Bijlage 1

Het huurcontract van de werf, d.d. 18 juli 1899:

De ondergeteekenden Heeren Anne Visser Janzoon en Anne Baukes Visser, zeehandelaren, beide wonende te Heeg, en aldaar handelende onder de firma A.en A.Visser Zonen, verklaren uit de hand verhuurd te hebben en in gebruik af te staan aan de mede ondergeteekenden Berend Hendriks de Jong en Michiel Hendriks de Jong, scheepstimmerlieden, beide te Heeg woonachtig, die erkennen van genen gehuurd te hebben en in gebruik verklaren aantenemen: Een Scheepstimmerwerf met Timmerschuur, Riethok en twee Hellingen met de beide Sleepen, ketting en blokken daarbij behoorende, benevens eene Huizinge met erf en twee bleeken cum annexis, alles staande en gelegen te Heeg, ten kadaster bekend Gemeente Heeg Sectie F nummers 96, 98, 99 en 1140, te zamen ter grootte van negentien are negentig centiare, thans bij de huurders in gebruik en dus volkomen aan hen bekend.

Op de navolgende Bedingingen en Voorwaarden:

  1. Voor den tijd van drie aaneenvolgende jaren in te gaan den twaalfden November 1800 negen en negentig, en te eindigen den twaalfden November 1900 twee.
  2. Voor en om eenen jaarlijkschen huurprijs van driehonderdvijftig gulden door de huurders te betalen aan en ten kantore van de verhuurders, elk jaar in twee termijnen den twaalfden Mei en den twaalfden November telkens de helft; verschijnende de eerste termijn op den twaalfden Mei 1900 en zoo vervolgens van zes tot zes maanden.
  3. De huurders zullen het gehuurde zelf met hunne gezinnen moeten bewonen en gebruiken, zonder hetzelve geheel of ten deele aan anderen te mogen overdoen of wederverhuren zonder schriftelijke toestemming van de verhuur­ders.
  4. Onder het verhuurde is niet begrepen den westelijksten wal, als waarover de Verhuurders zich de vrije beschikking voorbehouden.
  5. De huurders zullen bij elken opslag van hout en andere materialen, zoomede met de berging, en plaatsing daarvan, in of buitenshuis op aanwij­zing en met goedkeuring van de verhuurders moeten te werk gaan, die daarover ten allen tijde het toezicht zullen hebben. Zij zullen voorts het gehuurde net, zindelijk en ordelijk houden, en onderhouden en bij het einde van den huurtijd in dien staat achterlaten.
  6. Het gewoon dagelijksch onderhoud is ten laste van de huurders; grove reparatiën aan het gehuurde zullen door de verhuurders worden bekostigd.
  7. De huurders zullen voor eigen vuur en licht moeten instaan, en de schade daardoor veroorzaakt dadelijk aan de verhuurders moeten vergoeden. Ook zullen de huurders den jaarlijkschen omslag aan de Brandwaarborgmaatschap­pij, waarin de gehuurde gebouwen verzekerd zijn, moeten betalen.
  8. De huurders verbinden zich, om wanneer de timmeratie van de schepen, leggers en andere vaartuigen der Verhuurders, zoomede het bouwen van nieuwe schepen aan hen huurders wordt opgedragen, de verhuurders dadelijk en voor anderen te bedienen, (volstrekte noodzakelijkheid uitgezonderd) dat werk richtig en naar eisch te volbrengen, daarvoor naar billijkheid te rekenen en hen daarin naar genoegen te behandelen.
  9. De huurders worden geacht gerenuntieerd te hebben aan het recht hun bij artikel 159i van het Burgerlijk Wetboek, in de daarbij gemelde gevallen toegekend, en verder alle gewone en buitengewone, voorziene en onvoorziene toevallen voor hunne rekening te hebben genomen.
  10. Indien de huurders onverhoopt in gebreke mochten blijven een of ander termijn huurprijs prompt op den verschijndag te betalen, hunne verplichtin­gen na te komen, of de overige huurders-lasten naar behooren te vervullen, zullen de verhuurders of hunne rechtverkrijgenden gerechtigd zijn dit contract ten allen tijde te vernietigen, en den huurders het gehuurde onmiddelijk te doen verlaten en ontruimen, welke laatste echter altijd voor den geheelen huur verbonden, en tot vergoeding van kosten, schaden en interessen zullen zijn. Zullende de huurders bovendien door het enkel verloop van den bepaalden termijn, of door de enkele overtreding, in gebreke zijn zonder dat daartoe eenige in morastelling zal behoeven te geschieden.
  11. De huurders verbinden zich, zoowel te zamen, als ieder hunner hoof­delijk voor het geheel, tot de betaling van den beloofden huurprijs en aankleve van dien, en tot de nakoming der in dezen gestelde voorwaarden onder afstand van het voorrecht van schulsplitsing. Alleen ter uitvinding van het zegelrecht worden de lasten en kosten, door de huurders ter ontlasting van de verhuurders te dragen, door partijen begroot op negentien gulden vijftig cent, gemiddeld in het jaar.

Overeengekoomen en geteekend te Heeg den 18 juli 1800 negenennegentig.

TOP