Home » Historie-Friesland » Blokhuispoort 1945: Dagboek van H. de Haan.

Blokhuispoort 1945: Dagboek van H. de Haan.

Fries ‘Dachboek’ uit Cel 11. ©

Arrestatie - verhoor - confrontatie.

Dagboek van H. de Haan.

5 jan 1945 – 15 jan 1945

Hielke de Haan werd gearresteerd door de Sicherheitsdienst, en opgesloten in het Huis van Bewaring van de Blokhuispoort. Zijn koele strijd met de SD van Grundmann resulteerde in een onverwachte vrijlating. De Haan schreef een dagboek in Cel 11, in het Fries. Dat wordt hierbij gepubliceerd in het Nederlands.

Hielke de Haan.

© Jenne de Haan: 1 maart 2015.

INLEIDING BLOKHUISPOORT 1945.

Fries ‘Dachboek’ uit Cel 11.

In januari 1945 heeft Hielke de Haan (1911-1986), in Joure en Huizum destijds bekend als ‘Meester de Haan’, tien dagen doorgebracht in Cel 11 van het Huis van Bewaring te Leeuwarden. Hij heeft in die cel een dagboek bijgehouden, geschreven op de toen verstrekte dunne velletjes papier voor de toiletemmer.

Ook zijn er enkele blaadjes uit de gevangenis gesmokkeld door bewakers. Zijn vrouw, ouders en kinderen in het toenmalige Huizum bij Leeuwarden, kregen zo enkele berichten na zijn plotselinge arrestatie. Mevrouw De Haan werd met cryptische aanduidingen geïnstrueerd te waarschuwen voor mogelijk andere arrestaties.

Meester De Haan was betrokken bij verstrekking van voedsel en bonkaarten aan onderduikers en bovendien geïnformeerd over het verzetswerk van het hoofd van zijn school Camping*. Die was chef-staf van de NBS, hoofd van het gewapende verzet in Friesland. Daarnaast kende meester De Haan diverse anderen in de verzetswereld.

Gevreesd werd voor huiszoeking in de woning aan de Mesdagstraat, extreme vormen van verhoor of het op transport stellen van De Haan. De daardoor veroorzaakte spanning - executie van iemand die werd beschouwd als betrokken bij het verzet was in die tijd geen uitzondering - sloeg om in verbazing, toen meester de Haan plotseling werd vrijgelaten.

Later is gebleken dat door een persoonlijk ingrijpen van de toenmalig inspecteur van het Lager Onderwijs deze vrijlating is bewerkstelligd. Zijn opmerking tegen de commandant van de SD Grundmann: ‘Die kinderen moeten van de straat. Het is onrustig in de buurt.’, en zijn snelle verplaatsen van een briefje op het bureau van Grundmann van de ene stapel naar de andere toen Grundmann even werd weggeroepen naar een andere kamer, hebben die vrijlating bewerkstelligd.

Aan het einde van de oorlog werd De Haan betrokken in het werk van de NBS. Na de oorlog heeft De Haan verklaard dat hij wel eens spijt had van het noemen van een naam bij het verhoor, maar dat hij toen handelde in de wetenschap dat de betrokkene veilig zat ondergedoken. Daarmee ontsnapte hij aan het risico van verdere verdenkingen, en een zwaar verhoor van zichzelf en anderen.

De familie heeft onlangs de teksten van het dagboek van De Haan en de berichten aan zijn gezin ter beschikking gesteld voor publicatie. Het in de gevangenis onder zijn voet kapot getrapte horloge is nog in het bezit van de familie, evenals de vulpen waarmee het dagboek (in het Fries) is geschreven.

Het is opmerkelijk dat de twee à drie millimeter kleine lettertjes zo secuur geschreven zijn onder de primitieve omstandigheden in de volle cel. De familie bezit ook nog een blikken sigarendoosje waarin bonkaarten voor onderduikers werden bewaard onder één van de dakpannen van de woning aan de Mesdagstraat. Daar woonden op het moment van de arrestatie van De Haan zijn vrouw, zijn ouders, vier dochtertjes en een jongetje van zes weken.

Na de oorlog werd De Haan hoofd van de latere Dr. Wumkesschool in Joure. In 1976 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, vanwege zijn brede inzet voor kerk en samenleving.

Kanttekening bij de vertaling in het Nederlands.

Het was eerder al lastig de teksten van de kleine, handgeschreven  blaadjes uit de gevangenis goed te lezen en te verwerken tot de  getypte teksten in het Fries. Daarbij werd zoveel mogelijk gekozen voor de oorspronkelijke vorm. De soms karakteristieke spelling van De Haan– mijn vader –is daarbij ook overgenomen.

In de vertaalslag naar het Nederlands is qua vormgeving meer  rekening gehouden met de leesbaarheid. Omdat specifiek Friese uitdrukkingen toch al noodzaakt en tot een vrijere vertaling is  ook de lay-out aangepast: soms is bv. een regel wit aangebracht.

Daarnaast kan worden opgemerkt, dat in de loop van de dagen  goed in de beschrijving en vormgeving zichtbaar wordt,dat onzekerheid en emotie toenemen na de aanvankelijk robuuste stellingname en nauwkeurige weergave van de  gebeurtenissen: de teksten worden vluchtiger, de zinnetjes korter, het handschrift wordt minder stabiel en minder compact.

De behoefte aan steun vanuit het geloof wordt groot – het vertrouwen dat alles wel goed zal aflopen voor zijn vrouw Tine  – en de vijf kleine kinderen - lijkt minder aanwezig dan in de eerste dagen. Hij heeft tot de dag van ontslag geen opheldering gekregen over wat de SD met hem wilde doen!

Dat zijn werk in de illegaliteit verborgen bleef was zijn redding. Enige tijd later werden tientallen mannen gefusilleerd die  betrokken waren bij het Friese verzet.

J. de Haan, maart 2015.

 

Blad 1 van het Dagboek.

* Personeel School Zuiderstraat 1936 - Camping is links te zien.

Vrijdag 5 januari 1945

Om ongeveer elf uur fiets ik op de oude Phoenix van Tine van huis om een zak vol hout op te halen van de Garijpster boot. Op klompen, met een alpinomuts op en zonder overjas.
Het is immers prachtig winterweer. Op de Keizersgracht bij de brug van de gevangenis, zie ik een militair staan in een  groen uniform. Maar wat zou het! Iets verderop zijn  allerlei mensen in de weer met pakjes …. Ik draai daar om de hoek. Dan is het: ‘Halt!’ De groene komt naar voren en twee in burger.

‘Bescheinigung!’.

‘Goed,’ zeg ik, ‘alstublieft!’

En ik geef hem (iemand in burger) mijn gele papiertje met  een ijskoud gezicht …. Maar mijn hart bonst behoorlijk. Ze bekijken samen de voorzijde. ‘Gut’, zegt de kleine  donkere speurder. Dan bekijkt hij de achterkant, kijkt goed,  schudt zijn hoofd en mompelt: ‘Nein – falsch.’

‘O wee’, dacht ik, ‘ik hang!’

‘Waar hebt u dat stempel vandaan?’

‘Dat heb ik op het Zaailand gekregen.’

‘Dat is niet waar.’

‘Jazeker.’

‘Dat is niet waar, dat stempel is vals!’

‘Maar mijnheer ik kan hier niet bewijzen dat ik op het Zaailand 
geweest ben.’

Hij weer: ‘Dat stempel is vals, en als ik zeg dat het vals is, dan is dat vals!’

Ik moest wachten, zette mijn fiets tegen een hek en bleef staan met  mijn armen over elkaar.

Even later moest ik meekomen. Ik mocht mijn fiets even in een pakhuis zetten tegenover de plaats waar de Garijpster boot lag.De groene ging even mee. Toen we het pakhuis uitliepen zag  ik Landman lopen. Ik gaf hem gauw een wenk. Hij begrijpt het  en loopt mee tot aan de hoek waar een auto staat. Ik stap in,  de kleine SD-er naast mij, en daar gaan we. We wisselen enkele woorden. Hij zegt onder andere: ‘Ik ruik dat dit een vals stempel is.’

We komen in het SD-gebouw (de Spaarbank) op het Zaailand. Mijn ‘vriend’ vergelijkt mijn stempel met dat van een andere  Bescheinigung en gaat dan vlak voor mij staan: ‘Ik zeg u, mijnheer, dit stempel is vals. Waar hebt u dat vandaan?’

‘Hier van het Zaailand.’

Dan is het afgelopen. ‘Kom maar mee.’ Ik moet mee langs twee zwaar  bewapende mannen en mijn ‘vriend’ roept: ‘Falsche Bescheinigung!’

Ik wordt in een donkere cel geduwd met de woorden: ‘Denk maar een  half uurtje na.’ Dat half uur werd een uur of drie. In dat hokje kon ik even nadenken. (*)

Al snel werd er op de gang een jonge vrouw gebracht. Ze werd  ondervraagd en uitgefoeterd (het ging over een paar flesjes kleefpasta). Ik meende haar stem te kennen en toen ik even scherp luisterde stond  het voor mij vast: het was de winkeljuffrouw van ‘Boekhandel  Willem van Wieren’.

Toen zij daar op de gang moest zitten en hoestte, hoestte ik ook,  opzettelijk. En een poosje later nog een paar keer, en toen het  veilig was naar mijn oordeel (de wacht was even om de hoek),  tikte ik op de deur: “pom-pom-pom-póm, pom-pom-pom-póm.”

Toen zei ik heel langzaam maar duidelijk: ‘Mesdagstraat 20.’

En ik hoorde zachtjes: ’Ja?’

Ik weer: ‘de Haan.’ ‘Ja!’ Ze had mij herkend. Ik was opgetogen blij.

Ik weer: ‘Valse Bescheinigung.’

‘Moet u die hebben?’

‘Nee ik wordt verdacht een valse B. te hebben. Zeg dat even thuis.’

‘Ja.’

Toen kwam de wacht terug. Ik had van haar gehoord dat zij de  volgende dag om tien uur weer vrijgelaten zou worden, dus zou  het bericht waarom ik was gearresteerd gauw thuis aankomen.

Een poos later kwam de andere SD-er die ook bij de arrestatie was bij mij.

‘De Haan?’

‘Ja.’

‘En hoe zit het?’

‘Wat bedoelt u?’

‘Met dat stempel.’

‘Dat is vals.’

‘Van wie hebt u dat gekregen?’

‘Van L. Zwart.’

‘Waar woont die?’

‘Op de Groningerstraatweg geloof ik.’

‘Welk nummer?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Links of rechts?’

‘Ik geloof van rechts.’

‘Zo.’

De cel ging weer dicht. Intussen was er eten gebracht door de  wacht – die vloekte – en naar de radio geluisterd, terwijl mijn winkeljuffrouw ook weer in een cel was gestopt. Vlak voor het korte verhoor werden twee anderen bij mij in de cel geduwd. Iemand uit Nijland die Gronings sprak en een jongen uit Grouw. Het werd er warm. Zij waren erg zenuwachtig.

Toen moest ik ‘voorkomen’. De kleine donkere SD-er haalde  mij op. Ik kwam door de gang in een kamer waar een Duitser  zat. Hier moet ik even terug met mijn verhaal.
 
 
(*) haaks in de marge: “Ik bad God om kalmte en wijsheid en ben ook kalm gebleven.”

Toen ik daar bij de brug van de gevangenis stond te wachten, had ik achter de rug van die mannen snel de vrijstelling voor de fiets uit mijn persoonsbewijs gehaald en in een broekzak  gestopt. Diezelfde weg ging een leren hoesje met papieren.

In de cel van de spaarbank had ik dat spul, mijn beide vulpennen en mijn gouden horloge, in mijn sokken gestopt. Maar toen ik door de gang naar de kamer liep zakte het horloge langs de  sokophouder onder een voet, en enkele stappen verder trapte ik het glas tot gruis.

‘Gaat u maar zitten.’ zei de kleine SD-er, een jong ventje van  ongeveer 35 jaar. Ik ging in een clubfauteuil zitten en hij nodigde mij uit eens uit te leggen hoe de zaak in elkaar stak. Ik begon: ‘Uw neus is goed meneer, dat stempel deugt niet.’
Na dat complimentje hapte hij toe en toen moest ik zeggen  wanneer ik L.Z. had ontmoet. ‘Op straat!’ En hoe ik wist dat ik  bij hem moest zijn en hoe ik hem kende.

Wel, ik zei dat ik hem al lang kende, dat ik wist dat hij op het bevolkingsregister werkte en dat ik toen dacht: ‘Laat ik hem maar eens vragen.’
Hij zei dat ik dan moest weten, dat er een soort geheime organisatie zou moeten zijn die dat deed. Ik beweerde dat het een publiek geheim was, dat iedereen zo dom was daarover te kletsen en dat  ik het daardoor ook wist.

Hij wilde mijn verhaal niet geloven zei hij. Hij kende die L.Zw. heel goed, die was toen ondergedoken en die zou zomaar op straat hebben gelopen? Dat vond hij wel wat raar. Nou, ik zei dat het wel zo was en dat ik hem bij het  gerechtsgebouw had ontmoet. ‘Ja,’ zei hij, ‘daar werkt zijn verloofde – Jannie Oosterhof'

Ik heb die hele zaak geleid. Wat ik één keer weet onthoud ik goed. Dus zo is het gegaan? U hebt uw ‘Bescheinigung’ op een rechtmatige wijze gekregen?’  ‘Ja.’

‘En toen u zich weer moest melden is u ondergedoken en hebt u van L.Zw. een vals stempel gekregen? U trof hem zo maar op straat?’

‘Ja, want toen was mijn vrouw ziek. Ze verwachtte haar 5e baby. Toen wou ik graag thuis blijven.’

‘Dat kan ik begrijpen, wij willen allemaal graag thuis blijven. Maar u zult toch wel moeten graven.’

‘Dan maar graven, de bevalling is gelukkig aan kant.’

‘Wanneer is de baby geboren?’

’23 november.’

‘Hm, zo is het dus gebeurd?’, en hij keek mij strak aan.

Ik keek hem strak aan. Dat duurde even. Toen moest ik weer naar de cel. Maar oef – mijn horloge! Mijn sok zat vol met glas. Ik hinkelde wat en het tinkelde, zodat ze vreemd naar me keken! Gelukkig lag het horloge op de kop. Met mijn klompen in een hand hupte ik naar de cel en hoorde dat mijn SD-er tegen een man van de administratie zei: ‘Onderduiker - naar het ‘Huis van Bewaring’.

Even later werden de beide anderen verhoord. De man uit Nijland was snel terug – niet verhoord – het was een vergissing – maar hij zat al weken gevangen. De jongeman uit Grouw kwam erg zenuwachtig terug. Hij moest vóór maandag bekennen, anders zouden ze hem doodschieten zo hadden ze gedreigd.

We mochten in die cel niet praten. Dus wat er gezegd werd moest met de mond bij het oor. Weer een poosje later – het was ongeveer 3 uur – moesten wij er uit. Met zes man in een auto naar het ‘Huis van Bewaring’. Op de gang, waar we even moesten wachten, wist ik achter mijn rug langs aan de winkeljuffrouw mijn horloge te geven.

En het sleuteltje van de fiets, terwijl ik het belangrijkste van het verhoor haar gauw influisterde. In de cel had ik al mijn papieren opgegeten, behalve het geld uit mijn leren hoesje. Na een paar minuten wachten werden wij in een wagen geladen en naar de gevangenis gereden.  De brug werd zwaar bewaakt – er stond net een transport van 4 auto’s (80 man) klaar. Voor de brug bevonden zich allemaal mensen. Ook voor de ingang van de gevangenis en rond de auto’s. Toen wij ons uit de auto lieten zakken zag ik juffrouw Pietersma, en zij zag mij. Dat verheugde mij. Zij zou vast wel meteen thuis vertellen dat ik daar was.

In die drukte daar waren mijn bewakers mij zelfs kwijt. Ze keken om zich heen, zagen mij achter een auto vandaan komen en met een paar vloeken werden wij naar binnen gestompt. We hebben er eerst wat moeten wachten.

Daar zag ik ook J. de Jong, staan die grote ogen opzette. Hij is diezelfde middag vrijgelaten! Nadat we wat hadden gewacht kwamen wij (de heer Bruch – leraar van de handelsschool uit Leeuwarden en een man uit Roanjum) in een badcel – even later in een strafcel. Toen weer in de badcel. Toen weer in een strafcel.

Een voor een werden wij daaruit gehaald om te worden ingeschreven in het register. Daar werd mijn signalement genoteerd – daar raakte ik een van mijn vulpennen kwijt terwijl ik mijn hoesje met papiergeld achterhield en kon weer gaan. Opnieuw zaten we even met z’n drieën in een strafcel.

Toen werden we één voor één in een aparte cel gefouilleerd. Daar raakte ik mijn andere vulpen, mijn schaartje en mijn mesje kwijt. Toen bracht een bewaarder mij weg.

In de gang vroeg een ‘gevangenen-gangwerker’ mij, of ik ook een bord eten wilde hebben. ‘Graag.’zei ik, en met een bordje rodekoolstamppot in mijn hand belandde ik in cel 11.

Daar zaten 4 mannen. Ik at lekker mijn rats (ik had tussen de middag niet gegeten) – kreeg zelfs nog een pak kleding van thuis (overjas-trui-sokken-handdoek enz.) en om half acht gingen wij in rust. Omstreeks acht uur ging het licht uit – de eerste nacht in gevangenschap lag voor mij. Ik dankte de Heer voor de mij gegeven rust en kalmte – bad voor mijn vrouw, kinderen en familie en ook voor mijzelf en ging slapen.

Zaterdag 6 januari 1945

Die eerste nacht heb ik wel goed geslapen. Helemaal niet onrustig. Maar toen ik ’s morgens wakker werd had ik rugpijn, door de harde strozak. Om half acht ging de bel. Het licht ging aan en we moesten opstaan. We ruimden de matrassen en de dekens op en we wasten ons. De celdeur ging open en we kregen elk een bekertje melk – erg verdund met water. We aten lekker van de ‘kuch’ en van wat anderen uit pakjes te voorschijn haalden. Na het eten werden we gelucht.

Maar ik ga eerst eens vertellen wie mijn maten zijn hier in de cel. Als eerste noem ik R.J. Oostra, boer uit Lions. Gister - 5 Januari – werd hij 59 jaar. Het was een slechte dag voor de oude baas. Want hij kan er niet goed tegen. Hij had ‘uit zuinigheid’ zijn radiotoestel verborgen – werd aangegeven – gearresteerd – kreeg een paar slagen in zijn gezicht en werd meegenomen naar Wommels. Daarvandaan werd hij hier gebracht. Hij zit nu zowat 4 weken en heeft het er moeilijk mee, hoewel zijn zaak echt niet zo erg is.

Dan komt, ik begin maar met de oudste, Pieter Stienstra, 28 jaar – uit Harkema-Opeinde. Een stumper met een enorm grote bult. Hij had zich niet opgegeven voor de ‘Arbeitseinsatz’ en een poosje later is hij op straat opgepakt. De stumper heeft het er heel erg moeilijk mee. Hij zit 3 weken, zegt bijna geen woord en wij moeten hem steeds wat opbeuren.

Dan volgt Albertus Johannes van der Werd – 24 jaar – uit Amsterdam – een opgewekt Amsterdams type. Hij was met een vriend in Friesland om voedsel te halen en werd in Workum gepakt. Die beste jongen zit nu al 8 weken gevangen.

De laatste maat is Douwe Bangma – 19 jaar – van Bolsward. Hij stond bij de tram, werd gepakt en zit nu ook al 4 weken. Hij is nog jong en dat is aan alles te merken. Hij kan zingen, fluiten en huilen op een en dezelfde middag.

Ik kreeg vanmorgen al een pakje met voedsel, gebracht door Heit. Ook kreeg ik de groeten van Annie en een levensteken van Rein. Allemaal aanwijzingen dat er aan mij gedacht wordt. Wat zijn zulke kleinigheden hier mooi.

Vanmiddag ongeveer half twee kregen we ‘soep’ – lekker warm – en het smaakte goed. Er zat nogal wat gehakt in. De dag was zomaar voorbij. Alles was nieuw vandaag. Het was zomaar half acht. Het licht ging vroeg uit. En toen we even stillagen na te denken hoorden we dat Douwe lag te huilen. Het werd hem even teveel … het was vandaag de verjaardag van zijn moeder. Ik bad voor de jongen om sterkte. Ook voor de andere maten, mijn vrouw en kinderen, en sliep in.

---- Er is vandaag opnieuw een transport van 80 man vertrokken ----

Zondag 7 Januari 1945

De eerste zondag in het cachot. Dat het vandaag zondag was kon men hier in de cel niet merken, niets daarvan. Als ik in cel 12 had gezeten, waar 4 gereformeerden zitten, dan hadden we er vast iets van gemaakt.

Maar in onze cel is niemand iets, geloof ik – Oostra is modern – Bangma vloekt teveel – van de Werd is ook niks. En wat Pieter uit Harkema, is weet ik nog niet, dat moet ik nog eens vragen.
Zodoende is het vandaag niet erg zondag voor mij. Maar ik ben er zeker van, dat er thuis voor me wordt gebeden en dat er vandaag net als anders in de kerk ook voor de gevangenen is gebeden. Dat misschien de naam van ”broeder de Haan” wel apart wordt genoemd. Ik zie de gemeente al voor me en ik hoor ds. Hofman of ds. Van der Heide, schuld belijden en pleiten op Jezus werk. Dat alles gaat door mij heen en geeft mij kracht.

Twee keer zijn we vanmorgen in de luchtcel geweest. Dat ding heeft zo’n vorm (tekening in de tekst) terwijl hij aan de bovenkant ook met tralies en gaas is ‘beschermd’. Daar in de luchtcel staan veel namen op de muur gekrast.

Ook vond ik de naam van H.J. Volkers (waaronder ik de mijne heb gezet) die van Keizer en zijn vrouw uit de Mesdagstraat, die van K. van Wieren uit Leeuwarden en die van Renkema uit de Heijermansstraat. Hoe is het mogelijk.

Ja, luister: de voorzitter van ons bestuur H.J. Volkers heeft in dezelfde cel gezeten, waarin wij nu zitten. De Amsterdammer zat met de vader van Sim de Vries. Een andere gevangene uit cel 12 zat bij Renkema.

Twee gevangenen uit cel 12 bleken heel wat mensen te kennen die ik ook ken. Ik heb in het aantekenboekje dat ik achterhield de namen en adressen opgeschreven van de mensen die ik tijdens het luchten leerde kennen. Voor later, ter inzage.

----- Ik heb vandaag een brief naar huis mogen schrijven. Mijn Stamboeknummer is B 571------

Maandag 8 januari 1945

Nu ga ik eens vertellen hoe we hier de dag doorbrengen. Elke morgen om half acht gaat de bel. Dan is het: bedden opruimen – wassen en eten. In de regel dan al snel 2x luchten, ongeveer 2 x 20 minuten, met een tussenpoos van een kwartier.

Als het ons lukt wordt voor het luchten eerst de vloer geveegd. Dan kan tijdens het luchten het stof ‘bezinken’. Na het luchten heeft ieder zijn bezigheden. We hebben hier een damspel – achtergelaten door de heer Volkers. Verder krijgen we 2x per week een boek – dat betekent voor ons 10 boeken per week. Ook moeten we ons nog tijdig scheren en dat is hier erg omslachtig. En zoo, met lezen, dammen, praten en een beetje lopen enz. brengen we de dag door.

En dan het eten niet te vergeten. Twee keer per dag krijgen we ‘kuch’ met een kopje melk – flink verdund. Zo’n ‘kuch’ is zowat 12 cm lang – men kan er 10 stukjes van snijden. Het rantsoen boter is zo ongeveer een ½ ons per week. Dat is al met al niet veel en als we geen pakjes van thuis kregen, dan was het voor veel hongerige jongemannen te weinig. Daarom zijn we zo gesteld op een pakje, want zo krijgen we tussen de gewone maaltijden nu en dan ook eens een hapje.

En het warme eten? 4x per week ‘soep’. 2x daarin groene erwten, 2x met wat gort en gehakt. Dat smaakt niet slecht. We krijgen ook niet te weinig. Ik kan het tenminste nooit op, maar het bevat minder dan thuis. En de andere 3 dagen krijgen we rats. Genoeg, maar wat te weinig zout en vet.

Van thuis kreeg ik vandaag een pakje met scheergerei, een laken – schoenen en dergelijke. Later op de dag nog wat eten van thuis en een Nieuwe Testament waarom ik had gevraagd. Ook een briefje van Tine waar ik erg blij mee was.

We hebben vandaag onze cel schoongemaakt – gedweild – afgestoft – en het losse stro heeft plaats moeten maken voor twee stromatrassen. Oostra, werd vandaag verhoord. Dat was niets voor hem. Toen hij terugkwam was hij zo beroerd als wat – ging met zijn hoofd op de tafel liggen en wilde niets zeggen.

En toch hadden ze hem niets aangedaan. Maar als een zuinige boer zo’n 2 -3 duizend wordt ontnomen, dan gaat dat je door merg en been. Met wat water en een stukje brood probeerden wij hem er weer wat bovenop te helpen.

Dinsdag 9 januari 1945

Vanmorgen moest ik even op de administratie komen.
‘Is u Hielke de Jong?’
‘Nee meneer, Hielke de Haan.’
‘O ja. In welk jaar is u geboren?’ vroeg de man in Duits uniform.
‘In 1907.’
‘Hoe komt het dan dat in het bevolkingsregister staat 1911?’
‘Omdat het P.B. veranderd is.’
‘Goed. Waar is uw fiets?’
‘Die heb ik eerst in een pakhuis gezet en hij staat nu thuis.’ 
‘Goed – u kunt gaan.’
Daarmee was dit afgelopen. Een zonde meer in het register.

We kregen het middageten erg laat en toen slechts de helft van de normale hoeveelheid soep. Als toegift kregen we daarom ieder een half ‘kuchje’.

Vanmiddag heb ik van onze cel een plattegrond getekend: “Cel 11 bij nacht” en een van “Cel 11 tijdens de soep” – voor mijn maten. Ik heb toen de cel opgemeten. Lengte ± 4 m. Breedte 2,5 m. Hoogte zowat 3 m. Inhoud dus 4 x 2½ x 3 m³ = 30 m³ - voor 5 man. Dus elk ongeveer 6 m³.

Cel 11 - Plattegrond.

HVB-CEL11

Wij zij vandaag 3 x in de luchtcel geweest. De oude Paulusma uit cel 12 was in zijn gezicht geslagen.

Toen het licht uit moest hebben we de bewaarder misleid. We draaiden snel de lamp los. Toen hij kwam keek hij even door het kijkglas. Hij riep: ‘Lamp op!’maar werd tegelijkertijd zelf geroepen.
Toen vergat hij ons knopje om te draaien en hadden we de hele nacht licht. Mijn Amsterdamse maat lag een klein uur te lezen in mijn Nieuwe Testament. Daarin had hij vandaag al meer zitten te lezen. Moge God dit lezen zegenen en mij tot een zegen laten zijn in deze cel.

Woensdag 10 januari 1945

Gister kregen we nieuwe boeken. Ik had een Franse roman met een woordenboek aangevraagd en dat heb ik ook gekregen. Nu heb ik weer iets anders te doen.

Na het eten heb ik v.d. Werd de tekst laten lezen: “Vrees niet voor hen die het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden.” – uit Mattheus 10:28.

Die jongen zit steeds te lezen in mijn Nieuwe Testament. En hij denkt er diep over na. Het leven van H.J. Volkers, werkt hier na. Wie weet waarvoor God ons hier wil gebruiken. Vanavond op bed hebben we wel een uur over het geloof liggen te praten. Hij zit met allerhande vragen, vooral ook omdat zijn vader Katholiek is en zijn moeder Protestant.

Wij zijn 3x gelucht. Vanmorgen 2x – vanmiddag 1x. Toen we vanmorgen uit de luchtcel kwamen heeft een Duitser de naam van v.d. Werd, opgeschreven toen hij hoorde dat die hier al haast 10 weken zat. Dus die kan zijn rekening opmaken.

Die Pieter toch! Met moeite ontfutselde ik hem vanmorgen in de luchtcel dat hij ook Gereformeerd is. Zijn vader wilde niets weten van de kerk. Zijn moeder wel. De stiekemerd – hij zegt geen woord als wij het er niet uittrekken. Alleen zondagavond, toen we op bed lagen met het licht aan. Toen raakte hij aan de praat over spookverhalen uit Harkema. En over vechtpartijen daar. Toen had hij wel stof.

Van thuis kreeg ik een pakje met eten en een briefje. Erg welkom! Ik heb een kuiltje gemaakt in de strozak op de plaats van mijn achterste. Zo heb ik veel beter gelegen en geslapen zonder rugpijn.
Wij kregen ’s avonds aardappelen met spruitjes. Het smaakte goed. Vooral toen er een stukje vlees van een konijn doorheen kwam, uit een pakje.

Dat werd nog eens opschudding in onze cel! ’s Avonds om zeven uur kwam een bewaker: ‘Rutger Oostra – Klaarmaken – U mag naar huis – Uw vrouw staat voor te wachten.’
Wat was die man zenuwachtig. Wij pakten snel zijn spullen in en als buit voor ons liet hij achter: 18 stukken brood met boter en rookvlees, de helft van een pakje boter en een stuk ‘strou’. Dat kreeg Pieter. Wat hebben we gelachen en we hebben het snel doorgeseind naar cel 10 en 12.

Woensdagmiddag.

Het licht – elektrisch- gaat hier ’s morgens aan om half acht. ’s Avonds gaat het aan als het donker wordt, weer uit om 8 uur. Gisteravond hebben we de bewaarder te pakken gehad en hebben we de hele nacht het licht aan gehad – ha-ha! Wat een pret!

Ik groei hier, geloof ik – want ik kan alles rustig doen – eten, scheren enzovoort. Mijn conditie is goed.

Zijn er al Amsterdammers?

Zeg tegen Ibedach, dat ik nog niets had en er ook niets komt als jij er geen bericht van krijgt.

Stuur vrijdag of zaterdag een verschoning in een koffer met goede riemen er omheen. Dan houd ik als het kan die koffer hier en doe de vuile was in een stuk papier. Touw papier en zakken wil Hielke niet kwijt. Die kunnen we hier veel te goed gebruiken. Dan moet mijn vader bij winkel-lui maar wat opscharrelen. Dat willen die in dit geval vast wel afstaan.

De groeten aan Rein.

Het Nieuwe Testament wordt druk gebruikt door de Amsterdammer. Zeg dat maar tegen Volkers.

De groeten aan alle kennissen. Zeg maar dat ze zich over mij geen zorgen moeten maken maar wel voor mij moeten bidden, want het is beter thuis te zijn! Toch ben ik nog niet één keer treurig geweest en hoop het ook niet te worden. Ik ben blij met het Testament. “En weest niet bevreesd voor hen, die wel het lichaam kunnen doden, maar de ziel niet kunnen doden.”
Daaromheen heb ik een hokje gezet. En ik hoop voor mensen, schepsels, nooit bang te zijn.

De groeten aan ds. Hofman.
Is de kist voor Koos al gevuld? Wat doen de anderen?

Dag Tineke – dag Geertje – dag Anneke – dag Yfke – dag kleine jongen! Heit – Mem – Tine!

Ik heb het hier zo druk dat ik mijn werk niet eens af krijg. Dagboek schrijven – Frans boek lezen – enz. Dat wordt me wat!

Donderdag 11 januari 1945

Het was druk op de gang gisteravond – er is weer een groepje binnengebracht – In 12 ook 2 en in 10 één.
Ik slaap nu als oudste op de krib en niet meer op de grond.
We hadden de hele nacht weer licht.

Toen we vanmorgen in de luchtkooi waren zagen wij daar boven voor het raam van de vrouwenzaal twee meisjes. Zij zwaaiden naar ons met de hand. Wij wuifden terug.
Toen kwam er een wat hoger met het hoofd en riep zodat het klonk over de luchtkooien: ‘Hou je taai hoor; na deze tijd komt weer een andere tijd.’
Dappere meisjes! Wij zwaaiden nog eens en moesten weer naar binnen.

Van de Werd, heeft het Nieuwe Testament al half gelezen.
In onze drinkkoppen heb ik de volgende inscriptie gekrast: ‘Deze nap heeft mij trouw gediend van …. tot ….’ en dan de naam van er onder.

We hebben vandaag allemaal zitten rijmen. Ik heb gemaakt het ‘Loflied op cel 11’ en dit lied (10 verzen) zelf op muziek gezet – voor het eerst in mijn leven.

‘Loflied op cel 11’ De tekst staat aan het eind van de pagina te lezen.

Pieter had het niet gemakkelijk vandaag. Hij had hoofdpijn en wilde ’s avonds graag op de strozak. Ik heb hem een aspirientje aangepraat en we hebben hem lekker warm ingestopt. Dus hij ligt wel lekker. We zijn het erover eens: die kwajongen moet er uit – het wordt hoog tijd.

Donderdagmorgen 11 januari 1945

Foar de famkes.

Dag famkes. Nou hebben de Duitsers Heit toch nog gepakt he. Wat spijtig niet. Maar niet huilen hoor. Jullie moeten wel voor Heit bidden.
Dag Tineke. Mem goed helpen hoor. En goed je best doen op school. 
Dag Geertje – leaf famke! Ook goed je best doen hoor. Is de juf al weer beter? Je moet de groeten van Heit maar doen aan juf.
Dag leave Anneke - Heit z’n lieverd. Lief spelen hoor!
Dag Yfke – Heit z’n leaf lyts ……….. een kus van Heit.
Dag famkes!

Gebed.

Heer, Almachtige God, Uw wegen zijn wonderlijk. Maar goed. Waarom moet ik hier nu zitten? U hebt Uw wijze bedoeling er mee. Ik heb zo vaak gebeden: Heer, gebruik mij maar tot uw eer. Laat mij dat nu ook doen. En geef dat ik hier niet mijn eigen zin doe maar uw wil. Moet ik hier zijn voor van de Werd? Heer, zegen hem als hij in het Nieuwe Testament zit te lezen. En wanneer wij spreken over het geloof. Geef Pieter z’n vrijheid terug, die ongelukkige. En breng ook Douwe tot geloof. Geef dat ik met Vrijmoedigheid mijn geloof mag belijden. Geef dat ik geen mensen vrees. Beschik over mijn leven en krachten Heer. Wees een vader voor mijn kinderen, wees de sterkte en de trooster van Tine, wees de rust van ons leven. Sterk ieder die mij lief zijn. Sterk allen die het moeilijk hebben. 
Hoor mijn bidden om Christus wil. – Amen. –

Vrijdag 12 januari 1945

Een kalme dag in ons leven hier. Na het eerste luchten kwam Herr Grundmann langs de cellen. Ook bij ons. De celdeur vliegt open. De oude brigadier roept: ‘Opstaan mannen!’ Wij komen overeind. We kregen van Herr Grundmann. allemaal de vraag: ‘Is u al verhoord?’ 
Op ons ja of nee werd onze naam op een lijst opgezocht en voorzien van een tekentje erachter. Wat kon dat betekenen? Opnieuw voor verhoor – of op transport?

Ik zou voor Pieter opkomen – dat had ik al lang bedacht – en vroeg tussen de bedrijven door: ‘Mag ik u een beleefde vraag stellen?’ Maar een kort: ‘Nein.’ – moest mij weer doen beseffen dat ik een overtreder was die niets heeft in te brengen.

Vandaag zit ik een week. En het viel mij niet zwaar. Tine was aan de poort voor het wasgoed en om een koffer te brengen. Hè, dan ben je even zo dicht bij elkaar en dan raakt het je even elkaar niet te kunnen spreken en zien. Een koffer vol goeie spullen heb ik gekregen. Nu daar maar goed op passen.

Om een uur of zes kregen wij een nieuwe kameraad in de cel. Auke Tool van Oude Bildtzijl. We hebben hem als kameraad binnengehaald en al gauw voelde hij zich thuis. Hij is Vrij Evangelisch en schaamt zich het Evangelie van Christus niet.

Zaterdag 13 januari 1945

Wat was het middageten laat vandaag. Het was bijna 3 uur toen wij de ‘soep’ kregen. Wat smaakte dat toen lekker. Vanmorgen hadden wij al in de gaten dat van de Werd, op transport moest – zijn tas lag bij een stapel koffers, pakken, sokken enz. op de gang.

Om een uur of 4 was het: ‘Van de Werd – klaarmaken voor transport.’ Wij hard aan het inpakken en helpen. Toen kwam de celdeur weer open: ‘Pieter Stienstra, - klaarmaken voor transport.’ Die stumper. Hij huilde bijna. Ik stopte hem snel een appel – wat eten en een stuk boter in zijn zak. 
Even later kwam de deur nog eens open: ‘Auke Tool – op transport.’ Het was alsof de man door de grond ging. Hij zat hier nog maar een nacht en rekende op een vrijstelling. Vijf minuten later waren ze alle driede deur uit met onze groeten en beste wensen.

Daar zaten we nu samen. Douwe Bangma, uit Bolsward en ik. Wij waren er even stil van. En op de gang stonden zo’n 100 mannen uit alle oorden van ons land om te worden weggebracht. 
Een klein uur later moesten wij opbreken – verhuizen naar cel 12. Dat was snel klaar. In cel 12 zaten 3 man, Paulusma uit Boornbergum – gereformeerd, Rinzema uit Leeuwarden, voorheen uit Huizum – ook gereformeerd, en van der Steenstraeten uit Arnhem – een jonge vent van 21 jaar – Rooms – Vrijwilliger bij de A.D. Nu evacué. Met de nodige reserve voelden wij ons in deze cel meteen thuis.

Zondag 14 januari 1945

De eerste dag die mij lang viel. Maar één keer er uit om te luchten, het middageten op tijd, (om ongeveer 12 uur), zodat het een lange middag werd. Het is nu bijna 6 uur.

Het avondeten (rats van boerekool) is al achter de knopen. Nu zitten we nog even bij het lampje, maken straks de bedden op en gaan dan liggen. Iets bijzonders is er niet gebeurd. Wij hebben genoeg te eten. We hebben zelfs 4 kuchjes weggegeven aan cel 11 en 13. Hoe bestaat het, 4 kuchjes, 4 rantsoenen voor een hele dag.

We kunnen telefoneren met de cellen aan beide kanten en ook met zaal 2 hierboven. Dan tikken wij even op de muur, gooien de luchtklep open terwijl onze maten hetzelfde doen.  Dan kunnen we prima met elkaar praten. Zo gaven wij door dat wij kuchjes over hadden. Zij vroegen de bewaarder en zo verdween onze kuch.

Maar de dag is alweer voorbij. En ik houd mij rustig hoewel het verlangen naar thuis wel eens opkomt, hoe kan het ook anders. Maar ik weet: God zorgt ook voor Tine en de kinderen, voor mijn vader en  moeder. En Hij kan een onbegrijpelijke vrede in het hart geven die alle verstand te boven gaat.

Geef ons die vrede Heer.

▪▪▪ Maandagmorgen 15 januari 1945 komt Hielke de Haan uit  het Huis van Bewaring - Blokhuispoort - plotseling vrij.▪▪▪

Familie De Haan - 1946

Loflied op Cel 11. Woorden en muziek van H. van Huizum.

1. Daar is geen cel in ’t hele huis
Waar ’t zo gezellig is.
En ‘k wed dat als ‘k weer werken moet
Ik deze cel zo mis.
Daar is geen cel in ’t hele huis
Waar zulk een vriendschap leeft.
Waar ieder op zijn naaste past
Zich hem in liefde geeft.

2. In nummer ellef is ’t niet gek
Je gaat er vast niet dood.
Je eet er roggebrood met spek
En soms ook wittebrood.
Je krijgt er rats met vet konijn
En fijn gebakken koek.
Je buikje zwelt van kuch en soep
De haak springt van je broek.

3. Je slaapt hier met het lampje op
Al zit de stad in ’t zwart.
Je maft hier lekker lang en warm
Al vriest het nog zo hard.
Je rookt hier fijn een North-State op
Je poetst je tanden wit.
Je scheert je fijn met ouwe zeep
Je voelt je lekker fit.

4. Je groeit hier als Savoye kool
Je pakkie wordt te klein.
Wie smult er in de hele stad
Als in cel elf zo fijn?
En als er soms een pakkie komt
Van ouders of van vrouw,
Dan eten we het samen op
In fijne vriendentrouw.

5. En als je in de luchtcel zit
Dan wuif je met je pet.
Naar meisjes in de vrouwenzaal
En brult het uit van pret.
Waar zag je ooit zo’n stel bijeen
Als in cel 11 vergaard?
Die jongens zijn toch een voor een
Een nadreteek’ning waard.

6. Daar heb je eerst die van de Werd
Een vent uit Amsterdam.
Die, toen ik op een avond laat
Hier in de baaies kwam,
Mij toch zo leuk ontvangen heeft
Zodat ik daad’lijk wist:
Die van de Werd van Amsterdam
Is onze optimist.

7. De tweede trouwe celgenoot
Heet Douwe Bangma, zeg!
Hij heeft een maand hier al gebromd
En komt “ut Bolset weg”.
Het is een leuke jonge kwast
Hij zingt de ganse dag.
’t Staat vast dat ik, zolang ik leef,
Nooit zulk een zanger zag.

8. Daar heb je Piet van Harkema
Geen beter vent als hij.
Wij gaan voorzeker op transport
Maar hij komt vast weer vrij.
En als wij bijna maffen gaan
Als ieder denkt aan thuis,
Dan komt de tong van Pieter los
Dan is ’t nog lang niet pluis.

9. Een spookverhaal uit Harkema
Neemt mij gans in beslag,
Zodat ik angstig rond mij kijk
Verdwenen is mijn lach.
Tenslotte kwam nog H. de Haan
Als laatste in de cel.
Uit Huizum komt die vrind vandaan
Is ’t niet een reuze stel?

10. Daar is geen cel in ’t hele huis
Zo prettig als cel elf.
Ik heb het beter hier dan thuis:
Dat ’s vast, al zeg ik ’t zelf.
Ik ga er uit mijzelf nooit uit,
Hoe ook de wereld ga.
Lang leve ’t stel uit d’elfde cel:
Hiep, jonges, hiep-hoera!

Voorkant en achterkant briefje Camping (zie opm. over verzet)

Jenne vertelt: "Snel na de oorlog werd mijn vader hoofd in Joure. Meester Willem van der Bij was daar ‘Hoofd der School’. Maar hij overleefde de oorlog niet. Wij kwamen in het huis van de familie van der Bij. Zij verhuisden naar het (kleine) huis dat wij verlieten in Huizum; een (toen noodzakelijke) woningruil dus"

Foto 1948 – viering van de overleving/overwinning voor het huis in Joure (Kroningsjaar 1948), v.r.n.l - Tineke, Geertje, Anneke, Yfke, Jenne.

H. de Haan - 1984


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.