Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » Jeugdherinneringen aan Lemmer

Jeugdherinneringen aan Lemmer

Inleiding.

Waar begin je mee als je jeugdherinneringen aan het papier wilt toe vertrouwen ? En hoe kleedt je het zodanig aan, dat het voor anderen leuk wordt om het eens te lezen en wellicht ook punten van herkenning daarin te vinden ? Enige jaren terug bezocht ik tezamen met mijn vrouw in Luttelgeest de Orchideeënhoeve. Ik besloot via Lemmer huiswaarts te gaan om nog eens in Lemmer rond te neuzen. Ik was er al zó lang niet geweest en heb er zovele heerlijke jeugdherinneringen aan, aan vakanties daar bij mijn oom en tante en aan heel Friesland waar wij toen al door heen trokken.

Had ik aanvankelijk nog hoop om bekenden te zien, al ras realiseerde ik mij dat dit natuurlijk niet kon. Ik was toen al zeventig (nu 78) en dan zouden mensen die ik heb gekend al dik in de 90 of over de 100 moeten zijn geweest. Ergo, ergens met spijt, maar ik was te laat ! Toch was het leuk om het een en ander aan mijn vrouw te laten zien en haar er over te vertellen. Toen wij de plek voorbij reden waar ik ooit als jongen gefascineerd toekeek hoe bij de firma V.d.Neut een houten mast geschaafd werd ( met zo’n haalmes) zag ik een echtpaar in hun tuin aan het werk. Ik stopte en wij raakten gezellig aan de praat over vroeger. Van hen kreeg ik het adres van Spanvis en dus van Roelie. Ik kwam er niet meteen aan toe contact met haar te zoeken. Nu heb ik dit wel gedaan en zij nodigde mij uit mijn herinneringen met haar te delen en wellicht ook met lezers onder jullie. . . .dus vooruit, ik begin maar gewoon. Oordeel maar zelf !

Familie-geschiedenis.

Ik ben Roel Tomassen, geboren op 19 januari 1940 in Santpoort, dat is vlakbij Haarlem. Mijn moeder heette Iemkje de Haan , geb.17 februari 1904 te Amsterdam en dochter van Metje Vleer en Hendrik de Haan. Metje Vleer kwam uit Lemmer, ongetrouwde moeder van Thijs Vleer, die bij zijn grootmoeder Oate ( zeg ik dat goed ?) verder in Lemmer opgroeide. Metje kreeg in Amsterdam een betrekking als winkelmeisje en kreeg later kennis aan Hendrik de Haan (mijn grootvader van moeders kant dus !).

Hendrik de Haan kwam van oorsprong uit Harlingen en was eerder getrouwd met Sjoukje Hendriks – Bus. Zij vestigden zich in Amsterdam waar Hendrik werkte als timmerman. Toen Sjoukje op 29-jarige leeftijd overleed bleef Hendrik achter met drie heel jonge kinderen ! Hij kende Metje, want hij kocht bij haar in de winkel melk, eieren e.d. en hij vroeg of zij niet bij hem het huishouden wilde doen, voor de kinderen zorgen en zo meer. Zij trouwden en kregen samen ook weer kinderen, waaronder de meisjes Aafke, Iemkje (mijn moeder), Gerrie en Jans.

Ook van de zijde van mijn grootouders Hendrik de Haan en Metje Vleer bleef de familieband met Friesland natuurlijk bestaan. Beiden spraken zo nu en dan Fries met elkaar, waarop de kinderen dan lachend vroegen “Wat zeggen jullie nou ?” Zo trouwde later hun dochter Aafke met Jan Wouda, een geboren Lemster. Zij vestigden zich op de Schans 7. Uit hun huwelijk werden geboren de zonen Harm en Japie en dochter Aafke.

Nog voor de Tweede Wereldoorlog overleed mijn grootvader Hendrik de Haan aan de gevolgen van ernstige suikerziekte. Zo werd mijn grootmoeder Metje Vleer ook al vroeg weduwe en bleef zij achter met nog vrij jonge kinderen, waarvan enkele ouderen al werkten en zo doende financieel konden meehelpen het gezin te onderhouden. Kort na de oorlog overleed vervolgens mijn tante Aafke en bleef oom Jan Wouda als weduwnaar achter met drie kinderen. Hij was visserman en bevoer tezamen met zijn broer Jaap Wouda de kleine lemsteraak LE 10. Ook de jongens Harm en Japie moesten vlot mee naar zee om te helpen. Dochter Aafke verzorgde zo goed en kwaad als het kon de huishouding.

Een zuster van mijn tante Aafke, tante Jans, was alleen en woonde en werkte in Amsterdam. Zij werd door mijn oom overgehaald naar Lemmer te komen om de plek van haar overleden zus Aafke in te nemen. Het werd een gelukkig huwelijk. Jaren er na vertrokken de beide zonen uit Lemmer nadat de visserij was stil gelegd. Vissers kregen -voor zover ik mij herinner- Zuiderzee steun. Jongeren moesten ander werk zoeken. Mijn oom en zijn broer verkochten de LE 10 en gingen stilleven. Zoon Harm trouwde in Zaandam en vond aldaar werk bij de Post. Hij overleed helaas op jonge leeftijd. Het contact tussen mijn tante Jans en pleegzoon Japie verwaterde.

In 1967 overleed geheel onverwacht mijn oom Jan Wouda aan de gevolgen van een zware hersenbloeding. Het was een zware slag voor mijn tante Jans. Een goede vriend van mijn oom en tante in de persoon van weduwnaar Jeen Lemstra, voormalig sluiswachter, vroeg haar bij hem te komen wonen in het bejaardenhuis Suderigge. Beiden hebben daar samen, tot hun overlijden, nog een erg prettige tijd doorgebracht, zeker ook door de warmte waarmee de kinderen van Jeen hen beiden omringden.

Met vakantie naar tante Jans en Ome Jan in Lemmer.

Het moet wel in 1950 zijn geweest, dat ik voor het eerst met mijn ouders op vakantie naar Lemmer ging. Mijn moeder Iemkje werd altijd Mien genoemd of, zoals familieleden in Lemmer ook wel zeiden Mina. Eigenlijk heb ik nooit begrepen waarom zulke mooie, leuke voornamen werden verknoeid. Een ander woord heb ik er niet voor. Mijn vader heette Roelof, ook Roel, en kwam uit Naarden.

Wat was die eerste reis met de nachtboot naar Lemmer spannend zeg ! Om 23.00 uur vertrok hij van achter het Centraal station Amsterdam en zijn vertreksignaal weerkaatste op indrukwekkende toon tegen het station. En wat een drukte aan boord. Honderden fietsen verdwenen eerst in het laadruim, dat daarna werd dichtgelegd. Vervolgens werden een aantal zeilschepen uit het water opgetakeld en op bokken op het dek neer gelaten en verankerd. Het was natuurlijk vakantietijd waarover ik praat. Dan de tocht over het IJ naar de Oranjesluizen en vervolgens op koers naar Friesland. Van slapen kwam niks, ik zat naast mijn ouders in de salon. Daar was een buffet waar eten en drinken verkrijgbaar waren. Maar ik was toch steeds aan dek. Het was dan wel IJsselmeer maar voor mij volle zee, met soms lichtjes in de verte die aan en uit knipperden.

Soms kwam een machinist aan dek even een luchtje scheppen en praatte met mijn vader en mij. Terwijl hij zijn handen veegde aan een dot poetskatoen legde hij ons uit wat voor lichten dat in de verte waren, sprak over “de val van Urk” waar de zee veel dieper was en dat we dat aanstonds aan de schommelingen van het schip wel zouden merken ! Kortom, het was voor mij als jonge jongen fascinerend. In de begin jaren maakte ik de stoomschepen IJsselstroom en Waalstroom mee.

Ik herinner mij nog de grote draaiende excentrieken van de stoommachine die de schroefas draaiende hielden. Je kon dat staande op het rooster bij de deur van de machinekamer mooi zien. Nadien voeren wij met de Jan Nieveen. Nog hoor ik de geweldige klappen in de machinekamer als de grote dieselmotoren aansloegen ! En dan kwam met het daglicht de dijk van de Noordoostpolder in zicht en rond halfvijf ’s morgens gleed het schip de sluis binnen. Tussen allerlei mensen op de kant stonden dan mijn Ome Jan en Tante Jans (in peignoir) te roepen “hallo, hallo. . . .”! Wat een drukte bij de ontscheping met al die vakantiegangers.

Maar wij gingen met onze koffers snel achter oom en tante aan naar de Schans 7, waar zij woonden. Daar was het heerlijk gezellig met thee en koffie en broodjes. Toch waren we dan nog wel moe en gingen nog enkele uurtjes wat slapen. Als ik dan wakker werd in de bedstee in de woonkamer en mij uitrekte wist ik “Nu is het vakantie bij mijn oom en tante in Lemmer, lèkker !

Mee naar zee vissen.

Toen ik iets ouder was mocht ik mee naar zee en als een soort van duvelstoejager werkjes opknappen, zoals koffie zetten en aan dek neer kletsende palingen sorteren op grootte. Zomers werd dus met hoekwant op paling gevist en ’s winters met netten op snoekbaars. Ik mocht ook sturen. Mijn oom kwam dan bij me zitten en wees mij op de naald op het kompas hoe ik die in de gaten moest houden ! In het hartstikke donker verlieten we dan bijvoorbeeld om half drie ’s nachts de haven en dan na een paar uur varen zette mijn oom de dieselmotor op “slow ahead” . De anderen doken dan uit het vooronder vandaan, hadden daar wat liggen tuffen (!) en dan keek alleman in het schemerdonker uit naar de vlaggenstok die het begin van het hoekwant markeerde.

En dan. . . . inééns. . . .was hij daar, de vlaggenstok en onmiddellijk was het alle hens aan dek !! De stok met zware ankerkettingen plofte over de reling en onmiddellijk werd begonnen met het binnenhalen van de lijn. Spoedig werden de palingen, die zich met het verslinden van het aasvis aan de haak hadden vast gevreten, binnen gehaald en onthaakt.

Soms werden waarschuwingskreten geslaakt als door enorme rukken aan de lijn de komst van een geweldig grote paling zich aankondigde. Snel werd dan een enorm groot schepnet paraat gehouden om die vangst letterlijk te onderscheppen. Het gewicht van zo’n vangst kon de palinghaak immers doen rechtbuigen en de paling vlakbij de boot doen ontsnappen ! Soms gebeurde dat ook, gevolgd door enige gesmoorde vloeken en weg gespuwd pruimtabaksap ! Maar voort ging het, want de boot voer langzaam verder en er waren nog honderden meters lijn (hoekwant) te gaan ! het was echt teamwork.

Uiteindelijk was alles geklaard en werd de steven gewend naar de thuishaven. Ik had koffie gezet en dat was in het vooronder altijd oppassen als de zee nogal onstuimig was. Alles was zodanig ingericht dat er niets kon verschuiven of omvallen. Bij terugkeer in de haven, zo rond tien of elf uur, werden de tonnen met gevangen aal (paling) naar de afslag gebracht en direct verhandelt. Dan liepen we naar de Schans waar mijn tante met het middageten doende was.

Na het eten gingen we weer naar de haven waar inmiddels al een begin gemaakt was met het klaren van het hoekwant. www.mijnzuiderzee.nl

Dat was een hele klus. De 1000 meter lange lijn met zijlijnen (een pakje noemde men dat), waaraan de palinghaken, moest helemaal worden nagelopen, hier en daar gerepareerd, soms nieuwe haken, knopen eruit halen enz. Als het onweersachtig, ruw weer geweest was, zo vertelde mijn oom, en de zeebodem dientengevolge ook in beroering was geraakt, gaf dat veel werk bij het ontwarren van de lijnen. Grote dotten wier en rommel moesten dan ook nog verwijderd worden.

Op het werkblad stond een verticaal houten klos (spleet) met ijzeren pennen waaraan de vishaken om en om werden aangehaakt. Was zo’n bundeltje van 1000 meter klaar om weer in zee te kunnen worden uitgezet, dan werd “het pakje” in een vat met pekelwater gelegd om dat in goede conditie te houden. Als in de namiddag het hoekwant opnieuw in zee werd uitgezet, werd zo’n werkblad bij de reling vastgezet. De lijn lag dan als een keurig gesorteerd hoopje klaar om uit te vieren en de spleet, met daarop om en om de haken, werd in een opening van het werkblad vastgeklemd.

De boot voer langzaam, de vlaggenstok met ankerkettingen ging overboord en de lijn begon uit te lopen. De mannen rond het werkblad pakten om beurten een haak van de spleet, haakten er een aasvisje aan en wierpen het van zich af in zee. Het was eens te meer precisie- en teamwork , de boot voer en een ieder moest op zijn beurt een haak van de spleet pakken, aasvisje aanhaken en huppetee, overboord. Snelheid was geboden wilde je niet dat een vishaak door een strak trekkende lijn op zeer pijnlijke wijze je vinger open zou trekken ! Brrrr !

Bij het verlaten van de haven, dus aan het begin van de middag, werd met een kuilnet eerst op aasvis gevist. Meestal was dat gauw gebeurd en werd de geschikte aasvis in de bun bewaard. wikipedia.org

Op een sein van mijn oom schepte ik dan met een schepnet uit de bun geregeld een nieuw portie aasvisjes op het werkblad, zodat de mannen ongestoord konden doorgaan met het aanhaken van de aasvis. Zo gingen kilometers lijn die middag overboord met aan het einde weer een vlaggenstok. Dat was het dan. De boot werd op koers gelegd naar de haven en daarmee was de visdag ten einde ! ’s Avonds deden we dan nog een spelletje met oom en tante (ze waren dol op “pesten”, ik trouwens ook !) , maar ik had soms moeite om mijn ogen open te houden. Gauw naar bed, want om halfdrie maakt ome Jan mij weer wakker. Hij vroeg eens toen ik nog op mijn benen stond te wankelen “Wil je wel weer mee Roeltje ?” En ik vermande mij en zei “Ja, natuurlijk” en begon mij haastig aan te kleden, dikke broek en dikke trui, want al was het zomer, op zee kon het ’s nachts hartstikke koud zijn !

Vissersburen

Wat ik mij herinner van de Vissersburen zijn de mensen die er woonden en werkten. Het rijtje woningen, waaronder dat van mijn Ome Jan Wouda , kende verder mensen die ik mij soms alleen van voornaam herinner. Aan het einde van de rij, dus aan het water van de Lemsterrijn, woonden Meintje en Albert Brouwer. Het waren erg leuke mensen waarmee ook mijn oom en tante het leuk konden vinden. Zij hadden vier kinderen: Tinus, Bettie , Hennie en Meine. Met name Hennie liep vaak bij tante Jans binnen. Hij hield van drop en chocolade en was daarmee bij mijn tante (uit Amsterdam) aan het goede adres ! Aan het begin van de Schans woonden meen ik Janske en Albert. Iets verder op de Schans was een groentewinkel , ik meen van Pietsje ? Ook voor het laatste (buurt)nieuws kon je daar wel terecht.

Iets verder, vlak bij de grote kerk, begroette mij vaak een klein vrouwtje. Men noemde haar het Poolse wiefke ? Nòg iets verder kon je weer naar beneden, waar de broer van mijn ome Jan woonde, ome Jaap. Een kalme, goeiige man en ongehuwd. Het was , zo herinner ik mij, het huis van hun moeder. Mijn oom had overigens nog een broer, ik geloof dat hij Klaas heette.

Tegenover de woning van mijn oom en tante woonde toentertijd “ouwe buurman Jan”. Op zondagmiddag opende hij het bovenraam en speelde op een oude pick-up grammofoonplaten met smartlappen van Willie Derby en dat tot vermaak van alle omwonenden !
Een andere “muzikant” in de steeg was buurman Okke. Ik weet zijn familienaam niet. Hij woonde alleen, was al behoorlijk op leeftijd en kwam menigmaal vrij beschonken thuis. Dan ving hij luidkeels aan met het zingen van psalmen en gezangen “Er ruist langs de wolken. . . .”en “Scheepke onder Jezus hoede. . . “. Aan de beide bedsteedeuren hingen folders van zowel Jezus als Heineken ! Maar het was een doodgoeie man !

Achter de woningen was een stukgrond dat meen ik toebehoorde aan timmerman Blauw ? Maar mijn tante mocht er plantjes zetten en een paar stoeltjes om lekker buiten te zitten in de zon. Je moest daar voor wel door het keukenraam naar buiten klimmen !

Tegenover de Schans, dus aan de overzijde van de Lemster rijn, woonden goede vrienden van mijn oom en tante, de familie Van Brug (meen ik), tante Stien en oom Wiebe. Hij had dacht ik een smederij. Tante Stien (zo was zij voor mij) was evenals mijn tante Jans een rasechte Amsterdamse en beiden plaagden hun mannen geregeld met allerlei opmerkingen, zoals “Lemmer een achtergebleven gebied”e.d., wat dan weer achtervolgingen door het huis teweeg bracht. Het waren soms net kinderen met hun spel wie krijgt het laatste tikkie. En ik maar lachen ! Op een winterdag verzuchte mijn tante nog eens “wat moeten we nou vandaag eens eten ?” Daarop stelde mijn ome Jan voor “Neem nog eens van dat groene goedje !”. Het duurde even voor mijn tante er achter kwam dat hij spinazie bedoelde ! Nou, dàt heeft hem lange tijd achtervolgd !

Jammer was het dat de buurt nadien enigszins verpauperde. Er kwamen mensen wonen met drankmisbruik en – laten we zeggen- met minder goede zeden !
Het was in 1967 dat mijn ome Jan plotseling overleed aan een ernstige hersenbloeding. Hij viel ’s morgens bij het thee zetten met een klap tegen de keukendeur en was op slag dood. De keukendeur werd door zijn lichaam geblokkeerd, zodat de te hulp geroepen arts door een geforceerd keukenraam naar binnen moest klauteren om het overlijden vast te stellen. Voor mijn tante was dit verschrikkelijk en wij allen waren er over erg ontdaan. Zie verder wat ik er over vertelde in mijn inleiding.

De Brug

’s Avonds wandelde mijn oom dikwijls naar de brug voor een praatje met de vele mannen die daar toen samen groepten. Daar was een uitwisseling van nieuws en je kon er adviezen krijgen over van alles en nog wat tot het gebruik van medicijnen aan toe ! Ik liep soms wel eens met hem mee en onder het wandelen kwamen van zijn kant vele verhalen uit het verleden. Mijn oom ontving nog eens een goed advies over het pruimen. Want wat werd er wat af gepruimd ! Mijn oom pruimde ook, maar in tegenstelling tot sommige andere oude mannen zag je dat bij hem nauwelijks.

Maar hij en mijn tante zouden op zekere keer een dagje uit met een touringcar, ik geloof met de bond van vrouwen of zo. In ieder geval zat mijn oom bij dat vooruitzicht wat zorgelijk te kijken , waarop mijn tante vroeg waarom hij toch zo mopperig deed, terwijl zij zich op het uitje zo liep te verheugen. Ja zei hij, maar dan kan ik in die bus niet pruimen ! Wel, zei mijn tante, dan pruim je maar een dag niet ! Maar ja, dàt bleek onoverkomelijk, dus hij ’s avonds naar de brug, voor advies ! Op de dag zelf, naast elkaar in de bus, kreeg mijn tante in de smiezen dat hij tòch pruimde. Maar hij toonde haar voor het spugen de oplossing: een plastic zakje in de binnenzak van zijn colbert ! Probleem opgelost !

Poep en pies !.

Erg onsmakelijk, maar het maakt nu eenmaal deel uit van mijn herinneringen en bovendien hebben wij -mede door de fantasierijke verhalen van mijn Ome Jan- er heel wat over gelachen ! Een groot deel van de Lemmer behielp zich toentertijd immers met een privaat (plee of poepdoos). Toen ik in Lemmer kwam was dit voor mij nieuw. Overigens had mijn ome Jan een bergruimte achter de keuken laten verbouwen tot toiletruimte. Het was er keurig en schoon en voor mijn tante Jans meer acceptabel dan het gebruik van een toilethuisje (Huuske ?) voor buurtgebruik. Van de zijde van de gemeentereinigingsdienst werd de ton elke week weg gehaald en een schone ton geplaatst. Niettemin bleef ik het maar zo zo vinden ! Maar ja, dat is alles verleden tijd.

En dan die verhalen hierover van mijn ome Jan ! Twee heb ik er onthouden. Zo zou bij café De Wildeman een man van de reinigingsdienst op de bovenetage , want daar bevond zich ook een privaat, een volle ton met een zwaai op zijn schouder gezet hebben en vervolgens zijn begonnen met het afdalen van de trap. Op dat moment gleden de ijzeren banden van de ton naar beneden (ton zal kwalitatief niet meer in goede staat hebben verkeerd, denk ik) en vouwde de ton met inhoud zich -volgens mijn oom hoor !- open gelijk een lotusbloem. Het café werd een week gesloten ! Dan zei mijn tante ”Overdrijf toch niet zó !”

Het tweede verhaal speelde zich af in de winter, waarbij een grote platte handkar met daarop vele volle tonnen over de brug in het centrum geduwd moest worden. Maar het gladde wegdek stond dat niet toe, waarop enkele mannen te hulp schoten en - daarbij aangemoedigd door vele toeschouwers - de kar met een reuze vaart over de brug wisten te krijgen. Afremmen lukte niet meer en alles ging over straat ! Het gemeentehuis sloot de luiken voor een week, aldus mijn oom.

Verhalen van mijn oom.

Mijn oom kon boeiend vertellen, soms spannend zelfs en ik luisterde maar wat graag daar naar ! Dikwijls ging het natuurlijk over wat men op zee had mee gemaakt. Toen de Noordoostpolder begon droog te vallen heeft men geweldige hoeveelheden snoekbaars uit de kanalen gevangen. Die kanalen waren eerder al gegraven en afgebakend. Alle vis viel dus daarin terug . Als twee vissersboten met een kuilnet tussen hen in, in zo’n kanaal aan het slepen waren kwam na korte tijd het kuilnet boordevol vis al naar boven en stonden de meeuwen er bovenop. Het waren hoogtij dagen voor de vangsten, zo vertelde mijn oom.

Ook noodweer maakte men op zee wel mee. Zo gebeurde het eens dat men op een warme middag op zee doende was het hoekwant uit te zetten en dat het rondom gitzwart werd door naderend onweer. Maar regen viel er niet, het was wind en hoe ! De mannen werden door de volkomen onverwachte stormvlagen volslagen verrast. Alle hoekwant werd pijlsnel overboord gekieperd en alles werd vliegensvlug beredderd teneinde erger schade te voorkomen ! Een andere moeilijk verklaarbare gebeurtenis deed zich voor op een erg warme, broeierige middag, tijdens welke het vissen op aasvisjes niets opleverde.

Aasvisjes in die tijd noemde met pos, ook wel schele pos (Gymnocephalus) behorende tot de baarsachtigen. Terwijl men wat besluiteloos stond te overwegen om hetzij het nogmaals te proberen dan wel naar de haven terug te keren, naderde een Urker visser. Toen hij langszij kwam bood hij aan het restant van zijn aanvis over te dragen. Enthousiast werd mijn oom er niet van. De aasvisje waren veelal al dood en stonken al behoorlijk, maar enfin, onder het motto “niet geslagen is altijd mis” werd begonnen met het hoekwant met de meest dode visjes uit te zetten. Na een 1.000 meter kregen de mannen er door de stank van het bedorvene zó genoeg van, dat de mast met vlaggetje overboord ging en de steven huiswaarts werd gekeerd. De volgende morgen werd het hoekwant opgehaald en bleek elke haak “raak” met enorme grote palingen !! Zeg dan maar eens dat je geen spijt hebt van je voortijdige terugkeer of dat paling niet vreet van bedorven aas ! !

Bijnamen.

Ik zag op de website van Lemmer al verscheidene bijnamen voorbijkomen. Ik herinner mij (wat vaag) van mijn oom en tante nog de navolgende:

  • De Klutsen ?
  • De Rosa’s (mijn oom zei altijd Roesaas) ?
  • De Pikpet ?
  • Hesje ?
  • (Lange) Lint ?
  • De twee Wezen (dames van de slijterij) ?

Tot slot.

Dit was het dan. Enige foto’s en krantenartikelen uit die tijd zullen nog kunnen volgen in overleg met Roelie. Ik ben ook aangesloten op Facebook, dus mocht men mij nog iets willen vertellen of vragen hoor ik dat graag !

Roel Tomassen
Heerhugowaard
Tel. 072 5716942
Email: roeltomassen@tele2.nl 


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.