Tijdvak 6
Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering. Van 1813 tot 1850.
44. BEVRIJDING EN VESTIGING VAN DEN NEDERLANDSCHEN STAAT. 1813-1816.
De heerszucht van Napoleon had te veel gewaagd, toen hij, na een groot deel van Europa veroverd te hebben, ook het machtige Rusland aanviel. Zodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte volken sloegen de handen met Rusland ineen, om hem te vernederen en zich zelve tot vorigen rang te herstellen.
Terwijl de tijding van zijne nederlagen de Franse ambtenaren in Nederland met schrik en schroom vervulde, zodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te ’s Gravenhage door Gijsbert Karel van Hogendorp, (den kleinzoon van Onno Zwier van Haren) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd, ene omwenteling te bewerken en den Prins van Oranje, die zich in Engeland bevond, het gezag aan te bieden.
Inmiddels zond de Russische overste Baron Rosen een aantal kozakken naar Friesland, die den 16 November 1813 te Leeuwarden aankwamen. Nu werd de vlucht der Fransen algemeen. Ook de Prefect Verstolk verliet deze provincie, waarna de Raad van Prefectuur aan Hector van Sminia de waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleden, in afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in Holland (25 Nov.).
Na ene pijnlijke onzekerheid van enige dagen, schonken eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van den Prins van Oranje en de proclamatie, eerst in zijn naam en daarna door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Fransen bijna geheel verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en dat de verbroken banden tussen Nederland en het Huis van Oranje op nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des vaderlands te herstellen.
Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom, de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December te Leeuwarden en elders, bij ’s Prinsen uitroeping tot Soeverein Vorst, met grote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd.
Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur der Verenigde Nederlanden Ennius Harmen Bergsma, lid van het Keizerlijk Gerechtshof te ’s Gravenhage, en Hector van Sminia, waarnemend Prefect, benoemd tot Commissarissen-Generaal ter organisatie van het Departement Friesland, tot bereiking van welk doel zij in ieder der drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden.
De Maires werden afgeschaft en voorlopig in de steden door Burgemeester en Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen. Algemeen was de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezen vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe geofferd. Ene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Fransen, die zich nog in Delfzijl, Coevorden, Gorinchem, Naarden en elders genesteld hadden, te verdrijven.
Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of Notabelen van Friesland naar Amsterdam waren genodigd tot beoordeling van het Ontwerp van Grondwet, werd deze aangenomen, en den 30 Maart Willem Frederik, Prins van Oranje, als Soeverein Vorst der Verenigde Nederlanden plechtig gehuldigd. Het voorlopig bestuur der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming van Idsert Aebinga van Humalda tot Gouverneur van Friesland.
Het besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeling van dit gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der Steden werd samengesteld uit ene Raad met vier of drie Burgemeester aan het hoofd.
Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der Staten-Generaal en voor het dagelijks bestuur een Collegie van Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig ene wijziging, ten gevolge onzer vereniging met België en de nieuwe Grondwet van 1815, bij de vestiging van het Koningrijk der Nederlanden, met Willem den eerste als Koning aan het hoofd.
Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrichtingen, schenen voor de welvaart en het geluk van Nederland ene schoone toekomst te doen aanbreken.
Ook in Friesland werd de vroegere hogeschool te Franeker in een Rijks-Atheneum hersteld; werden de betrekkingen tussen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd, en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen, op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang verwaarloosde belangen van gunstige invloed was.
45. DE JONGSTE LOTGEVALLEN VAN FRIESLAND. 1816-1851.
De blijde vooruitzichten, welke de vestiging van een onafhankelijk volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van buitengemeen natte en droge zomers schaarsheid en duurte en daarna sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten gevolge hadden, trof Friesland den 5 Februari 1825 met andere gewesten ene geduchte ramp.
Hevige en aanhoudende stormen deden op verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was twee derde gedeelte dezer bloeiende provincie overstroomd, en schenen mensen, vee en bezittingen aan de woede der golven prijsgegeven te zijn. De som der algemene schade en verliezen, daardoor te weeg gebracht, werd op niet minder dan 3 miljoen Gulden geschat. Heerlijk blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en hulpbetoon, de algemene en bijzondere weldadigheid onzer landgenoten uit, daar ene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebracht, om de schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld. werd begroot, voor een deel te vergoeden.
In gelijke mate mocht Friesland de bewijzen der milddadigheid onzer landgenoten ontvangen, toen in den volgenden jaren, 1826, dit gewest door ene heersende ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim 20,000 nooddruftige ondersteuning behoefden uit het fonds van onderstand, hetwelk, uit ene som van bijna 110,000 Gld. en ene menigte kleding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was bijeengebracht.
Intussen was de hoogbejaarde Jhr. Idsert Aebinga van Humalda, de edele vriend en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr. Jan Adriaan van Zuijlen van Nijevelt, die eerlang aller hoogachting mocht verwerven door zijne deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest.
De hoop, dat rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van 1830 tot 1834 zware offers eisten. De algemene geestdrift voor Koning en Vaderland bracht die opofferingen nochtans gaarne en getrouw, en mochten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokken Friese jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid, van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friese naam met ere werd gehandhaafd.
Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert 1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de afstrooming.
De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 ene meer regelmatige verdeling van de Grondbelasting ten gevolge. Het Fries Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, in 1828 opgericht, verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt, handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustige gang voorwaarts streefden.
In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de troonsopvolging van Koning Willem II, overleed de algemeen betreurde Gouverneur van Zuijlen van Nijevelt. Van zijn opvolger Maurits Pico Diderik Baron van Sytzama, die zoo lang als volksvertegenwoordiger achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van dit gewest.
En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzichten, met den meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed: want de opheffing van het Rijks-Atheneum te Franeker (1843), het ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met duurte en schaarsheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan, met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der voorwerpen van Friese Nijverheid en Kunst, in 1844 te Leeuwarden gehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den Friesen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart op Engeland (1846), verblijdende waren.
Het jaar 1848 opende ene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. Dat Nederland, te midden der toenmaals, ten gevolge der Franse omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te danken aan het kloek besluit van Koning Willem II tot onbekrompene herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven voor te bereiden.
Doch de Koning, die Friesland, na het overlijden van den Baron van Sytzama, Jhr. Mr Jan Ernst van Panhuijs tot Gouverneur had geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849 werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn zoon Koning Willem III. ’t Was onder dezen, dat de bepalingen der Grondwet in het leven traden, ten aanzien der rechtstreekse verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en 50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur.
Bij de invoering van de Gemeentewet, op den 5 Juli 1851, werd tevens de aloude benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen in Friesland vervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad.
Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken, met dankzegging aan God, die mij krachten schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. De terugblik op dit tijdvak, zowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding der Voorzienigheid, mocht medewerken, om de staatkundige, godsdienstige, verstandelijke en burgerlijke voorrechten des volks van lieverlede te vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner vatbaarheid, meer en meer te voltooien.
Bij het bezit van zoo vele voorrechten en het genot van algemene welvaart, die iedere burger thans vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de bevordering van het bijzondere en algemene welzijn mede te werken, rust er op het volk voorzeker ene dure verplichting, om zich die onschatbare weldaden waardig te betonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht, tot uitbreiding van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel aan te wenden.
Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt blijven de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het uitwendige zoo vele voorrechten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met verstandige zorg voor de toekomst, zich door inwendige kracht te sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en veredeling van ons geslacht.
Indien onze gezichtskring zich evenwel enkel tot de stoffelijke voorrechten van dit leven beperkt, en spijs en drank ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! ene zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor déze en dáárdoor voor te bereiden tot ene bétere wereld in het leven der toekomst.
Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord; en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het onderling verkeer der ingezetenen zijn.
Door deze kracht gesterkt, zal de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en zullen alle van lieverlede toegenomen staatkundige en burgerlijke voorrechten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen, onder den zegen en het welbehagen van den grote Opvoeder van het menselijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en toekomst te verhogen.
- Zie ook: Geschiedenis van Friesland