Auke Bles

Door Auke Bles.

Auke Bles.

Als vierjarig kind kwam ik in de Lemmer te wonen. Ik was na de oorlog in Duitsland geboren als kind van een onbekende zwarte Amerikaanse vader en een Nederlandse moeder. Mijn moeder kwam oorspronkelijk uit Rotsterhaule.

1950: Auke samen met moeder.

Voordat ik met mijn moeder in Lemmer kwam wonen, woonden we in Woudsend.
Mijn moeder was daar huishoudster bij een oude weduwnaar en zijn drie zonen.
Als klein kind heb ik bij deze familie veel liefde ontvangen en ik heb het daar heel fijn gehad. Mijn moeder had het niet zo met mij en dat liet ze mij ook voelen.
Zij kwam in aanraking met Schelte Bles, die destijds in de kost was bij de familie van Roel Akkerman, een apostolische familie in de Pietersbuurt. Schelte Bles, gereformeerd van huis uit, sloot zich ook bij de geloofsgemeenschap aan waar Moeder en ik toe behoorden.

Ze kregen verkering, en hoe het dan zo gaat. In 1949 kwamen we dus in de Lemmer, waar ik toen het eerste ‘zwartje’ was, ook bekend als zwarte Auke.
Wij werden opgenomen bij een zuster van Schelte Bles (tante Griet die met Pelle de Vries. getrouwd was. Zij woonden in een klein huisje op Turfland. Ze hadden zelf ook al kinderen). Wat zegt het spreekwoord: "Veel makke schapen passen in een klein hok”. Ik bezocht de kleuterschool aan de Lijnbaan.

In 1950 trouwde mijn moeder met Schelte Bles. De tijden waren zo armoedig dat moeder voor het huwelijk een tasje moest lenen, volgens mij van Oppie Vlig.
Sinds het huwelijk van mijn moeder met Schelte Bles kreeg ik ook de naam Bles. Hij was eigenlijk wel een goeie vent, maar mijn moeder had de broek aan. We kregen een woning, een krotje aan de Langestreek.

Trouwfoto 9 februari 1950.

Komend vanuit de richting van de sigarenfabriek en de ULO-school ging je het bruggetje over van een kleine sloot dat van de Zijlroede naar de Kolk liep. Langs dat slootje stonden drie krotjes met een hele kleine bleek ervoor. Verder stond er een statig huis van echtpaar Oosterdijk. Vooraan in de straat woonde Ike Doeven, een oud vrouwtje met een groot aantal katten.

De woninkjes waren slechts gescheiden door houten wanden, zodat wij veel overlast hadden van de stank die veroorzaakt werd door de katten. Het is ook voorgekomen dat er door de gemeente Lemsterland werd ingegrepen en het grootste deel van de katten van Ike Doeven werd weggehaald. Deze katten gingen naar de gasfabriek.

In de huisjes was geen elektriciteit. Je moest gaslampen (petroleumlamp of brongas) die een soort kousje hadden aanmaken met lucifers. Om naar het hûske te gaan, moest je om het huis lopen naar achterin de steeg. Je kon daar niet altijd meteen terecht omdat daar drie families gebruik van maakten.

Aan dat steegje woonde de familie De Boer. Leuke en goede mensen met vier zoons, waarvan een zoon Tjitte heette. ‘Tjitte Bok’, wel een begrip denk ik. Hun moeder, buurvrouw Mina, was ook een schat van een mens. Ik kwam daar veel over de vloer. Ze hadden een grote hond ‘Frieda’ en in het hok in de tuin had Tjitte zijn bok.

Ik herinner me een keer dat ik van vader een geweldig pak slaag kreeg en ik moet verschrikkelijk gejammerd hebben, want ineens stonden de drie volwassen zonen van de familie De Boer, bij ons voor de deur, die vader kwaad bedreigden. "Als je die jongen nog één keer zo slaat, krijg jij van ons een pak slaag". Vader werd zo wit als krijt.

Naast de familie De Boer woonde de familie van Hielke Sloothaak, die later in de zestiger jaren beheerder van de camping werd. De camping lag achter hun huis waar voorheen de Kolk was die drooggelegd is. Aan de andere kant van ons huisje woonde de familie van Wolter Lammers. Buurvrouw Trientje kon zo mooi zingen. Door de houten tussenwand hoorde je van alles.

Later woonde daar de familie van Dirk Bartels. Zijn vrouw heette Rimke, een dochter van de Brobbeltjes. Er was vaak gezinsuitbreiding. Hij was nog wel eens ‘op vakantie’ in de gevangenis in Leeuwarden, maar die kerel kon jodelen, prachtig!

Auke met dochter van buren van Familie Wolter Lammers.

Omstreeks 1954 kregen we een huis in de Pietersbuurt 22. Een kleine vooruitgang voor ons. Er was elektriciteit en een beetje meer ruimte. We deelden het hüske met de familie Rippen die een zuivelhandel hadden. Huisbaas Uilke Koopmans haalde altijd zelf de huur op en kwam ook langs met zijn bakkerskar, waarvan moeder elke week het brood kocht. Naast ons woonde Eelke Veenstra met zijn vrouw Schol die zich ook menigmaal over mij ontfermd heeft.

Ik kreeg als straf wel eens geen middageten en dan sloop ik onder ons keukenraam door en kreeg dan van de buurvrouw wat te eten. Ik herinner met een bloedhete dag in augustus. Ik was toen weer voor straf naar zolder gestuurd, waar ik het kleine dakraampje openmaakte en mijn hoofd naar buiten stak. Meerdere buren zagen dat en zij vonden het schandalig dat ik alweer op zolder zat opgesloten en er ontstond een verschrikkelijk en luide ruzie tussen omstanders en mijn ouders.

In 1956 kreeg ik er een zusje bij, Hannie. Mijn vader had geen opleiding genoten en vanwege de slechte werkmogelijkheden in de Lemmer, was hij dan weer eens hier en dan weer eens daar aan het werk, vaak bij boeren. Maar hij heeft ook gewerkt aan de Deltawerken en dan was hij de hele week van huis. Vaak was hij werkloos en kregen we steun. Het was geen vetpot en ook geen rozengeur en maneschijn in de Lemmer. Vader kreeg werk bij de kolenmijnen in Duitsland en op 6 januari 1959 zijn we uit Lemmer vertrokken.

Auke met zusje Hannie in 1957.

Auke wint een autoped:

In verband met de festiviteiten van 5 mei 1949 vond in Lemmer een ballonwedstrijd voor kinderen plaats. Elk kind kreeg een ballon met zijn of haar naam erop en de eerste prijs ging naar het kind waarvan de ballon de grootste reis zou maken. En ongelooflijk, mijn ballon werd in Finland gevonden en ik won dus de eerste prijs, de autoped, wat was ik trots en blij daarmee. Geen kind had zo’n mooie autoped. Mijn ouders hadden voor zo’n aanschaf nooit de financiële mogelijkheden gehad.

Mijn grootmoeder van moederskant woonde in Rotsterhaule. Op een dag had ik het plan opgevat om met de autoped naar Beppe te gaan. En zo gedacht zo gedaan.
Via Oosterzee en Echten was ik op weg naar Rotsterhaule. In Echten kwam er een einde aan mijn reis want een inwoner die mij kende, begreep wel dat mijn uitstapje niet geoorloofd was en hij zorgde ervoor dat ik weer naar Lemmer teruggebracht werd en bij mijn ouders werd afgeleverd.

Auke op de kleuterschool.

Ik ging naar de kleuterschool aan de Lijnbaan en speelde vaak met Tjitske Wever in de zandbak.

Hier samen met Tjitske Wever, samen in de zandbak.

Ik herinner me nog dat we voor het bezoek van Sinterklaas allemaal iets moesten meenemen als cadeau voor de goede Sint. Moeder kocht een krentenbrood wat ik de Sint moest aanbieden.

Nauwelijks een dag later kreeg ik dat brood weer terug omdat de Sint al onze gaven niet kon meenemen. Ik vond het wel een beetje vreemd, maar ja in die tijd geloofde ik nog in Sinterklaas voor wie ik behoorlijk respect had. In Woudsend, waar we woonden voordat we naar Lemmer verhuisden, had ik al negatieve ervaringen opgedaan.

In het grote boek van de Sint stond dat ik thuis vaak ondeugend was. Zwarte Piet had me al in z’n greep en zou me in de zak voor stoute kinderen stoppen. Ik was doodsbang en beloofde aan de Sint in de toekomst niet meer ondeugend te zijn.

Foto van de kleuterklas in 1950.

Mijn tijd op de Koningin Wilhelminaschool.

Foto bij de christelijke lagere school Flevostraat Lemmer. Links staat Pietsje Visser, de naam van het andere meisje is Siepie? Kramer.

Kinderen naar de christelijke school sturen was bij onze apostolische gemeente echt een uitzondering, maar ja, bij mijn vader kwam zijn gereformeerde opvoeding weer naar boven en zo was ik de enige uit onze gemeenschap op deze school. Alle kinderen uit onze dienst gingen naar de openbare school.

Ik heb het niet altijd als prettig ervaren om naar een school te gaan die zo sterk gedomineerd werd door het plaatselijke protestantse milieu. De gereformeerden hadden de meeste invloed. Dat heb ik vaak als negatief ervaren, het kon ten nadele van mij zijn.

In de eerste klas zat ik voor zover ik weet bij juffrouw Prins, een schat van een onderwijzeres. Ze woonde met haar zuster twee huizen verder dan wij. Als ‘zwartje’ was ik een sensatie, velen waren gek met mij, ook juffrouw Prins. Ik herinner me nog dat de kinderen uit de hoogste klas die de de school gingen verlaten, langs alle klassen gingen om afscheid te nemen.

De juffrouw werd door allen op een snoepje getrakteerd, en sommigen gaven kinderen in de klas ook een snoepje, en ik kreeg van ál die scholieren een snoepje ten afscheid. Dat was natuurlijk een feest voor mij om zomaar zoveel lekkers te krijgen.

In de tweede klas zat ik bij juffrouw Lyklema ook een hele fijne juffrouw. In de derde hadden we een onderwijzer maar ik ben zijn naam vergeten. Onvergetelijk was voor mij meester Grunstra die we in de vierde klas hadden. Hij kon zo prachtig mooi op zijn viool spelen.

In de vijfde klas maakte ik kennis met meester Dracht die behoorlijk kwaad kon worden. Bij die man had ik ook veel te lijden. Deze streng gereformeerde meester kon soms behoorlijk zijn zelfbeheersing verliezen als hij een leerling in het vizier had. Het gebeurde mij een keer dat ik weer eens aan de beurt was en door hem woedend de les werd gelezen.

Als hij kwaad was stond zijn hele kin naar voren en toen ik een keer in de lach schoot, was het helemaal mis en ik werd door hem als “neger” uitgescholden voor de hele klas. Mijn moeder heeft toen een klacht ingediend bij het schoolbestuur, maar de meester wilde het niet toegeven. Ik had eigenlijk wel een excuus van hem verwacht. Meester Dracht kon wel mooi voorlezen, daar genoot de hele klas van.

In de zesde klas zat ik bij meester De Boer (door de sterke naoorlogse geboortegolf waren er twee zesde klassen onder leiding van van Meester de Boer, de andere onderleiding van de hoofdmeester)

In zijn klas werd onder andere het vak creatief tekenen en schilderen aangeboden.
Ikzelf was nou niet bepaald een van de beste scholieren, maar door mijn creatieve talenten mocht ik voor dat vak in die klas meedoen met de lessen. Maar ja dat ging niet zo lang goed. Ik denk dat ik die hoofdmeester een doorn in het oog was, hij vond dan ook ook al spoedig een reden om mij voor de een of andere onbenulligheid van die lessen uit te sluiten.

Als ik zo terugdenk aan mijn klasgenoten komen er vele namen in me op. Onder andere Pieter van de Bijl, Hans van de Ham, Ferdinand Kok, Grietje Zandstra, en Coba Dam.

Tot zover mijn belevenissen op de ‘School met de Bijbel’, genaamd de Koningin Wilhelmina-school.

Er komt een nieuwe burgemeester.

Intocht van burgemeester Leendert Brouwer in 1958. In de dagen voor Sinterklaas was burgemeester Krijger verongelukt. Het was een hele gebeurtenis toen burgemeester Brouwer, zijn intrede maakte. Met reddingboot Hilda werd bij Lemmer binnengevaren.

Alle scholieren van lagere scholen moesten een lied instuderen ter verwelkoming van de nieuwe burgemeester, de heer Brouwer, op het plein voor het gemeentehuis. De scheidende burgemeester was de heer Krijger. Het zal in het schooljaar 1958 geweest zijn. We moesten eindeloos repeteren op school. Het lied is nooit meer helemaal uit m’n hoofd verdwenen.

Welkom in Lemmer o burgemeester, hoor toch ons juichend blijde lied.
Mei is de bloeimaand der getijden, elk plantje groeit en bloeit.
O dat uw komst in Mei ook beduide, groei en bloei voor Lemsterland,
Moog het een band zijn van trouw en achting van beider kant.

Ons avontuur op Siberie.

Op Siberie kwam de vuilnis uit de Lemmer terecht. De stortplaats lag dichtbij de Zijlroede en vanaf de Zeedijk kon je op dat terrein komen. Nou, wij als jongens sneupten daar wel eens rond. Bij de oprit was een zigeunerkamp, waar we altijd een beetje schoorvoetend aan voorbij gingen.

De voorafgaande nacht had het nogal hard gestormd vanaf het IJsselmeer. Wij waren zo’n beetje aan het rondkijken of er nog iets interessants te vinden was. Pieter Wouda was er ook bij. Die jongen stotterde zo verschrikkelijk, wij noemden hem voor de grap "ene ene”. Op een gegeven ogenblik riep Pieter: "Ik ik ik zie wa wat he he heel moois” en hij begon te rennen om bij dat mooie voorwerp te komen.

Opeens zagen wij hoe Pieter de grond onder zijn voeten verloor en plotseling met zijn hele lichaam langzaam wegzakte Hij was in de kuil terechtgekomen waar de beroemde tonnetjes uit de hûskes werden geleegd. Door het voorafgaande stormweer was die kuil bedekt geraakt met van alles wat bij een harde storm kan rondvliegen. Ondanks dat we geschrokken waren, barstten wij jongens van het lachen ..., ik zie Pieter nog uit die kuil komen, hij zat tot aan zijn nek onder de stront. En wij maar lachen. Achteraf bedacht ik me dat hij had wel kunnen verzuipen. Pieter ging rechtstreeks naar de Zeedijk en nam bij de eerste zwemplank een bad in zee.

Kwajongensstreken.

In het eerste gedeelte beschreef ik dat kleine huisje van ons aan de Langestreek. Naar het hüske moest je rond het hele huis over straat lopen om zo in dat steegje te komen. Nu was het vroeger zo dat mijn ouders wel eens ’s avonds bij vrienden en bekenden op bezoek gingen. De huisdeur ging op slot. In de loop van de avond moest ik heel erg naar de wc, maar ja ik kon het huis niet uitkomen.

Ik vond een creatieve oplossing voor mijn probleem. We hadden een poes "Snoekie" genaamd. Haar kattenbak stond achterin de keuken waar ook gegeten werd. Nou Auke dus maar op de kattenbak, zo was ik er mooi van af. Laat op de avond kwamen mijn ouders thuis. Mijn moeder haar blik bleef aan de kattenbak hangen. Ze riep haar man erbij en zei tegen hem "moet je eens kijken wat die kat gedaan heeft, en dan ook nog zo groot".

De lekkere gebakjes.

In datzelfde huisje sliep ik in de bedstee die grensde aan het voorvertrek. In mijn bedstee was een klein luikje (naar de voorraadruimte/keldertje). Er was net een verjaardag bij ons gevierd en twee overgebleven gebakjes stonden in het houten rek. Gebakjes vond ik zalig, zoiets ging er altijd wel in bij mij (dat is tot heden zo gebleven).

De gelegenheid was gunstig die avond. Mijn ouders waren ergens een bezoekje aan het afleggen en ik maar smachtend naar die gebakjes kijken ... ik kon de verleiding niet weerstaan. Ik kon er net door het kleine luikje bij en ik lekker smullen.Toen mijn ouders weer thuiskwamen, maakte Vader eerst weer de gaslamp met dat kousje aan.  Mijn moeder zei nu heb ik wel zin in een lekker gebakje. Schelte haal jij even die gebakjes, ik zet nog wat koffie op. De ontsteltenis was nogal groot. Moeder zei verontwaardigd tegen haar man "die verd... jongen toch weer”.

De heerlijke boterhamworst.

Bij ons thuis was het niet bepaald een vetpot, ik denk nog met afschuw aan die gestampte muisjes die we meestal op de boterham kregen. Gesneden broodbeleg was een zeldzaamheid. In die tijd kon je in menige kruidenierswinkel de boodschappen nog laten opschrijven. Moeder maakte daar ook veel gebruik van, onder andere bij Schaap op de Langestreek hadden ze zuivelprodukten en vleeswaren voor op brood.

Ik werd vaak door Moeder naar de winkel gestuurd. Op een dag, ik weet niet wat me overkwam, stapte ik spontaan bij Schaap de zaak binnen en bestelde een ons boterhamworst. Dat kwam natuurlijk ook op onze rekening. Buiten gekomen, voor de bakkerij een huis verder, at ik met genot het hele ons boterhamworst op, mmm lekker.

De Sokjesdraver en andere geplaagden.

In de Pietersbuurt was het gebruikelijk als het vroeg donker werd, hier en daar de mensen in de Pietersbuurt en op het Turfland inbegrepen een beetje te plagen.
Ik herinner me nog het huis aan de Spoorweg. Daar woonde de brugwachter, die bij de tram tussen Lemmer en Joure zo’n beetje alles in de gaten hield, meneer Solkema.

Dikwijls slopen wij ’s avonds met een groepje buurtjongens naar zijn huis en gooiden daar kleine steentjes tegen de ramen tot die man dan woedend uit zijn deur kwam vliegen... en ons dan op zijn sokken achterna zat, maar ja hij had slechte kaarten, wij waren er als de bliksem vandoor. Het is hem nooit gelukt iemand van ons in zijn handen te krijgen.

De twee dames op het Turfland, altijd in het zwart gekleed, woonden naast de schoenenzaak, naast het ‘Zwarte Kousen Kerkje’. Eén van de dames verspreidde op Turfland en in de Pietersbuurt het krantje ‘De Goede Tijding’, uitgegeven door de gereformeerde kerk in Nieuwburen. Soms hoorde moeder de klep van de brievenbus en ging kijken wat er in de gang lag. Moeder zei dan vaak oh daar is de ‘Blijde Boodschap’ weer, wat natuurlijk sarcastisch bedoeld was.

Terug naar de twee dames. Ze woonden in een dubbel huis. De familie Dekker woonde naast hen. Hun buitendeuren waren zo gemaakt, dat de deurkrukken naast elkaar zaten. Wij gingen soms ‘s avonds daarheen en bonden met een touw de beide deurkrukken aan elkaar vast, belden daar aan, en geen van de deuren kon worden geopend. En wij er dan als de bliksem vandoor.

Dan had je op Turfland naast groenteboer Deinem een behoorlijk groot huis. Daar woonde Willem, een nogal verwaarloosd oud mannetje. In dat huis woonde ook zijn zuster en zijn broer die nooit op straat kwamen. Later hoorde je dan dat die zuster psychisch van de kaart was en mensenschuw was geworden. De broer van Willem was kreupel en die kwam op zijn knieën aan de deur toen we daar voor de grap eens aanbelden.

Die drie mensen woonden alleen in het achterhuis, de hele voorkamer lag vol met oude kranten. Achter hun huis hadden ze een grote verwaarloosde tuin, die aan de Pietersbuurt grensde. Daar was een grote houten schutting. Wij als kwajongens rammelden aan die schutting en op een gegeven moment werd van achter de schutting een emmer met urine over ons uitgegooid.

Het waren eigenlijk zielige stakkers, maar daar stonden we niet bij stil in die vlegeljaren. Maanden later was ik er getuige van dat de broer en zuster door de sociale dienst of een andere gemeentelijke instantie uit het huis werden weggehaald en naar Franeker werden gebracht. Het was hartverscheurend hoe deze kreupele stakker smeekte om nog een keer naar zijn broer Willem in de keuken te mogen.

Nog een paar kleine anekdotes uit die tijd.

Lekker ijsje bij Evert:

Evert stond met zijn ijskraam op het plein tegenover het oude gemeentehuis. Als klein jochie stond ik toen vaak heel dicht bij die kraam met als gevolg dat menige klant zei, ach geef die jongen ook een ijsje.

Mevrouw Van der Horst was getrouwd met één van de notabelen in Lemmer, haar man was architect. Ik kwam daar veel over de vloer om met haar zoontje Philip te spelen. Het was daar natuurlijk een heel andere wereld. Wat kreeg ik daar vaak heerlijke toetjes, bij ons thuis aten wij praktisch de hele week karnemelkse pap. Ik vond dat zo gruwelijk, maar ja ik moest eten wat op tafel kwam. Een hele uitzondering was soms de pudding op zondag.

Mevrouw Van der Horst nam mij ook dikwijls mee als ze eens ergens op bezoek ging. Zo kwam ik ook eens bij mevrouw De Rook terecht die aan de Straatweg in een keurig huis woonde. Ook naar de dames van de hoedenwinkel op de Langestreek werd ik bij een bezoekje meegenomen.

Ik herinner me heel vaag dat ik vroeger ook wel eens met die jongen van Hotel  ‘De Wildeman’ omging. Ik moet nog aan die grote koelkast denken die daar in de hotelkeuken stond. Ik kreeg dan wel eens een lekkere gehaktbal, die daar in grote hoeveelheden op voorraad waren, en als die jongen dan soms even de keuken verliet, was ik als de bliksem bij die koelkast en nam snel nog een gehaktbal die ik haastig verslond.

Bij de familie Heeres kwam ik ook vaak. Jan, één van hun zoons, zat bij mij in de klas. Ze woonden op een woonark in de Vaart die direkt op het Stoomgemaal Tacozijl uitkwam. We hadden daar heel veel leuke speelmogelijkheden, onder andere speelden we in een klein hok, en speelden we Kerkje. Ik was altijd de dominee die op het laddertje stond. De twee anderen waren dan de toehoorders van mijn ‘preek’. We hebben er nog hartelijk om moeten lachen toen ik in 2012 met Hans Heeres in Sneek een ontmoeting had.

Met de kinderen van de familie Slump op Turfland heb ik jaren een hechte vrienschap gehad. Deze familie kwam uit Indonesië. Zij moesten hun land verlaten omdat mevrouw Slump met een Nederlander gehuwd was. Zij hadden twee dochters, Irene en Agnes, en nog een zoon genaamd Pier. Mevr. Slump en kinderen waren de eerste kleurlingen na mij die zich in de Lemmer vestigden.

Wat kon die mevrouw Slump lekker koken. Haar Indonesische kookkunst was geweldig. Ze hadden ook van die scherpe sambal in huis. Op een middag was ik met Pier en Agnes  in hun huis. Op straat zagen we een jongen uit de buurt rondhangen die geestelijk gestoord was. We maakten een plannetje om deze Piet eens lekker voor de gek te houden met een lepel met iets lekkers erop. Dat lekkers was in dit geval de scherpe sambal. Nieuwsgierig kwam Piet naar ons toe en hij kreeg van ons een hele lepel sambal te eten. Die arme stakker wist niet wat hem overkwam, dat spul brandde natuurlijk ontzettend in zijn mond. Wij hadden plezier en stonden er toen nog niet bij stil wat we eigenlijk voor lelijks hadden gedaan.

Links Nellie Slump, zittend Agnes Slump op het ijs.

Bij slager De Jong op de Langestreek kwam ik ook wel eens. Met zijn zoon ging ik af en toe om. Achter de slagerij was het slachthuis. Door een achterdeurtje kwam je in een steeg terecht achter de Tuinstraat. Het steegje was geen openbare weg. Het was de toegang voor de gemeentereiniging die van de aangrenzende huizen in de Tuinstraat de tonnetjes verwisselde.

We kwamen op het idee het tonnetje van de Anne Meester uit het hûske te halen en de inhoud van de ton kwam in het steegje terecht. Anne Meester (Anne was getrouwd met Lammert Schothorst) kwam erachter dat wij die streek uitgevreten hadden. Ze verscheen tamelijk boos aan onze deur. Mijn moeder begon op mij te schelden en ik moest voor straf direct naar boven en naar bed. Nu ik erover nadenk was die straf niet zo erg, maar die arme zoon van slager De Jonge, moest alle troep netjes in de ton terug scheppen.

1954: Op het ijs van de kolk achter ons huis. Willie Lammers, Jantje Lammers en een dochtertje van Auke v/d Wal.

Auke met onbekende mevrouw.

± 1953: Johan Loen, Auke Bless, Auke Hoekstra en Hendrik Loen.

Ik denk graag aan de tijd in Lemmer terug.
We hadden er goede en slechte tijden.

Auke Bless.


TOP