Fedde Schurer |1|

Schurer, Fedde, Fries schrijver (Drachten 25-07-1898 - Heerenveen 19-03-1968). Zoon van Bauke Schurer, geboren op 10-12-1864 te Leeuwarden, overleden op 11-02-1940 te Heerenveen (Bauke was knecht op een scheepshelling), en Grietje Wagenaar, geboren op 23-09-1861 te Lemmer, overleden op 04-03-1941 te Drachten.

Uit het huwelijk van Bauke en Grietje

1. Wimke Schurer.

2. Klaske Schurer.

3. Tjipke Douwes Schurer.

4. Fedde Schurer (Fedde is jong overleden)

5. Naamloos Schurer.

6. Fedde Schurer (Drachten 25-07-1898 - Heerenveen 19-03-1968) timmermansknecht in Lemmer. Fedde huwde op 03-07-1924 met Willemke de Vries. Het echtpaar zou enkele jaren later een zoon adopteren, Andries Schurer. Fedde volgde een avondcursus voor onderwijzer en werd in 1919 benoemd aan de bijzondere lagere school aldaar. Vanaf 1920 vond publicatie plaats van gedichten in Yn ús eigen Tael, Tsjûgenis en Frisia.

De Fedde Schurer Cultuurprijs. www.riagroenhof.nl

Lemsternijs: Johannes de Vries, uit Lemmer

LEMMER. De Fedde Schurer Cultuurprijs wordt tweejaarlijks uitgereikt aan iemand die zich dienstig heeft gemaakt voor de kunst en cultuur in de gemeente Lemsterland. De cultuurcommissie heeft dit jaar Johannes de Vries uit Lemmer voorgedragen.

De Vries werd genomineerd vanwege zijn jarenlange actieve betrokkenheid bij het culturele leven in de gemeente Lemsterland. Hij schrijft wekelijks de column ‘Lemmer door de jaren heen' in deze krant. Ook zet hij zich al jaren in voor de oudheidskamer, de Fryske krite en het Nut. Daarnaast is hij voorzitter van Radio Lemsterland en presenteert hij het verzoekplatenprogramma Musicwille.

Fedde Schurer-jaar

In het jaar 1898 werden in Leeuwarden Maurits Esscher en Jan Jacob Slauerhoff geboren, 27 kilometer meer naar het westen, in Harlingen, aanschouwde Simon Vestdijk het levenslicht en ongeveer even ver van de Friese hoofdstad verwijderd, maar dan in zuidelijke richting, in Drachten, kwam in datzelfde jaar Fedde Schurer ter wereld. Cultureel Nederland heeft heel wat te gedenken in 1998. In literair Friesland gaat de aandacht vooral uit naar Fedde Schurer.

Hij mag dan in Drachten geboren zijn, het grootste deel van zijn jeugd en zijn jongelingsjaren bracht hij door in Lemmer en daar hebben inmiddels de eerste festiviteiten al plaats gevonden. Zijn liederen zijn door het Lemster koor weer op het repertoire genomen, een voor deze gelegenheid opgericht toneelgezelschap speelde nog eens Schurers zestig jaar geleden geschreven Thúsreize (Thuisreis), en oud-conservator Freark Dam van het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum hield een boeiende lezing over leven en werk van de man die - hoewel bovenal dichter - zoveel meer is geweest dan alleen maar een Friese poëet.

In het middelste huisje op de eerdere Zuiderzeedijk te Lemmer, heeft Fedde Schurer gewoond van 1904 tot 1924 met zijn ouders, broers en zusters.

Er staat nog meer te gebeuren: in Veenwouden zal het literair-historisch symposium, dat daar elk jaar in de lente wordt gehouden, dit jaar op 16 mei geheel gewijd zijn aan Fedde Schurer en uiteraard is het onderwerp van de zomertentoonstelling in het Letterkundich Museum in Leeuwarden dit jaar ‘Fedde Schurer - Libben en wurk’ (Fedde Schurer-Leven en werk). Zijn autobiografie De besleine spegel (De beslagen spiegel) wordt herdrukt in de serie ‘Fryske Klassiken’ (Friese Klassieken), er komt een bloemlezing uit van de mooiste, bekendste, meest aansprekende gedichten van zijn hand onder de titel It dûbeld paradys (Het dubbele paradijs) en er verschijnt een boek over de gebeurtenissen op ‘kneppelfreed’ (knuppelvrijdag) in 1951, toen een rechtszaak tegen Fedde Schurer uitliep op een ‘veldslag’ tussen de politie en toegestroomde sympathisanten van de beklaagde die met een scherp geschreven artikel in zijn krant het recht van de Friezen bepleit had om voor de rechtbank hun eigen taal te gebruiken. En dan zijn er nog plannen om ook een boekuitgave te maken van de talrijke op muziek gezette liederen van Schurer. Het wordt een echt Fedde Schurer jaar!

Groepsportret

Fedde Schurer is honderd jaar na zijn geboorte (en ook alweer dertig na zijn plotse dood) zeker niet vergeten. Wie was die man wiens leven al in 1971 werd vastgelegd in een schrijversprentenboek, wiens verzameld dichtwerk in 1974 werd uitgegeven en voor wie al in datzelfde jaar 1974 een standbeeld werd opgericht in zijn laatste woonplaats Heerenveen?

Een groepsfoto kan soms veel zeggen. In het hierboven genoemde schrijversprentenboek staan verscheidene van dergelijke groepsportretten en omdat het leven van Schurer het onderwerp is, ligt het voor de hand, dat op die foto's belangrijke momenten uit diens leven zijn vastgelegd en dat de man zelf er een centrale plaats op heeft. Bij de hier gereproduceerde foto ligt dat toch een beetje anders. Het loont de moeite die foto nauwkeurig te bekijken. Hij is genomen in 1951 bij Bert Bakker in Den Haag en de in de tuin aanwezigen worden beschouwd als vertegenwoordigers van het literaire verzet in Nederland.

Bovenaan staan van links naar rechts: Victor E. van Vriesland, Jan Engelman, Gerrit Kamphuis, Anthonie Donker, Ed. Hoornik en Theun de Vries; in het midden zitten op stoelen Kitty de Josselin de Jong en Rie Cramer en vooraan zitten op kussens: A. Roland Holst, Anton van Duinkerken, Fedde Schurer, Martinus Nijhoff en Yge Foppema. Van Vriesland is duidelijk aan het woord, Kamphuis, Rie Cramer en Theun de Vries luisteren naar hem, terwijl Engelman ondertussen ook nog de fotograaf in de gaten houdt. Datzelfde doen Donker, Hoornik, Roland Holst, Van Duinkerken en Schurer. Nijhoff kijkt naar Schurer, Kitty de Josselin de Jong heeft misschien ook net nog even iets gezegd en Yge Foppema zit er wat ongemakkelijk bij in een onhandige kleermakerszit. Fedde Schurer is heel erg aanwezig op die foto. In tegenstelling tot de beide andere Friezen, Theun de Vries en Yge Foppema, lijkt hij zich in dat gezelschap geheel op zijn gemak te voelen. Hij heeft z'n pijp in z'n mond gehouden, terwijl alle andere rokers hun sigaret. in de hand hebben genomen.

Nu heeft Schurer wel verzetspoëzie geschreven: er is werk van hem opgenomen in het Geuzenliedboek 1940-1945 en na de oorlog heeft hij met acht anderen de ‘Verzetsprijs voor letterkundigen’ gekregen, maar van de hier geportretteerde was hij noch de grootste verzetsheld, noch de grootste dichter. Toch zit Schurer daar alsof de groep om hem heen is opgesteld en dat terwijl hij eigenlijk bepaald ‘underdressed’ is. Behalve Hoornik dragen alle heren een kostuum, de meeste zelfs een driedelig en hij is de enige in een combinatie met een artistiek ribfluwelen jasje en een wollen slip-over. Hij heeft geen lefdoekje in zijn borstzakje, maar een pen. Desalniettemin kijkt hij vol zelfvertrouwen in de lens en dat is kenmerkend voor hem. Schurer was een man die het leven accepteerde, die moeilijke dingen graag gauw wilde vergeten en die oprecht genoot van het goede en mooie dat hem overkwam.

Persoonlijkheid

Anne Wadman heeft in 1956 in een uitzending van de Regionale Omroep Noord een mooi portret van Schurer geschetst, waarvan hij later schreef, dat het wel wat geflatteerd was, maar niet onwaar. Ik zal het begin daarvan weergeven, omdat het zo mooi aansluit bij de indruk die de foto ons al gegeven heeft van de persoonlijkheid van Fedde Schurer:

‘De dichter Fedde Schurer is buiten Friesland de man die het meest direct met de Friese beweging wordt geïdentificeerd. Voor velen in den lande is hij de verpersoonlijking, het levende symbool van het begrip Friesland. Een opinieonderzoek naar de populairste, althans bekendste Fries zou vrij zeker een grote meerderheid voor Schurer opleveren, al is de kans groot, dat hij op de voet zou worden gevolgd door Abe Lenstra. Wat is de oorzaak van deze populariteit? Misschien niet eens allereerst zijn gedichten als zodanig. Men mag gerust aannemen, dat de niet-Friezen in overgrote meerderheid met deze gedichten onbekend zijn en dat zelfs zijn Hollandse poëzie, de verzetsverzen incluis niet die bekendheid geniet, die een dusdanige populariteit zou kunnen verklaren. Ik meen, dat zijn dichterschap buiten Friesland grotendeels legendarisch is en dat de oorzaak meer ligt in zijn verschijning, in zijn menselijke persoonlijkheid.

Schurer is een man van uitersten, die toch wonderlijk genoeg zijn eenheid weet te bewaren. Hij combineert de grootst mogelijke strijdvaardigheden met een zeldzame, warme en milde menselijkheid. Hij is een man, die de zeer vergeeflijke ijdelheid van de artiest paart met de eenvoud en de nederigheid van de gelovige christen. Hij is een man die zich zonder kameleon allures in de meest verschillende milieus thuis voelt. Zijn woord als politiek journalist geniet ontzag in het hele land, bij voor- en tegenstanders. Hij is een slagvaardig en gevreesd debater in het politieke leven, bij wie emotionele en zakelijke factoren gelijkelijk tot hun recht komen. Hij is een man van rake formulering, die precies de spijker op de kop kan slaan, maar die zich ook graag en van harte vergist. Geen sluw politicus, maar een emotioneel mens wie het concrete lijden van de mensheid ter harte gaat. Geen specialist, al interesseert hij zich vanzelfsprekend vooral voor de culturele noden der gemeenschap.

Hij is een man die zich als een vis in het water beweegt in de artiestenmilieus in Holland, maar ook op vele en velerlei conferenties. Een man die waar nodig de kansel beklimt om een preek te houden en die bereid is een begrafenis te leiden.Hij is een man die bij een officiële gelegenheid een trui met hoge hals durft te dragen en de minister aan zijn mouw trekt met de vraag: ‘Excellentie, als ik niet stoor wou ik U graag even spreken’. Hij is ook de man die zich thuis voelt in het sociaal geheel ander klimaat van de Friese beweging, het krite en kampleven, waar hij zijn eigen liederen zingt bij de accordeon of desgewenst het harmonium. Hij is het geestig middelpunt van onverschillig welk heterogeen gezelschap.Dit alles verklaart nog niet zijn populariteit als dichter binnen Frieslands grenzen. Toch ligt het op dat punt evenzo. Zijn gedichten bezitten, zelfs in hun zwakke momenten, de veelzijdigheid van de complete mens.

Schurer beheerst als dichter alle registers van menselijk gevoel. Hij is de sentimentele bezinger van volks lief en leed, de keiharde, meedogenloze spotter met de aanmatiging van het gezag, de religieuze dichter van het Goddelijk geheim, de onbarmhartige ontleder van eigen en andermans schone schijn. Hij is een man die de limericks uit zijn mouw schudt, maar die ook de meest verheven stof, die van de Heilige Schrift, in dramatisch bewogen vorm weet te gieten, getuige zijn belangwekkend Simson drama en zijn meesterlijke psalmberijmingen. Hij is volksdichter, in de ruimste zin van het woord, die het gewone volk aanspreekt, maar tegelijk het vermogen bezit de fijnproevers van het subtiele woord te bevredigen. Daarbij is hij bij uitstek het type van de dichter zoals men die graag ziet: de vurige jongeling met de fonkelende ogen en de wapperende haren, de dichter-door-dik-en-dun.’

Leven.

Door de foto en de beschrijving van Anne Wadman hebben we nu wel een aardig compleet beeld gekregen van de persoonlijkheid van Fedde Schurer. Nu interesseert ons nog de vraag wat iemand met zoveel gaven van hoofd en hart voor leven heeft gehad en vooral wat hij van dat leven gemaakt heeft.

Welnu: Fedde Schurer is op 25 juli 1898 in Drachten geboren als jongste van vier kinderen in het gezin van Bouke Schurer en Grietje Wagenaar. Zijn vader was knecht op een scheepswerfje, moeder deed de huishouding. De Schurers waren gereformeerd, gezagsgetrouw,

bescheiden en vroom met een piëtistische inslag. Fedde Schurer heeft later meer dan eens beschreven hoe hij als kind genoten heeft van het in het schemeruur met elkaar zingen van godsdienstige liederen. Hij kwam uit een warm nest. Vanaf 1904 woonde de familie in Lemmer, het dorp waar de moeder geboren was. Fedde is nog even in Drachten op school geweest, maar het grootste deel van zijn schooltijd bracht hij door op de christelijke school van Lemmer. Op z'n twaalfde jaar werd hij timmermansleerling, maar aan werken met z'n handen beleefde de jongen weinig vreugde. Hij had niet de ambitie ‘dingen te kunnen maken’ zou hij later schrijven.

Liever zat hij te lezen en die lectuur bestond aanvankelijk uit stichtelijke boekjes en de poëzie van de Nederlandse domineedichters die bij hem thuis voorhanden waren of in de jongelingsvereniging besproken werden. Onder invloed van de knecht in de timmermanswerkplaats maakte hij later ook kennis met het genre van de populaire Friese voordrachten en met socialistisch propagandawerk en door een bloemlezing van Verwey ontdekte hij de ‘Tachtigers’. Van dat moment af had de literatuur hem te pakken. Op z'n achttiende jaar begon Fedde Schurer naar het voorbeeld van zijn zwager Normaallessen te volgen en toen hij in 1919 de akte voor onderwijzer gehaald had, werd hij benoemd aan dezelfde school, waar hij leerling was geweest. Hij haalde in 1923 de hoofdakte en trouwde een jaar later met collega Willy (Willemke) de Vries.

Hij is in de jaren van zijn onderwijzerschap in Lemmer op veel terreinen actief geweest: hij begon zelf verzen te schrijven en te publiceren, hij sloot zich aan bij het Kristlik Frysk Selskip en vond daarin vrienden onder een groep jongeren die vernieuwing wilden en op politiek gebied raakte hij betrokken bij de Christelijk Democratische Unie.

In 1929 is Fedde Schurer in conflict gekomen met zijn schoolbestuur door zijn militant pacifistische houding die hij uitdroeg in voordrachten en publiceerde in de brochure Kristendom en Oarloch (1929), vertaald als Christendom en oorlog (1930). Toen hij niet wilde inbinden, werd hem met ingang van 1 april 1930 de toegang tot de school ontzegd en werd hij op 1 mei formeel ontslagen. Ook mochten hij en zijn vrouw niet meer aan het Heilig Avondmaal in de gereformeerde kerk gaan. Die zogenaamde ‘Lemster schoolkwestie’ heeft in het hele land tot publiciteit geleid. Schurer kreeg een aanstelling bij het openbaar onderwijs in Amsterdam en is van 1930 tot 1946 aan verschillende scholen in de hoofdstad verbonden geweest. Korte tijd heeft hij ook nog als wachtgelder op het Bureau voor Dialecten en Volkskunde, het huidige P.J. Meertensinstituut, gewerkt.

Door de kwestie van zijn ontslag in Lemmer is Schurer bevriend geraakt met ds. J.J. Buskes. In Amsterdam hebben Fedde en Wil Schurer zich onder diens invloed aangesloten bij de ‘Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband’ om in 1938 over te gaan naar de Hervormde kerk.

In die Amsterdamse jaren kreeg hij ook contact met de Christelijke Auteurskring en door de vriendschap met dichters als Hein de Bruin, Muus Jacobse en Jan H. de Groot heeft zijn werk zich verbreed en verdiept. In 1940 werd Fedde Schurer benoemd tot lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Zijn door Douwe A. Tamminga geschreven levensbericht is te vinden in het Jaarboek 1973-1974.

Jaren na de oorlog, toen hij al lang niet meer in Amsterdam woonde, werd Fedde Schurer, die als vertaler van psalmen en gezangen ook in ‘Holland’ een goede naam gekregen had, uitgenodigd om zitting te nemen in de commissie die een nieuw Liedboek voor de kerken voorbereidde. Lang heeft zijn medewerking echter niet geduurd; hij geloofde niet in een ‘collectief dichterschap’ en kon slecht velen, dat hij het met zijn poëtisch geslaagde oplossingen moest afleggen tegen exegetisch zuiverder, maar minder mooie vertalingen. Eigenlijk was hij te veel individualist om de discipline die voor zo'n groepsproject vereist is, te kunnen aanvaarden.

In 1936 had Schurer voor het CDU een zetel in de Provinciale Staten van Noord-Holland gekregen, maar de politiek schonk hem weinig bevrediging en een jaar later bedankte hij al weer. Toch heeft hij, toen later de PvdA een beroep op hem deed om zich kandidaat te stellen voor de Tweede Kamer weer geen nee kunnen zeggen. Van 1956 tot 1963 maakte hij deel uit van de toen grote sociaal-democratische fractie. Hoewel hij een begaafd spreker was, heeft hij in de Kamer eigenlijk alleen het woord gevoerd als hij zijn (afwijkend) pacifistische standpunt wilde verdedigen.

Op verzoek van de stichting Je Maintiendrai-Friesland is Schurer in 1946 naar Friesland teruggekeerd om in Heerenveen naast Sjoerd van der Schaaf de redactionele leiding op zich te nemen van de Heerenveense (vanaf 1952 de Friese) Koerier, een uit de illegaliteit voortgekomen onafhankelijk en politiek vooruitstrevend dagblad. Zijn hoofdartikelen werden beroemd door de briljante stijl waarin ze geschreven waren. Schurer kwam nogmaals in het centrum van de belangstelling te staan toen hij in 1951 in zijn krant een Heerenveense kantonrechter aanviel, omdat die geweigerd had een Fries-sprekende beklaagde te verstaan. Toen de schrijver zich voor de rechtbank moest verantwoorden, is dat uitgelopen op wat hiervoor al genoemd is als ‘kneppelfreed’. De onrust in Friesland was voor de regering aanleiding om drie ministers naar het noorden te sturen om de kwestie te bestuderen. Uiteindelijk heeft dat geleid tot wettelijke regelingen voor het Fries in het rechtsverkeer en later ook in het onderwijs.

In het door hemzelf al in de oorlogsjaren voorbereide literaire tijdschrift De Tsjerne dat hij achttien jaar als redacteur diende, speelde Schurer een leidende rol. Zijn positie begon pas te wankelen in het ‘geweld’ van de jaren zestig toen een nieuwe generatie zich op een stormachtige manier manifesteerde en niet alleen ruimte, maar ook invloed opeiste. Zo is Schurer aan het eind van zijn leven een beetje in de schaduw geraakt: het tempo waarin in de moderne literatuur de morele taboes doorbroken werden lag hem te hoog en hij, die in zijn werk altijd de nadruk had gelegd op de goede en de mooie kanten van het leven, kon geen waardering opbrengen voor de in zijn ogen negativistische boeken van de jongere schrijvers zoals G.K. van het Reve in het Nederlands en Anne Wadman in het Fries.

Na zijn pensioen is hij begonnen zijn levensverhaal op papier te zetten. Hij heeft dat werk niet meer kunnen voltooien. De besleine spegel (De beslagen spiegel in de vertaling van J.H. Brouwer) uit 1969 eindigt met de aanbieding van het Friese Psalm- en Gesangboek in 1961, een gemeenschappelijke bundel voor de protestantse kerken waarin vrijwel alle vertalingen van de hand van Schurer zijn. De dichter overleed op 19 maart 1968 plotseling aan een hartaanval. Het zou interessant geweest zijn om zijn eigen analyse van de veranderingen in de jaren zestig te lezen, maar het schrijven over zo'n moeilijke periode in zijn leven was meer dan gevraagd mocht worden van iemand die al zoveel gegeven had.

Honderden oorspronkelijke Friese verzen, gepubliceerd in tien bundels en in 1974 voor een groot deel bijeengebracht in de Samle fersen (Verzameld dichtwerk), tientallen vertalingen van werk van andere dichters (Heine, John Donne en anderen), alle 150 psalmen in het Fries, twee bundels met liederen op Bijbelse thema's, honderden hoofdartikelen (waarvan in 1963 een selectie is uitgegeven in Brood op het water, toneelstukken, een kinderboek, korte verhalen, tientallen recensies en opiniërende artikelen, brochures, gelegenheidswerk en toch nog heel veel op schrift gestelde herinneringen: dat moet genoeg zijn voor de ‘rechtvaardiging van een bestaan’ om met J.C. Bloem te spreken. Meer nog: het is genoeg om in dit jaar de honderdste geboortedag van de man die ons dat alles nagelaten heeft met eerbied en een gevoel van grote dankbaarheid te gedenken.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.