Home » Historie-Friesland » De Helling onder Heeg » Joucke Fetses (tot vóór 1735)

Joucke Fetses (tot vóór 1735)

Voordat ik me goed en wel realiseer waaraan ik begonnen ben, zit ik in het Rijksarchief in Leeuwarden. Iemand helpt mij op weg in allerlei registers. Ik ben op zoek naar Joucke Fedses en zijn Hielck. Maar er is geen spoor van hen te ontdekken. Registers op voor­namen, genealogi­sche jaar­boeken, boedelinventaris­sen, decreetboeken... Hoe moet ik daar ooit mijn weg in vinden? En niets over Joucke Fedses en Hielck Wises. Het lijkt wel of ze geen van beiden ooit hebben ­bestaan.

Maar dan blijkt de archivaris W.H.Keikes al onderzoek te hebben gedaan naar scheepsbou­wers in Fries­land. En daar zie ik een aantekening met datzelf­de kruis­teken als op het wapen in de voor­gevel van het werfhuis staat. Het is een tekst die hij heeft over­genomen uit een oud hypo­theek­boek: "Joucke Fetses mr. scheeps­timmerman tot Heegh voor mij selver en als man ende voogdt over mijn huisvrou Hijlck Wijtses bekenne ende verklare deugdich schuldich te wesen aen Laas Dircx huisman onder het behoor van Sneeck de somma van twee hondert twintich Caroli gul­dens [......] Sneeck 16e Septemb. 1721. 

4e08b71855914b37a69466bc2b4eeee2.png

Onder stonde dit is Joucke  Fetses eigen geset merck..."

Het eigen geset merck...

Daar is hij dus, Joucke. Hij heeft echt bestaan, hij heeft geld geleend en hij heeft ondertekend met zijn "eigen merck". Ik realiseer me plotseling dat ik zijn handtekening in handen heb. Het is bijna alsof we kennis hebben gemaakt.

Zijn "eigen geset merck"... Ik had vaak genoeg gelezen dat mensen vroeger een kruisje zetten als ze iets moesten ondertekenen en ik had altijd aangenomen dat het een soort X-teken was. Maar dit lijkt een kruis waarover goed is nagedacht, een soort symbolische voorstelling van "steun verlenend aan het geloof" met dat schuine balkje tegen het kruiste­ken aan. Ineens wordt het mij duidelijk dat Joucke Fetses niet kon schrij­ven, net als die anderen die een kruisje moesten zetten bij wijze van handtekening.

Ik had er nog niet over nagedacht of hij wel zou kunnen schrijven, maar nu reali­seer ik mij de consequen­ties: er zal van zijn hand niets te vinden zijn over de schepen die hij bouwde. Correspon­dentie kon hij niet voeren, werfboe­ken kon hij niet bijhouden, aanteke­ningen kon hij niet maken... Jouckes werf, zijn "boekhouding", prijzen, maten, het zat allemaal in zijn hoofd. Hij wist het allemaal. En wat hij niet meer wist, had nooit bestaan.

Mijn zoektocht brengt me ook naar het archief van het Fries Scheep­vaartmuseum in Sneek. En daar, terwijl ik op zoek ben naar iets heel anders, vind ik een papier overgeschreven van een origineel van 7 mei 1660. Daarin staat dat de vaart aan de zuidkant van Heeg onbevaarbaar was geworden. Er was ruzie ontstaan over de verdeling van de baggerkosten en de zaak was zozeer uit de hand gelopen dat de rechter­lijke macht moest komen om een regeling te treffen. En daar staat een lijst van de inwoners van Heeg die voor de kosten werden aangeslagen. Ze woonden zelf niet allemaal aan die vaart, maar moesten wel bijdragen in de kosten van het "sla­tten". Daar staat ook "Jouke Fetzes schuit­maker" bij.

Joucke Fetzes schuitmaker in 1660... Zijn loopbaan begon dus niet in 1699. Zoiets was te verwach­ten. Maar het huis werd wel gebouwd in 1699... Bestond de helling toen al en kwam het stenen huis ter vervanging van een houten huis? Of werd de helling soms met huis en al in 1699 nieuw opgezet? Ik heb geen idee. Ik kan er niets over vinden. Maar als Joucke in 1660 al schuit­maker was en dus toen toch minstens een jaar of twintig moet zijn geweest, dan was hij dus in 1699 zo omstreeks de zestig. Een man op leeftijd. Niet het huis van een startende ondernemer, maar de kroon op een levenswerk...

Om mij wat beter te oriënteren over Joucke's omgeving, ga ik op zoek naar materiaal over Heeg in de zeventien­de en achttiende eeuw. Echt verder kom ik niet. Als ik al iets vind, dan gaat dat over de machtigen, over de Harinxma's, over stinzen, erfenissen en militaire carrières. Waar zijn al die "gewone mensen" gebleven? Ik vind cijfers, bijvoorbeeld dat er in 1815 789 inwoners waren in Heeg en dat er in 1844 217 huizen waren, 1100 inwo­ners, hoofdzake­lijk boeren en vissers, een houtzaag­molen, drie scheeps­werven en twee leer­looie­rijen ­... Maar dat is al weer honderd­vijftig jaar later dan de tijd van Joucke Fetzes en bovendien zou het op ieder dorp in het Friese waterland zou kunnen slaan.

In een ander boek staat: "Het verkeer moest vroeger groten­deels te water gaan, vooral in de winter, als de "modderre­den" geheel onbruikbaar waren." Een groot deel van het jaar waren de wegen door regen, vorst en sneeuw niet berijdbaar. In de winter werden ze zelfs vaak afgesloten met "hinderpalen" om ze niet door karren te laten stuk rijden. Alleen ruiters en voetgangers konden er dan nog gebruik van maken.

Dat is verhelderend: als de omstan­digheden toen zó waren, konden Jouckes klanten onmogelijk van ver zijn gekomen om een boot te bestel­len. Hij moet vrijwel alleen voor zijn dorpsgeno­ten hebben gebouwd. Boeren waren ze, die dorpsgeno­ten van hem, vissers en schippers. Werkboten, boerenboten, vissers­bo­ten, transportscheepjes heeft hij dus gebouwd. Naar teer en pek heeft het bij hem geroken.

Pier zijn klanten komen uit het hele land, zelfs uit het buiten­land, tot uit Japan en de Verenigde Staten toe. Ze komen niet voor werkboten, maar voor glimmende, gelakte, met koper en bladgoud versierde plezierscheepjes. Klanten uit het dorp heeft hij niet of nauwe­lijks. De wereld heeft zich sinds Joucke's dagen binnen­stebuiten gekeerd.

En... midden in dat waterland, in die dagen van toen, moet iedereen een boot hebben gehad: tjalken, pramen, vissers­bootjes, en wat er verder allemaal was... Blade­rend in de Holland­se schepen van Groene­wegen, zie ik een "Friese praam", een "beurtschip", een "boeyer", een "snik", een "turf­schuit". 

Een Friese praam...

En ik probeer me voor te stellen hoe ze bij de helling afgemeerd hebben gelegen, terwijl mannen van de werf op het schip, of eromheen, bezig waren met een reparatie...

Hun gereedschap vind ik op een lijst die gemaakt werd in 1703 bij de verkoop van een werf in de buurt van Langweer: rampsage, schilpsage, breekijzer, skrab­ber, steven­banken, laden, teermaten, pikpot, vijlblok, teerquasten, blocken, touwen, helling­haken, smeerhouten, schoo­ren, rollen, wijnbomen, schraagh, schaatsen die men onder 't hout legt, bock, slijp­steen, rijen, weeghscha­len, wighen, dommekragt, schaaf­bank, moddernet en stok. Maar is deze lijst compleet? Ik mis bijvoor­beeld boren, beitels, bijlen, breeuwijzers, dis­sels, hamers, schaven...

Er is nog iets dat ik van hem weet, van Joucke: hij was in Sneek op zestien september 1721, voor die hypotheekakte. Zou hij daar ook dat wapen hebben laten maken voor de gevel van zijn nieuw te bouwen huis?

Iemand die over mijn schouder meeleest, wijst mij erop dat de halve adelaar in dat wapen ook in het Sneker stadswapen voorkomt en dat het kruiste­ken niet zomaar een kruisje is, maar een huismerk, een meesterteken, en dat deze merken vaak van vader op zoon werden overgedragen en ouder kunnen zijn dan alle adellijke wapens bij elkaar...

Voor mij op tafel in het Rijksarchief komen in varkensleer gebonden folianten te liggen, oude perkamen­ten met moeilijk leesbare letters waarvan ik niet meteen woorden weet te maken. Het zijn achttiende eeuwse Reëelko­hie­ren, overzichten van de onroerend­goed-belasting die huiseigenaren moesten betalen. Ze zijn onregel­matig over de tijd verdeeld. Soms zijn ze er opeenvolgend over een periode van een jaar of vijf, dan weer ontbreken ze over een periode van een jaar of twintig. De eerste dateert van 1711 en de laatste van 1794. Ze beschrijven steeds de situatie van een jaar eerder.

En in het kohier van 1711, dat dus de situatie van 1710 beschrijft, vind ik twee werven in Heeg. De ene is eigendom van de Bijzitter Lambertus Haga en in gebruik bij zijn schoonzoon Jan Jacobs van der Werf, meester scheepstim­merman en commies ter recherche. Een vreemde combinatie, die twee banen, zelfs als je schoonvader aan de rechtbank verbonden is. Zou zijn werf alleen niet genoeg hebben opgebracht? De andere werf staat op naam van Joucke Fetses. Zijn naam zie ik trouwens op meerdere plaatsen staan. 

Jan Jacobs' werf...De andere werf staat op naam van Joucke Fetses

Al een kleine driehonderd jaar hebben deze papieren ergens gelegen en nu, op dit moment, liggen ze daar, in die geklimatiseerde ruimte naast de studiezaal en ik hoef alleen maar de juiste ingangen te vinden om dat wat er over Joucke geschre­ven staat, voor mij op de tafel te krijgen...

Hij was in goeden doen zo te zien: behalve eigenaar en gebruiker van een "huis en timmer­huis als hellingh" was hij eigenaar van nog een viertal huizen die hij verhuurde. De namen van de huurders staan er zelfs bij. En daar ik zie dat ene Ycke Fetses mede-eigenaar was van één van die huizen.

Diezelfde Ycke Fetses kwam ook voor in dat stuk uit 1660 over het "slat­ten"... Hij zou Joucke's broer kunnen zijn. Kort daarna vind ik een schuldbe­ken­tenis voor negenhonderd caroli­guldens - een caroligul­den had een waarde van fl 2,50 - die Joucke in 1718 had geleend van Ycke die in Bolsward blijkt te hebben gewoond. Toen Ycke overleden was, wilde zijn weduwe dat Joucke's vrouw, Hijlk Wijtses, ook een schuldbe­kentenis zou ondertekenen. En die kwam er dus, ondertekend met een kruisje zoals ik me dat had voorgesteld: "Onder­stonde Dit is Hijlk + Wijtses eigen geset handtmerk". 

En meteen daaron­der staat nog een schuld­beken­tenis voor die­zelfde lening van "mijn wijlen oom" Ycke Fetses. Deze bekentenis is afkomstig van Jaitse Joukes, meester scheeps­timmer­man. Dat zijn twee vliegen in één klap: Joucke en Ycke waren dus inderdaad broers en Joucke en Hijlk hadden een zoon, Jaitse, die meester scheeps­tim­merman was in 1718. Maar zijn "handt­merk" vind ik niet. Zijn vader tekende als borg voor hem.

En daarmee is er een gezin: vader Joucke, moeder Hijlk en zoon Jaitse. Vader en zoon meester scheepstimmerman. Behalve dat Joucke eigenaar en gebruiker was van een "huis en timmerhuis als hellingh" en eigenaar van vier huizen, bezat hij ook nog een "camp lands" van vier pon­demaat, zo'n ander­halve hectare. Van al die huiseigena­ren die er in het Reëelkohier staan, is er maar een beperkt aantal dat meerdere bezittin­gen had. En Joucke Fetses was één van hen... Maar hij woonde niet in de buurt van de notabelen. Die woonden aan de vaart aan de Zuidkant van Heeg: Mijnheer Harinx­ma, de schoolmeester, de predikant... Ik begin iets te begrij­pen van dat wapen dat hij in zijn gevel liet plaatsen, een gevoel van zelfbe­wust­zijn, van burger-adel, dat hij gehad moet heb­ben... Een hereboer, als hij boer was geweest­...

Had hij daarom een stenen huis willen hebben? Of had het te maken met de heropleving van de palinghandel waarover ik al eerder had gelezen?

Hoe was het ook weer? De Staten van Friesland plachten eventuele voed­selschaarste te bestrijden door middel van exportverboden. Zo werd bijvoor­beeld de uitvoer van aardappe­len, meel, boekweit, rogge, erwten, enzovoort verboden wanneer er een binnen­lands tekort dreigde. In 1552 werd de uitvoer van vis verbo­den. Vóór die tijd ging de Friese paling naar Holland­se kooplui die met de droogleg­ging van de Hollandse meren in toenemen­de mate de Friese paling opkochten voor hun export naar onder anderen Duits­land en Engeland, een handel die al eeuwen oud was.

Eén en ander had ook gevolgen gehad voor de schepen. In 1609 werden palingaken, waarmee de paling naar Holland werd gebracht, opgekocht door het Provinci­aal Bestuur. In 1628 moesten alle aken uit de vaart worden genomen. Zo niet, dan zouden ze worden verbrand of in stukken geslagen. In 1640 werd zelfs gedreigd met strenge straffen. Waarom? Was het zo aantrek­kelijk voor de aak­schipppers om de wet te ontduiken? Was die paling­handel financieel zo interes­sant?

In 1680 verzocht Haye Jans uit Gaastmeer de Staten van Friesland of "een aeck publyc­quelyk mach worden toegelaten om de Meervisch daer mede buyten de Provincie elders te vervoeren ende te vercopen". Zijn verzoek werd ingewilligd, maar de vreugde duurde maar kort, want in 1686 volgde al weer een verbod. En toen .... we schrijven 1699, het­zelfde jaar als op de gevel­steen.... kwam dat besluit van de Staten waardoor ieder die dat wilde, paling kon uit­voeren.

Weer dat jaartal: 1699.... Zou dit nog toeval zijn? Hoeveel palingaken beston­den er eigenlijk nog? Hoeveel nieuwe moesten er worden gebouwd? Zou Joucke overladen zijn met opdrachten? Hoe rijk was hij al? Hoe rijk heeft hij zich gerekend? Was het maar mogelijk om de klok terug te draaien...

In het Scheepvaartmuseum in Sneek tref ik ook een glas-in-loodraam aan dat uit het werfhuis afkomstig is. 

Achterin het museum, in een vitrine tussen antiek gereed­schap, daar hangt het. Weer een jaartal, maar onvolledig nu: 169... Dat raam stamt uit Joucke's tijd...  Zou het ook ter ere van het nieuwe huis zijn gemaakt, net als het wapen in de gevel? Er staat een drietal figuren op het gebrand­schil­derde glas, in bleek­groe­ne kleuren. De meest linkse daarvan moet Joucke zijn, hij is bezig een stuk hout met een dissel te bewerken. Naast hem een jongeman tegen wie een hondje opspringt - een jeugdig iemand dus - en daar weer naast een jongen met een pikhaak in zijn hand die langs de waterkant met een zeil­bootje aan het spelen is. Ze dragen allemaal een hoed.

De tekst onderin het glas is niet goed te lezen, als je niet weet wat er staat. Maar in het Jaarboek 1977 van het Scheep­vaartmuseum staat een foto waarop het wel goed is te zien. Aan de afgebro­ken en ontbrekende woorden is te zien dat de raampjes oorspronke­lijk groter waren. Er staat: Jouk Fetses mr Schuyt[...] en Hijlk Wijtses syn[...], en Gosse Joukes 169[..], en Jaijtse Jou­kes[..]... Van Jaijtse Jouckes' bestaan was ik al op de hoogte, maar Gosse Jouckes? Die naam was ik niet tegenge­ko­men in de kohieren.