Historie van Friesland 1
Bevattende een overzicht van de lotgevallen der Friezen en van de voornaamste gebeurtenissen, gedurende bijna tweeduizend jaren in dit land voorgevallen. Uit vele vroegere en latere bronnen bewerkt, door W. Eekhoff. Project Gutenberg at www.gutenberg.org
Het Oude Friesland. Van de vroegste tijden of de komst der Romeinen in Friesland tot op het einde van den strijd der Friezen en Franken onder Keizer Karel den Grote. Van 11 jaren vóór christus tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.
Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder vertelt zult vinden.
Cornelis van Grebber, van Egmond.
(1198)
„Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de Nederlanders zich zoo vaak op de Batavieren beroepen, als op hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste en meest beroemde bewoners van een voornaam gedeelte des lands, maar onze eigenlijke voorvaderen waren zij niet.—De Batavieren verdwenen uit de Geschiedenis.—Zoodanig was het niet met de Friezen. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen bewoonde.
Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij, Nederlanders, daarom de Friezen eigenlijk onze vaderen; dat heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen ontmoeten wij reeds vóór onze Christelijke tijdrekening, en hun nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende, heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een’ Bato, wiens nakroost verdween.”
Prof. H. J. Royaards.
Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff, 1851. Steendruk der Wed. C. Brantsma.
Zie over de loop dier rivieren de hierbij gevoegde schets en die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de Richara, de Reker of Kinhem, waarvan Kennemerland zijn naam draagt, welke voor den noordelijkste Rijnmond wordt gehouden, die zich langs Alkmaar bij Petten in de Noordzee stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. Schotanus, Beschrijv. end Chronijck, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: „de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.”
Afdruk van: Lub van den Berg; Het huidige Nederland over bovenstaande schets gelegd
Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder vertelt zult vinden.
Cornelis van Grebber, van Egmond. (1198) 1: Vermeld in de Aantt. op hofdijk’s Jonker van Brederode, Amst. 1849, bl. 208.
Foto van: wikimedia.org -Beeltenis van Karel de Grote op een denarius uit Mainz (812-814) met het opschrift KAROLVS IMP AVG ("Carolus Imperator Augustus") (Cabinet des Médailles, Parijs).
1. DE AFKOMST DER FRIEZEN.
De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende geschiedenis van ons vaderland, zó lang vooraf, dat niemand daaromtrent bepaalde berichtten kan mededelen.
Het ontbreekt echter niet aan gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden, uit Scandinavië of Zweden en Noorwegen afstammen, wordt evenzeer beweerd, als dat zij uit Azië of het oosten afkomstig en dóór Germanië getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen genoemd) in een gedeelte van Friesland, het hooggelegene Drenthe, de stichters waren van de reusachtige Hunebedden of opeengestapelde steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering zijn geweest.
Ook in Gaasterland is in 1849 een dergelijk Hunebed, steengraf of kelder beneden den hoge bosgrond ontdekt, bestaande uit ene massa zware steenbrokken, waar tussen vuurstenen wiggen, urn scherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het gebruik van de metalen nog niet kenden.
Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat Friso, eens Konings zoon uit Indië, na den dood van Alexander den Groote uit zijn vaderland verdreven, zich met zijne broeders Saxo en Bruno en vele anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met ene vloot in Friesland zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor den stichter van Stavoren, voor den bevolker van dit land en alzo voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden ontvangen hebben.
Het valt zeer moeilijk te beslissen, in hoe ver dit aloude volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en daaraan ene ganse rij van Vorsten verbonden, die Prins Friso in het bestuur van Friesland zouden opgevolgd zijn. Bestendig is dit verhaal het voorwerp geweest van geschil tussen vele geleerden, die het bestreden en verdedigd hebben. De dichter Willem van Haren heeft het zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht.
Er bestaan nog meerdere verhalen en meningen omtrent den oorsprong der Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den naams-oorsprong. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de hoge oudheid ons verhindert deswege enige zekerheid te bekomen, en dat er weinige trekken bekend zijn uit de eerste kindsheid der levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte Duitsland of Germanië.
Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en zich over ene grote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11 jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste bronnen der geschiedenis van Nederland, maken melding van hen. Hoe lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook nimmer na te sporen.
2. DE OMVANG EN TOESTAND VAN HET OUDE FRIESLAND.
Het ganse noordelijk gedeelte van Nederland, hetwelk thans de provinciën Friesland, Groningen en Drenthe, benevens een deel van Overijssel, Noord-Holland en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den aanvang van onze tijdrekening, het land der Friezen. De rivier de Eems aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij Alkmaar), aan de zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land.
Daar tussen bevond zich het grote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere rivieren, welke uit de hogere oostelijke en zuidelijke streken door dit lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stromen, die alle, meest in noordelijke richting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen.
De rij deze door de natuur tegen de woede des oceaan opgeworpen zeeweringen was daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die hier grote stukken grond wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen, elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.
De samenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van Friesland levert bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den eeuwenlange geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woeste water-arbeid en door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen, waarnevens zoo vele sporen zijn van grote watergangen, kolken en meren.
Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders hoge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stromen hunne richting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in Friesland binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond, doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit het zuiden aanstromende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen en uitstromingen kwam de stand van het binnen- met het buitenwater meer in evenwicht; een groter gedeelte van den Friese grond kwam boven en werd bewoonbaar.
Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee, waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds brede stromen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als waterkeringen tegen de voortdurende overstromingen, èn als woonplaatsen, welke door het ophogen tot terpen eerlang de bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven.
3. DE OUDE FRIEZEN.
Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door de Friezen, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan de Groote Friezen ten oosten en de Kleine Friezen ten westen van den Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten zuiden, tot naburen.
De gezinnen, families en horden, welke dezen Germaanse volksstam uitmaakten, hadden wellicht reeds lang een zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen, dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land ene woeste natuur, ene onvruchtbare oppervlakte.
Lang bleven de noordelijke, in de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzo verplicht in het najaar de hoger gelegene, min vruchtbare, doch veiliger zandstreken en wouden van Gaasterland, Opsterland, de Stellingwerven en Drenthe op te zoeken, ten einde daar te overwinteren.
Doch ten gevolge der veelvuldige overstromingen van de zee werden de noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan grote gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de hoge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hoge plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of terpen op, welke nog in Friesland, Groningen en elders onze bewondering verdienen.
Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen hunner afgestorvenen begroeven, sloegen zij hunne woningen op. Nog waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem samengesteld. Hunne kleding bestond nog in ene beestenvacht, welke zij om hunne fors gebouwde leden heensloegen.
Als in een natuurstaat leefden zij hoogst eenvoudig. Eerst waren het visvangst en jacht, vervolgens veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de verering van de heidense Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen en in bossen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner dankbaarheid toebrachten.
Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot ene geschikte woonplaats wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens, van de ongenade der natuur wenselijker vruchten trekken dan van hare liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang gewoond, en waren ze talrijk en machtig geworden, toen ene belangrijke gebeurtenis ene grote verandering in hunnen toestand te weeg bracht. Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.
4. DER FRIEZEN VERBOND MET- EN OPSTAND TEGEN DE ROMEINEN. (11 JAREN VOOR- EN 28 NA CHRISTUS.)
Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten overwonnen- en ook Gallië (Frankrijk), België, de Batavieren en andere Germaanse stammen aan zich onderworpen te hebben. Met onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den Rijnstroom als ene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben, ook de rustige volken van het noordelijk Germanië ten onder brengen.
Het was hun veldheer Drusus, die (11 jaren voor den aanvang onzer tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinse gezag, dat hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.
Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden, verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren, waarover hunne vlootten daarna vele malen door Friesland stevenden.
Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wrede landvoogd, Olennius, met de invordering van die schatting belast was, eiste hij ene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk ene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch, toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, vrouwen en kinderen meester maakte,—toen stonden de Friezen tegen de Romeinen op en begonnen zij den rechtvaardigste strijd. Met al de woede van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen de Romeinse krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de sterkte Flevum, gevlucht was.
Te vergeefs werd dit kasteel door de moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. Weldra kwam nu een ander Romeins krijgshoofd, Apronius, met ene talrijke macht ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk trok ook deze nieuwe vijanden tegemoet, met zulk een gelukkig gevolg, dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen werden; terwijl op éne dag bij een gewijd bos, Baduhenna geheten, 900 en op ene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde Friezen den dood vonden.
Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer Tiberius ontzette, hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de schande zijner wapenen te wreken. De Romeinse Geschiedschrijver, die deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: Sinds dien tijd werd de Friese naam vermaard onder de Germanen.
Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden zij gene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam twintig jaren daarna hun veldheer Corbulo hier op nieuw, om ene bezetting in Friesland te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer Claudius bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te trekken.
Roemrijk was alzo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en nooit ene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinse overheersing deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk van heldenmoed en vrijheidszin, hetwelk de Friezen een eervolle rang bezorgde in de geschiedenis der volken.
Indien alle voorvallen uit de vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindse jaren van een groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het schoone gezegde van onzen Friese dichter Willem van Haren:
O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon
Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.—
Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,
Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan
Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!
5. DE GEVOLGEN VAN DER FRIEZEN VERKEER MET DE ROMEINEN.
Voorzeker is het altijd ene grote ramp voor een volk, zijne onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door ene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst dikwijls in zegeningen verkeren, als ze in de hand van God middelen zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving.
In bestendigen vrede rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden toestand, zonder ongemene inspanning van krachten, welke alleen vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken, die reeds lang hoger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls ene leerschool tot verbetering van den maatschappelijke toestand. Daarom is het zoo belangrijk de gevolgen na te gaan van elke grote gebeurtenis en ook van deze.
Zolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne behoeften gering en hunne kleding, woningen en levenswijze zeer eenvoudig. De Romeinen, die ene grootse stad bewoonden, en ook in het oosten de weelde van onderscheidene volken mochten leren kennen, hadden veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden bevredigd zien.
Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleding, spijzen enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zodat er handel ontstond, mede met naburige volksstammen.
Want ook het aanleggen van wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de Romeinen, wier talrijke vloten, herhaalde malen door hun land trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste behoeften behoorden.
Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij grote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw, en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit Brittannië werd gehaald.
Dit was van gewichtige invloed. Doch niet slechts als levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten voordelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk. Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger, toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond.
De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt, zodat de opofferingen lichter vielen, om dat land eerlang tegen de herhaalde overstromingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke vereniging, tot onderling leven en verkeer, en tot enige meerdere kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het verkeer met de Romeinen.
De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid scheen te treffen, werd hun alzo tot zegen, en tot ene oorzaak van verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:
Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,
Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,
En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,
Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen.
Friese afgezanten te Rome
6. DER FRIEZEN AFGEZANTEN TE ROME. Verritus en Malorix, afgezanten der Friezen, trekken naar Rome, om Keizer Nero over de hun betwiste gronden aan den Rijn te spreken.
Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks het voorgevallene, goede Bondgenoten van de Romeinen waren gebleven.
Enige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de Romeinse soldaten ten gebruiken afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De bevelhebber van Neder-Germanië beval hun echter deze oorden te verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zó veel belang, dat de Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden, door de Romeinen Verritus en Malorix genoemd, ten jare 59, tot hen te zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer Nero voor te dragen.
Zij reisden naar Rome; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, bracht men hen in den schouwburg van Pompejus. De eenvoudige Friezen begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel enige personen in uitheems gewaad, die op de hoge zetels van de Romeinse Raadsheeren waren gezeten.
Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze eer werd bewezen. "Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in dapperheid en trouw,” antwoordden Verritus en Malorix, en, hunne plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenodigd naast de vermelde gezanten neder.
Malorix en Verritus waren twee Friese vorsten in de eerste eeuw na Christus. Hun optreden is gedocumenteerd door Tacitus in zijn Annales.
Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots, zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op; zelfs de wreede Keizer Nero duidde hun deze handelwijze niet ten kwade: want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche burgerregt, als een uitnemend eerbewijs.
7. UITBREIDING VAN FRIESLAND. (240-455) 240-455. Trapsgewijze uitbreiding van het land der Friezen, zuidwaarts tot over de Schelde, oostwaarts tot over den Wezer.
Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergroten. Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe groten prijs zij op landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Ene grote verandering in den toestand veler volken van Europa gaf eerlang aanleiding, om die zucht voedsel te geven en te bevredigen.
Want de Romeinen, nadat zij eenmaal ten top van grootheid en macht waren gestegen, verzwakten onder hunne laatste slechte en heerszuchtige Keizers, en vielen in den haat der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intussen machtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om Rome tegenstand te bieden.
Zo verleenden de Friezen omstreeks de jaren 70 hulp aan hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinse juk. Meer andere stammen trachtten zich allengs van Rome los te scheuren; bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het Romeinse rijk aan. Eerlang had dit ene algemene volksverhuizing ten gevolge.
Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van een aantal volken, tussen den Rijn, de Noordzee, de Elbe en de Main woonachtig. Onder den naam van Franken of Vrijen was hun doel het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun gebied, vooral in het meer vruchtbare Gallië. Dit doel gelukte hun na langen strijd, en de naam van het tegenwoordige Frankrijk, dat zij veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.
Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een twijfelachtige strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemene beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. Het vuur der vrijheidszin ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken.
Door deze hun aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door andere volken werden aangevallen, met weergaloze moed, een onverzettelijke tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de mening van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben. Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot ene grote uitgestrektheid heeft uitgezet. Zuidwaarts breidden zij zich alzo over den Rijn en de Maas tot aan het Zwin of het Sincfal, een zeeboezem in West-Vlaanderen, uit en oostwaarts over de Eems tot den Wezer of zelfs verder, welke laatste streken door de Cauchen en andere stammen waren verlaten.
Evenzo deden de Saksers, welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in verbond traden met de Friezen. Tussen de jaren 240 en 455 bekwam het Friese rijk alzo ene grote uitgestrektheid langs de kust der Noordzee, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige Vlaanderen, Zeeland, Holland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Friesland, Groningen, Drenthe, Oost-Friesland, Oldenburg enz., met de landen, later door de Zuiderzee ingenomen. Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van Europa drie machtige vrije volken gevestigd: de Franken, de Friezen en de Saksers.
8. DER FRIEZEN TOGT NAAR BRITTANNIË. Vele Friezen, steken met de Anglen, Saksers enz. over naar Brittannië en vestigen zich in dat land.
Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke bewoners van Brittannië of het tegenwoordige Engeland, zeer ontrust door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit genomen hadden. Tegen hunne overmacht niet bestand, hadden zij van hen reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen, die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer verwachten.
Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de Neder-Saksers, die toen de Vlaamse en een gedeelte der Franse kust bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de Anglen en Warners, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal gevestigd hadden en de Friezen, die het verdere kustland bezaten. Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen verbonden; terwijl de Friezen, als de machtigste dezer stammen, zich daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.
Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen zijnen sterkeren vijand bijstand te bieden. Welhaast staken zij dan op achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee kloeke krijgshelden, Hengist en Hors geheten, en boden der Britten Koning Vortigern hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden op, en mocht het hen in een roemrijke veldslag gelukken, de Pikten en Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.
Foto van wikipedia: Rechts Koning Vortigern
Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het eiland voort.
Eindelijk ontstond er tussen hen en de Britten een hevige strijd, waarin zij de zege mochten behalen. Nu werd de Koning gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overige namen de vlucht, en Hengist, weldra bezitter van geheel Kent, werd tot Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en uitbreidden. De oude Britse volksstam vestigde zich deels diep in de gebergten van Wallis, deels in het tegenwoordige Bretagne in Frankrijk, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friese taal, zeden en gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in Engeland ingevoerd.
Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden en vormen verbasterd zijn, is dezelve overeenstemming met de taal, de zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen tocht in het midden der vijfde eeuw.
Afdruk van Wikipedia
9. DE STRIJD DER FRIEZEN TEGEN DE FRANKEN.
Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het Westerse keizerrijk waren de in Gallië gevestigde Franken machtig geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne heerszucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning Klovis de Christelijke godsdienst had aangenomen want de zucht, om deze leer te verspreiden en onder de heidense volken voort te planten, werd nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstochten ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door ene machtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het Westerse keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.
Die twee strijdbare volken sloegen nu met ene edele vrijheidszucht somtijds de handen ineen, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk ene dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls geduchte legers wederstonden—dit blijkt uit de langdurigheid van dien krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de overmacht bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog groten roem bij andere volken verwierven.
"Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tussen Franken en Friezen, tussen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des Christendoms en de kracht van Karel den Groote, maar niet tot oneer der overwonnenen,—die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven.”
Afdruk wikipedia
10. DE POGINGEN DER FRANKEN TER INVOERING VAN DE CHRISTELIJKE GODSDIENST IN FRIESLAND. De Franken vestigen zich te Wiltenburg (Utrecht), waar Dagobert I eene kerk sticht, welke in 680 door Koning Radboud I verwoest wordt. Karel de groote, Koning der Franken, als Keizer van het Westen gekroond.
In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de duisternis des heidendom te onttrekken en hen in den zegen des Christendoms te doen delen.
Schijnbaar zouden zij die leer des evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was opgedrongen door trotse vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk wilden beroven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, welke nog algemeen heersten. Neen, het verwondert ons niet, dat het toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaans beginsel van liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde overheersing, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne zelfstandigheid te bewaren.
Rustig en vrij toch leefden de Friezen tussen Schelde en Wezer in de 6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer verbonden met hunne naburen,—totdat de aanvallen der Franken hen opriepen ter verdediging van den vaderlandse grond. De minst bevolkte en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmacht op den duur niet weerstaan.
Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning Dagobert I, die ten jare 630 te Wiltenburg of Utrecht eene eerste Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinse legerplaats, aan Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het middelpunt, zowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe leer.
De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van Europa door de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den ijverige prediker Eligius herwaarts, om onder de heidense Friezen het evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den vredzame Koning der Friezen Adgild I, die zelfs den bisschop Wilfried, op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankische vorst Ebroin, en hem toeliet hier te onderwijzen en te dopen. Aan hem bleek het, dat vele Friezen minder afkerig waren van het Christendom dan van de Franken.
Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger Radboud I. Den Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van Dagobert gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en Utrecht weder te bemachtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld.
Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter Pepyn van Herstal met een machtige Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en, na hardnekkige tegenstand, Radboud ene nederlaag toebracht bij Dorestad, het latere Wijk bij Duurstede, toenmaals de stapelplaats van den Friese handel.
Hij dwong Radboud, zich te onderwerpen en de vrije prediking van het evangelie te gedogen. Daartoe ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger Willebrord, in Engeland geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne taal bekend.
Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer voort te planten. Daarom werd hij in 696 te Rome tot Aartsbisschop der Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van Radboud andermaal door Pepyn was overwonnen, gelukte het Willebrord, te Utrecht op nieuw ene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd. IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van Vlaardingen af tot Heiloo toe, het Christelijk geloof uit te breiden. Zij bleven echter meest tot den omtrek van Utrecht bepaald, dewijl de ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van Friesland de algemene verbreiding moeilijker maakte.
Die algemene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zolang de onverzettelijke Radboud het Christendom zoo vijandig bleef. Nauwelijks was Pepyn in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug).
Hij trekt voort tot Utrecht en verjaagt daar Willebrord en zijne geestelijken, die de vlucht nemen naar Trier. Ook Dorestad valt in zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het zelfs met zijn leger langs dien stroom naar Keulen op te varen, waar Plectrude, Pepyn’s weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het Frankische leger onder Karel Martel een volkomen overwinning, verwoest de omliggende streken en keert met groten buit beladen naar zijn rijk terug.
Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke tonelen, waarin de opkomende geslachten telkens ene oefenschool vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den Friese landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd?
Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid. En zulks te meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, waartegen zij eeuwen lang een woedende krijg voerden.
Reeds in het volgende jaar kwam Karel herwaarts, om over de geleden nederlaag ene geduchte wraak te nemen. In een hevige strijd, aan den Rijn bij Utrecht, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning te behalen op Radboud, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen.
Doch toen de Bisschop Wulfram hem daartoe te Medemblik, zijn zetel, den doop plechtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidense voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als ongelovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug, verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan met den geringe hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard.
Met grote standvastigheid en ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken. Gene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en onafhankelijkheid.
Zijn opvolger Adgild II was even vredelievend als de eerste vorst van dien naam. Terwijl Willebrord de Utrechtse kerk in luister herstelde en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet verhinderen, dat in het noorden of het hart van Friesland, waar het heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, ene nieuwe poging werd gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen.
Daarom kwam Karel Martel in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger minder bezochte gedeelte van het Friese rijk; in het laatstgenoemde jaar zelfs met ene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden hij een bloedige slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer Poppo sneuvelde, terwijl Koning Adgild van hartzeer daarover stierf. Door het vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bossen zocht men nu in Oostergoo en Westergoo het heidendom te verdelgen, en door prediking de nieuwe leer te planten.
Foto van wikipedia. Karel Martel
Doch te vergeefs: want zulke geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor ene leer, waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hoge waarde en heiligheid het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen Radboud II, een even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken als zijn voorzaat van dien naam.
Of deze Radboud een Fries was, dan wel een Deens vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop Bonifatius, die reeds zoo lang in Friesland en Duitsland het evangelie had verkondigd, in 755 opnieuw naar het noordelijk gedeelte van het Friese rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en geholpen door vijftig tochtgenoten, onderwijst en predikt hij alom, richt verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide Christenen.
Bij Dokkum gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken, toen hij onverhoeds door ene bende heidense Friezen wordt aangevallen en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.
Het Friese rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De eigenlijke Friezen, de kern van den ouden volksstam, woonden in het midden, tussen de rivieren de Reker of Kinhem en de Eems.
Alle landstreken bezuiden de Reker (den vroeger vermelden Rijnmond bij Petten, benoorden Alkmaar), welke de Friezen van tijd tot tijd veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, wellicht reeds ten gevolge der veroveringen van Pepyn van Herstal in 692 en 697, of van Karel Martel in 715.
De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier de Eems (Oost-Friesland, Oldenburg enz.), weerstonden het langst de macht der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van dezen deelden.
De oorspronkelijk Friezen, tussen de Reker en de Eems (een gedeelte van Noord-Holland, Friesland, Groningen, Drenthe enz. bewonende), waarover Radboud II regeerde, stonden dus op zich zelve tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van den vromen Bisschop Bonifatius, zagen velen hunner in, dat alle tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn.
Doch hun Koning bleef zich met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van Bonifatius, zoo men wil op aanstoken van Radboud geschied, bracht echter weldra ene grote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde, Friezen verenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En toen Radboud, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van Witikind, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen hier gruwelijk vervolgden,—toen werden de Friezen zó afkerig van hunnen Koning, dat zij de bescherming inriepen van den Koning der Franken, op wiens komst Radboud naar Denemarken vluchtte en de Saksers naar hun land terugtrokken (775).
Die Koning der Franken was Karel, eerlang de grote bijgenaamd, wegens zijne voortreffelijke eigenschappen, grootse ontwerpen en stoute daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader Pepyn de korte (768) en van zijn broeder Karloman (771) was hij meester geworden van geheel Frankrijk, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, een gedeelte van Spanje, Beijeren enz. vergrootte.
Gaarne verleende hij zijne bescherming aan een volk, dat zijne achting had verworven wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zo láng had weerstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als Beschermheer van dit volk aangenomen, tot hetzelve in ene geheel andere betrekking kwam en het geheel anders behandelde dan volken, welke hij overwon of veroverde, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den hevigste tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp.
De vrucht van dezen langen en bloedige strijd was alzo de invoering van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, ene weldadige verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te weeg gebracht.
Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de eredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen heersen,—toch vereren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.
Reactie plaatsen
Reacties