijeren, die in het opperbevel door drie zijner zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te Enkhuizen verzameld, stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen de Lemmer en de Kuinder. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen groot veld, het Oostzingerland of Oosterzee-ingerland geheeten, bij Schoterzijl, slag geleverd.

Afdruk van Wikipedia: Albrecht van Beieren 1336–1404

Verschrikkelijk was de woede van dit gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat, die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen.

Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden.

Vijf weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan leeftogt en betaling noodzaakten Albrecht het overschot van zijn leger nog vóór den winter terug te voeren naar Enkhuizen, waar het ontbonden werd. In Stavoren, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen, en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij 1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te Hindeloopen meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat zij met groot verlies naar hunne schepen en naar Holland terugkeerden.

Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan. Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd dezer kaperschepen.

De verpletterende ramp, welke Friesland bedreigd en als ten ondergang bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit den strijd het hoofd weder opgebeurd. ’t Was echter, alsof het Hertog Albrecht krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van zijne benden met vernedering en bespotting vergold.

Nogmaals wilde hij dat weerbarstige Friesland veroveren, bedwingen en aan zijn gebied onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt naar Friesland.

Evenzoo de steden van Holland, en Zeeland, waarvan enkel Dordrecht moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden, 10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden. Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte wegen gemakkelijk te maken; terwijl de getallen dier handwerkslieden blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in Noord-Holland was geschied, waartoe hij eene groote hoeveelheid "calck, yser ende hout dede copen totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op onse vyanden die Oistvriesen.”

Bovendien moesten de elf voornaamste Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht hij de stad Zierikzee, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in Engeland had aangeworven, te halen en naar Vlissingen te brengen. Van elders leende hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit Zeeland, Utrecht, Zalland, het land van Altena enz.; terwijl de Heer van Hensberg hem met 200 bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk Haarlem met 4 schepen en 5000 oude Schilden, bijstand deed.

Zelfs verzocht hij ondersteuning van den Koning van Frankrijk en andere vreemde Vorsten, en besloten de Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met de talrijke vloot te Enkhuizen verzameld, alsof het de verovering van het Heilige land zou gelden.

Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel van Graaf Willem van Oostervant, over de Zuiderzee, en landde tusschen de Lemmer en Takozijl. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen.

Sedert dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat het in den vorigen jare 1397 bij Dronrijp tot een veldslag was gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van Holland over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden.

De Schieringers vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat Juwinga, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te versterken.

Het leger trok alzoo onverhinderd door Gaasterland, doch vond niet ver van Hindeloopen vele Friezen verzameld, die eene poging wilden doen om Stavoren te beschermen. Zij werden echter na een hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar Stavoren, waarin zich eene groote menigte volks had verzameld.

Langer dan drie weken werd deze stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de aanzienlijkste edelen van Oostergoo en Westergoo met Willem van Oostervant in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten ’s lands zouden verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.

Eerlang werd nu Hertog Albrecht van Beijeren door geheel Friesland als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen- en huldebrieven. Op verscheidene plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan, begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren.

Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in het begin des volgenden jaars openbaarden.

Die schending van het verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen, behalve uit Stavoren, verdreven. Tevergeefs zond de Hertog nieuwe benden uit de Hollandsche steden naar Stavoren, dat door de Friezen krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen.

Tevergeefs trachtte hij bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in Holland en Zeeland, ja zelfs in Utrecht, aangeschreven, hem ten spoedigste met 550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen.

Dordrecht was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40 arbeiders, of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden. De overige steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid.

Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder aanvoering van Graaf Willem van Oostervant te Stavoren geland, wel de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en Dokkum innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen, waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om ’s Graven gezag ook in Groningen te vestigen, mede verijdeld waren.

In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des volgenden jaars 1401 schreef hij in Holland en Zeeland eene dubbele en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde daarmede een togt te doen naar Stavoren, om de twee kasteelen te voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad te doen bouwen.

Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October 1401 werd die te Bolsward voor zes jaren gesloten, bij een verdrag, waarbij de Friezen tusschen den Wezer en de Lemmer voor zich gunstige bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het gebied over Stavoren lieten behouden.

De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning waren voor Hertog Albrecht zeer bedroevend: want die verbazende krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt was te gehoorzamen.

Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie Aanteekening 13.)

Al de latere Graven van Holland in de 15e eeuw hebben echter bestendig hunne vermeende aanspraak op Friesland doen gelden, door bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens tijdig genoeg verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd.

Geen dier Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten.

Veel moest er nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen, vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en bevorderen.

Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van tijdgenoot en nageslacht verdienen.

Zóó is de Fries. Wanneer gevaren
Der Vrijheid zweven, om zijn kust,
Dan weet zijn moed van geen bedaren,
Noch zijne Leeuw van logge rust.
Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken
Of wil betemmen of verblikken,
Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!

Aant. 13

De Aanvallen der Hollandsche Graven.

Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem, laat het zich gereedelijk verklaren, dat de Graven van Holland, met dit Graafschap, als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige Friesland, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog gehouden. Terwijl Melis Stoke met volkomene waarheid kon zeggen:

Zyt des seecker en ghewis,
Dat het Graefschap van Hollant is
Een stuck van Frieslant ghenomen,

spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden. In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het privilegie van den Roomsch-Koning Graaf Willem II, van 1248, en die der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven verboden de Friezen te „molesteren.” Zie Charterb. I 94, 399, 593-596; Stellingwerf, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt, Fran. 1617, 19. De vraag: Of de Graven van Holland, regtens, ooit Heeren van Friesland waren, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr. A. van Halmael Jr. in een stuk in ’t Mengelwerk der Leeuw. Courant van 25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid zijn behandeld.

Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, van Jhr. Mr. J. C. de Jonge, niets vond van de voor dat tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar Friesland; geen woord van de togten van Graaf Floris V in 1286 en 1292 over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk om Stavoren te winnen; geen woord over den belangrijken zeetogt van Willem IV in 1345 derwaarts, en geen verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen van Albrecht van Beijeren, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij, als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784, 296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig punt in de geschiedenis van Holland zoowel als van Friesland, hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward, bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het overig gedeelte van dit werk voorgesteld.

Afdruk Wikipedia: Schieringers in Medemblik met het verzoek aan hertog Albrecht om bescherming in maart 1498.

21. OORZAKEN VAN HET VERLIES DER ONAFHANKELIJKHEID.

Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren ondergang noodwendig moesten veroorzaken.

Zoodra toch hadden de Friezen geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was Friesland sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór over het ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.

Na het sluiten van den vrede met Hertog Albrecht van Beijeren, staken de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke geslachten, kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was zoowel in Friesland, als in Groningen en Oost-Friesland het geval, en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en bandeloosheid ontaardde.

Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger, zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,—daar moet de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der onrustige 15e eeuw in Friesland.

Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en dat die hulp alzoo duur te staan kwam.

Dit deed althans de stad Groningen, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de Schieringers, die meest in Westergoo woonden, soms hulp in Holland zochten, riepen de Vetkoopers van Oostergoo daarentegen de ondersteuning van Groningen in. Gereedelijk voldeed dit aan dat verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving. Ja, deze stad wist het met allerlei middelen zóó verre te brengen, dat zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en geestelijken van Friesland een verbond van bescherming aanging, waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen.

Dan de Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in Friesland tot herstel van de rust. Zijn afgezant Otto van Langen, Domheer van Ments, verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen. Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen.

Op een landsdag te Sneek gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te bewerken, dat Juw Dekama, van Baard, een wijs en vredelievend man, tot Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen, zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen, nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier onbuigzame gemoederen.

Met felle woede en vreemde hulp vochten de partijen om de zegepraal.—Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te geven,—toen behaagde het Keizer Maximiliaan hieraan een einde te maken, door Friesland op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te verpanden, aan den moedigen Albert, Hertog van Saksen, dien hij, onder den titel van Erfpotestaat, het bestuur over dit gewest toevertrouwde.

Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig, ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de regel der losbandigheid:

Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.
Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,
Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning.

Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde, eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof, moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg regeringlooze Friesland de inwoners nood en dood en schade berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen, waaruit de Donia-oorlog en de twist om Bolsward ontstonden.

Wij hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende steden Leeuwarden, Bolsward, Sneek, Franeker, Slooten en andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen Jelkama, Camstra, Juckema, Groustins, Jongama, Harinxma, Sjaerdama en anderen belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig beoorloogden; of welk een rol de Raad van Groningen onder dat alles gespeeld heeft.

Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen, grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de kracht der bezegelde zoenbrieven.

Het krijgvoeren was heviger geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd, zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene ellende verzwaarden.

De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de steden, verscheidene vernieuwd en vergroot werden.

Hoe zouden kennis en wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het maatschappelijk welzijn.

Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving.

Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne vaderlijke bedoelingen tot hun heil.

Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;
Zóó is met wijsheid kracht vereend,
En ’t allergrootste nut gelegen
In ’t geen de mensch verwarring meent.
Maar onverwacht zal ’t licht verschijnen,
Dat alle nevlen doet verdwijnen
En wijst der Godheid ware reên.
Leer, stervling! leer altijd te hopen,
Totdat de tijd uwe oogen open’
En toon’, wáárom gij hebt geleên.

Zie ook Aanteekening 14.

Aant. 14

De toestand van Friesland in de 15e eeuw moge hier donker gekleurd voorkomen,—ieder, die de bijzonderheden daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel, door Kempo van Martena daarvan opgehangen (Charterb. II 3). Peter en Worp van Thabor’s Kronyken; de Geschriften van Jancko Douwama; Westendorp, Jaarboek van Gron. II; van Halmael’s Schieringers en Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.