De familie Stapert en het dorp Lemmer, in de 18e eeuw.
Cyprianus Vomelius á Stapert. Zijn geslacht en geslachtswapen.
Voor ongeveer een viertal eeuwen lag ten zuiden van het dorp Wommels in Hennaarderadeel de state Stapert en ten noorden van dat dorp de state Walpert.
De state Walpert werd vóór 1543 vrij zeker door ene Hoijte Walpert bewoond, toen reeds overleden, terwijl de state Stapert aan het geslacht van dien naam toebehoorde. Op laatstgenoemde state werd Cyprianus Stapert, meer bekend als Cyprianus Vomelius, in het jaar 1515 geboren.
Over hem en zijn geslacht willen wij hier hier een en ander mededelen. Voor zover wij hebben kunnen nagaan, werd de state Stapert in den aanvang der 16e eeuw bewoond door EPE STAPERT en zijne vrouw HYLCK, wier familienaam wij niet kennen. Epe daalde vóór zijne vrouw ten grave; beide echtelieden schijnen althans-in 1543 niet meer in leven te zijn geweest. HANS en BOTTE waren hunne zonen; mogelijk hadden zij nog twee kinderen: DOUWE en HAIJE.
„Toe Stapert", op de terp, waarop de state stond, lagen twee „zaeten" van dien naam, waarvan destijds de ene aan HANS, de andere aan BOTTE behoorde. De patroon van Wommels, in de kerk van dat dorp, had in dien tijd recht op „XVIII Stuvers jaerliex renten in HANS EPIS „zaete toe Stapert, bysproecken in voertijden „van HYLCK EPIS weduwe", benevens „een pon- „demaete terpland in BOTTE STAPERTS zate, geldende „toe huyer XII stuvers."
Daarenboven was BOTTE aan de pastorie van liet dorp jaarlijks schuldig te betalen één floreen, terwijl daaraan nog „vuyt beyde zaeten toe Stapert, een ewich „deel" toekwam. Ook te IJtens, niet ver van Wommels, alsmede bij liet dorp Nijland in Wijmbritseradeel trof men voorheen staten of saten aan, die den naam Stapert droegen.
Met zekerheid weten wij, dat HANS of JOHANNES in 1515 op de state Stapert onder Wommels verblijf hield. Of ook BOTTE toen in dat dorp woonde, is wel waarschijnlijk; het is zeker, dat hij er althans in 1548 eigendommen bezat. Vermoedelijk woonde DOUWE destijds te IJtens, terwijl de woonplaats van HAIJE ons onbekend bleef. Deze laatste komt in 1587 als volmacht voor van de Vijfdeelen-binnendijks, vanwege Hennaarderadeel.
JOHANNES huwde met TJETS OEGEMA en bewoonde, zoals wij opmerkten, de ouderlijke state. Hij was in 1522 als „gedeputeerde der lantschappen" in de kerk van Sneek een der getuigen bij de overeenkomst, die in 't begin van Juni van dat jaar tussen die stad en den Geldersche stadhouder, Graaf van Meurs, gesloten werd.
In een akkoord over het opgraven der Zijlroede naar Mackum van 22 Juli 1532 wordt ook zijn naam onder de gevolmachtigden gelezen, als: „HANS STAPPERT, to „Wommels, van (wege) Hynnaerderadeel", terwijl hij dat stuk aldus ondertekende: „HANS EPESZ. to Wommels".
In het volgende jaar, 1533, daalde hij ten grave en liet 6 kinderen na, en wel éne dochter AAL, benevens vier zonen: EPE, SABOKE , SYBOLT (?) (Cyprianus) en HANS en misschien nog een zoon HAIO.
Deze laatste kan dan geweest zijn HAIO VOMELIUS, die in 1551 pastoor te Oosterend en in 1562,. commissarys generael over Vrieslandt" was, benevens prebendaris in de St. Vituskerk (Oldehove) te Leeuwarden. Hij zal later wellicht het geestelijk kleed hebben afgelegd en zich te Sneek gevestigd hebben, waar ook SABOKE heeft gewoond, want beiden komen als inwoners dier stad voor in 1580 en wel onder hen, die wegens hunne getrouwheid aan hun Koning en hun geloof de wijk moesten nemen. HAIO zal zich toen naar Groningen hebben begeven en in 1594, bij het beleg dezer stad door Prins MAURITS, naar de Ommelanden gevlucht zijn.
Merkwaardig toch is de volgende aantekening:
„Den 6" (Juni 1594) „bindt omtrendt 100 Ruyter
„van Selwaert" (t. n. van Groningen) „gekomen
„ om beesten toe haelen, ende hebben HAIO STA-
„PEERT gevangen, ende weinich beesten gekreegen;
„daer is een Trommeslaeger nae HAIO gesonden, dan is
„voort met een peert nae dat groote leger tho Helpen
gebracht". Daar was toen het Statenvolk gelegerd.
Waarschijnlijk was deze HAIO een natuurlijk kind van JOHANNES of wel een kind uit een vorig huwelijk. Immers, men vindt vermeld , dat HANS zes kinderen had en door SUFFRIDUS PETRUS worden EPE, SAECKE en HANS volle broeders van CYPRIANUS genoemd.
De vraag of AAL de oudste dan wel de jongste der kinderen was, waarover getwijfeld wordt, zullen wij, als van minder belang, hier niet bespreken, 't Komt ons waarschijnlijk voor, dat zij de oudste was. Zij huwde, met wie is onbekend en woonde te Witmarsum, waar zij den 28 Februari, denkelijk van het jaar 1570, op 60 jarigen leeftijd is overleden.
Haar broeder CYPRIANUS vervaardigde op haar een Latijns grafgedicht, hetwelk vertaald, aldus luidt:
„Hier rust zuster AAL, een van de vijf van het kroost,
„dat nog in leven is, zeer gelukkig door hare
„nakomelingschap. Helaas ! Witmarsum betreurt
„haar als eene moeder, die haar ontnomen is en
„die dikwerf goede gaven aan de armen gaf. Geef
„Gij, o Heer, voor deze diensten en voor hare
„voortdurende goedheid een erfdeel in Uw Hemelsch
„Koningrijk aan Uwe dienstmaagd."
EPE zal wel genoemd zijn naar zijns vaders vader en dan wellicht de oudste der zonen zijn geweest. In dat geval zal hij omstreeks 1512 zijn geboren.
Hij woonde te Wommels, zeer zeker op de voorvaderlijke state, beoefende den landbouw, was mederechter van Hennaarderadeel en dorp-rechter in zijne woonplaats. Zijne vrouw heette SYBRICH en was de dochter van MARCK SIERCKSZ, die in 1505 voorkomt als edelman in de Zevenwouden, in 1515 grietman werd van Schoterland en Stellingwerf en omstreeks dien tijd veel roem verwierf in den oorlog tegen de Gelderschen en Bourgondiërs.
Zij hadden twee kinderen: „LAURENTIUS VOMELIUS à STAPERT" en TJITSKE of JETSKE, zeker naar haar vaders moeder genoemd.
't Is niet bekend of LAURENTIUS is gehuwd geweest, maar wel, dat hij Doctor in de beide Rechten en vervolgens Procureur bij den Hove werd. Hij wordt geroemd als een man, „van wiens uitstekende ijver, kennis en trouw, vele vorsten, „vele gewesten en steden, wijd en zijd, door het „gehele land gebruik maakten."
Zijne zuster JETSKE trad in het huwelijk met een aanzienlijken eigenerfde, JAN HOTZES VAN RINSS, die ook te Wommels woonde en aldaar mede het landbouwbedrijf uitoefende.
Men vindt aangetekend, dat zij in 1593 acht kinderen hadden.
EPE STAPERT leefde nog in 1574 en was volmacht op den Landsdag van 12 Sept. van dat jaar vanwege Hennaarderadeel. Daar hij niet, zoals SAECKE en HAYE STAPERT in de lijst der ballingen van 1580 wordt vermeld, zal hij, zoo hij, ten minste de Spaansche regering en de Katholieke eredienst heeft aangehangen en trouw gebleven is, vóór dat jaar gestorven zijn.
Zijn broeder SAECKE, elders SABINUS genoemd, was doctor in de beide rechten en enige tijd burgemeester van Sneek. Hij was tweemalen gehuwd. Zijne eerste vrouw was YDT, ene aanverwante van JOACHIM HOPPERS; zijne tweede vrouw IBEL ALBADA, die in Januari 1566 als zijne echtgenote voorkomt, was eene aanverwante van WIGLE VAN AYTTA.
SAECKE en IBEL waren, zoo 't schijnt, een voortreffelijk echtpaar. Althans SUFFRIDUS PETRUS maakt daar een compliment, door op te merken, dat zij haars gelijken niet had, wat schoonheid, kuisheid en andere vrouwelijke deugden betrof, en VIGLIUS getuigt van hem, dat hij waardig was hoger op te klimmen op den maatschappelijke ladder en hij spreekt zijn verlangen uit, dat zich weldra de gelegenheid eens mocht opdoen, dat SAECKE tot de waardigheid van Raadsheer mocht worden verheven.
Ook vermeldt AYTTA in een zijner brieven aan zijn landgenoot HOPPERS, dat zijn broeder, waarschijnlijk GERBRANT, die Kanunik van St. Bavo te Gent was, zich zeer voor de belangen van SAECKE in de bres had gesteld.
SAECKE schijnt alleen bij zijne tweede vrouw kinderen te hebben gehad. Hij was de Spaanse zijde toegedaan en moest dientengevolge bij de omkering van zaken in 1580, de wijk nemen.
In de lijst van ballingen uit dat jaar wordt hij opgenoemd onder de edelen van Sneek. Hij was reeds vóór Juni van dat jaar gevlucht en begaf zich naar Emmerik, waar hij in datzelfde jaar overleed. Vermoedelijk was hij juist naar die stad getogen, dewijl zijn broeder JOHANNES er indertijd gewoond had en wiens nakomelingen er zich in 1580 vrij zeker ophielden.
Zijn broeder JOHANNES toch, omstreeks 1520 geboren, had zich, waarom is onbekend, reeds een twintigtal jaren te voren daar metterwoon gevestigd en was er gehuwd, reeds 40 jaren oud. Hoewel man en vader, bezocht hij er, zoo vindt men aangetekend op ene wijze der herinnering' waardig, dagelijks als een jongeling de letterkundige scholen.
Maar korten tijd daarna overviel hem de dood. Hij stierf in 1568 en werd in de stad zijner inwoning begraven onder ene zerk, waarop een Latijns grafvers werd gebeiteld, door CYPRIANUS aan hem gewijd en van den volgenden inhoud: JOHANNES, toegenaamd STAPERT, een Fries, leefde als een vergrijsd bewonderaar van de Gratiën en der Musen, want op veertigjarigen leeftijd hoorde hij ijverig de Hoogleer aren, die in deze stad de wijsbegeerte onderwijzen. Hoeveel te meer past het u, o jongelingen! om de fraaie letteren, die schoone wetenschap, lief te hebben. De naam zijner vrouw kennen wij niet, evenmin als de namen zijner kinderen.
Wij komen thans tot den hoofdpersoon van dit geslacht, meest bekend onder den naam van CYPRIANUS VOMELIUS of CYPRIANUS VOMELIUS à STAPERT, of van Wommels, aldus genoemd volgens de gewoonte dier dagen, om geleerde personen naar hunne geboorteplaats te betitelen, zoals dit o. a. ook liet geval was met WIGLE VAN AYTTA , die men gewoonlijk VIGLIUS ZUICHEMIUS noemde. Of zijn eigenlijke naam SJOERD, SYBOLT of SYBREN was, zullen wij in het midden laten, maar wij voor ons gelooven, dat die SYBOLT zal zijn geweest.
CYPRIANUS werd in het jaar 1515 te Wommels geboren. Hij genoot zijn eerste onderwijs op de dorpsschool zijner woonplaats. Later begaf hij zich ter verdere opleiding naar Gouda en Haarlem, in welke laatste stad hij op de Latijnse school het onderwijs genoot van de kundige JACOBUS HOYERUS. Vervolgens begaf hij zich naar Sneek en vandaar naar Groningen, waar hij onder de leerlingen behoorde van den bekenden en geleerden REGNERUS PRAEDINIUS, rector van de St. Maarten-school. Dewijl hij zich op de studie der rechtsgeleerdheid wilde toeleggen, vertrok hij in 1580 vandaar naar Wittenberg.
Drie jaren lang had hij zich met ijver op die wetenschap toegelegd, toen ene treurige gebeurtenis zijne studieplannen plotseling den bodem dreigde in te slaan. Zijn vader werd hem door den dood ontrukt en zijne moeder bleef in kommervolle omstandigheden achter. Zij gaf CYPRIANUS te kennen, dewijl zij behalve hem en SAECKE nog bovendien vier kinderen had te onderhouden, dat het haar onmogelijk was om de grote kosten, tot zijne studiën benodigd, te betalen.
Zonder twijfel was dit ene grote teleurstelling voor den ijverige jongeling. Maar hij liet zich niet ontmoedigen. Goede wil en volharding, ijver en opofferingen hebben menig mensen verder gebracht, dan het stomme geld!
CYPRIANUS was nu omstreeks 18 jaren en hij moest thans zelf het middel zoeken, om zijne studiën te bekostigen. Geen eervoller weg kon hij inslaan, dan dien hij tot dat einde koos. Hij vatte het plan op, om winst te doen, om namelijk geld te slaan uit hetgeen hij zich van de wetenschap had eigen gemaakt. Hij begon nu onderwijs te geven op onderscheidene letterkundige scholen in Duitsland, zoals te Maagdenburg en Brunswijk.
En dit schijnt hem goed gelukt te zijn. Althans hij zette zijne studiën met kracht voort en begaf zich van tijd tot tijd naar verschillende Academiën, achtereenvolgens naar Erfurt, Leuven en Keulen. In Erfurt bevond hij zich waarschijnlijk omstreeks 1535 en zeker althans in 1540, want in laatstgenoemd jaar zag een zijner werken aldaar liet licht.
Dat hij zich inderdaad omstreeks 1535 in die stad moet hebben opgehouden, menen wij te mogen afleiden uit het feit, dat hij in nauwe betrekking stond met zijn landgenoot ULPIUS CISSAEUS, die in die dagen het Hoogleraarsambt aan de hogeschool te Erfurt bekleedde en omstreeks 1540 overleed.
Deze ULPIUS CISSAEUS FRANKEQUERENSIS of van Franeker, wiens eigenlijke naam wel ULBE zal zijn geweest, werd omstreeks het jaar 1480 te Schalsum in Franekeradeel geboren.
„In dit dorp," zoo verhaalt ons SCHOTANUS, plach de Toorn met een klimmerboom bewassen te zijn, claer van 't spreeckwoord noch" (d. i. omstr. 1660) in wesen is: „To Schalsum in de Climmerbeam."
De huysluyden moesten dien Climmer afhacken, omdat liy menichte van Musschen ende ander ghevogelte schadelyck voor 't staende Coorn, herberchde. Een van de gheleerde vrienden van ERASMUS ROTERODAMUS, was uyt dit dorp gheboortigh en nam syn toenaem ofte titel van den Climmerboom ULPIUS CISSAEUS FRANEQUERENSIS. Hij was uitmuntende in kennis van de Grieksche tale.
Elders vindt men hem aangeduid met het woord „HEDERACEUS", hetgeen even als CISSAEUS op Klimmerboom betrekking heeft.
ULPIUS CISSAEUS nu had te Erfurt gestudeerd en werd later in die stad, zoals wij zagen, tot Hoogleraar benoemd. Toen echter de gevoelens van LUTHER tot Erfurt waren doorgedrongen, schijnt hij, dewijl hij ijverig tegen dien Hervormer had geschreven, die stad al spoedig verlaten en zich naar zijn Vaderland begeven te hebben, waar hij naar men wil, ergens priester is geweest, waarschijnlijk te Franeker. Hij schijnt kort na zijne terugkomst, omstreeks 1540 gestorven te zijn.
CYPRIANUS was het met dezen zijnen landgenoot volstrekt niet eens op staatkundig gebied en dit lokte van beide zijden veel geschrijf uit. Maar al was er strijd tussen hen, 't was volgens SUFFR. PETRUS een kalme strijd, een strijd zonder bitterheid.
ULPIUS dweepte met de vroegere regering der Saksische Hertogen; misschien was daartoe voor hem enige aanleiding, dewijl hij door HENDRIK VAN SAKSEN met ene betrekking was bekleed. waarvoor hij dezen Hertog uit erkentelijkheid een gedicht opdroeg.
Maar CYPRIANUS, die zoveel jonger was en het eerste levenslicht had gezien in hetzelfde jaar, waarin het bewind over Friesland door den Saksische Hertog aan het huis van Bourgondië werd overgedragen, CYPRIANUS , die met grote eerbied vervuld was voor den in zijn tijd zoo roemruchtige Keizer KAREL V, van wiens regering hij voor zijn Vaderland alle heil verwachtte, hij gevoelde niets voor het bestuur van een vreemdeling, wiens zon hier uitgeschenen had.
Sedert 1523, het jaar waarin Friesland volkomen aan Keizer KAREL was onderworpen, genoot dit gewest enige verademing na een langdurige binnenlandse tweedracht en daarop gevolgde invallen en plunderingen van vreemde krijgers. Er was een tijdperk van betrekkelijke rust ingetreden, al dreigde ook in de verte liet spook van den godsdienstkrijg; die rust werkte gunstig op welvaart en bloei, handel en nijverheid.
Geen wonder, dat de vurige jongeling, die onder dat alles was opgegroeid, die zeker in zijne jeugd dagelijks de naweeën zag van, en gesprekken hoorde over de plunderzieke benden der Saksische en Gelderse Hertogen, aan ULPIUS zijn gevoelen lucht gaf in de volgende bewoordingen: „Aan ULPIUS CISSAEUS FRANEQUERENSIS. Daar in ons gewest het Hof van, GEORGE Hertog van Saxen thans niet meer heerst, is daarover een langdurig geschil tussen ons beiden gerezen. Maar ik verheug mij met het grootste recht, dat de Keizer de teugels der regering in mijn Vaderland in handen heeft.
Hij, de Beheerser der Wereld, aan wie het Westen en het Oosten gehoorzaamt, zachtmoediger Heer dan Hij, is er op de gehele wereld niet! Hij moge langen tijd heersen over Friesland; de Friezen zullen hunnen Heer niet beschamen!
Neen, niet de Friezen zouden hunnen Heer, maar hun Heer zou hen beschamen en de gevolgen zouden niet uitblijven! In hetzelfde jaar, dat CYPRIANUS den geest gaf, zwoeren zij den Koning van Spanje af, den zoon en opvolger van den, zooals CYPRIANUS het uitdrukte, „zachtmoedigen Heer."
Niettegenstaande hun verschil van mening op staatkundig gebied, achtten zij elkander hoog en wisten zij elkander te waarderen, hetgeen hen tot eer en ons tot navolging kan strekken. CYPRIANUS toonde dit door aan ULPIUS bij zijn overlijden (1540) een fraai gedicht te wijden. Twee jaren later treffen wij CYPRIANUS te Leuven aan.
Daar studeerden destijds landgenooten van CYPRIANUS, o. a. SEVERINUS FEYTA, van Harlingen, en UVO HELT, uit Groningen. Beiden maakten zich zeer beroemd bij die bestorming. FEYTA was bij die gelegenheid de aanvoerder der studerende jongelingschap en wist zijne studiebroeders met zoveel moed te bezielen, dat de aanval werd afgeslagen en de vijand werd verdreven, redenen, waarom Keizer KAREL V hem, FEYTA, in den adelstand verhief.
Dit laatste geschiedde ook met HELT, die meer bepaald het voornemen had opgevat, om zijne medestudenten tot verdediging op te roepen.
CYPRIANUS wijdde aan beiden een gedicht. Vooral de laatste, wiens geleerdheid hem al spoedig na zijne komst te Leuven was ter oren gekomen, had op hem een bijzonder goeden indruk gemaakt.
Die goede indruk werd zeer zeker nog versterkt door het blijk van moed door HELT gegeven, een bewijs, dat deze zijn naam alle eer aandeed. Want CYPRIANUS verhaalt, dat deze, toen een van Leuven's burgers den raad gaf, om den vijand door omkoping van den storm te doen afzien, zich verontwaardigd tot de menigte keerde en burgers en studenten aansprak op ene wijze, dat allen, met geestdrift vervuld, naar de wallen snelden en het voornemen des vijands door hunne dapperheid verijdelden.
Geen wonder alzo, dat CYPRIANUS dit feit op dichterlijke wijze trachtte te vereeuwigen en voor de nakomelingschap te bewaren.
De geleerdheid van CYPRIANUS en zijn ijver voor de wetenschappen waren oorzaak, dat hij eerlang op aanbeveling zijner vrienden en voornamelijk van zekeren JACOBUS CURIENSIS, zeer beroemd in de genees- en wiskunde, naar Maintz werd geroepen.
Gedurende drie jaren stond hij daar aan het hoofd der philosofische school en nam tevens gedurende dien tijd, als plaatsvervanger, de betrekking waar van Bewaarder der Schatkist van den Aartsbisschop in die stad. Ook verwierf hij daar den doctoralen graad in de Rechtsgeleerdheid-, omstreeks 1547, in welk jaar hij een zijner werken te Maintz uitgaf.
Thans was zijn naam gevestigd en de roem zijner geleerdheid breidde zich wijd en zijd uit. Eerlang stond de Aartsbisschop hem toe het Burgerlijkrecht aan de Academie in laatstgemelde stad te onderwijzen.