Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » De drie vrienden van Lemmer

De drie vrienden van Lemmer

Jilling Kingma

Jilling Kingma,  geboren op 16 februari 1915 te Lemmer, overleden op 27 augustus 1981 te Leeuwarden, zoon van Ynte Kingma (Ynte is van boord gevallen en verdronken*) en Baukje Propsma, zus van Jurjen Propsma (sigarenwinkeltje, hoek Schulpen bij de brug). Ynte en Baukje zijn op 5 september 1912 te Lemmer getrouwd.

* Roel Kingma vertelt: Zijn vader Ynte is volgens mij niet in Lemmer overleden maar in Enkhuizen. Daar is hij letterlijk op een avond tussen wal en schil geraakt. Mijn grootvader Roelof vond hem s' morgens.

Jilling zijn zuster Fimke Margaretha Kingma, is later getrouwd met Harm Duim te Lemmer. Jilling was zowel lang maar ook heel snel, ik herinner mij dat in het Achterom, waar wij toen woonden, de politie achter hem aanzat op de motor met zijspan, op de hoek van de Spinhuispolle konden ze de bocht niet nemen... het was te smal, ze kwamen tegen de muur knel te zitten. Het hele Achterom was uitgelopen algehele hilariteit natuurlijk en Jilling werd als een held gezien. Later zal hij zich alsnog wel hebben moeten verantwoorden maar de pret was er niet minder om.

Op de foto zien we Vis en Rokersknechten...van links naar rechts: Jilling Kingma, zoon van een visser, Klaas Wouda, Jan Atsma, visrokers-knecht, zittend is Sake Visser (Reade Sake) de man met de hand op zijn hoofd is Evert de Vries. In die dagen zijn beschermer in De Hangen.. Op de brug, achter Klaas Wouda, Maarten Kokje, postbode. Op de achtergrond zien we de huizen van Piet Zwart, sigarenhandel; Jelte de Jong, stoffeerder en brugwachter met daarnaast een hoedenwinkel. Na de afsluiting van de Zuiderzee moest iedereen ander werk zoeken. Klaas en Evert zijn gebleven, de anderen zijn uit Lemmer vertrokken.


Jelle Visser

Jelle Visser, geboren op 7 november 1894 te Lemmer. (Jelle ook wel Witte Jelle genoemd) Jelle heeft op het Achterom 35 gewoond, op 6 januari 1965 is hij naar Joure vertrokken.

Jelle Visser (Witte Jelle) was een zoon van Sake Visser (Sake de Rus), en die had 15 kinderen. Sake telde 's avonds de klompjes om te kijken of alle kinderen thuis waren) Jelle was een man die ook graag een borrel lustte, net als Lange lint en Reade Okke, daarom waren ze ook dikke vrienden, maar ja die jongens werkten hard en wat moesten ze anders in het weekend doen. Dan doken ze de kroeg in, zo ging dat toen, veel ander vertier was er toen ook niet.

Hij is ook nooit getrouwd geweest dus geen nakomelingen. Jelle was ook vrijgezel net als Jilling en Andries Bergsma. En Tja van Jelle weet ik dat hij vlak achter ons woonde, het was een aardige vent mijn moeder heeft vaak eten en soep naar hem gebracht, dat was in die tijd ook heel normaal dat deed je voor elkaar.

Sake Visser (De Rus)


Andries Bergsma, geboren op 30 augustus 1895 te Lemmer. Hier op jonge leeftijd.

Andries Bergsma (Reade Okke) Zo hadden ze een keer flink gedronken en toen ze honger kregen hebben ze een blikje vlees open gemaakt en opgegeten, daar werden ze kotsmisselijk van. Dr. de Vries erbij, toen bleek het 'kittekat' te zijn, nou zei dokter rustig aan maar jongens het komt er vanzelf onder of boven wel weer uit.

Onderstaand verhaal is van Johannes de Vries.

Een kleurrijk figuur in Lemmer was Andries Bergsma. In Lemmer beter bekend als ‘Reade Okke’. Een man die levenslang vrijgezel gebleven is. Hij woonde alleen en leefde op zijn eigen manier. Niemand tot last.

Andries was een man die, als er werk was, alles aanpakte. Naar ik mij herinner werkte hij vaak bij het lossen en laden van schepen. In het werk stond hij zijn mannetje; hij was niet iemand die zijn collega’s voor het zware werk liet opdraaien.

Veel Lemsters hadden niet zo’n hoge dunk van hem. Die kenden hem het beste van zijn altijd durende dorst. Hij dronk vrij veel en ook vrij geregeld wat te veel. Maar daar deed hij niemand anders dan zichzelf tekort mee. Hij had een vrolijke dronk over zich en liep dan zingend door Lemmer.

Persoonlijk heb ik een heel andere kant van hem leren kennen. Hij was voor zijn brood altijd klant bij collega bakker Haveman. Toen die zijn winkel sloot was Andries in paniek. ‘Wer moat ik nou hinne frou’, vroeg hij vrouw Haveman. ‘Gean mar nei Evert – dat was mijn vader – ik bepraat it wol’, zei vrouw Haveman. Zij vertelde mij dat Andries, die altijd zoals wij het hier zeggen, ‘pine yn é bûse’ had (altijd platzak was) een maand lang alles wat hij kocht liet opschrijven. Als hij dan zijn AOW ontving, kwam hij om te betalen.

Zo ging het voortaan bij ons ook. Ongeveer een week voor de uitbetaling gaf hij wat ik dan noemde het tien minuten schot. Zoals bij het skûtsjesilen ook twee keer geschoten wordt voordat het aan het startschot toe is. Een keer tien en een keer vijf minuten. Dat tien minuten schot was dan bij Andries een waarschuwing dat mijn moeder de rekening moest optellen. Een paar dagen later vroeg hij of het al opgeteld was, het vijf minuten schot. Als de grote dag dan kwam was hij ’s morgens al heel vroeg bij de achterdeur van het postkantoor. Om te vragen of zijn geld al binnen was. Meteen als het kantoor open was haalde hij zijn geld op en liep rechtstreeks door naar ons om te betalen.

Alle keren gaf hij wat extra’s. Als het ƒ 19.50 was zei hij: ‘Rekkenje mar 20.00’ (Maak er maar 20 van). Of hoe het maar uitkwam. Wij zijn dan ook nooit een cent aan hem tekort gekomen. Toen hij overleden was kwam een nicht van hem die hem altijd wat steunde om wat er nog open stond van de lopende maand te betalen.

Andries is op een rare manier aan zijn einde gekomen. Hier op de Nieuwburen werd hij aangereden. Ik meen dat hij nog een paar dagen geleefd heeft. Maar die aanrijding is in ieder geval zijn dood geworden.

Bergsma was wel een man met humor. Vaak was het wel een wrange humor. Misschien ook wel om zichzelf te beschermen. Hij was nogal emotioneel. Dat moest iemand anders niet weten en dan moest dat wel eens op een beetje ruwe manier verborgen blijven.

Op een dag werd één van zijn vrienden uit het café begraven. Het was in de tijd dat de bieten werden binnengehaald. Wagens vol bietenkoppen werden door de boeren uit de Noordoostpolder gehaald. Zij reden daar dan mee door Lemmer. Meteen na de begrafenisstoet reed zo’n wagen met groen. ‘Hy hat wol blommen’ (Hij heeft wel veel bloemen) was het commentaar van Andries die aan de kant stond te kijken. Zoiets zeg je gemakkelijker dan woorden van medeleven of gedenken.

Andries heeft zijn hele leven in Lemmer gewoond. Hij hield van ons dorp. Net als alle geboren Lemsters. Toen iemand tegen hem zei: ‘Wat is it hjir moai op ‘e Lemmer’ (Wat is het toch mooi in Lemmer) was zijn antwoord: ‘Ik kin wol skrieme as ik der oan tink dat ik hjir in kear wei moat’. (Ik kan wel huilen als ik er aan denk dat ik hier eens weg moet)

Met Sinterklaas was er sjoelen en balgooien in het café van Piet van der Werf. Andries hoorde daar tot de stamgasten. Als vaste klant hielp hij daar dan ook bij. Er was dan ook een soort loterij. Als hij de winnende loten trok riep hij af en toe als winnaar ‘Menear Ant. út Ychten’. (Mijnheer Ant. uit Echten) Die was er natuurlijk niet en de prijs werd dan eerst aan kant gelegd. Zo bleef er dan voor de medewerkers aan het eind van de avond ook nog wat te eten en te drinken over.


Nu nog wat anekdotes van Nell Luiten.

Willem de Jong, (Willem Pippy) was een keer bij dokter Weber op het spreekuur en kreeg een drankje. Wat zette dr. Weber daarop: Willem Pippy, 3 x daags een eetlepel, die wist kennelijk  niet dat hij de Jong heette. En tante Jo zette dat dus braaf op het flesje, dat was een rare vergissing en gelukkig zag ik (Nell Luiten) die daar werkte) het net op tijd en heb de fout maar gauw hersteld en gevraagd of ze er de Jong op wilde zetten.

7abd4b03c76b43b79b33181179bb656d.jpg

Willem de Jong, (Willem Pippy)

Andries Visser, (Panne) kwam een keer bij burgemeester Brouwer, een rooie rakker, dus die nam geen blad voor de mond. "Dag Panne" zei hij, "Ik heet geen panne ik heet Visser", zei Andries, Brouwer -"och godverd, jullie altijd met je bijnamen".

Andries Visser, (Panne) het jongetje is Jelle Visser.

Dokter Ham, nam ook geen blad voor de mond,ik weet nog dat beppe Kee, ja dat was niet mijn beppe hoor,maar de moeder van Jouke Postma en die was getrouwd met een tante van mij, Pietsje, dus weer een zus van ome Herre, ja er waren nogal wat kinderen bij v.d. Veen. Beppe Kee Postma woonde in de Tuinstraat en is nog aardig oud geworden, maar op het laatst was ze erg ziek ze lag thuis en ome Jouke verzorgde haar de laatste weken zo,n beetje, maar ze leefde maar door. Op 't laatst zei dokter Ham tegen Jouke "wat geef je dat mens toch", want ze at eigenlijk al niet meer, "ja zei Jouke iedere morgen een geklopt ei met cognac". Zegt dr. Ham, "daar moet je g.v.d. mee ophouden man gaat zo nooit dood". Daarna is ze inderdaad gauw overleden. Dat was ook een uitkomst voor haar hoor dokter Ham had wel gelijk.

Bartele Kelderhuis, (Trip) maar droeg volgens ons altijd van die tripklompen, was viskoopman ,woonde in de Schans en was getrouwd volgens mijn zus met Froukje Bloem. Mijn zus woonde na de oorlog in Groningen en liep met man en kinderen op de markt, stond daar een man in Volendammer kostuum paling te verkopen. Met een verhaal erbij, hij kwam uit Volendam en had paling gevangen enz. Opeens schoot mijn zus in de lach, haar man zei wat is er?. "Ze zegt dat is Bartele Trip dat is een Lemster", en Bartele herkende haar ook, die had dat niet verwacht op de markt in Groningen, Bartele dacht natuurlijk bliksem straks trekt ze haar mond open en loop ik in de val. Had ze niet gedaan hoor, dus die gaf haar gauw een bosje paling en wegwezen alsjeblieft, dat was lachen.


TOP