Tijdvak 3
Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten. Van de aanneming van Hertog Albert van Saksen tot Erfpotestaat van Friesland tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het Spaanse juk. Van 1498 tot 1580.
A. De Saksische Regering.
1498. Hertog Alberts Stedehouder, Willebrord van Schaumburg, trekt met 2,000 man in Westergoo, neemt Leeuwarden in, en verovert Oostergoo en Zevenwouden.
1499. Albert komt met zijn zoon Hendrik in Friesland, wordt gehuldigd en stelt een Provincialen Raad in.
1500. Hertog Hendrik verbittert de Friezen, die hem in Franeker belegeren, doch aftrekken, zodra Albert tot ontzet nadert.
1504. Hertog Georg van Saksen komt in Friesland, plaatst te Leeuwarden een Gerechtshof en voert vele verbeteringen in, zodat de rust en welvaart hersteld worden.
1505-8. Het Bildt verpacht en bedijkt.
1509. Graaf Hendrik van Stolberg, de edele Stadhouder, overleden.
1512. Jemme Herjuwsma en Gerbrand Mokkema te Leeuwarden onthoofd, wegens verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland.
1514. De Gelderse benden van Karel van Egmond bezetten een groot deel van Friesland, belovende herstel der vrijheid.
B. De Bourgondische Regering.
1515. Hertog Georg draagt Friesland over aan Karel van Oostenrijk, Graaf van Holland enz.—Bestendige strijd van dezen tegen de Geldersen om het gebied.
1516. Leeuwarden door de Geldersen belegerd en door Bourgondische benden ontzet.
1517. Groote Pier maakt de Zuiderzee onveilig, om de Hollanders, die zijne woonplaats verbrand hadden, afbreuk te doen.
1522. De Geldersen verlaten Sneek, 1523 Dokkum, Bolsward enz., zodat in 1524 geheel Friesland Keizer Karel V als Heer aanneemt.
Begin van een langdurig tijdperk van vrede, welvaart en vooruitgang.
1531. Begin der geloofsvervolgingen. Martelaren.
1535. Ongeveer 300 der Munsters Wederdopers nemen Oldeklooster in, doch worden belegerd, gevangen genomen en merendeels omgebracht.
1536. Gellius Faber de Bouma en Menno Simons verlaten het pausdom en ondersteunen de zaak der hervorming.
1550. Invoering van de Inquisitie.
1551. De omstreken van Heerenveen ontgonnen en vaarten derwaarts gegraven.
C. De Spaanse Regering.
1555. Karel V draagt de regering over aan zijn zoon Filips II.
1560. Invoering van nieuwe Aartsbisdommen en Bisdommen in Nederland.
1565. 108 Friezen nemen deel aan het verbond der Nederlandsche Edelen tegen Spanje.
1566. De Hervormde leer te Leeuwarden en elders ingevoerd, doch weder onderdrukt.
1567. Herstelling van de Roomse eredienst. Komst van den Hertog van Alva. Vlugt van vele Edelen en Geestelijken.
1568. Begin van den tachtigjarigen oorlog tegen Spanje. De Stadhouder Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee.
1570. Komst van Cunerus Petri, als Bisschop van Leeuwarden. Groote schade en nood door den Allerheiligenvloed.
1572. De pogingen der Bondgenoten, om enige steden op de Spanjaarden te veroveren, door Robles verijdeld.
1574. Verbetering van de Zeeweringen onder Caspar de Robles.
1576. De Pacificatie van Gent.
1578. Afkondiging van den Religions-vrede.
1579. De Unie van Utrecht gesloten.
1580. De Blokhuizen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren veroverd; de Hervorming van Staat en Kerk doorgezet.
Afdruk Wikipedia: Albrecht van Saksen omstreeks 1491
22. FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER HERTOGEN VAN SAKSEN. (1498-1515.)
Albert of Albrecht, Hertog van Saksen-Meissen, een der grootste veldheren van zijn tijd, zonder wie een tijdlang geen krijg in Duitsland, Hongarije, Italië en Nederland werd gevoerd; de man, die de rechterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de minderjarigheid van Filips II, door het bedwingen van de oproerige Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodvolk in Holland, dezen Graaf grote diensten bewezen.
Het bleek alras, dat Albert niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een hevige brand, welke de stad Dresden in 1491 voor een groot gedeelte verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnse guldens was de schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne krijgsknechten, inbracht. Des Graven vader, Keizer Maximiliaan, dien het immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het Erfstadhouderschap over Friesland te belenen, indien hij slechts kans zag, van dat gewest meester te worden.
Reeds had hij dit zes jaren lang beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun hadden. Zó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendracht en rust na te jagen!
Albert zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf Willebrord van Schaumburg, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar Friesland. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen van Westergoo te bemachtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch het meer Vetkopersgezinde Oostergoo en vooral het afgelegene Zevenwouden moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden. Zelfs werd Leeuwarden tweemalen door hem belegerd, vóór het zich overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel, blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het opgedrongen gezag.
In Juni van het volgende jaar, 1499, kwam Albert zelf met zijn zoon Hendrik in Friesland, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe stelde hij een Provincialen Raad van elf edelen in, met zijn kanselier Sigmundt Phlug aan het hoofd. Aan dezen Raad, te Franeker op Sjaerdama-huis gezeteld, was zowel het bestuur van het land als de uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van Oldehove te Leeuwarden met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok hij naar Groningen, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den Keizer geschonken, had te bemachtigen.
Hij had hier zijn zoon hendrik ter uitoefening van het bewind achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerszuchtig. Hij handelde voor ’t minst zeer onvoorzichtig en verkeerd, toen hij de Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf hij de zaak zijns vaders in eens zódanig, dat hij zich gehaat maakte bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door afkerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling.
Reeds in den volgenden jaren, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en brachten weldra ene grote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in Franeker (van half Mei tot half Juli) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op 16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij het zwakke stadje niet eens konden bemachtigen, en zich eerlang verstrooiden, toen ALBERT zelf met ene legermacht van 5 à 6000 man tot ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wrede strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van Groningen, doch overleed kort daarna te Emden (12 Sept. 1500).
Vervolgens werd Friesland gedurende drie jaren op naam van Hertog Hendrik en zijnen broeder Georg van Saksen door den Stadhouder Hugo van Leijsenach bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog Georg zelf in Friesland en alléén aan de regering. Eerst toen werd het landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot stand gebracht. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften des lands, en met een krachtige wil beraamde hij dadelijk de middelen, om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen, orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der ingezetenen te bevorderen.
Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende Ordonnantie van Saksen uit, welke uitvoerige bepalingen ter uitoefening van het rechterlijk en burgerlijk bestuur, zowel door het Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Gerechtshof, waarvoor te Leeuwarden naast het Blokhuis ene Kanselarij werd gebouwd. Ook werd er ene Munt opgericht in deze zelfde stad, welke dáárdoor het aanzien van Hoofdstad van Friesland bekwam. Vervolgens voerde hij strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde zeedijken.
De belangrijke aanslijking van het Bildt, welke zijn vader reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden. Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tussen Leeuwarden en Dokkum en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tussen Leeuwarden en Franeker, Sneek en Bolsward, werden onder zijn bestuur brede vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zowel de gemeenschap te water tussen de voornaamste steden als de afstroming zeer werden bevorderd.
Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewichten, en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten dele nog is.
Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mocht Hertog Georg met regt een weldoener van Friesland genoemd worden. Bovendien trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid door- en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als Hendrik, Graaf van Stolberg, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van 1505 tot 1508 ’s Hertogen plaatsbekleder was. Een man, wiens naam wij met liefde en hoogachting noemen; van wie wel gene roemruchte heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenoten verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen.
Als een goed, rechtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God boven alle mensen ontzag en zijnen plicht en het land lief had, werd hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te Keulen overleed, in de Groote Kerk te Leeuwarden met grote plechtigheid begraven werd, was de algemene droefheid over zijnen dood ene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.
Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na zoo langdurige vermoeienissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een tijdgenoot, onder zulk ene rustige regering te mogen leven, daar zij vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was.
Want toen eerst werden er in Friesland rust en maatschappelijke orde, regt en veiligheid, zoo grote voorrechten eens burgers! verkregen. Landbouw en handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder begunstiging van vrede en van een rechtvaardig en zorgvol landsbestuur, dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat de menselijke driften, uit verschil van meningen en belangen ontstaan en door heilloze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden van den oorlog deden gevoelen.
Everwijn, Graaf van Benthem, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mocht de genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den vruchteloze oorlog ter bemachtiging van Groningen, en door andere maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij twee voorname edelen, Gerbrand Mockema en Jemme Herjuwsma, van heimelijke verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland beschuldigd en overtuigd, in 1512 te Leeuwarden liet onthoofden.
Het zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en sneed de genegenheid af, welke men den Saksische Vorst tot dusver had toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te zullen bekomen van den Hertog van Gelder, die ze geredelijk beloofde, en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden vond Hertog Georg van Saksen het geraden, zich veilig terug te trekken, en zijn regt op het bewind over Friesland in 1515 voor 100,000 Goudgld. over te dragen aan Karel van Oostenrijk, Graaf van Holland.
Afdruk Wikipedia: Hertog George van Saksen (1471-1539)
23. DE GELDERSCHEN IN FRIESLAND. (1514-1523.)
Te vergeefs hadden de Hertogen van Saksen lang getracht, ook het naburige Groningen en de Ommelanden te bemachtigen. Graaf Edzard van Oost-Friesland ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde, dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mochten eisen. Tevens begeerde hij zelf het gebied over Groningen te bekomen, en, toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den listige Karel van Egmond, Hertog van Gelder.
Doch tegen dezen heerszuchtige en geslepen Vorst was hij niet opgewassen. Zij kwamen heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stoten, door Gelderse benden in Groningen en Friesland te zenden, waarover Edzard het bevel zou voeren in naam van Karel, die, des verkiezende, zijn gezag weder als leenman aan den Koning van Frankrijk zou kunnen opdragen. Doch, zodra Karel van Egmond een gedeelte der voor zijne hulp bedongen som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zowel den Saks als Edzard van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider plaats te vestigen.
Met list gelukte het hem, den trouweloze, de Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan Edzard, die over deze misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu richtte hij al zijne krachten naar Friesland, om ook dáár het zelfde doel te bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van enige aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de Saksers.
Ten jare 1514 trok dan een groot getal Gelderse soldaten herwaarts. Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk gedeelte van Friesland voor den Hertog van Gelder in. Dit viel hun te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegen schattingen der Saksers aan te brengen.
En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat de Saks Friesland verraden- en aan den Hollandse Graaf, den erfvijand, zowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden en acht grietenijen over, die zich vóór Karel van Oostenrijk en niet vóór den Gelderse Hertog verklaarden. Sneek werd toen de zetel van het Gelderse gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van daar talrijke benden uitzond ter bemachtiging van de overige delen des lands.
Opnieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden. De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de Gelderse over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid heersten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen beroofden.
Behalve de Gelderse en de Bourgondische knechten, deed dit bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de Zwarte hoop geheten, op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën bedreef zij schrikkelijke moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand en de landzaten met onmenselijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de Gelderse het in 1516 de stad Leeuwarden met ene grote macht aan te vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter eerlang op, toen Prins Karel een aanzienlijk leger van 4000 knechten en 300 ruiters uit Holland herwaarts zond, dat te Harlingen landde en Leeuwarden, den zetel van zijn gezag, ontzette.
Deze Bourgondische benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de Gelderse, die hulp uit Groningen en zelfs uit Frankrijk hadden ontvangen. Jarenlang bleef Friesland alzo een twistappel tussen twee machtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de kans.
De Hertog van Gelder, hoe moedig ook, en gewoon zich met geringe middelen tegen den machtigste te meten en voor gene gevaren terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden tegen den machtige Graaf van Holland, die intussen ook Koning van Spanje en Keizer van Duitsland was geworden, en die als Karel de vijfde spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen algemeen ontzien en geëerd was.
24. KRIJGSBEDRIJVEN VAN GROOTE PIER. (1515-1520.)
Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de kerk en de buurt van het dorp Kimswerd bij Harlingen in 1515 door de uit Holland overgekomen Bourgondische benden in as gelegd. Daar woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op ene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte en fors voorkomen was hij onder den naam van lange of Groote Pier bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht van Heemstra.
Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met grote ogen, brede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien, bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, evenals hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij saam, en bracht weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de Arumer Zwarte hoop verkreeg.
Met zulk een wakker man als Pier en zijn niet minder kloeken neef grote Wierd (Jelckama) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste werk van, de Saksische benden na te zetten en uit Friesland te verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van Holland herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun enigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en machten te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te vestigen.
Grote Pier
Wijerd Jelckama
Afbeeldingen van wikikids.nl: De strijd van de Friezen in de 16e eeuw: Wijerd Jelckama en Pier Gerlofs vechten voor de onafhankelijkheid van Friesland.
Geredelijk verenigden zij zich dus met de macht van den Hertog van Gelder, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friese vrijheid in ere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij niets vuriger wensten. Doch die Hertog van Gelder verenigde zich ook gaarne met hen, zowel tot versterking van zijne krachten, als omdat hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vrezen, indien slechts het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenste, dan om ook Heer van Friesland te worden, gelijk hij reeds van Groningen was.
Dáár had sluwheid zijner heerszucht de hand geboden, om een mededinger als Graaf Edzard den voet te lichten. Hier kon Pier hem even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen Geldersman boven verwachting.
Drie middelen had hij daartoe in zijne macht. Het eerste was: den haat, welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zowel van ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit Holland overgezonden benden nu allerwege hadden aangericht. Het tweede was: hunne vrees, dat zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerst zouden worden, dewijl de gehate Saks op ene, in hun oog, verraderlijke wijze Friesland, voor geld! had verkocht aan Prins Karel van Oostenrijk, Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem betwisten zou, zolang zijne vuist het zwaard kon voeren.
Het derde middel was: ene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had toegerust en bemand, met oogmerk, om dát Holland te tuchtigen en afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan, zowel te land als te water, met ene woede, die alom vrees en verbazing wekte. Sedert 1492 hadden Karel’s grootvader en vader hem het regt op Gelder en Zutphen betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Franse hulpbenden in dienst had, en die Holland voor der Gelderse invallen bestendig in de uiterste bekommering hield. Sinds hij in 1504 te Harderwijk ene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene koopvaardijschepen der Hollanders gemunt.
Mocht zijn eerste scheepstocht, in laatstgenoemd jaar, voor Monnikendam, mislukken, hij stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde strooptochten en plunderingen. Zowel op de Zuiderzee als op den Rijn, zowel in Overijssel als in Utrecht streefde de onvermoeide krijger naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512 Amsterdam aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22 koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan.
Dat zulk een man, die lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te Groningen zich als Opperheer en in Utrecht als Beschermheer erkend zag; die zijne Staten uitbreidde en het machtige Holland vijftig jaren lang trotseerde en grote schade berokkende,—dat zulk een man Friesland in dien toestand niet dadelijk bemachtigd heeft, en het zelfs nimmer geheel heeft kunnen machtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.
In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder ene gelukkige greep, dat hij pier wist over te halen, om zich met zijne manschap te begeven op de Gelderse vloot, en om, onder den grootste titel van Admiraal der Zuiderzee, het opperbevel daarvan te aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis, dat hij een erf haat had gezworen, te vernederen, om Holland te beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke van daar naar Harlingen werd gezonden, tot ondersteuning van Karel’s benden in Friesland, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te wenden.
Deze laatste oogmerken waren genoeg, om Pier en de zijnen te bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets meer te verliezen hebbende, kenden zij ook gene eervoller taak dan het vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in ere hersteld zou worden door den Hertog van Gelder, die dit zoo dikwijls beloofd had, en wiens vleiende woorden en toezeggingen zij niet durfden wantrouwen.
En inderdaad Pier kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak der Geldersen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in 1517 zijne vloot door al de genomen schepen tot 150 kielen, bemand met 1200 man, zag aangegroeid, en als de gesel der Zuiderzee gevreesd werd. Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden van zijne tochten en scheepsstrijden hier wilden mededelen. Zijne daden bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat kunnen stijgen, en hoe vele onmenselijkheden krijgers zich durven veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.
Met zulk ene macht waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te vergeefs wapende Holland zich tegen der Geldersen euvelmoed door in de West-Friese zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten. Het eerste elftal, dat Pier niet ver van Hoorn ontmoette, nam hij prijs. Ene tweede vloot, van 28 zeilen onder Hieronimus snees, met betaling voor het krijgsvolk in Friesland in zee gestoken, werd met 18 schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemachtigd en met 400 gevangenen in triomf te Workum opgebracht. Uit Enkhuizen werd ene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden, doch ook deze werden genomen en deels vernield.
Verstoord over de trouweloosheid van sommige kooplieden van Medemblik, verzamelt hij zijne macht bij de Kuinder, valt die stad aan, plundert en verbrandt haar ten dele, en keert met buit beladen terug. Ook Hindeloopen, dat door een hopman Tengnagel met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen, bemachtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de overige vluchtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet ver van Hoorn met overmachtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en strijdlust gene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne macht.
Vijfhonderd Hollanders laat hij over boord werpen; zeilt naar Hoorn, dat ingenomen en geplunderd wordt; trekt Enkhuizen na het nemen van een schip voorbij; begeeft zich weder naar Medemblik, waar hij een viertal huizen in brand laat steken, en keert daarop naar Friesland terug. Men wil, dat hij ook andere Hollandsche plaatsen, als Alkmaar, Beverwijk enz., zou bemachtigt hebben, en dat mede de eilanden Texel, Flieland en Wieringen veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tussen Holland en Friesland voer, hulken, karvelen en boeiers, ja ook Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op rantsoen. Zelfs overwon hij "een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt, dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was.” De buit (dien hij onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde, was nog groter.
Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn vriend Offingahuis mishandelden, die zijn neef grote Wierd te Leeuwarden op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner beste kapteins voor zijne ogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het voorbeeld, en vreselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het krijgsrecht dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige voorbeelden heeft.
Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking van de schand- en moordtonelen, welke de Hollandsche benden te gelijker tijd in Friesland, in koelen bloede, aanrichtten, zoo als onder anderen te Irnsum, waar der bezetting van Douma-huis lijf genade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze, tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord.
Nadat Pier in 1517 de Geldersen tot verdediging van het belegerde Sneek ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van Gelder op een tocht naar Emmerik vergezeld had, zien wij hem op eens dat woelig krijgstoneel verlaten en zich als stil burger te Sneek nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de vrijheid zijns vaderlands te herstellen.
Maar toen hij eindelijk de listige handelwijze van Hertog Karel bemerkte en diens bedoeling, om zelf Heer van Friesland te worden, doorgrondde,—toen trok hij in teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der partijen af te wachten. Ruwe moed en wrede dapperheid moge men hem te laste leggen, zonder op de wijze van oorlog voeren in die dagen, ook bij zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zo fel bestreden Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die hem als een onmenselijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer voorstellen,—gans anders is het oordeel over hem van land- en tijdgenoten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder bekend waren.
De kloosterbroeder Peter van Thabor noemt hem een man: fors van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van hart als een Christen: want hij had ene goede mening, om vrij en Fries te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden. Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had. Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon en mocht.
Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, Hessel Martena en Juw Botnia, benevens enige burgers van Franeker, hij de stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar Sneek liet voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land bevochten, nochtans kon hij niet dulden, dat hun in Friesland door de Geldersen leed werd gedaan gedurende het bestand.
Zoo kloekmoedig hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij de Geldersen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet volbrachten, wat ze beloofd hadden. Dáárom vreesden zij hem, die, als een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam ene eervolle nagedachtenis, en zeggen wij gaarne den dichter van Halmael na:
Die ’t Vaderland in nood beschermt,
Voor recht en vrijheid strijdt,
Zich over weeûw en wees ontfermt,
Geweld noch onrecht lijdt;
Dien, zij hij boer, of edelman,
Of burger, of soldaat,
Dien prijs, wat prijzen mag en kan
Als steunsel van den Staat.
Dien reik m’ alom, in ieder oord,
Dat knielt voor God-alleen,
Den laauwer, die den held behoort,
En d’ eikenkrans metéén!
Held Pier, de groote Pier genoemd,—
Niet, slechts om lichaamskracht,—
Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,
Zij zóó door ons herdacht.
Hij leed van Saksens dwinglandij,
En Hollands overmoed,
En vocht zich koen van beiden vrij,
Ten prijs van goed en bloed.
Hij zag zijn heerlijk Vaderland
Gefolterd, overheerd,
En ’t slagzwaard blonk in ’s landmans hand.
Hier blijf’ zijn naam vereerd!
Afdruk Wikipedia: Keizer Karel V
Afdruk Wikipedia: Kaart van de Zeventien Provinciën met in rood de lijn de van de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden in 1648
25. FRIESLANDS VOORSPOED ONDER DE REGERING DER STADHOUDERS VAN KEIZER KAREL DEN VIJFDE. (1515-1555.)
Keizer Karel V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis. In een gewichtig tijdvak, waarin de meeste volken van Europa, na langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking van Amerika en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van Duitsland, Koning van Spanje, Napels, Sicilië, Mexico en Peru, Hertog van Bourgondië, Graaf van Holland enz. een machtig gebieder over vele volken.
Als een man van grote bekwaamheden, zowel in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne stadhouders of plaatsbekleders, met wijsheid te doen besturen en met kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in 1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders eerst door zijne moei Margaretha van Oostenrijk, als Gouvernante, en sedert 1530 door zijne zuster Maria van Hongarije als Landvoogdes bestuurd.
Toen Karel in 1515 Heer van Friesland was geworden, zond hij Graaf Floris van Egmond als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land te nemen. Doch de Geldersen hadden zich intussen van zulk een groot gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden Leeuwarden, Harlingen en Franeker, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de zijde van Karel kozen en hem huldigden. Er kwam alzo ene grote krijgsmacht uit Holland over, zowel om zijn gezag in deze streken te beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Geldersen te bestrijden en te verdrijven.
Dit ging evenwel zeer moeilijk: want de Geldersen hadden zich zó vast genesteld, en wisten de ingezetenen door allerlei schoone beloften zódanig tegen het gezag van den Hollandse Graaf in te nemen, dat Friesland gedurende de eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandse oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden, omdat twee machtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou besturen. Dat regt moest hunne heerszucht echter kopen voor het goed en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden, wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigste Vorst was.
Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder Willem van Roggendorf (1517) in 1521 vervangen was door Georg Schenck, Vrijheer van Toutenburg, werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de Geldersen. De stad Sneek, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd in 1522 door hen verlaten; Dokkum en Bolsward gingen in het volgende jaar over, en in 1524 kwam geheel Friesland onder het gezag van Keizer Karel, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en rechten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het genot van gene hogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische regering waren toegestaan.
Met den jare 1524 werd dus de vrede in Friesland hersteld en het bestuur des lands op een eenparige voet geregeld. Terwijl andere provinciën van ons vaderland, als Groningen, Utrecht, Overijssel en Gelderland, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorrechten: van vrede en veiligheid en van orde in bestuur en rechtspleging, die welvaart en vooruitgang ten gevolge hadden.
De gunst van den nieuwen landsheer was der getrouw gebleven steden Leeuwarden, Harlingen en Franeker al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en voorrechten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten. Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken.
Ene nieuwe Munt en Leerschool werden dáár opgericht. Nuttige verordeningen ten aanzien van zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen, vlees, vis en andere voortbrengselen des lands naar Bremen, de Oostzee en elders, zodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstige invloed waren. Zowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt werd kunsten en wetenschappen te beoefenen.
Rustig en gelukkig waren dus de jaren, waarin de genoemde Stadhouder Schenck dit gewest vervolgens bestuurde. Ook zijne opvolgers, Maximiliaan van Egmond, Graaf van Buren (1540) en Johan van Ligne, Graaf van Aremberg (1548), wisten zowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer verenigd, één, elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke toenadering bevorderd.
De moed tot grote ondernemingen werd opgewekt. Zoo werden ook vele dorre hoge veengronden in het zuidoosten van Friesland in dezen tijd in vrucht gevende akkers herschapen, door ze af te graven, den turf te vervoeren, grote vaarten aan te leggen en de afgegraven landen te ontginnen. Deze verveningen, reeds vroeger begonnen, doch daar eerst toen op ene grote schaal voortgezet door den Raadsheer Pieter van Dekama en andere Heeren, hebben den oorsprong gegeven aan het vlek Heerenveen, de vruchtbaarheid van dat oord bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij grote voordelen aangebracht.—Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor het genot van nog grootere voorrechten, als burgers en als christenen.
Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een overzicht te geven van den toenmalige toestand des lands en de zeden der inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers, maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die schrijver, worp van Thabor, in 1538 overleed, zal deze schets wellicht op omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons moeten verwonderen over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij vermeldt.
Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de verwoestingen des oorlog zoo vele jaren lang hadden te weeg gebracht. Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigen-dommelijkheid verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den volksaard en de voorvaderlijke instellingen zó vast te bewaren en te beschermen tegen alle staatkundige overheersing, dat de pogingen der Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de macht des Keizers te vergroten, bij hen immer schipbreuk leden.
26. SCHETS VAN DEN TOESTAND VAN FRIESLAND, OMSTREEKS DEN JARE 1530.
Friesland (schrijft worp van Thabor) is een vlak land, zonder bergen, maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke grote en vette ossen opleveren, die door inheemse en vreemde kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte van Friesland overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele streken van Nederland voorziet.
Het zuidelijk gedeelte des lands heeft een meer zandige grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen) uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met gedrogden koemest. Overigens telt Friesland slechts weinige steden, maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna door het ganse land, zodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de ene van de andere nauwelijks onderscheiden kan.
In sommige delen vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van vis opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo velerlei land- en watergevogelte, welks Eieren en vlees een even voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets ontbreekt, om hunnen smaak te strelen.
Want, om van eenden, ganzen en andere soorten van vogels niet te spreken, die in Friesland ontelbaar zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier ene zó grote hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier spijs zij meer bijzonder behoren, maar zelfs de geringere klassen en de boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. Friesland brengt derhalve alles wat tot levensonderhoud nodig is in den ruimste overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd.
27. SCHETS VAN DE ZEDEN DER FRIEZEN, OMSTREEKS DEN JARE 1530.
Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen wens (dus vervolgt worp van Thabor), verdient te worden opgemerkt, dat de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitse volken verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zodat een Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon gekend worden.
De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren, dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar het uitwendige, meer aan de Duitsers gelijk geworden; ofschoon de vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleding, en vooral in kapsels, aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.
De Friese landlieden overtreffen echter die van alle andere Germaanse gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner kleding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op feestdagen zodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeilijk zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te vinden.
Zelden ziet men alsdan ene boerenvrouw, die niet met een zuiver zilveren of vergulden gordel van groot gewicht is versierd. Hierbij voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitsers, die soms Friesland bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.
Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen ene woeste en onmeedogende geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil spreken, alleen ten opzichte van hunne vijanden, en geenszins van allen zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen, onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk onthaald.
Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijke gastmalen, waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten ene soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettende omvang, met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij gewoon elkander de rechterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.
Tot lof des Friese volk is veel door de uitstekendste mannen geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal mij vergenoegen hier aan te halen wat Bartholomeus de Engelsman en na hem aeneas sylvius (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van Pius II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. "Het Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en, ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert te heerschen"
Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden, en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlog, zich boven zijne medeburgers verheffen. Echter gehoorzamen zij aan rechters, die zij jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemenebest naar billijkheid besturen. Op kuisheid stellen zij hogen prijs, en het gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. Zij hebben in hun gewest een aantal machtige en vorstelijke kloosters gesticht, waarin ene ontelbare menigte personen van beide seksen zich, in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht, aan de dienst van God hebben toegewijd.
Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den toenmalige tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van hoge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven vele andere landen grote voorrechten mocht genieten.
Vandaar ook die geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrichten van schitterende daden, waar het de behartiging van de algemene belangen gold.
28. MERKWAARDIGE PERSONEN, UIT HET MIDDEN DER 16E EEUW.
Waar het de behartiging van de algemene belangen des vaderlands gold, daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijke, krachtige en vermogenden Friese Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens den langdurige vrede in aanzien en vermogen toenam, zodat daaruit reeds enige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden onderscheidden en tot waardigheden verheven werden.
Een aantal der op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken. Sedert de oprichting van het Hof van Friesland vielen vele edelen bijzonder op de beoefening van de rechtsgeleerdheid, ten einde zich te bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te bekleden.
Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter verkrijging van kundigheden veelal grote reizen door Duitsland, Frankrijk en zelfs Italië, waar zij de hogescholen bezochten en veel kennis en ondervinding opdeden, zodat sommigen na hunne terugkomst sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of rechtsgeleerden in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden. Wittemberg en Pavia, doch vooral Keulen, Leuven en Rostok, worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit Friesland zich ter studie begaven.
Opmerkelijk is het althans, dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons vaderland nog op een lagen trap stond, uit Friesland zoo vele uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en ereambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk vermelden.
Als Rechtsgeleerden en Staatsmannen hebben bijzonder uitgeblonken: Viglius van Aytta van Zwichem (geb. 1507 nabij Wirdum), die, wegens uitstekende bekwaamheden, door Keizer Karel en zijn zoon Filips tot hoge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad te Brussel, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland grote diensten bewees, even als zijn vriend Joachim Hoppers (geb. 1522 te Sneek), die mocht opklimmen tot Geheimraad en Grootzegelbewaarder van den Koning van Spanje, te Madrid. Agge Albada, van Goënga, was eerst Raadsheer in het Friese Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergericht te Spiers en bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden.
Afdruk Wikipedia: Viglius van Aytta
In dat zelfde Kamergericht te Spiers had ook zitting Ciprianus Stapert, van Wommels, die door den Keurvorst van Ments tot Hoogleraar aldaar werd aangesteld. Evenzo werden Boëtius Epo (Bote Ypes, van Roordahuizum) te Douai, Wybrandus van Aytta te Dôle, Julius van Beyma (geb. 1539 te Dokkum) te Wittemberg, Regnerus Sixtinus (geb. 1543 te Leeuwarden) te Marburg, Joannes van Dockum te Keulen en Suffridus Petrus (geb. 1527 te Leeuwarden) te Erfurt, Leuven en Keulen, tot Hoogleraren in de rechten verheven. Verscheidene buitenlandse Akademiën droegen alzo blijken van de geleerdheid der Friezen. Bovendien waren in Friesland Kempo van Martena, Hector van Hoxwier, Upco van Burmania, Sicke en Pieter van Dekama, Syds Tjaerda, Haijo Hermannus, Wilco van Holdinga en anderen om hunne geleerdheid en bekwaamheid destijds in hoog aanzien.
Als beoefenaren van de Letterkunde der Grieken en Romeinen waren toen en later, behalve genoemde Suffridus Petrus, zeer geacht: Georg Rataller (geb. 1528 te Leeuwarden), die Raadsheer werd te Artois, Mechelen en Utrecht, Gezant naar Denemarken enz.; Stephanus Sylvius, Pastoor te Leeuwarden, te Heidelberg tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, en Willem Canter (geb. 1542 te Leeuwarden), die, even als Vitus Winsemius en de vier geleerde broeders Popma van Ylst, onderscheidene letterkundige en rechtsgeleerden werken hebben uitgegeven.
In de Wis-, Natuur- en Geneeskundige Wetenschappen vinden wij destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: Gemma Frisius (1508 geb. te Dokkum) en zijn zoon Cornelius Gemma, beide Hoogleraren te Leuven, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven. Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde Jan Vredeman de vries (geb. 1527 te Leeuwarden) in Antwerpen en elders groten roem. Joannes Acronius (van Akkrum) was Hoogleraar in de Genees- en Wiskunde te Bazel, in welke stad, op de grenzen van Zwitserland, ook Laurentius de Fries in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf.
Andreas Mirica (geb. te Lemmer. Overleden op 6 December 1585) doorreisde bijna geheel Europa en was daarna te Leeuwarden als Geneeskundige beroemd; Sixtus Hemmema, Doctor in de Wis- en Geneeskunde te Leuven, bestreed de Astrologen dier dagen; terwijl Petrus Tiara (in 1514 geb. te Workum), wegens zijne geleerdheid zowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleraar werd te Leuven, Douai, Leiden en Franeker.
Ook de Geschiedenis van Friesland vond in het eerste gedeelte dezer eeuw ijverige beoefenaars in Jancko Douwama van Oldeboorn, in Kempo van Martena, in de kloosterbroeders peter en worp van Thabor, en later in Cornelius Kempius (van Dokkum) en genoemden Suffridus Petrus, in wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven.
Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór 1570 in Friesland gene boekdrukkerij heeft bestaan;—en als wij bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer waren, zodat het uiterst moeilijk moet gevallen zijn, soms ook wegens het woeden van den oorlog, naar buitenlandse hogescholen te reizen, om kennis en wetenschap te vergaren:—dan mogen wij ons met regt verwonderen over het groot getal geleerden, welke Friesland omstreeks het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd.
Dat velen hunner in naburige landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk, dewijl er vóór 1576 in Noord-Nederland nog gene hogescholen of algemene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite te keer ging, dewijl zij generlei verandering in de godsdienst wilde gedogen.
In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevige strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de zuilen van iedere burgerstaat.
Afdruk Wikipedia: Filips II van Spanje
29. DE REGERING VAN KONING FILIPS VAN SPANJE. (1555-1580.)
Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad Brussel den 25 Oktober 1555 opleverde. Keizer Karel V, die bijna veertig jaren lang Duitsland, Spanje, Nederland en zijne overige Staten met roem had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een Spaans klooster meende te zullen vinden. In ene plechtige vergadering van vorsten, groten, geestelijken en afgevaardigden van al de Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen ten behoeve van zijn zoon Filips.
Hij deed dit met ene roerende aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen verwerven. Hierna beloofde Filips onder ede, dat hij de rechten der landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van trouw en hulde.
Bij het doen van dezen eed viel er ene bijzonderheid voor, welke weder een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens ene gewoonte der vorsten van het Oostenrijkse huis, vorderde de hoftoon, dat de eed geknield werd afgelegd. Alle gezanten der zestien Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de acht afgevaardigden van Friesland zagen hierin een vernederend huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende. Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene schare alleen staan blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van een hunner, Gemme van Burmania, door te zeggen:
Wij Friezen knielen alléén voor God.
Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam van de Stand-Fries, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder zijner landgenoten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van karakter of van een krachtige wil.
De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van landsheer tevreden te zijn. De trotse geaardheid van Filips, die hier, gelijk in Spanje, als Koning wilde heersen, dewijl hij deze landen als wingewesten der Spaanse kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem onstaatkundig deed handelen, toen hij generlei verandering in de oude en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienstoefening wilde gedogen, namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in.
Zij baarden eerlang onrust, daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven. Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn plicht als vorst, deze heerszucht en wreedheid konden de Nederlanders niet dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen, weerstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch nauw verenigden staat.
Zó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te weigeren en af te zweren. Zó werd dit alles de oorzaak van de herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van Nederland in godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen strijd deelnamen op ene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid waardig.
30. BEGINSELEN DER KERKHERVORMING; GELOOFSVERVOLGINGEN; DE DOOPSGEZINDEN. (1520-1560.)
De geschiedenis der volken staat dáárin gelijk met de geschiedenis van ieder persoon, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. Naarmate de mens ouder wordt, moet hij vaster geloven, en meer naderen tot God, dien hij allengs beter moet leren kennen en vereren.
Hij, de grote opvoeder van het mensdom, wiens wijze Voorzienigheid de lotgevallen van volken zowel als van personen bestuurt, verschaft bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mens is geschapen. Doch de dwaasheid van sommige machten, die hare bijzondere oogmerken meer voorstonden dan de algemene belangen, poogde dikwijls die heilige bedoelingen te verijdelen.
Waar toeneming in kennis en verlichting haar belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tussen de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige tonelen oplevert.
De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd, was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mens te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere toekomst, welke hare stralen schiet tussen de nevelen van het heden. Spoedig echter werd die goddelijke leer door menselijke dwalingen verbasterd.
Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij dienstbaar gemaakt. De heerszucht vond in haar een middel om zich te verheffen. En om haar bij heidense volken te beter ingang te doen vinden, werd hare eredienst met prachtige versierselen en plechtigheden overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst te zien.
Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk? In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: onwetendheid en dwaling.
Zij verbood der wetenschap en het vernuft verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, wat den voortgang der menselijke beschaving, de ontwikkeling van het verstand kon bevorderen. Het menselijk geweten kwam tegen haar in opstand, en vroeg: wat wilt gij?
Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hogere afkomst getuigt; een boek, dat den gehele schat van menselijke kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de gehele goddelijke wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zodanig was het door de leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen waren geweest, vóór dat wellicht een hunner de Heilige Schrift had gezien, veelmin gelezen.
Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk, omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke zelfs het licht der rede trachtte uit te blussen, aan de volken—de Inquisitie.—Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!
Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler handen. Nu gingen de ogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was vervallen, en hoe vele misbruiken er heersten. Maarten Luther had, in 1517, in Duitsland den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keren tot een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke eredienst.
De mare van zulk ene gewichtige hervorming in de godsdienst werd in alle streken van Europa en ook hier met blijdschap vernomen en vond grote bijval. Het staatkundig belang van Keizer Karel bracht echter mede, dat hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weerstond hij, ook met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in Friesland strenge plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leringen van Luther veroordeeld-, zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf bedreigd werden.
Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heersen. Sedert 1522 kwam ene Nederduitse vertaling van den Bijbel hier in veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tussen die leer en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin den grond van vele leerstellingen en plechtigheden der Kerk.
Doch het gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van ziekten, van overstromingen en hongersnood, welke Friesland omstreeks dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eredienst der Kerk aanbood. Het leven verkreeg hoger waarde door het geloof, dat de harten doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het uitzicht op ene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van grote waarde op hoge prijs had leren stellen, te verdedigen en te behouden, tegen al de wrede vervolgingen der wereldlijke macht, die de Roomse kerkleer met geweld trachtte te beschermen.
Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de kerk te hervormen, worden met ere genoemd Gellius Faber de Bouma van Jelsum en Menno Simons van Witmarsum. Dan, de eerste moest in 1536 en de andere later vluchten, daar de strengheid der vervolging zeer was toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier ene oproerige beweging der Munsterse Wederdopers tot openbaren strijd en vervolging aanleiding gaf.
Allen, die blijken gaven van de Roomse kerk af te vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht, met die Wederdopers overeen te stemmen; het allermeest de Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille afzondering wensten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering gene middelen om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.
Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad ener kerk, welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte ene heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelaten vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen zulke onmenselijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog slechts een begin.
Want nog dringender werden de bedreigingen der plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het geloofsonderzoek in Nederland openlijk in te voeren. Van toen af, en vooral na 1557, wanneer Willem Lindanus als Kettermeester herwaarts werd gezonden, stonden allen, die van de Roomse kerkleer afweken, en zelfs zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wrede vervolgingen bloot.
En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des lands verzetten zich zelfs tegen Lindanus, en beschermden der ingezetenen vrijheid tegen zulk ene onduldbare heerschappij over hun geloof. De algemene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en bedreiging veel meer verbitterde dan terugbracht.
Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzicht meer bijzonder stil te staan bij de kerkgemeenschap der Doopsgezinden, welke zich te midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij verdient hier ene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij ene plant was, vooral van den Friese bodem; anderdeels, omdat zij zich hier zó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van Friesland dezer gezindte toegedaan was, en, in ’t algemeen, omdat zij, door de geheel eigenaardige richting en de gewichtige waarheden, welke zij vertegenwoordigt en handhaaft, nog ene merkwaardige plaats onder de afdelingen der Christenheid bekleedt.
Reeds hebben wij Menno Simons genoemd. Hij was echter niet de stichter dezer gezindte, gelijk velen ten onrechte gemeend hebben, daartoe verleid door den naam van Mennoniten of Mennisten, welken ene partij onder hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over ’t algemeen gaven. Zij bestonden reeds lang vóór Menno, ja hadden in Friesland reeds hunne martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken.
Hun oorsprong is met gene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van het aanwezen ener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel van Europa, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; totdat zij, door de grote beweging der geesten in den hervormingstijd opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing des Christendoms.
Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot gedeelte van Europa zag men eene menigte gelijkgezinde mensen optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden verkregen. Door geestelijke en wereldlijke machten vervolgd, trokken velen hunner uit Frankrijk, Zwitserland en Duitsland naar het noorden, ook naar Friesland, waar de regering minder streng was in de uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde Christenen, wier gemoed behoefte had aan ene betere godsdienst dan de verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging Menno over; onder dezen werkte hij.
Te Witmarsum in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid, werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van Harlingen gelegene Pingjum. Na verloop van twee jaren kwam hij, door ene twijfeling aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en daardoor allengs tot meer evangelische inzichten.
Niet voor 1531 vestigde de dood van Sicke Snijder, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te Leeuwarden onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij den kinderdoop als ene instelling, niet des evangelies, maar des pausdom kennen. Nadat hij intussen in zijne geboorteplaats tot Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de eisen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij groten roem en toeloop onder het volk als evangelisch prediker.
Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te dopen. Hunne weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door ene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenoten ene partij van Wederdopers gevormd, welke het koninkrijk Gods met geweld zocht op te richten.
In Munster belegerd, zond zij ook naar Friesland hare zendelingen, die de eenvoudige hier opruiden. Menno stelde zich met alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der Munsterse partij ene samenkomst, doch al zijne vermaningen baatten niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paasmaandag van 1535 waren er te Tjum ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten met verlies deden wijken.
Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, veroverden zij het Oldeklooster bij Bolsward, lieten de monniken onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier werden ze door de krijgsmacht van den Stadhouder Schenck van Toutenburg belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmacht bezweken, boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van Menno, hunne dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, sommigen werden te Leeuwarden onthoofd, anderen in het Hempenzermeer verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid losgelaten.
Deze oproerige beweging der Munstersen was, even als later de beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot grote schade. Bij Menno echter bracht zij ene grote verandering te weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeren. Hij toch predikte wel de evangelische leer, doch deed niet alles wat hij predikte en geloofde.
Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had, zijn geloof uit zijne werken te tonen. Na een moeilijke strijd van negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de nodige kracht tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne pastorie met al de daaraan verbondene voordelen, en voegde zich, in het uitzicht op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig gebleven, doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden.
Van nu af aan predikte hij alléén het evangelie, van alle menselijke instellingen ontdaan, tot ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had. Bijna een jaar lang vertoefde hij in ene kleine woning in de nabijheid van Witmarsum, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande. Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met het verzoek, om algemeen Leraar of Opziener onder hen te willen zijn.
Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in grotere kring, te gelijk met zijn vriend Dirk Philips, van Leeuwarden, en later ook met Leenert Bouwens, met gunstig gevolg aan de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zó bekwam de gemeenschap der Doopsgezinden, vooral door Menno’s geleerdheid voorgelicht en verdedigd, door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.
De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten. Emden, "de herberg van Gods verdrukte gemeente” genoemd, nam hem op, doch weldra van daar verdreven, trok hij naar Keulen en na verloop van twee jaren naar Lubek, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár en op andere plaatsen in Nederland en het noordelijk Duitsland, met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken.
Op ene plaats Woesteveld, tussen Hamburg en Lubek, mocht hij in de laatste jaren zijns levens ene veilige woonplaats bekomen, en door het drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als Oudste en Leraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn voor de belangen des evangelies. Dankbaar mocht hij zich verheugen, in verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het rijk zijns Heeren gewonnen te hebben.
In Friesland waren zijne medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mocht alleen Leenert Bouwens sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500 personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wensten te verbinden, den doop toedienen. Ook na Menno’s overlijden (1561) nam deze gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en zetten mede vele uit Braband en Vlaanderen gevluchte Doopsgezinden zich in dit gewest neder.
Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen, dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door de omstandigheden en naar ieders opvatting van het evangelie.
Vandaar zoveel verschil bij zoveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo streed Luther vooral tegen de werkheiligheid der Roomse kerk, en kwam hij door tegenstelling: tot de rechtvaardigmaking uit het geloof, zonder de werken, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte naliet. Zoo bestreden Zwingli en Calvijn het verheffen van het schepsel boven den Schepper, en werd alzo een der grondtrekken van de Hervormde kerk gericht tot vernedering van het eerste, tot ’s mensen ellendigheid, om den laatsten te verhogen.
In beide kerkgenootschappen stond alzo de leer op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die in de Kerk bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd voeren tegen leerstellingen, in ene vroegere ontwikkeling des Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;—de Doopsgezinden echter verlieten die Kerk, voerden geen strijd tegen haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijke vorm en hadden zij met gezag beklede geloofsbelijdenissen nodig;—de Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal.
In de poging om dat Christendom te herstellen, gingen zij dus ene schrede verder dan de Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen; die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den doop der Roomse kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder tot de leer,—de Doopsgezinden stelden zich het leven ten hoofddoel. Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de ene zijde, om de wereldse begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.
Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne afgescheidenheid van de wereld en verzaking van hare genietingen, opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord zouden worden;—hun weigeren om het Overheidsambt te bekleden en Wapenen te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden hadden;—hun weigeren van den Eed, dien zij voor den Christen ongeoorloofd beschouwden bij hunne grote waarheidsliefde en trouw;—hunne afkerigheid van alle wereldse praal en weelde bij hunne zucht naar eenvoudigheid in kleding, levenswijze en zelfs in hunne bedehuizen, Vermaningen geheten, en godsdienstoefeningen.
Zij hadden dus gene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte Bijbelkennis en vroomheid des gemoed, zodat zij in hun midden altijd genoeg broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en wilden stichten.
De gemeente zuiver en heilig te bewaren en naar het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en hun geloof uit de werken te tonen hun eerste plicht.—Zó waren en bleven de Doopsgezinden, zolang zij zich buiten de wereld hielden. Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden.
Reactie plaatsen
Reacties