Tijdvak 2
TWEEDE TIJDVAK.
Het Vrije Friesland. Van Karel de Grote of de invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der partijschappen tussen de Schieringers en Vetkopers en het verlies der onafhankelijkheid onder Hertog Albert van Saksen. Van omstreeks het jaar 800 tot 1498.
Karel de Grote
11. DE FRIEZEN TIJDENS KAREL DEN GROOTE.
Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening tussen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds talrijk, strijdbaar en vermogend waren.
Er zijn vele blijken over, dat er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw, veeteelt en visserij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart onder de naburen verspreid werden. Utrecht, Duurstede, Tiel, Stavoren, Dokkum en andere plaatsen, aan den uitloop van onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van Europa gunstig gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de Friezen als stoute zeevaarders vermaard.
Ook langs den Rijn dreven zij handel met Keulen, en hadden zich mede te Ments gevestigd, Zelfs waren er handwerken of fabrieken, die hier bloeiden, zoo als de lakenweverijen, welke ene zware wollen stof of duffel vervaardigden, nog Fries genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden gemaakt, die grote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen verzonden werden. Door Keizer Karel werden op hoge feesten zulke Friese Mantels als kostbare geschenken uitgedeeld.
Van de drie hoofdstammen des Friesen volks mochten alzo de eigenlijke Friezen, wonende tussen de Reker en de Eems, het voorrecht smaken, hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit voorrecht, waardoor zij zich Vrije Friezen noemden, genoten zij boven hunne vroegere stamgenoten en naburen bij uitnemendheid.
Want deze laatste waren door Karel overwonnen, en stonden, naar het regt des oorlog dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en heren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de instellingen der Leenregering volgde toch overal, waar de Franken zich vestigden. Zwaar heeft dat Leenstelsel gedurende vele eeuwen op de meeste volken van Europa gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en kennis verhinderd.
Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorrechten gebleven; en deze hadden voor hen hogere waarde, omdat hunne naburen daarvan verstoken waren. Zij eerbiedigden den Keizer van het Duitse Rijk wel als Beschermheer, doch zij gehoorzaamden hem niet als gebieder, die het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken; terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne ene geringe schatting aan het Rijk opbrachten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun oorspronkelijk volksrecht, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd. Met regt kon dus Helmers hen noemen:
De Friezen, waardig ’t bloed, waaruit zij zijn gesproten,
Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten.
Karel de Groote verdeelde het Friese rijk nu in een aantal landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere bestuurders, opperhoofden en rechters werden door het volk gekozen. In het tegenwoordige Friesland ontstonden alzo de Gouen of Graafschappen Oostergoo, Westergoo, Stavoren en een deel van Islegoo (Islegoo is een historische gouw of graafschap in het vroege middeleeuwse Friesland). Ook hier voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de Friese wetten, volksrechten en gewoonten, welke hij in schrift liet brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten wijzigde.
Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der hofhorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen heer onderworpen was, zodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verplicht was, doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en onbelast bezat, en gene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden, rechters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz.
De volksoverleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog meerdere voorrechten schonk, uithoofde de Friese krijgsbenden hem vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstochten in Spanje, tegen de Wilten aan de Oostzee, tegen de Avaren aan den Donau, en vooral op den togt ter verovering van Rome, tot herstel van Paus Leo in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun vaandel op Romes hoogstens burg zouden geplant hebben.
Bij zovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen voegde Keizer Karel ter goeder ure de invoering, vestiging en bescherming van de Christelijke Godsdienst, als ene weldaad van hoge waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in Friesland het evangelie verkondigen. Al de inrichtingen van het heidendom werden zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der heidense tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd.
De kerk van Utrecht werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag, rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar Theodard, een Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friese geestelijkheid gesteld; gelijk aan Wijho, Ludger en Hildegrim, uit Friese stam, ter beloning van hunne ijverige evangelieprediking, door Karel bisdommen in Saksen werden opgedragen.
Afdruk Wikipedia: De expansie van het Rijk der Franken onder Karel de Grote.
12. INVLOED DER FRANKEN EN DER VESTIGING VAN HET CHRISTENDOM.
Groot waren gewis de gevolgen van de algemene aanneming der evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door de duisternis des heidendom, werd door een nieuw en weldadig licht beschenen, waardoor het leven ene hogere betekenis verkreeg.
Niet slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral menschelijkheid werd door het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den krachtige mens nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de eredienst naar heidense gewoonten geschoeid,—toch was het de eerste schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadige invloed verkregen.
Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering van den burgerlijke toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden ontstonden.
Gezellige verkering, onderling dienstbetoon, bijstand in gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in elkanders behoeften, handwerken en handel,—dat alles droeg bij ter vorming van ene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk Europa reeds was doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en huishoudelijke behoeften van groten invloed zijn.
Deze leerden den Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen, dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen; alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De verplichtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden den maatschappelijke band nauwer toe, en werden er in de wetten zelfs bepalingen deswege opgenomen.
De verlichte en edele Karel de Groote toch begreep zijne roeping, en, afkerig om de door hem overwonnene volken met despotische trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen dáár henen gericht, om door wijze maatregelen de stoffelijke, verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen. Groot en edel was deze bedoeling in ene eeuw, waarin de onkunde nog zó algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit van weinige geestelijken was.
Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden daarom ook de Friezen Karel steeds als een weldoener, als een zegenrijk middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke instellingen en wetten ontvangen te hebben.
Daarom bleef hij in hun volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen verwachten: want gewichtig was het voorrecht, "dat Friesland onder der Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel ene nieuwe inrichting aan Friesland gaf en de zegepraal aan het Christendom verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des volks.”
"En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin was. Vandaar dien strijd tegen de graven van Holland, zoo hardnekkig gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop van Utrecht. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de Frankisch gezinde Hollandsche Kroniekschrijvers, die ene Melis Stoke b. v. in zijn klooster te Egmond bezielde; vandaar die eigenaardige ontwikkeling des Friesen rechts, des Friese volks in de volgende tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands.”
Wij zien het, niet waren het de Franken, die Friesland overwonnen, maar het Christendom baande er den weg aan Karel den Groote, en aan hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het Friese volkslied van Karel zingen, dat hij geliefd en goed was, en trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en landrecht en aller landen rechten zette. Zoo eindigde die strijd, maar niet tot oneer der overwonnenen.
Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee gewichtige betrekkingen aangeknoopt, welke, verenigd, ongeveer acht eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren Christenen en, in zekeren zin, deelgenoten van het Duitse Rijk geworden.
Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenlopende aanleg en belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemene welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en volkenrecht zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier volken werd hierdoor bevorderd.
Men had recht op elkander; men leerde en onderrichtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding, ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijste of meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis, godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den weldadige boom door Christus ten behoeve der mensen geplant. Zelfs de geestelijke oppermacht, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk Europa uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak een tegenwicht van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte macht der wereldlijke regering.
Ook de betrekking tot het Duitse Rijk was voor het staatkundig bestaan der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als overwonnenen en dienstplichtigen behoorden, was een voorrecht, waarin geen ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van Vrije Friezen bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen van het algemene regt des rijks gewijzigd.
De gelijkheid in de vormen van rechtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van geweldenaren, wier overmacht zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze bescherming des rijks.
Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den last des Leenstelsels, dat onder heerszuchtige heren en machtige veroveraars met loden zwaarte op de diep vernederde volken van Europa drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk ene beschutting te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den adel, bij het twisten over de onderlinge belangen.
Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht—door strijd en lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken van het westelijk Europa, waarin de Friezen noodwendig moesten delen en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen het beste deel te beurt.
En mocht de strijd tegen vreemde vijanden hun moed en vaderlandsliefde sterken—het verbond en het verkeer met die vreemden bracht hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder van hunne gemeenschap voordeel trokken.
Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der heerszuchtige woelingen zijner mensenkinderen, ter bevordering van zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen.
13. DE INVALLEN DER DENEN EN NOORMANNEN. (VAN OMSTREEKS 520-1010.)
Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient inderdaad onze verwondering in nog hogere mate, als wij bedenken, dat zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de legers der machtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte vijanden, die op den duur nog moeilijker waren te weerstaan.
In die onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het noordwestelijk Europa zeldzaam ene vaste woonplaats hadden, zich gemakkelijk van de ene naar andere en betere landstreken verplaatsten, en nog geen volkenrecht kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander te beroven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.
Geen volk was als zodanig meer gevreesd dan de Noormannen, dan die woeste benden van Deense, Zweedse en Noorweegse zeeschuimers, wier schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute zeerovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het Kanaal. Want niet alleen Friesland, maar ook Frankrijk en Engeland verontrustten zij door hunne strooptochten.
Onverhoeds landden zij, en overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf verdreven, om zich intussen van dezelve goederen en vee meester te maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms zó stout, dat zij ganse streken overweldigden, het land aan hun gezag onderwierpen, en er door overmacht een tijdlang ene dwingelandij uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was.
Vooral heeft de Deense Koning Heriold met zijne broeders Roruk en Hemming het zuidelijk deel van Friesland jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze hun zetel veelal in de aanzienlijke handelsplaats Dorestad gevestigd hadden. Zelfs wordt de laatste Friese Koning Radboud II gehouden voor een Deens vorst, die zich van dit land met geweld had meester gemaakt.
Afdruk Wikipedia: Roruk
De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en strooptochten, die omstreeks den jaren 520 begonnen en eerst in de elfde eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op. Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.
Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed terugkeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen gewapend zijn. Vreselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met ere streden, en hen afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, de Friezen zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de mannen uit het noorden. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geleden verliezen in zijn eigen land betaald te zetten.
Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog ene reden, waarom zij Friesland aan de Franken zoo lang en zoo hevig betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeiende haat gezworen. En indien de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken.
Dat Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood met verrukking tegemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkenelen hunner vijanden. Vreselijk was daarom hunne verbittering tegen de Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en wier macht zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne kust vestigden (Normandië).
Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in 885 ganse drommen van dezen schrik der wateren Engeland, Frankrijk, Vlaanderen en de Nederlanden overstroomden, en aan de oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen hunner verwoestingen achterlieten, tastte ene vloot dezer zeerovers ook de Oude of Neder-Saksers aan.
Deze, toen aan de Vlaamse kust gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch, hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongelofelijk schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer Arnold, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu Leuven ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun ene aller bloedigste en beslissende nederlaag toebracht, "waarbij het vooral de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden.”
Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in elkander, en waarbij Friesland aan Frankrijk ten voormuur verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken hadden bij het bezit van Friesland, en evenzeer welk belang onze vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij Karel den Groote als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als bondgenoten dan als overwonnenen behandelde.
De verenigde macht van Franken en Friezen beschermde, na 775, de ganse noordwestkust van Europa, van de Elve tot de Pyreneeën, tegen het geweld der Noormannen. Meer algemene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordse rijken, er de ruwheid van zeden verzachtten en er volkenrecht deden eerbiedigen,—toen verminderden van lieverlede die tochten, welke eindelijk geheel ophielden.
De Friese geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrichtte; doch ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating van 900 doden en grote buit, naar hunne schepen gedreven werden, terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren aanvoerder, den Potestaat Reinder Cammingha, te betreuren hadden.
Wij besluiten het algemeen overzicht van deze tochten der Noormannen met de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van den dichter Mr. J. van Lennep.
Nooren, Finnen, fiere Deenen,
Die hun overmacht vereenen,
Landen op de Friesche kust.
Meer nog dan de woeste dieren,
Dan de wolven, raven, gieren,
Die hun krijgsstandaarden cieren,
Zijn ze op roof en buit belust.
Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,
Maar geen plonderzieke scharen,
Zullen immer sidd’ring baren
In der Friezen fier gemoed.
De ijz’ren knods blinkt in hun handen:
Wie hen driftig aan durft randen,
Heeft zijn stoutheid ras geboet.
Alle volkren op deze aard
Zien wij eens hun naam verliezen;
Maar de grootsche naam van Friezen
Blijft in eeuwigheid vermaard.
Afdruk Wikipedia
14. HET VERBOND DER ZEVEN VRIJE FRIESCHE ZEELANDEN.
De opvolgers van Karel den Groote en van zijn zoon Lodewijk den Vrome, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdelingen en beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag.
Zelfs bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om de drie jaren in Friesland kwamen, om in buitengewone zaken regt te spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze nalatigheid maakten alzo de vrijheidminnende bewoners dezer landen gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en ene onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling hulpbetoon: aan de ene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan de andere zijde tegen de machtig geworden Graven en Leenmannen.
Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergroting van hunne macht en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friese rijk, tussen het Sincfal en de Reker, dat eerlang door de Graven van Holland en Zeeland, de Bisschoppen van Utrecht en andere Heeren als ene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd.
Het tweede gedeelte of het eigenlijk Friesland, tussen de Reker en de Eems, genoot eene gewenste onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste strooptochten der Denen. Het derde gedeelte, Oost-Friesland, tussen de Eems en den Wezer, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de Saksers later veroverd was, had reeds van Karel’s zoon, Lodewijk den Vrome, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun onthouden, terug bekomen.
Het stond nu bloot aan de overheersing der Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in het genot te delen van gelijke rechten en vrijheden, als de Friezen bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenoten sloot het dus een verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder gelijke omstandigheden verkerende, en wonende tussen den Wezer en de Elbe, en van daar tot den Eider (de Noord- of Strand-Friezen), sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan afgetrokken.
Hierdoor ontstond de staat der Zeven Vrije Friese Zeelanden of aan zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stromen of rivieren van elkander waren afgescheiden. Het eerste Zeeland lag tussen de Reker en het Flie en was het latere West-Friesland of een groot deel van Noord-Holland.
Het tweede Zeeland, tussen het Flie en de Middelzee of het Boorndiep, bevatte Westergoo, Stavoren, Gaasterland en Doniawerstal, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig Friesland.
Het derde Zeeland, tussen de Middelzee en de Lauwers, maakte een groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap Oostergoo met Opsterland, Utingeradeel, Haskerland en Ængwirden uit.
De zuidoostelijke streken van dit gewest, als Schoterland, Lemsterland en de Stellingwerven, vormden met het noordelijk gedeelte van Overijssel en geheel Drenthe, die te samen vermoedelijk het Graafschap Islegoo uitmaakten, het vierde Zeeland.
De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie Groningen is samengesteld, als: het Gooregt, Hunsego, Fivelgo, het Oldampt, Westerwolde en het Wester-kwartier, benevens Reiderland, tussen de Lauwers en de Eems, maakten het vijfde Zeeland uit.
Het zesde en zevende Zeeland bevatte de landstreken, waaruit Oost-Friesland enz. bestaat, en strekte zich van de Eems tot den Wezer uit, terwijl de Jade de grens tussen deze beide delen was.
Het doel dezer Vereeniging van stamgenoten was eigenlijk een verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op zich zelf stond en zijne eigene overheden, rechters en wetten had, hield dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemene Landsdag, om, in het belang van het gehele vrije land, de bestaande geschillen te beslechten, den vrede en eendracht te bevorderen, de wederspannige tot gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten of de aanmatigingen van Leenheren met eendrachtige moed te verbinden, en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te verbeteren.
De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den Opstalsboom, een beplante heuvel in de nabijheid der stad Aurik in Oost-Friesland, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten Dinsdags na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der algemene belangen had afgezonden.
In het midden zaten de voor elk jaar benoemde rechters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde. Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot een teken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zodra het niet welgevallig was of nader moest worden besproken. Alles geschiedde overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard bleven.
In elkander vonden deze Friese landstreken alzo een steun tot vorming van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner eigene veiligheid, rekenden zij het onnodig van zwakke bondgenoten af te hangen.
Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door sommige delen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen aard.
In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere standen des volks in meest alle overheerde landen van Europa met lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der machtige moesten verduren, was dit verbond ene even merkwaardige uitzondering als deze vrije toestand der ingezetenen ene grote zeldzaamheid. Eeuwen lang, zelfs tot in de 15e eeuw, heeft dat verbond bestaan, en ene vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het voorbeeld is.
Dit feit is tevens een bewijs voor de geldigheid van den oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen betwijfeld. Deze zijn echter door den Rooms-Koning Graaf Willem II in 1248 en door Keizer Rudolf in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd, zoodat zij een wettig gezag bezaten. Zuivere vrijheidsmin en hechte volkstrouw hielden onze Friese vaderen verbonden.
Met zelfgevoel en liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht. Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der grote Europese beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor gene andere in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstromingen stonden zij daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt.
De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne ene volkomen volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen zich boven anderen in aanzien en macht begonnen te verheffen; toen het ene Zeeland zich rechten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in bandeloosheid:—toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten.
In 1323 werd bij de Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de vergaderingen van den Opstalsboom werden verlegd naar het in macht sterk toenemende Groningen. Doch te vergeefs. Het had zijne verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandse oorlogen en persoonlijke veten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan gebruik ter uitbreiding van hun gebied.
Zóó ging het ene Zeeland voor en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friese vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, West-Friesland, bezweek, na zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmacht der Graven van Holland. Oost-Friesland werd een buit van trotse Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermacht betwistten, en aan de Bisschoppen van Bremen en Munster nog sommige gedeelten van dat land moesten afstaan. In Overijssel (het Over-sticht) en Drenthe vestigde de machtig geworden Utrechtse Bisschop zijn wereldlijk gezag, gelijk hij reeds lang deed in de stad Groningen en het Gooregt, welke hij door Stede voogden liet besturen.
Alléén het tegenwoordige Friesland, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij, dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mocht verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorrecht erkennen, zoo als ook blijkt uit een oud-Fries geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15e eeuw, waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: Deze twee Zeelanden, als het tweede en derde (Oostergoo en Westergoo), zijn tot nog toe vrij en anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomse Rijks.
Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke hen geschonken is van den groten Koning Karel, waartoe zij vele zware strijden hebben geslagen tegen de Graven van Holland, om hunne landen te beschermen. Ook Stellingwerf en Schoterland zijn nog vrij, doch hebben zware aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van Utrecht, die het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (Kuinder, Giethoorn, Vollenhove, Steenwijk en Drenthe) hebben bedwongen.
Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menselijke zwakheden en ondeugden een overwicht in den staat bekomen. Eer- en heerszucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd vervangen door bandeloze partijzucht en familieveten. Een opperhoofd of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zodat eindelijk de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan Hertog Albert van Saksen, die hen tot eendracht en rust, tot orde en regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een groot deel der onafhankelijkheid.
15. VERANDERINGEN IN DEN TOESTAND DES BODEMS VAN FRIESLAND. WATERVLOEDEN, DE ZUIDERZEE, DE MIDDELZEE ENZ.
Een niet minder gevaarlijke vijand dan de Noormannen hadden de Friezen op hunne kust bestendig te bestrijden in de Noordzee. Wel had de natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging hen op hoge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze, zoo men wil in de 7e eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en waterkeringen aan te leggen:—in gewone gevallen bood dit alles genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het land te verzekeren.
Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met verachting van alle weerstand, het land overstroomden, vele de gewrochten van menselijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.
Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,
En randde de kusten des Vaderlands aan,
Wat waarde had dan nog het leven?
Dan dekte het zeezout het zuchtende land,
Verwijderde staag het bedwingende strand,
Deed honderden, duizenden sneven.
En huizen, en hoven, en menschen, en vee
Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,
En naakt en berooid moest hij vlugten
De landman;—’t verlies van zijn have getroost,
Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,
Wier dood er zoo velen deed zuchten.
En groende zijn weide als de lente verscheen?
Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!
Die zee, ach die zee wou niet wijken!
En schoon ook de landwind verdroogde die plas,
De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,
Geen scheutje, geen aar kon er prijken
Bij al die verliezen aan mensen, vee en bezittingen; bij al de schade, welke de algemene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land zelf ten gevolge dier veelvuldige overstromingen een zeer groot verlies, doordien de zee ene grote uitgestrektheid grond verzwolg. Elders werd daarentegen weer land aangewonnen. Land werd in zee—zee werd in land herschapen.—Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte des vaderlandse bodems had op den toestand van het geheel en op de ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een groten invloed. Ten aanzien van het tegenwoordige Friesland willen wij de voornaamste bijzonderheden daarvan mededelen.
De laaggelegene noordwesthoek van Nederland stond natuurlijk het meest bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene grootere en kleinere rivieren en stromen zeewaarts, ter ontlasting van het boezemwater des lands. De IJssel, door het Marsdiep uitstromende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der wateren van den Rijn werd belast.
Het Flie, dat door de Vecht, het Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breder en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren uit het zuidelijk Friesland, waar langs het vroeger een deel zijner krachten had afgezet naar de Middelzee of het Boorndiep. De aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch een geheel anderen loop aan vele stromen, en was van evenveel belang als de nieuwe mond of uitstroming, welke de Middelzee, reeds vóór de 7e eeuw, tussen Terschelling en Ameland had bekomen, waardoor zij de Boorn en vele wateren van Oostergoo en Westergoo gemakkelijker afvoerde.
Verder was het de Lauwers, welke, verenigd met de Ee, de Hunse en de Aa, zich tussen Ameland en Schiermonnikoog met een brede mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten verbreed en verdiept werden.
Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en de afvoer van IJssel en Flie hoger en krachtiger was geworden, zoo brachten deze en andere omstandigheden tezamen genomen te weeg, dat de lage landen langs die zeegaten en stromen van lieverlede afgeschuurd, verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts ene smalle strook lands kon beschermen, welke als zovele eilanden bewaard bleven, en dat de ganse uitgestrektheid lands tussen Friesland en Noord-Holland weggeslagen en met het oude meer Flevo verenigd werd, waardoor de Zuiderzee is ontstaan.
Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstromingen, wier geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd het eerst in 1170 bij den vreselijke Allerheiligenvloed, die overal schrikbarende verwoestingen aanrichtte, het land tussen Medemblik en Flieland weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde vergroot.
Na latere overstromingen van het begin der volgende eeuw, bekwam die kom bezuiden Flieland, omstreeks 1237, nog grootere uitbreiding. Met geweld bruiste de zee nu vervolgens door de verwijde zeegaten op de lage landen in, zodat, ten gevolge der watervloeden, welke Friesland drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige landen bewesten de Friese kust, van Harlingen tot voorbij Hindeloopen, weggerukt en in ene onafzienbare watervlakte herschapen werden. Omstreeks die zelfde tijd werd er bezuiden de Lemmer nog groter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo verdubbeld.
Nadat in 1277 beoosten Groningen ene grote uitgestrektheid aan den mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd verspreid, dat geheel Friesland verzwolgen was. Het getal der daarbij omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot.
Hierbij had de Westerzee weder ene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de landstreek tussen Harlingen en Terschelling; terwijl de overige landen bezuiden dit eiland en Ameland, een groot gedeelte der tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de landstreek tussen Medemblik, Enkhuizen en Stavoren verzwolgen, waardoor de Westerzee met het vergrote meer Flevo verenigd werd en de Zuiderzee nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg.
Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en eigendommen te hebben geleden, zou menigeen wellicht dit gevaarvolle land verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzo onze vaderen, wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te beschermen tegen meerdere verliezen.
Natuur! van wie de stervelingen
Een eigen Vaderland ontfingen,
Wat heeft ons met uw haat belaân,
Dat wij alleen van alle volken
oor ’t brijzelend geweld der diepe waterkolken
Aan alle kant ten doelwit staan?
Doch dat we ons niet van haar beklagen!
In weervergelding dezer plagen
Schonk ze ons een onverschrokken moed,
Om stout ten golven uit te stijgen,
Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,
Ten prijz’ van eigen zweet en bloed.
Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van Oostergoo en den oostoever van Westergoo opgeworpen ter breideling van den brede zeeboezem de Middelzee of het Boorndiep. Ook had men Binnendijken of waterkeringen in het land aangelegd, tot bescherming van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te gaan.
Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat, gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de Middelzee van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13e en 14e eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de Oudeschouw voorbij Sneek en Ylst tot Bolsward, en was de Hem- en Groendijk daarvan de waterkering aan de zuidzijde.
Een gedeelte van den tegenwoordige Slagtedijk, van Bolsward, over Bozum, Weidum en Berlikum naar Dijkshoek, omzoomde haar aan de noord- en westzijde; terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de Oudeschouw over Leeuwarden en verder voorbij Stiens tot onder Hallum, haar ter oostzijde bedwongen.
Toen nu, ten gevolge der verwijding van den Fliestroom, de toevoer van water uit het zuiden naar de Middelzee verminderde, bewaarde deze stilstaande kom geredelijk de slibstoffen, welke noordwester stormen elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van Rauwerd in zuidwestelijke rigting langs Scharnegoutum, Tirns en Folsgare tot nabij Bolsward.
Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond reeds in 1277 de kerk van het dorp Nieuwland gesticht werd. De uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de 13e en 14e eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van het Bildt vinden vermeld. Van hier, dat deze grote uitgestrektheid Nieuwland, welke in 1505 door de bedijking van het Bildt werd afgesloten, ene belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten de Friese kust.
Ten gevolge van dat alles had het land een gans andere gedaante verkregen. Leeuwarden, Sneek, Ylst en Bolsward, welke als Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en daardoor geheel andere belangen toegedaan. Harlingen, Workum en Hindeloopen daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeien; Stavoren echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan ene gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zodat zij onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd opgenomen,—Stavoren had, ten gevolge van al die zee veroveringen en de verbreding van het Flie, een groot verlies te lijden.
Wel bleef de ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292 tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, grote voorrechten, en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368 door verbonden met de Koningen van Denemarken en Zweden bevestigd en uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val.
De overlevering wil, dat hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420 de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk zijn toegenomen.
Ofschoon later nog een aantal watervloeden Friesland overstroomden en vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkse vloed der zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en waterkeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage landen met kunstmiddelen vrucht gevend te maken en te houden.
Gewis, indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en gevaren gene kenmerken van het karakter der Friezen waren geweest;—indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te behouden zorg en inspanning kostten,—zij zouden gene zoo grootse overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de woedende Noordzee.
Vrij moge men dan elders in trotse gewrochten der bouwkunst of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht bewonderen—hier, in dit gedeelte van het oude Friesland, zijn de talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardende moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer volksdichters na:
Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,
Oeralde ljeawe Friesce groun!
Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,
Dy Friesen oen hjar lôan forboen.
Trochloftich folk fen disse alde namme!
Weas jimmer op dy alders great.
Bljou iwich fen dy grise hege stamme
Ien grien, ien kreftich doerjend leat.
Reactie plaatsen
Reacties