Tijdvak 5
Friesland tijdens de Franse overheersing. Van de Staatsomwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de herstelling van Nederland en het vertrek der Fransen. Van 1795 tot 1813.
Afbeelding van: wikipedia -Franse tijd in Nederland Staatkundige geschiedenis
van de Nederlanden.
42. DE STAATS-OMWENTELING EN HARE GEVOLGEN.
Te laat namen de Staten van Friesland, den 7 Februari 1795, het besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in België lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen der Fransen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot ene natuurlijke beschutting verstrekten.
De vroeger gevluchte patriotten, die in Frankrijk de bloedige toonelen van de revolutie-koorts hadden bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Fransen onzen Staat, op den 1 Februari 1795, den oorlog verklaarden, ontvluchtte Prins Willem V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee eeuwen veilig was geweest onder de hoede van oranje. De in 1787 alleen door de kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandse invloed.
Ook in Friesland vestigde zich een Comité Revolutionair, hetwelk, na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te Leeuwarden geplant te hebben, den 10 Februari 1795 de Regenten der steden en grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige vreugdebedrijven van het volk. Evenzo verklaarde het den 19 Februari met ene plechtige aanspraak de Staten van Friesland, gelijk den Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van veiligheid voor hunne personen en verbod om te vluchten.
Hierna werden er 60 Provisionele Representanten van het volk van Friesland in hunne plaats aangesteld, en voorzien van ene instructie, welke de beginselen bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorlopig zou worden bestuurd. Het Comité legde toen tevens zijne taak neder, en "wenste het volk plechtig geluk met de volbrachte onvermijdelijke revolutie, en met de tot dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk ene verbazende omkering van zaken overal bewaard, der Friese natie voor het oog der gehele wereld tot onsterfelijken roem verstrekten.”
In de volgende dagen vaardigden de Provisionele Representanten bij verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familieregering, de miskende rechten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen voor de wet te verzekeren, onder vermaning, van de verkregen voorrechten door gene rustverstoring te bezoedelen.
En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk ene omwenteling en vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand gebracht. Want eerst den 4 Maart deed de Franse Generaal Gaspard Thierry met een aantal huzaren zijne plechtige intrede in Leeuwarden, onder de uitbundigste vreugdebetoningen van het uit alle oorden te samengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand met den luchthartige Fransman dansende om den vrijheidsboom, zich zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het ene inhaling was als van het Griekse paard in Troje.
Doch de Fransen hadden beloofd, als vrienden en bondgenoten te zullen overkomen, en als verlossers van de overheersing en beschermers van de nieuwe republiek, die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel, nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden over het ganse land waren verspreid, waarvan Friesland zijn aandeel rijkelijk bekwam!
Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eisten de Fransen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied, 100 miljoen gulden voor het bezorgen van de zogenaamde vrijheid, onder verplichting van onzen Staat, om 25,000 man Fransen in dienst te houden en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning behaald en zich gewroken op den Prins en de staatsleden, die hen in 1787 hadden doen vluchten, maar—ten koste der onafhankelijkheid des lands.
Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de rechten van den mens en burger, de schoonste toekomst van ene veel verbeterde staatsinrichting voor; hoewel het, bij de schaarsheid en duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van bestaan, al dadelijk verplicht werd, om in herhaalde geldleningen, heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te brengen.
Intussen geschiedde er in Mei ene algemene oproeping van het volk van Friesland tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het vroegere Collegie of de uitvoerende macht toevertrouwden. Nog scheen dit bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed vervangen (15 Juli), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de Groote Kerk te Leeuwarden schandelijk vernield en de Grafkelders geschonden werden (1 Aug.)
Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot bijeenroeping van ene Nationale Conventie, met kracht van redenen de soevereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en verdedigen, omdat zij haar zelfbestaan niet kon, niet wilde vernietigen, en omdat zij zich van ene vereniging met de andere gewesten voor Friesland groot gevaar en vele nadelen voorstelde.
Doch Holland, met een grote schuldenlast bezwaard, trachtte de ineen smelting van de provinciën en de provinciale schulden door te drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het gene middelen, "geen vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen.” Het werd daarin ondersteund door een aantal hevige Friese patriotten, die zich van de een- en ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden.
Zó vormden zich onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzicht wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedracht, nog sterker dan vóór de omwenteling. In Januari 1796 vestigden zich enige dier ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de Representanten, die hen ene oproerige bende van baatzuchtige fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden.
Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die alzo, door Franse en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde. Wel kwam er intussen den 1 Maart ene Nationale Vergadering te ’s Gravenhage bijeen, waarop Friesland echter eerst, evenmin als Zeeland, afgevaardigden zond; doch de uiteenlopende meningen der vier partijen hiervan verstonden elkander zó weinig, dat zij enkel voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der meerderheid van het stemgerechtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafse Republiek zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Lichaam, waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan, benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden.
Ofschoon Friesland bij die Staatsregeling voor het eerst na zovele eeuwen zijn Naam verloor, daar het met Groningen werd verenigd onder den naam van het Departement van de Eems;—ofschoon het nu eindelijk aan Hollands heerszucht en overwicht zijne soevereiniteit en zelfbestaan en alzo een groot gedeelte zijner macht en invloed ten offer moest brengen, en zich bovendien met een veel groter schuldenlast dan zijne eigene zag bezwaard;—ofschoon het Provinciaal Bestuur van Friesland, alléén uit aanmerking van "den bejammerenswaardigen toestand der republiek,” gevolg gaf aan het bevel der Constituerende Vergadering, die zich den 22 Januari 1798 te ’s Gravenhage met geweld van de oppermacht had meester gemaakt, om, "met ontbinding van alle Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur, afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering,” uit te maken:—toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzichten vernederende gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling, hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd.
Ja, de democratische of revolutionaire partij had, na het overheersen of verbannen van alle gematigde patriotten, door Hollandsen en Fransen invloed, in Friesland veler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de belachelijkste tonelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder grote toevloed van aanschouwers te Leeuwarden gevierd.
De Een-en-Ondeelbaarheid, verbeeld door ene maagd, met de acte van Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triomfwagen, tussen een talrijke trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen en de gewapende macht, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgericht. Nadat de personen, verbeeldende de Rechten van den mens, de Gelijkheid en de Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van den mens, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve soevereine, Verenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid ene aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere luidruchtige vermaken werd besloten.
Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald, regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februari des vorigen jaar verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit den omtrek van Kollum, had op den 12 Juni 1798 te ’s Gravenhage ene soort van tegenomwenteling plaats, waarbij het Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Lichaam met macht van wapenen werden uiteengedreven.
Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomen Staatsregeling, ene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer gematigde personen, die ene algemene vergiffenis van staatkundige misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken afschafte en de sedert jaren verkondigde theorieën omtrent het maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het staatsbestuur in werking bracht, was bij voorraad ene belangrijke schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot bevrediging der eisen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden was ontwassen.
Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de drukkende gevolgen ene omwenteling, welke een geheel anderen loop en richting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld.
43. DE VAL DER REPUBLIEK EN VERNIETIGING VAN ONS VOLKSBESTAAN.
Nog waren er gene drie jaren verlopen, of er bestond reeds behoefte aan ene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd en ook Friesland zijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was samengesteld uit een Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Lichaam van 35 leden.
Hierop volgde weldra ene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policy en Justitie aan Drosten en Gerechten, alsmede aan Dorpsregters was opgedragen. Daartoe werd Friesland verdeeld in 14 Drostambten. Bij de benoeming van vele nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel, eene meerdere toenadering en verzoening tussen de vroegere partijen te bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te helen tot eendrachtige samenwerking aan het algemeen belang.
Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leningen en buitengewone belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel van algemene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zó groot, dat het klaagde "over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en Godsdienstige zaken, zodat er redenen bestonden, om nieuwe en onherstelbare rampen te vrezen”
Intussen was de invloed van Frankrijk en onze afhankelijkheid van Napoleon, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, groter geworden. Ene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafse Gemenebest was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsman Rutger Jan Schimmelpenninck werd als Raadpensionaris met een Wetgevend Lichaam geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het onderwijs) zocht te bevorderen.
Friesland werd nu ten aanzien van de Justitie en Politie verdeeld in 15 Drostambten, welke bestuur uit een Drost, Mederechters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den zorgvolle toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was echter alleen de overgang tot ene Monarchale regering. Napoleons wil schiep het Koningrijk Holland, en plaatste zijnen broeder Lodewijk op den troon (5 Juni 1806). Op nieuw onderging de constitutie ene wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend Lichaam van 38 leden toegevoegd, voor zoverre er voor dezen nog een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal zoo grootse republiek.
Ten gevolge daarvan werd Friesland in den volgende jaren (vermeerderd met de eilanden Vlieland en Terschelling) gesteld onder het bestuur van een Landdrost met zijne zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van een Burgemeester, vier Wethouders en ene Vroedschap, benevens ene Schepensbank als neder gerecht. Ten platten lande werd een Baljuw aan het hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld.
De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning Lodewijk de belangen van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen heerszuchtige broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen van den Landdrost Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer en zijne Assessoren mocht Friesland gedurende de vier jaren van het koningschap vele voorrechten smaken.
Afdruk van Wikipedia: Regnerus Livius van Andringa de Kempenaer. In 1772 werd hij benoemd tot grietman van Lemsterland. Eén van zijn zonen (1e huwelijk), Antoon Anne van Andringa de Kempenaer (1777-1825), werd op 24 november 1816 in de adelstand verheven. Hij was ook grietman van Lemsterland (1816-1825)
In vergelijking toch van Holland, dat door het stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs ene mate van voorspoed en bloei te danken, welke enigszins opwoog tegen de immer stijgende schulden, lasten en bezwaren.
Doch Napoleons zucht om te veroveren en te heersen, bij voortdurende teleurstelling in zijn wens om Engeland meester te worden, maakte hem vermetel, bitter en onrechtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Juli 1810), en weldra volgden nu de besluiten, dat Holland met het Keizerrijk werd verenigd, dat het Franse stelsel van regering, wetgeving, belastingen en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld slechts voor een derde zouden worden voldaan.
Het grondgebied werd daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefect en Onder-Prefecten met een Raad van Prefectuur. Alléén Friesland bleef daarvan zijn aloude Naam behouden, en ontving ene verdeling in drie Arrondissementen met drie Rechtbanken, in 19 Kantons met zovele Vrederechters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd.
Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur gedoemd. Nochtans had Friesland het voorrecht, in den Prefect Jan Gijsbert Verstolk een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en gematigdheid vele bezwaren der Franse regering verzachtte, en die daarvoor beloning vond in de algemene hoogachting, in stede van den haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wrede handlangers des tiran rustten.
Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der verovering zullen vereren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan.
Het volksbestaan uitgewist en ons land tot een wingewest van Frankrijk verlaagd—vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan kluisters te leggen en de havens te sluiten—het volk zonder gezag of invloed op het staatsbestuur—door den dwang van politie en censuur verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven—door knellende belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen—de jongelingen zonder uitzondering als op de slachtbank voor de krijgsdienst geprest tot een bloedige oorlog, waarin gans Europa deelde,—de inkomsten van duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd—’s lands taal en zeden verguisd en het hoger onderwijs, ook door de vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool, ingekrompen,—ja, bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der Franse gezagvoerders:—ziedaar enige der vele bijna ondragelijke bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.
Zó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeren; om hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendige vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de stijgende macht en dwang des overmoedige geweldenaars, te vervullen met haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste vertrouwen op de toekomst.
Immers, zulk ene algemene verfoeide dwingelandij, zulk een misbruik van gezag kon niet duurzaam zijn. Gods Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zó verre beproefd en gelouterd, toen Zijne Almacht den man des bloeds, na ene uiterste krachtinspanning, in de velden van Rusland een perk stelde en vernederde, en voor de lang verdrukte tolken den gewenste dageraad van den dag der verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen de Nederlanders deze staatsomwenteling en hare oorzaken en gevolgen vergeten!