Poppe de Rook

Poppe de Rook, uit Lemmer. Het eerste rode raadslid.

Poppe de Rook (1845-1913) was een succesvol vishandelaar (met bokkingrokerij) in Lemmer en lid van de SDB. In 1889 werd hij de eerste socialist die zitting nam in de gemeenteraad in een Nederlandse gemeente (Lemmer)

In 1890 laat hij een testament maken, daar is hij koopman en veehouder.


Poppe de Rook (1845 - 1913)

Een dominee in Lemmer maakte Poppe de Rook, een rijke vishandelaar met een sterk ontwikkeld sociaal gevoel, uit voor 'brandstichter', toen deze in 1889 als eerste sociaaldemocraat in Nederland in de raad gekozen dreigde te worden. De Rook kwam op voor de belangen van arme vissers en schippers. T. Beijma, voorzitter van de plaatselijke liberale kiesvereniging, verweet hem daarom over hun ruggen in de gemeenteraad te willen komen. Een merkwaardig verwijt, aangezien alleen welgestelden stemrecht hadden. De Rook sloeg dan ook terug: ,,Deze ruwe viskoper laat zich volstrekt niet door een mislukte advocaat uit het veld slaan.''

De dominee probeerde het nog te voorkomen door hem vanaf de kansel een brandstichter te noemen, maar het mocht niet baten: in 1889 veroverde Poppe de Rook in de Friese gemeente Lemsterland een raadszetel. Hij was hiermee het eerste sociaal-democratische raadslid in ons land. Of was deze vishandelaar, zoals zijn tegenstanders beweerden, een salonsocialist die slechts uit was op eigenbelang?

Lemmer, een lieflijk stadje aan het IJsselmeer, in de zuidwestpunt van Friesland. De horeca doet er goede zaken dankzij de pleziervaart. Vroeger, toen het IJsselmeer nog de ruwe Zuiderzee was, had je er aan de haven wel vijf kroegen op een rij. Die stroomden vol zodra de Lemster vissersboten binnenliepen. Het bonkige vissersvolk zette er na noeste arbeid een groot deel van het loon om in jenever.

Tot verdriet van hun vrouwen, die maar moesten zien hoe ze met de centen die overbleven een bord eten op tafel kregen voor hun kroost. De dominee en meneer pastoor waarschuwden wel tegen het drankmisbruik, maar hun preken waren aan dovemansoren gericht. De meeste vissers meden de kerk als de pest. Propagandavergaderingen met socialistische sprekers als de afvallige dominee Ferdinand Domela Nieuwenhuis, daar kwamen ze wél het huis voor uit. Die beloofde een andere maatschappij, zonder uitbuiting en sociale ellende.

Al in 1870 komt er in Lemmer een afdeling van de Algemeene Friesche Werkliedenvereeniging tot stand. In 1883 sluit die zich aan bij Domela’s Sociaaldemocratische Bond (SDB). Het socialisme wint steeds meer terrein, erkent ook het jaarverslag van de gemeente Lemsterland over 1885.
In de gemeenteraad maken de liberalen en anti-revolutionairen de dienst uit. Van de arbeiders hebben ze weinig te vrezen, die hebben immers geen kiesrecht. De welgestelden, niet meer dan enkele procenten van de bevolking, hebben het voor het zeggen. Eén van hen is Poppe de Rook. Telg uit een geslacht van bokkingrokers. Hij woont in een kapitaal pand en heeft een bloeiende vishandel. Een kapitalist dus, in de oude socialistische terminologie. Maar wel een van het vooruitstrevende soort.

Poppe, geboren in 1845, komt al op zeer jonge leeftijd door het overlijden van zijn vader aan het hoofd te staan van het familiebedrijf. Hij maakt van de bokkingrokerij een van de bekendste visbedrijven van ons land. Ook de handel in ansjovis wordt een belangrijke bezigheid. De Rook introduceert het vissen met staande netten, waardoor de vangst met sprongen toeneemt. Ook leert hij de vissers om voortdurend met peilglazen het zoutgehalte van het water te controleren, om te zien of het water waar ze vissen wel zout genoeg is voor de ansjovis. Die ansjovis is hoofdzakelijk voor de export, terwijl de bokking per tram naar Groningen en per schip naar Amsterdam wordt vervoerd om te worden verkocht.

Gezien.

In de visserijwereld is Poppe een zeer gezien man. Hij is voorzitter van Schuttevaer. Ook zijn sociale denkbeelden zijn vooruitstrevend. Als geheelonthouder probeert hij het drankmisbruik onder het vissersvolk tegen te gaan. Het werkvolk dat hij in dienst heeft, wordt gehuisvest in arbeiderswoningen naast het grote herenhuis van de familie De Rook aan ‘het hoofd’ (nu Emmakade). Hangbaas (=visroker) Poppe de Rook werkt veel samen met nettenhandelaar Jan Pen. Ze zijn allebei lid van de afdeling Lemmer van Domela’s Sociaaldemocratische Bond. In de pers komt Poppe de Rook op voor de belangen van vissers en schippers, die volgens hem veel te hoge tol- en havengelden moeten betalen.

Hij voert hierover strijd met burgemeester Andringa en met bestuurslid T. Beijma van de liberale kiesvereniging ‘Vrijheid en Vooruitgang’. Beijma verwijt De Rook dat hij met zijn acties slechts over de ruggen van de schippers en vissers heen in de gemeenteraad wil komen. Maar De Rook is niet onder de indruk van de deftige Beijma: ‘Deze ruwe viskoper laat zich volstrekt niet door een mislukte advocaat uit het veld slaan.’

Over het verwijt dat hij slechts uit is op de kiezersgunst, zegt De Rook: ‘Maar weet hij dan niet dat het partij trekken voor de schippers en vissers (dat zijn de armen, de niet-kiezers) geen aanbeveling is om door onze tegenwoordige kiezers (de welgestelden) gekozen te worden?
Had men hier evenals in Duitsland, Frankrijk en andere landen, algemeen kiesrecht voor boven de 23 jaar, hetzij rijk of arm om te stemmen, de zaken zouden in Lemmer geheel anders staan. Ik twijfel er geen oogenblik aan of die slaapmutsen, die hier thans in het gemeentebestuur zitten, zouden dan spoedig door anderen worden vervangen.’

Tegenwerking krijgt De Rook ook van de kerk. De plaatselijke dominee bezweert de gelovigen zelfs dat De Rook in 1870 behoorde tot de brandstichters van de Commune van Parijs, een bloedige linkse volksopstand tegen de regering die het leven kostte aan 20.000 mensen. En dat terwijl De Rooks horizon niet verder strekte dan de Zuiderzee!

Schoolgeld.

In het voorjaar van 1889 stelt De Rook zich namens de Volkspartij kandidaat voor een zetel in Provinciale Staten van Friesland. Verschillende kiesdistricten bevelen hem warm aan in het blad De Klok, maar een liberale kandidaat krijgt meer stemmen. Vervolgens werpt hij zich op als kandidaat voor de gemeenteraad van Lemsterland.

Als op 16 juli 1889 de stembusuitslag bekend wordt gemaakt, blijkt De Rook 175 stemmen te hebben, tegen de antirevolutionair De Vries 141. Een week later meldt Recht voor Allen, het blad van Domela’s geestverwanten, trots op de voorpagina: ‘Onze partijgenoot P. de Rook te Lemmer is tot gemeenteraadslid van Lemsterland gekozen.’ De dominee heeft het nakijken en op vrijdag 23 augustus wordt Poppe beëdigd en geïnstalleerd als raadslid.

In de raadsvergaderingen voert hij herhaaldelijk het woord, meestal over visserijkwesties. De al genoemde haven- en toltarieven zijn daarbij een geliefd onderwerp. Maar hij zet zich bij voorbeeld ook in voor het halveren van het schoolgeld voor de MULO. ‘Naar het oordeel van den heer De Rook’, zo is te lezen in het raadsverslag van 3 maart 1893, ‘is het schoolgeld ad ƒ 40 per jaar, vooral voor den kleinen burgerstand, te hoog, zoodat geen voldoend aantal kinderen van het onderwijs aan die school profiteeren kan.’

Zijn voorstel wordt echter met zes tegen drie stemmen verworpen. Poppe de Rook is een zeer trouw bezoeker van de raadsvergaderingen. Slechts één keer schittert hij door afwezigheid: in november 1890, wanneer de gemeenteraad in speciale zitting bijeenkomt.
De Raad van State heeft koningin Emma aangewezen als regentes, en de Lemster raad besluit een telegram van aanhankelijkheid aan het vorstenhuis te sturen. Deze demonstratie van monarchistische gezindheid gaat De Rook kennelijk te ver. De Sociaal-Democratische Bond waarvan hij lid is, moet van het koningshuis niets hebben. Zij is verder voor invoering van het algemeen kiesrecht, gelijkberechtiging van man en vrouw, het verbieden van kinderarbeid en opheffing van alle vormen van uitbuiting.

In 1893 verdwijnt De Rook (voorlopig) uit de raad. In zijn afscheidstoespraak protesteert hij nog tegen de aantijging in een verkiezingspamflet als zou voor hem het eigenbelang steeds voorop hebben gestaan. ‘Hij wenscht daartegen met de meeste kracht op te komen omdat hij zich bewust is, steeds zijn eed getrouw te zijn geweest, en niet zijn eigen belang maar dat der gemeente heeft bepleit, wanneer hij sprak o.a. over hooge tollen of over misbruiken en onregelmatigheden bij schipperij en visscherij, b.v. de gaardering der tollen van visschersvaartuigen’.

Burgemeester Luiking geeft toe dat de tolheffing in de gemeente inderdaad niet goed geregeld was. ‘Terecht is indertijd mede door den heer De Rook op die wanverhouding gewezen, en is van een en ander het gevolg geweest dat gedurende de laatste jaren die grieven niet meer kunnen gelden en de zaak aldus beter marcheert.’

Dooie boel.

Poppe de Rook blijft na zijn vertrek uit de raad lid van Domela’s SDB, ook nadat als reactie op de radicalisering van deze beweging in 1894 de Sociaaldemocratische Arbeiders Partij (SDAP) wordt opgericht. In 1897 wordt De Rook opnieuw in de gemeenteraad gekozen. Drie jaar later sluit de kleine SDB-afdeling Lemmer zich –inclusief De Rook- bij de SDAP aan. De Lemster afdeling blijft klein, niet meer dan 15 tot 20 leden, en veel gebeurt er niet. ‘ ’t Is bij ons een dooie boel’, schrijft de secretaris in een van zijn verslagen.

In 1910 komt daar althans wat De Rook betreft verandering in. Oud-Lemstenaar S. van der Woude, sinds enkele jaren in Amsterdam woonachtig, ergert zich blijkbaar zo aan de ingedutte afdeling dat hij het landelijk bestuur van de SDAP en zijn eigen afdeling-Amsterdam gaat bestoken met een stroom van boze brieven. Hij beschuldigt de Lemster sociaaldemocraten ervan dat ze ‘blijkbaar alléén met anticlericale bedoelingen’ een ‘vast compromis’ hebben gesloten met de vrijzinnige (lees: liberale) kiesvereniging.

In zijn ogen een verwerpelijke zaak. Met name Poppe de Rook moet het bij Van der Woude ontgelden. Dat hij De Rook zo hard aanpakt zou volgens de afdelingssecretaris van de SDAP-Lemmer te maken hebben met een familiekwestie; Van der Woude zou in de clinch hebben gelegen met zekere Bart Wesseling, een schoonzoon van Poppe de Rook, en ‘nu moet uit wraak tegen Wesseling schoonvader De Rook het ontgelden.’

In een van zijn brieven beweert Van der Woude dat De Rook bij de gemeenteraadsverkiezingen in een plaatselijk blad een liberale kandidaat heeft aangeprezen. Bovendien heeft hij zijn stem niet laten horen toen in 1909 bij de geboorte van prinses Juliana in de gemeeenteraad werd voorgesteld haar moeder koningin Wilhelmina te feliciteren en bij de Juliana-feesten de klokken te luiden. Voor Van der Woude is daarmee de maat vol. ‘Zou het niet eens tijd worden dat hier ingegrepen wordt?’ schrijft hij aan het SDAP-bestuur.

De actie van Van der Woude zorgt voor veel commotie onder de Lemster sociaal-democraten. In een brief aan het landelijk partijbestuur geeft De Rook toe dat hij behalve lid van de SDAP ook lid is van de vrijzinnige kiesvereniging, die hem bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen ook kandidaat heeft gesteld.

Volgens De Rook is dit echter geen ideologische keuze maar vloeit het voort uit de omstandigheid dat de SDAP-afdeling zelf geen kandidaten stelde en hij ‘in de raad de praktische democratie wil dienen’. Tegen de feestelijkheden rond de geboorte van prinses Juliana had hij zich niet verzet omdat dit ‘misstaat, daar het geen ingrijpende belangen betrof en ik mij niet sterk genoeg achtte voor het houden van een propagandistenrede.’

Zuinig.

Steun krijgt De Rook van zijn eigen afdeling wel, maar de formulering die afdelingssecretaris Jan Pen kiest, doet nogal zuinig aan. ‘Het is ons niet bekend dat hij in de Raad in strijd met het Partijbelang heeft gehandeld. Dat hij weinig voorstellen doet in onze richting, dat is waar, maar het is ook waar dat wanneer hij dat deed het wellicht slecht zou uitloopen.’ De afdeling acht het wel raadzaam dat De Rook zijn contacten met de liberale kiesvereniging beëindigt.
Van der Woude zet intussen zijn offensief in de partij tegen de Lemster SDAP-afdeling en De Rook voort. ‘In den gemeenteraad is niets van ons beginsel te bespeuren’, klaagt hij. ‘Ons gemeenteprogram wordt in geen enkel opzicht toegepast, ook niet bij kwesties waar het bijna onvermijdelijk is, zooals bij loonen van gemeentewerklieden, pensioenen, bestekbepalingen of wat ook.’

Hij beschuldigt De Rook van verzet tegen voorstellen om te komen tot een gemeentelijke visafslag en tot beperking van de werktijden van bootwerkers op de nachtboot van Lemmer naar Amsterdam. De SDAP-bladen weigeren echter Van der Woudes brieven af te drukken. Alleen de Nieuwe Friesche Courant neemt op 4 maart 1911 een ingezonden stuk op, waarin hij De Rook een ‘aanbidder van het onvolprezen particuliere initiatief’ noemt. Dat is zó tegen het zere been dat De Rook onmiddellijk zijn lidmaatschap opzegt. De afdeling probeert nog om hem op andere gedachten te brengen, maar zonder resultaat.

Eind 1911 beëindigt De Rook ook zijn raadslidmaatschap. Hij is dan inmiddels de 65 gepasseerd en niet meer in goede gezondheid: op een foto uit die tijd zien we hem in een rolstoel. Ruim een jaar later, op 25 januari 1913, overlijdt hij. ‘Een slechte dag voor de Zuiderzeevisscherij-nijverheid’, schrijft de Visscherij-Courant. Het weekblad ruimt een groot deel van zijn voorpagina in om de verdiensten van Poppe de Rook te roemen.

Ook zijn activiteiten buiten de visserijwereld worden niet vergeten: ‘Hij was een propagandistisch Staatspensioenneerder, geheel-onthouder, een zeer verdienstelijk en geacht lid van den Raad’. In zijn raadswerk toonde hij zich geen bevlogen revolutionair maar een gematigd hervormer. Dat hij het etiket salonsocialist kreeg opgeplakt lag voor de hand; als ondernemer bleef hij ondanks zijn sociale gezicht natuurlijk altijd een beetje verdacht.

Stempel.

De familie De Rook blijft ook na de dood van Poppe een stempel drukken op de plaatselijke politiek. Zijn broer Klaas is lange tijd actief in de SDAP-afdeling en zijn zoon Jurjen zal ook raadslid worden voor de SDAP, maar stapt in de jaren ’30 uit de raad en wordt lid van de uiterst-linkse Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP). Jacob de Rook, een zoon van Klaas, is zó links dat hij in het familiebedrijf geen voorman wil worden.

Hij wordt communist, is tijdens de Tweede Wereldoorlog een vooraanstaand verzetsman, wordt door de Duitsers gearresteerd en zal niet meer terugkeren uit het concentratiekamp. Het aardige is dat al die zo verschillend-links georiënteerde familieleden het privé zeer goed met elkaar konden vinden. Zó goed, dat ze samen jarenlang een hecht familieorkest vormden. Met de vishandel zelf liep het niet goed af. Nadat drie zoons van Poppe de zaak hadden voortgezet, kwam er de klad in, mede doordat hun kinderen allemaal meisjes waren, die niets zagen in het bedrijf.

Zo kwam in de jaren ’50 een einde aan wat meer dan een eeuw lang een bloeiend familiebedrijf was geweest.

Er zijn nogal wat foto′s van "de Hangen". De mensen zijn dan ook, voor wie ze gekend heeft goed herkenbaar.  Links vooraan staan de broers Pieter en Johannes Coehoorn, daarachter Tiesse de Rook. Daarnaast zien we Willem Platte en Pieter Feenstra. De beide vrouwen zijn Renske Spiekholt Rottiné en haar zuster Kaatje Spiekholt. De man met de hoed is de baas Poppe de Rook. Achter de kar staat Jan Rottiné, met naast hem Jurjen de Rook, die zijn dochter Mientje op de arm heeft. Achter hem, bij het raam staat Klaas de Rook, Lourens de Rook of Marten Feenstra.

De mannen die achter bij het ronde raam staan...De linker man is Toon Woudhuizen en Marten Feenstra. De eerste drie mannen zijn aan het inpakken met meibokking, die klaar was voor bakbokking. Pieter heeft de hamer in de hand, waarmee hij de kistjes dichtmaakt. Rens en Kaat, staan de haring te speten, hier, met het oog op de foto, uit een vleet.

De Rook, zelf heeft later in een wagentje gereden, hij was de man die de in en verkoop verzorgde. Jan Rottiné, is net terug van de haven met zijn kar met haring van de vissers. Jurjen de Rook, was de man die het kantoorwerk deed. Toon Woudhuizen, was een specialist in het roken van Engelse en spekbokking.

Marten Feenstra, was kuiper, hij verzorgde het dichtmaken van de tonnen en ankers met ansjovis. Klaas de Rook, was een bekend voordrager. Daarvoor trok hij er 's avonds op uit. Bekende nummers uit zijn repertoire waren 'De Kyp fan Drylst' en 'De boer op klompen'.


I have enjoyed looking at your web site. I wonder who is the person that has written some of the commentary on this site, regarding the Poppe De Rook family, in particular about my Tante Lies (Elisabeth)? She appears in the pictures with Poppe in the fish-smoking building, and when she skated across the sea (I have her ice skates), and when she visited my mom in Indonesia.

I enjoy seeing pictures of our old house on Leeg, it brings back memories of when I was a kid visiting “Oma” in lemmer. While going thru some of my Moms stuff (Gea De Rook), I have found a picture of Poppe De Rook from the late 1800’s.

I now live in the Chicago area.
I am curious, let me know.

Cheers
Peter Collins.

De vrouw rechts op de foto is Lies de Rook, het kantoorwerk van het bedrijf kwam voor rekening van dochter Lies, later ging zij met een van haar broers naar Indië en na terugkomst maakte zij zich verdienstelijk met het verzorgen van zieken in de familie. Later is zij getrouwd met de heer Nijdam. Zij woonden toen in Leeuwarden. De heer in de rolstoel is Poppe de Rook.

Detailfoto's van bovenstaande

Poppe de Rook, 1873

Poppe de Rook, 1880.

Poppe de Rook.

Bovenstaande foto's: van Peter Collins (c)

MEM WAS BORN ON SEPTEMBER 18, 1898 IN LEMMER, a small fishing village on the coast of the Zuider Sea in Friesland, (Province of the Netherlands). It was the year that the 25th President of the USA, William McKinley, waged the 100-day war against Spain to liberate Cuba. At the same time the USA annexed the Philippines, Puerto Rico and Guam.

MEM’S PARENTS were MARTEN DE VRIES and GEZIENA ANNA DE VRIES - FRANKEMA. I’m not sure whether my grandmother was registered as Geziena Anna, or as Geeske Antsje (which is the name on her tombstone in the Lemmer cemetery). Geziena Anna is the Dutch translation of her Frisian name. Both grandparents, Geeske and Marten, were born and raised in Lemmer. They also died in Lemmer, where their side-by-side graves can still be visited.

MEM WAS THE YOUNGEST OF SEVEN CHILDREN. ( Beth, Auk (f), Theun (m), Piet, Sip (f), Martha, and my mother Annie, as she was usually called. The name Annie, or Anneke, is a term of endearment for the classic name Anna.)

Mem told me, that when Beppe was expecting her in 1898, Beppe’s eldest daughter, Beth, was also pregnant, more or less at the same time. Beth had a boy, born about a month or 2 after Mem’s birth on September 18. His name was Jaap Bast.

Lies de Rook later married Jaap Nijdam early in May 1940, when the German troops began to occupy Holland. This courtship had lasted more than a dozen years. Only the threat of being a single woman with rough German soldiers around, made her finally decide to accept his proposal and they hurriedly married within days. Jaap Nijdam adored her. He had already built a beautiful house for her in Leeuwarden, capital of Friesland. It was in English cottage style with a thatched roof and a raised pond filled with gold fish and water lilies in the back yard. All the furniture was hand crafted by a well-known Frisian cabinet maker in the style of the 17th or 18th century, specially to fit the new house.. Unfortunately, soon after WW II ended in May 1945, Jaap Nijdam fell sick. He had cancer (of the colon, I seem to remember). Tante Lies nursed him till he died 2 or 3 years later.

THE HOUSE BEPPE BOUGHT was part of a huge, centuries-old, lovely estate house, Andringa-State, on a town square, De Schulpen, right in the center of Lemmer, overlooking the harbor and facing the Zuider Sea. It had once belonged to an aristocratic Dutch/Frisian family, Van Andringa de Kempenaer, who had built it in 1720 After the last member of that family died, the entire complex was bought by the wealthy owner of the Wood Mill & Lumber Yard in Lemmer, the Sleeswijk family.

The lumber yard dates back to 1795. They produced mostly packing crates for Lemmer companies, to ship smoked or potted fish etc. Pake Poppe was a major customer, using the crates to ship his products all over Holland, Germany and England. I still have one side of an old crate that Pake used for dispatching his fish products. Peter has the other side. Both are stamped with the firm’s name: Fa. P. DE ROOK, LEMMER. VISCH HANDEL & ROOKERIJ. The Lumber yard doesn’t exist anymore, though it was still going on strong after WW II.

Een foto van het oude huis. Zoals u kunt zien, is het huis hier al gehalveerd, in een boven en beneden. De deur aan de rechterkant gaat meteen naar boven. Dit was de voordeur van mijn Oma's verdieping. De schoorsteen aan de rechterkant van het huis, is voor de boven en de linker schoorsteen is voor het huis beneden.

In 'Het Leeg', vlakbij de Binnen en de Vluchthaven was een aantal rokerijen te vinden. 'De Hang' werd dat genoemd. Hangbaas 'De Rook', is de meest bekende in het Leeg, vanaf de linkerkant zien we het huis van de familie Poppe de Rook. Het is zeer waarschijnlijk dat zijn voorouders al een rokerij bezaten, want toen Napoleon (rond 1811) de verplichte naamgeving invoerde, bepaalde vaak het beroep de naam van een familie.

Dan komt het voorste gedeelte van de hang, waar de vis werd verwerkt, daarachter was de rokerij. In de vier huizen daarnaast woonde in het eerste Obbe Woudhuizen, Jan Rottiné in het tweede. In het derde huisje woonde Toon Woudhuizen, in het vierde Gauke Bootsma. Het vismeel-fabriekje van Libbe Bouma, volgt met daarnaast de visrokerij van familie De Jager, later de palingrokerij van de jongens van Klaas Sterk. De pijpen op de achtergrond zijn van de familie Sterk, die pas in 1991 zijn gestopt met het roken van vis.

Arbeiders gefotografeerd midden tussen de vaten en ankers waarmee zij werkten, in 'De Hang' van 'De Rook'. Zij staan hier op de Emmakade en op de achtergrond zien we het torentje van het tramstation. De afgebeelde personen zijn: Anne Visser, Rikus Vlig, Willem Platte, Theunis Bootsma en Roelof Balsma.

Foto genomen in een hang, waarschijnlijk bij 'De Rook'. Hier krijgen we ook bijna alleen de voornamen. Dat zijn Jacob en Lena Dijkstra, Leeuwke Bootsma, Rienk en Maaike. Lena is de latere tante van Johannes de Vries, Lena de Vries-Dijkstra.

Gerestaureerd pand van de familie Poppe de Rook, 27-08-02; hoek Emmakade en 't Leeg.