Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » De familie Rijpkema

De familie Rijpkema

De familie Rijpkema, in Lemmer.

Doorke Rijpkema. doorke@home.nl

Den Bosch, mei 2009.


Ergens tussen februari 1883 en oktober 1885 kwam mijn overgrootvader Epke Meinderts Rijpkema, met zijn gezin naar Lemmer. Epke was geboren in St. Nicolaasga op 2 december 1849, zoon van Meindert Epkes Rypkema en Klaaske Annes de Lange. Hij was in 1875 getrouwd met Gatske Aukes uit Woudsend, dochter van mastmaker Jan Auke Aukes en Jetske Piers Huitema.

In de eerste huwelijksjaren woonde het gezin tussen St. Nicolaasga en Huis-ter-Heide, daar werden de oudste kinderen geboren: in 1878 Meindert, in 1880 Jetske, in 1881 Jan en op 31 januari 1883 mijn pake Anne Rijpkema. Epke verdiende tot dan toe de kost als kasteleinknecht, arbeider, dagloner. Het gezin ging bij Lemmer wonen in een ark aan de Dijksloot.

Epke was niet de eerste Rijpkema die in Lemmer ging wonen. Zijn zus Akke woonde daar al, zij was getrouwd met Jacobus Groenendal, en Epkes moeder kwam uit Lemmer, zij was daar geboren op 17 juli 1819, dochter van Anne Andries de Lange en Aafke Siebrens Molenaar. Toen zij in 1844 trouwde met Meindert Epkes Rypkema woonde ze in St. Nicolaasga, waar ze werkte als dienstmeid.

In het begin had Epke nog werk in St. Nicolaasga. Daarvoor moest hij heel vroeg opstaan, zo’n 10 km. lopen, dan de hele dag sloten graven en ’s avonds weer lopend terug naar zijn gezin. Hij kreeg plakken roggebrood mee, waar Gatske met een kwastje Amerikaans vet op gesmeerd had, dat was het goedkoopst. Het werk was zwaar, hij kon ’s morgens koffietijd zijn hele mondvoorraad wel op, maar moest er nog de hele dag mee doen.

Op 24 oktober 1885 werd in Lemsterland hun zoon Auke geboren. Auke kreeg van zijn vader te horen hoe de dag van zijn geboorte was. En Auke heeft op 85-jarige leeftijd zijn herinneringen opgeschreven. Ik citeer: "Op de dag van mijn geboorte heeft zich heel wat afgespeeld.
Moeder zat alleen in de ark, vader was met zijn broer in een oude schuit over het Tjeukemeer gevaren. Zij hadden een goede lading turf aan boord om daar iets mee te kunnen verdienen.

Maar mensen waren in die tijd erg arm en de meeste mensen hadden geen geld om de turf in te slaan. Mijn vader en mijn oom maar zoeken, naar mensen, aan wie zij turf zouden kunnen verkopen. Die mensen woonden echter zover uit elkaar en gingen er verscheidende dagen overheen tot ze tot handel kwamen en toen konden zij de turf nog wel kwijt, maar viel er geen cent meer aan te verdienen.

Tenslotte zei mijn vader tegen zijn broer:”ik heb er meer dan genoeg van, mijn vrouw zit alleen in die ark, die ver van het dorp op een dijk staat omdat hij te gammel is om in het water te liggen, we gaan”. Toen konden zij niets anders doen dan de turf tegen inkoopprijs verkopen. Het ergste was dat ze de turfen ook nog naar de zolders moesten sjouwen. Toen ze los waren zijn ze zo gauw mogelijk naar huis gegaan, met die oude schuit over het meer.

Het stormde hard; vader stond aan het roer en elk ogenblik kon die schuit door midden breken, maar God was met hen in de narigheid. Toen ze het meer over waren, lieten zij de schuit in een zij-sloot achter en vader kwam gelukkig nog net bijtijds thuis. Zo ben ik ter wereld gekomen. Toen vader uitverteld was, stonden mij de tranen in mijn ogen.”

Na Auke volgden nog meer kinderen. In april 1887 werd Piet geboren, hij overleed na 8 dagen. In juni 1888 kwam dochter Klaaske. In maart 1890 een doodgeboren kindje. Dochter Akke werd geboren in januari 1892 en de jongste zoon Piet in januari 1894. Het gezin was intussen verhuisd naar de helft van een klein dubbel huis, Zeedijk 13, en Epke had beter werk gevonden. Hij werd vee-verzorger voor veehandelaar Blok, die woonde in een boerderij aan de Rien en stond in de beneden Schans in Lemmer. In de winter kon hij soms mest uitrijden over het ijs, naar land in Oosterzee. De koeien werden bijgevoerd met roggebrood, dat kon je zelf ook eten en als de kinderen in de stal kwamen kregen ze een stukje.

Melk mocht Epke vrij meenemen voor zijn gezin. Veehandelaar Blok kocht vrijwel uitsluitend kalfkoeien op de veemarkt in Leeuwarden om die weer te verhandelen in Noord-Holland. Epke ging wel mee met veeboten over naar Amsterdam. Eens, met slecht weer, ging de lading schuiven en de boot bijna om. Epke bond een lijn om zijn middel, ging toen de deuren van de verschansing openen en de bovenlast schoof in zee. Enkele koeien kwamen zwemmend aan bij de Kuinderse dam en klauterden over de dijk. De koeien onderin moesten met een takel naar de hoge kant getrokken worden.

Omstreeks 1895 kocht de firma Blok en zonen Hertog en Louis een boerderij met veel grasland in Amsterdam en Epke werd gevraagd om daar zetboer te worden, dat was voor hem een nieuwe kans om vooruit te komen en zo verhuisde het gezin naar Amsterdam. Hij verzorgde de koeien, die als het kalf geboren was een paar dagen werden gemolken en dan opgepoetst en met volle uier naar de veemarkt.

Voor zichzelf mocht Epke een schaap houden. De firma Blok ging ook koeien exporteren, ze kwamen in Parijs en zonen van Epke zijn wel met koeien naar Hongarije geweest als veeverzorgers. Blok sr., een eerlijke man, heeft verscheidene schillenboeren geholpen echt boer te worden. Zij mochten een koe uitzoeken, iedere week wat afbetalen en als ze quitte waren weer een of twee op krediet mee.

Dat de heer Blok mijn overgrootvader aan een beter bestaan had geholpen werd hem ook in dank afgenomen. Ook heeft mijn vader me, als kind, eens meegenomen naar de Joodse begraafplaats, in mijn herinnering is die heel laag gelegen, onder aan een dijk en ik zag er veel indrukwekkend hoge bomen. Dat er in Lemmer na de 2e Wereldoorlog geen Joden meer woonden kan niet helemaal waar zijn. Mijn vader had wel eens wat veehandel of contact daarover met Bennie “de Jood”, zijn achternaam weet ik niet, deze Bennie woonde in een van de laag gelegen huisjes, aan het eind van het Waaigat rechtsaf richting de kolk.

In de tijd dat Epke in Lemmer woonde is hij ernstig ziek geweest. Zijn zoontje Anne werd toen uitbesteed bij tante Akke. Toen zijn vader weer beter was moest Anne weer naar huis, maar dat was moeilijk, hij liep telkens terug naar zijn (kinderloze) oom en tante. Toen Epke en Gatske naar Amsterdam gingen verhuizen zei Akke: “Laat dat jongetje maar bij ons, jullie hebben kinderen genoeg” En zo gebeurde het dat Anne verder opgroeide bij zijn oom Jacobus Groenendal en tante Akke Rijpkema in Lemmer.

Jacobus was van de herfst tot het voorjaar slager, in de zomer maaide hij met de zeis. Anne leerde van zijn oom het slagersvak en er werd toen ook in de zomer geslacht. Om 3 á 4 uur in de ochtend slachten en om 7 uur beginnen met verkopen. Er werd veel verkocht aan schippers, en dan verder uitventen in het dorp. De rest ging mee de boer op waar dan meteen weer ingekocht werd. In een halve dag was het verse vlees verkocht en het spek werd gezouten.

Toen Anne daar de leeftijd voor had ging hij in militaire dienst bij de cavalerie in Den Haag, en ook toen kwam hij regelmatig bij zijn ouders in Amsterdam.

 Anne Rijpkema, met zijn bakfiets.

Anne Rijpkema.

Gezin van Epke Rijpkema en Gatske Aukes. Staand rechts achter, is Anne, in uniform van de cavalerie.

Over het leven in Amsterdam schreef zijn broer Auke het volgende:

“Toen ik elf jaar was kwam ik al van school.
Mijn vader verdiende maar f.8,- a f.9,- per week en daar moesten wij het met ons achten van leven, huur, kleding en de rest.
Mijn ouders wilden dat ik een vak leerde en zo kwam ik bij een sigarenmaker terecht.

Daar was ik stripjongen, wat betekent, dat ik dekbladen moest strippen.
Loon: f. 1.- per week, werken van s’ morgens 7 uur tot s’ avonds 7 uur met s ’middags een uur schafttijd. Een uur lopen per dag hoorde daar ook nog bij.

Daar ben ik een jaar geweest, maar omdat ik daar niets leerde moest ik naar een andere baas. Daar verdiende ik f. 0,50 per week en ook de hele dag van s’ morgens 7 uur tot s’ avonds 7 uur, ook de hele dag strippen. Alleen s’ zaterdags mocht ik 5 sigaren maken.
Het heeft lang geduurd eer ik een goede punt aan zo’n sigaar kon krijgen.
Het waren de goedkoopste sigaren, die er in die tijd bestonden, namelijk 1 cent per stuk..

De baas was een echte marktscharrelaar. Zaterdags stond hij op de Nieuwemarkt en op maandag het Amstelveld (wij woonde toen al in Amsterdam). Een kistje van honderd sigaren voor een gulden. Het was natuurlijk geen eerste klas tabak. De beste sigaren kostten in die tijd 2,5 a 3 cent per stuk. Goed, ik was al een jaartje bij die baas geweest. Hij woonde nogal dichtbij. Ik kon dan altijd s’ zaterdagsmorgens koeien van de Lemsterboot halen.

Ik moest dan om 4 uur op, maar ik verdiende er f.0,50 per keer mee: dat was net zoveel als bij de baas, voor een hele week.
Maar toen ging de baas verhuizen, dicht bij de Nieuwemarkt en ik moest drie kwartier lopen.

Zo gebeurde het, dat toen de boot op een zaterdag wat laat aankwam, ik een uur later bij de baas kwam. Hij zei niets, maar toen ik de volgende maandagavond om 7 uur vroeg of ik naar huis mocht, begon hij ( hij was half dronken ) met grove stem uit te varen.

Hij zei:”weet je wel hoe laat je zaterdag gekomen bent? “ en gaf me harde klap tegen mijn hoofd, dat licht mij uit de ogen sloeg. Ik lag even met mijn hoofd op mijn armen en huilde, maar stond toen op, pakte mijn jas en maakte dat ik de deur uitkwam. Hij heeft me natuurlijk nooit meer terug gezien.

Zo ziet ge , hoe er vroeger misbruik gemaakt werd van jonge krachten. Ik ben nooit meer in dit vak terug geweest en ben gelukkig geen sigarenmaker geworden. Ik vond het een ellendig vak.
Ik ben ook nog op een glasverwerkingsfabriek geweest. Daar werden glasplaten gemaakt met vergulde letters. Die letters werden er met zand in geblazen. Wij stonden dan in een hokje en het was een en al zandstof. Degene die de platen bewerkte had een kap op, luchtdicht, afgesloten, met een slang, zodat hij geen last van het stof had. Maar wij jongens werden niet beschermd, moesten steeds zand van de grond scheppen en in de machine gooien. Men stikte haast in het stof. Sociale wetten waren er toen nog niet. Eén jongen mocht dit werk niet meer doen van zijn ouders. Hij werd meteen zonder geld ontslagen wegens dienstweigering.

Nu was het loon niet hoog, 1 gulden per week en voor het minste geringste kregen we een dubbeltje boete, zodat we soms met 70 of 80 cent naar huis gingen. Daarvoor moesten we werken van s’ morgens 8 tot s’ avonds 7, brood meebrengen; van 12 tot 1 uur schafttijd.
S’ zaterdags ook nog tot 7 uur en geen dag vrij. Toen ik eens bij mijn ouders klaagde over die stofpartij, die je longen haast verstikte, moest ik er gauw vandaan.

Mijn volgende baantje was bij een kruidenier. Hele beste mensen waren dat. Ik verdiende er F. 1,50 per week en de broodkost. Lekkere boterhammen kreeg ik daar, die me best smaakten. Maar ja, ook daar kwam verandering in, zoals dat gaat in het leven.
Ik kon op een biscuitfabriek komen, waar ik 5 cent per uur verdiende en tot 3 gulden in de week kwam. Dat was op zichzelf al een verbetering: ik kon daar mooi vooruit komen, er zat toekomst in en ik had het er best naar mijn zin. Ik heb daar een paar jaar gewerkt, totdat ook aan deze baan een einde kwam. Dat ging zo.

Twee van mijn broers waren bekend met boerenwerk en gingen naar Duitsland. Daar werd niet alleen beter betaald, maar je had ook een beter leven. Dat was omstreeks 1904.

Zij zijn daar enkele jaren geweest en bleven voor goed thuis, toen zij een vaste betrekking aan de Gemeentelijke Gasfabriek kregen.
Toen ik hoorde dat mijn broers het zo goed maakten in Duitsland, wilde ik er ook naar toe. Ik ging vlug melken leren, wat me helemaal niet mee viel, toen ook naar Duitsland. De eerste jaren had ik het heel zwaar. Ik heb de dagen wel geteld, maar op de duur leerde ik het vak beter kennen, ik werd flinker, zodat tenslotte geheel ingeburgerd was.
Ik heb het een kleine tien jaar vol gehouden, maar steeds met een doel voor ogen. Ik wilde melkboer worden en daarom spaarde ik flink.

Toen vader schreef, dat er steeds meer geruchten de ronde deden, dat het in Duitsland begon te spoken en dat het wel eens op een oorlog zou kunnen uitlopen en vader wilde dat ik terug kwam, ben ik huiswaarts gekeerd. Dat was in 1913, wel nu in 1914 brak de eerste wereld oorlog uit.  Ik kon voor mij zelf beginnen met de phenningen, die ik in Duitsland verdiend had, en werd melkboer.”

Anne wilde een eigen slagerij in Lemmer in liet aan de Polderdijk 4, naast de zeilmakerij, een pand bouwen dat beneden een winkel, koelruimte, een slachtplaats en een kelder had. Op de eerste verdieping een voorkamer en een achterkamer, allebei met bedstee. Naast de voorkamer een slaapkamer en naast de achterkamer een keuken met een veranda boven de achter aangebouwde stal. Op de tweede verdieping ook een woonkamer met bedstee, 2 slaapkamers, een rookhok en een plat dak waarop je naar buiten kon. Er was een diepe achtertuin die hij als moestuin gebruikte en hij hield er kippen. Zijn oom en tante verhuisden met hem mee en hebben tot hun dood bij hem en zijn vrouw ingewoond.

Hij trouwde op 29 november 1917, 34 jaar oud, met Catharina Elisabeth Engwerda, 20 jaar oud, oudste dochter van Frans Engwerda en Johanna Sinnema. Katrine was geboren in Leeuwarden, de familie Engwerda was in 1909 op een boerderij in Echten gekomen. Na het overlijden van Frans Engwerda in 1921 is Johanna Sinnema met de nog thuiswonende kinderen verder gegaan op de boerderij aan het Westeind.

Anne en Katrine kregen 2 kinderen, een dochter Johanna in 1919, en een zoon Epke, mijn vader, in september 1922.

 Anne Rijpkema met zijn gezin.

Op 21 juni 1922 werd aan Anne het kenteken, nummerbewijs B-5541 afgegeven. Hij had een motor aangeschaft. Dat zal het uitventen van vlees zeker gemakkelijker gemaakt hebben.

Mijn vader groeide op met het slagersvak en als kleuter, nog voor hij de R kon zeggen, maakte hij een teddybeer open om te kijken of er ook jeuzel (reuzel) in zat.

Dat zijn grootouders Epke en Gatske wel in Lemmer kwamen logeren blijkt uit onderstaande ansichtkaart:

De voorkant van deze ansichtkaart is een foto van een dochter en kleinkinderen van Epke en Gatske voor hun winkel in Amsterdam. Zij was getrouwd met een Hamers.

Op de achterkant van de kaart zie je, dat de postbode geen straatnaam nodig had om deze kaart te bezorgen. Je ziet daar ook, dat de kaart gericht is aan beste broer en zus. Dat komt doordat Anne’s jongste broer Piet na het verlies van zijn 1e vrouw trouwde met Beth Engwerda, zusje van Katrine. Piet en Beth kregen 8 kinderen. Later is ook Anne’s broer Jan, die na het verlies van zijn 1e vrouw achterbleef met 8 kinderen getrouwd met Monica, zusje van Katrine.

Amsterdamse neven en nichten van mijn vader heb ik niet gekend, wél heb ik heel gezellige herinneringen aan hun ouders die ik meemaakte als ze bij mijn grootouders op bezoek waren. Epke en Gatske zijn overleden in Amsterdam, Gatske in 1931 en Epke in 1938.

Mijn vader kreeg het slagersvak dus van huis uit mee en hij heeft in Utrecht aan de slagersvakschool zijn vakdiploma gehaald. Hij trouwde op 11 augustus 1947 met Stephanie Sterk, dochter van Steven Sterk (zoon van Johannes Sterk en Dina Visser) en Dora de Jong (dochter van Jelte de Jong en Jitske van der Leest).

Zij woonden de eerste jaren van hun huwelijk boven de slagerij aan de Polderdijk. Daar waren intussen op de 1e verdieping in voor- en achterkamer de bedstedes uitgebroken en in die vrijgekomen ruimte was een keukentje geplaatst dat hoorde bij de voorkant van de woning.

Mijn ouders woonden aan de voorkant, mijn grootouders aan de achterkant van die boven-woning. In mei 1948 werd ik geboren, een jaar later mijn oudste broer en anderhalf jaar later mijn volgende broertje, en toen werd het wel erg krap in die ene slaapkamer waar een tweepersoonsbed, een stapelbed en een ledikantje stond.

Toen ik 4 jaar oud was kocht mijn vader de slagerij aan de Flevostraat 11. Daar kreeg ik nog 2 broertjes en een zusje. Er werd steeds meer vlees in de winkel verkocht, maar ook het thuisbezorgen ging lang door. Mijn moeder stond meestal in de winkel en deed de boekhouding. Het huishouden deed ze daarvoor en daarna. Mijn grootvader kwam ook regelmatig helpen en hij ging altijd met mijn vader mee op dinsdagochtend naar de veemarkt in Sneek, soms als het nodig was ook nog op vrijdag naar Leeuwarden. Mijn vader kocht er vee voor de slacht, mijn grootvader nog wel eens voor handel en vetweiderij. Mijn grootvader is overleden in 1962.

Epke Rijpkema.

Het thuisbezorgen van vlees was toen niet meer een kwestie van uitventen, maar van levering op bestelling. Toen ik oud genoeg was om mee te helpen werd ik daarvoor ingeschakeld, evenals mijn broers. Op donderdag werd het vlees bezorgd (per fiets) bij klanten in Oosterzee en Echten, op vrijdag in de Noord Oost Polder, en op zaterdagochtend in Lemmer. In zomer en winter, door weer en wind. Er woonde toen op de sluis in Lemmer een familie waar ik wel eens binnengevraagd werd om bij de kachel mijn handen te warmen. Reken maar dat dat fijn was!

Mooie herinneringen zijn ook de keren dat ik mee mocht met mijn vader “de boer op”.  Het gebeurde nogal eens dat hij aan het eind van de middag, melkerstijd, even de hectiek van winkel en klanten achter zich liet. Bij de boeren die hij dan bezocht in de Polder was ik getuige van zijn belangstelling en handelsgeest. Soms kwamen we terug met een pasgeboren (stier)kalfje en ik weet nog hoe lekker de gekookte niertjes van zo’n kalf zijn bij een zondags ontbijt.

In 1964 haalde ik mijn ULO diploma in Lemmer, daarna zat ik een jaar op school in Harlingen en vervolgens 4 jaar opleiding in Den Bosch, waar ik nu ook nog woon. Mijn broers en zus zijn ook geen van allen in Lemmer gebleven, maar we komen er allemaal nog regelmatig. Omstreeks 1970 moest mijn vader om gezondheidsredenen stoppen met de zaak.

Flevostraat 11 werd verhuurd en mijn ouders betrokken een boerderijtje aan het Westeind. Dat heeft niet lang geduurd. Mijn vader had te weinig omhanden en verlangde terug naar het slagersvak.  Die kans nam hij in Heerenveen aan de Lindegracht. Maar ook daar bleek al binnen enkele jaren dat het fysiek teveel was en moest hij de zaak verkopen. Hij heeft daarna nog gewerkt als toezichthouder/adviseur voor de eigenaar van een aantal slagerijen. Mijn ouders bleven wonen in Heerenveen, waar mijn vader in 1996 is overleden.

- De Rijpkema’s komen oorspronkelijk uit Akmaryp.

Klaas Gerrits, stamvader, trouwde in 1669 met Tjitske Riemers, dochter van Riemer Haentjes Rijpkema. Zij woonden in Akmarijp, waar Klaas boer was, ontvanger en dorpsrechter. Uit dat huwelijk worden 4 kinderen geboren. Na het overlijden van Tjitske trouwt Klaas met Attie Pieters en het 1e kind uit dat huwelijk wordt Tjitske genoemd, geb. in 1686. Dit kindje is jong overleden en zo krijgt ook het 2e kind de naam Tjitske, Klaas wilde kennelijk zijn 1e vrouw vernoemen en dat dit kind een jongetje was, dat weerhield hem daar niet van. Tjitske kreeg nog 3 broers, Pieter, Jan en Ruurd.

- Alle nakomelingen uit dit gezin krijgen de achternaam Rypkema/Rijpkema.

Tjitske Klazes trouwde in 1714 met Johantje Pyters met wie hij gaat wonen op een boerderij in het buurtschapje Jongeburen, aan de oever van het Sneekermeer. Uit dat huwelijk een zoon Klaas. In 1719 trouwt Tjitske met Antje Willems, dochter van Willem Hoytes en Imk Meyes. Uit dat huwelijk de kinderen Meye en Johanna. Tjitske was N.Hervormd gedoopt, zijn kinderen werden Katholiek gedoopt, en zo ook al hun nakomelingen.

Meye Tjitskes, boer in Goïngaryp, trouwde in 1752 met Hylkje Cornelis. Zij kregen 8 kinderen waarvan er 2  jong zijn overleden. Hun zoon:

Tjitske Meyes Rypkema trouwde in 1785 met Froukje Epkes de Ree uit Heeg. Aanvankelijk wonen ze in Goïngaryp, in 1799 huren ze een boerderij in St. Nicolaasga. Uit dit huwelijk worden 6 kinderen geboren die allemaal volwassen worden. Hun zoon:

Epke Tjitskes Rypkema was van beroep boer, later koopman en bij zijn overlijden op 42-jarige leeftijd staat vermeld dat hij inlands kramer was. Hij trouwde in 1811 met Akke Meinderts de Ree. Zij krijgen 9 kinderen, het jongste kind is 4 maanden oud als Epke in 1830 overlijdt. Akke staat dan geregistreerd als “winkeliersche”. Hun zoon:

Meidert Epkes Rypkema, beroep: arbeider/dagloner, trouwde in 1844 met Klaaske Annes de Lange uit Lemmer. Klaaske is een dochter van Anne Andries de Lange en Afke Sybrens Molenaar.

Uit dat huwelijk 3 kinderen, Akke, Anne en Epke Meinderts Rijpkema.

- Behalve deze Epke hebben er nogal wat andere nazaten van Klaas Gerrits in Lemmer gewoond of er een huwelijkspartner gevonden.

Huwelijksgegevens Lemsterland:

Op 26 mei 1844: trouwde Hendrik Jans Meyer met Froukje Epkes Rypkema. Hun kinderen worden geboren in Doniawerstal.

Op 29 mei 1846: trouwde Jan Johannes van Asma met Ymkje Meyes Rypkema. Ymkje is een tante van Epke Meinderts. Zij kregen in Lemsterland de volgende kinderen: Johannes (1847), Egbertje (1849), Meye (1850), Egbert (1852), Elizabeth (1853), Egbert (1855), Egberta (1856), Egbert (1858), Elizabeth (1863) en Gijsbertus (1865)

Op 24 mei 1850: trouwde Klaas Johannes Atsma, met Geeske Klazes Rypkema uit Teroele. Zij doen in Lemsterland aangifte van de geboorte van: Johannes (1851), Afke (1854), Klaas (1856) en  Fedde (1863).

Op  6 aug. 1869: trouwde Egbert Pieters Rijpkema met Durkje Hornstra. Uit dit huwelijk een tweeling Pier en Pieter die kort na de geboorte zijn overleden, en in 1871 een zoon Pieter.

Op  5 mei  1871: trouwde Jan Dijkman met Attje Rypkema. Zij doen 2 keer aangifte van de geboorte van een zoon Holke, in 1871 en 1873.

Op 13 mei 1877: trouwde Jacobus Beljon met Geeske Rypkema. Hun kinderen: Hendrikus (1879), Regina Maria (1882), Jacobus (1884), Regina Maria (1891) en Antonius (1895)

Nog meer huwelijken:

Op 24 juni 1836: trouwde Tjebbe Jelles Bosman in Doniawerstal met Marijke Meyes Rijpkema. Marijke is een tante van Epke Meinderts. Hun zoon Meye wordt in 1837 geboren in Doniawerstal, alle volgende kinderen in Lemsterland. Dat zijn: Jelle (1839), Tjitske (1841), Jan (1843), Berber (1845), Egbert (1847), Janna (1849), Saakje (1851), Siebe (1852), en Jacobus (1854)

Op 10 februari 1848: trouwde Joseph Tjitskes Rypkema in Doniawerstal met Rinske Lubbers de Lange uit Lemsterland, Eesterga, dochter van Lubbert Andries de Lange en Wietske Sybrens Molenaar. Zij kregen 2 dochters: Geeske (1848) en Wietske (1850)

Op  8 mei 1853 trouwde Tjitske Pieters Rypkema (zoon van Pieter Tjitskes Rypkema en Berber Tjebbes Witteveen) met Sipkje Ulbes Boersma uit Lemmer. Hun kinderen worden geboren in Doniawerstal.

Op  9 mei 1862  trouwde Meye Bosma, zoon van Tjebbe Jelles en Marijke Meyes Rypkema met Sjoukje Vogelvanger uit Lemsterland, dochter van Albert Hessels Vogelvanger en Fokeltje Lykles Nijholt. Uit dit huwelijk de in Lemmer geboren kinderen: Tjebbe (1863), Froukje (1864), Albert (1867), Marijke (1869), Siebe (1871), Johannes (1873) en  Berber (1877).