Twee dagen en nachten op een ijsschots

In een haven plaats als Lemmer heeft zich - begrijpelijk - in de loop van de eeuwen heel wat afgespeeld in verband met het water. Ook Lemster schippers hebben geworsteld met de golven bij stormweer; ook heeft de bevolking menigmaal gesidderd, wanneer de golven tegen en op de dijk beukten of er door sloegen en een overstroming veroorzakende waardoor soms bijna een hele gemeente onder liep. Slechts twee voorbeelden: de stormvloed van 21 November 1776 en de watervloed van 4 Februari 1825, toen een groot deel van Friesland onder water kwam te staan. De naam van de visser Harmen Groen, te Vierhuis, is toen allerwegen bekend als die van een mensenredder. Dit waren ook opmerkelijke punten in de geschiedenis van Lemmer.

Foto van: www.friesscheepvaartmuseum.nl  Waarschijnlijk is dit een afbeelding van de redding Harmen Jans Groen uit Vierhuis. Met zijn punter redde tientallen mensen uit woningen en boerderijen aan de boorden van het Tjeukemeer. Zijn eigen gezin bracht hij met een punter aan boord van een turfschip. En ook mensen die na het instorten van een schuur waren gevlucht naar een hooiberg, werden door hem naar het turfschip gebracht.

In zekere familiesage wordt melding gemaakt van de stoombootkapitein Cristoffel Zweitses de Vries, uit Joure, die met zijn op Amsterdam varende beurtschip op de Zuiderzee vergaan is. Diens vader Zweitse Idskes de Vries, geboren te Ureterp in 1817, had de bijnaam van "de séduvel"; hij verloor op het havenhoofd van Lemmer zijn schip. Wanneer? Het moet in een storm tussen 1880 en 1890 zijn geweest. Hij was ook beurtschipper op Joure.

De scheepvaart via Lemmer en de toenmalige Zuiderzee (nu ingekrompen tot IJsselmeer) heeft menigmaal ook te lijden gehad van kruiend ijs en grote ijsbergen voor de haven, waardoor de toegang tot Friesland weken lang verstopt zat. Het ijs is wel eens zo sterk geweest, dat er een stevige ijsvloer in zee lag en er tussen Lemmer en het toenmalig eiland Urk geregeld autoverkeer bestond, waarbij uiteraard druk werd gefotografeerd. Maar: er waren ook andere tijden: dan dreven er grote schotsen in het ijs, waarop het gevaarlijk was.

Zo vond ik een relaas omtrent de Lemster visser Roelof Hoekstra, die twee dagen en nachten op een losgeraakte ijsschots op de Zuiderzee heeft rondgedreven. Op een Zaterdagmiddag was hij van huis gegaan en sedertdien werd niets meer van hem vernomen. De hele bevolking heeft twee dagen en nachten in een angstige spanning doorgebracht.

Roelof Hoekstra, gehuwd en vader van zes nog jonge kinderen, was Zaterdagmiddag 14 Januari 1893, omstreeks 5 uur in de middag, naar zijn spieringnetten gaan zien. Die stonden in zee in het ijs nabij de kust uit. De Noordoostenwind had het ijs echter losgemaakt en iets laten afdrijven, waarop Hoekstra met een zg. vlet van het vaste op het losse ijs overstak. Maar op de terugtocht liet hij de vaarboom uit zijn verkleumde handen vallen. Daar stond hij zonder roer en zonder hulp op zijn vaartuigje, te midden van de schotsen en in het duister!

De stroom dreef hem naar het losse ijs terug. Hij stapte erop over, in de hoop van schots tot schots de kust te kunnen bereiken. Maar zijn schots werd door de wind mee de zee ingevoerd. Hij zat in het donker met geen ander geluid om zich heen dan het tegen elkaar schuiven van de schotsen en het klossen van het zeewater. Hij rilde van de kou over zijn hele lichaam!

Hij realiseerde zich, dat hij de dood onder ogen moest zien. Onderwijl was men in het gezin van Hoekstra erg ongerust geworden. Vader was niet thuis gekomen. De ongerustheid over het lot van de visser sloeg over op het hele dorp. Men vreesde het ergste! Maar er werd niet zonder meer afgewacht. Men deed wat. In allerijl werd een boot over het ijs gehaald en in zee gelaten. Tien flinke mannen er in. Spoedig echter raakte zij zelf in gevaar, want het vroor dat het kraakte en het grond ijs zette op, zodat men zich niet al te ver in zee durfde wagen. De boot keerde terug, zonder Hoekstra te hebben gevonden. Toen werd een poging met een zeilboot ondernomen. Ook zonder succes.

Inmiddels was het allang donker geworden. Het havenvuur werd ontstoken, doch bijna alle hoop was opgegeven. Toen kwam een van de Lemster notabelen met een voorstel. De kantonrechter Croockewit (mr. Croockewit substituut-griffier en griffier bij het kantongerecht te Heerenveen, kantonrechter te Lemmer en Den-Helder en ten slotte rechter te Almelo) drong er met klem op aan nog een derde poging tot redding te wagen en wel met de stoomboot Groningen III.

Geheel links is Roelof Hoekstra (79) te zien, Rinse Visser (75), Bouke Kuipers (88) en Jurjen Bootsma (82)

De Groningen III aangemeerd te Lemmer.

Maar hoe? Binnen en buitenhaven zaten dik met ijs bedekt. Hoe zou de boot in zee kunnen komen? De heer Croockewit zei: Spaar geen kosten, breek het ijs stuk, kap het uit met man en macht en zet spoedig stoom op! Vol ijver toog een aantal aan het werk. De stoomboot lag in de oude haven; het ijs werd uitgekapt en de boot kwam door de nieuwe sluis. Toen moest nog het ijs van de nieuwe haven worden gebroken. Ook dat gelukte. De heer Croockewit, had inmiddels een kastelein uit bed gehaald die de schare werkende mannen van koffie moest voorzien.

Toen eindelijk de havens schoon waren gemaakt, was het Zondagmorgen 8 uur geworden. Steeds meer mensen stroomden toe, honderden handen trokken de boot in zee. Ongeveer 40 personen hadden zich aangeboden de verkenningstocht mee te maken. De boot voer tot nabij Urk. Vandaar weer naar Lemmer terug. Weer stond een groot deel van de bevolking aan de haven. Helaas moest gemeld worden, dat men Hoekstra niet had opgemerkt. Weer liep de dag teneinde -met al zijn onzekerheden - weer ging men een vreselijke nacht in!

Hoekstra vertelde later hoe het hem was gegaan. Toen ik een eind afgedreven was in zee, zag ik het havenvuur wel branden. Ook heb ik beide boten wel opgemerkt, maar de wind was tegen en te sterk, dan dat ik de bemanning roepen kon. Zondagmorgen zag ik in de verte de rook van de stoomboot. Ik kreeg nieuwe hoop, stak mijn jas omhoog, maar werd niet opgemerkt. Eindelijk geraakte de boot weer uit het gezicht. Ik dreef al verder en verder.

Havenvuur te Lemmer.

Zondagmiddag was ik al heel dicht bij Urk. Ik kon de mensen zien lopen en gaf weer signalen, maar men merkte mij niet op. Ik durfde mij niet verder te wagen wegens het vele losse drijfijs...." Toen dreef hij af naar de kust bij Enkhuizen, maar ook daar belette drijfijs hem om aan land te komen. 't werd Zondagavond. Plotseling kwam een Zuidenwind opzetten en Hoekstra dreef des nachts naar de Friese kust. Maandagmorgens bevond hij zich op een plek niet ver van Oudemirnum en niet bijster ver van de plaats waar hij zijn netten had uit gezet!

Een brede waterplas scheidde hem van de kust. Hij peilde: ruim een meter water. Hij dacht: nu of nooit en wilde zich net te water begeven, al hoe verkleumd hij ook was, toen een boerenjongen op de dijk verscheen, die riep direct zijn vader en deze, Minne de Vries: binne jo dat Hoekstra? - Ja dy bin ik, help my as jo kinne! Vader en zoon hielpen de Lemster visser en hebben hem in hun huis opgenomen, en hem van warme en droge kleren en voedsel voorzien. En natuurlijk kon Hoekstra zijn verkleumde botten verwarmen.

Onderwijl was in Lemmer, alles nog in onrust en spanning. Men moest wel aannemen, dat Hoekstra, was verdronken of aan ontberingen omgekomen. In zijn gezin was men radeloos. Tot Maandag omstreeks het middaguur een bode per schaats kwam aangereden, met de blijde tijding, dat Hoekstra gered was en bij Oudemirdum aan wal was gezet. Hij zou met een rijtuig naar Lemmer komen. Als een lopend vuur ging deze mededeling door het dorp; iedereen voelde zich opgelucht. Een paar uur later werd Hoekstra, met gejuich ontvangen. Maar ook de heer Croockewit, mocht de hulde van de bevolking in ontvangst nemen!

Er heerste grote vreugde in het gezin Hoekstra. Het mocht een wonder genoemd worden dat de man, die twee dagen en nachten bij felle vrieskou op zee had rond gedreven op een vletje, geen anderen gevolgen had ondervonden dan bevroren vingertoppen.

Wat in die jaren vaker voorkwam bij dergelijke gebeurtenissen: in de krant werd Hoekstra "aanbevolen in ieders milddadigheid" De ingekomen bijdragen varieerden van 50 cent tot 3 gulden voor "den armen visser Roelof Hoekstra" Het moet in die tijd toen er ook in Lemmer weinig sensationeels te beleven viel, een opwindende dorpsgebeurtenis zijn geweest.

De moedige Harmen Groen

Verslag van het moedige optreden van de Friese visser Harmen Jans Groen tijdens de overstromingen van begin februari 1825. De jurist en letterkundige Robidé van der Aa (Amsterdam 1791 - Arnhem 1841) laat op zijn prozaverhaal nog een dichterlijke behandeling van dezelfde gebeurtenis volgen. Hij was in die tijd procureur te Leeuwarden en wierp zich op als verdediger van de visser, toen bleek "dat de waarlijk brave Groen niet alleen bij voortduring miskend werd, maar zelfs, dat de laagste laster niet ophield zijnen goeden naam te verguizen". Sommige geredden hadden kennelijk de lofprijzingen en geldinzameling voor hun dappere dorpsgenoot niet kunnen verdragen. De plattegrond van het gehucht Vierhuizen had Van der Aa speciaal voor deze gelegenheid laten tekenen door landmeter A.H. Docters van Leeuwen.

De buurt (Vierhuis) werd, bij den watervloed van Februarij 1825, in den avond van den 4 dier maan, ten 7 ure, door het water aangetast en in dien nacht waren een aantal menschen genoodzaakt hunne woningen te ontvlugten, zich begevende op een aldaar liggend geladen turfschip van Karst de Boer. Met een benaauwd en bekommerd gemoed werd dien akeligen nacht doorgeworsteld, en toen des Zaterdags, met een aanwas des vloeds, hevigen wind, sterke sneeuwjagt, donker en bliksem het water tot twee el boven peil gestegen was, werden ook de nood en ellende onbeschrijfelijk groot.

Vele woningen, die nog zwakken weêrnu geheel of ten deele uit een geslagen en bij elke hevige windvlaag, die de rollende en schuimende koppen der golven telkens over de huizen en tot over den wip der valbrug spatten deed, verhief zich van tijd tot tijd het noodgeschrei der angstige bewoners. Een voorregt echter was hun beschoren, daar omtrent een zestigtal zich in het gezegde turfschip konden bergen en hoewel zij goed en bezittingen moesten derven, toch in dit en andere vaartuigen de middelen tot hun behoud vonden. Onder hen, die bij dien watervloed hunne menschlievendheid hebben aan den dag gelegd, verdient vooral melding Harmen Jans Groen, een visscher uit deze buurt, door wiens onvermoeide pogingen een aantal menschen aan eene anders gewisse dood onttogen zijn.

1959: In boek en blad zijn indertijd de grote daden beschreven van de visser Hamen Jans Groen te Vierhuis, die tientallen mensen het leven heeft gered, Harmen Jans Groen was een Aengwirder van geboorte (Luinjeberd 1793) en in 1819 kocht hij met zijn vader wat land te Vierhuis, waar hij zich als visser en keuterboer vestigde.

In de avond van vrijdag 4 februari klom het water in zijn woning zo hoog, dat hij zich met zijn gezin in een punter moest redden. Ze begaven zich naar het turfschip van Karst de Boer waar reeds enige vluchtelingen waren aangekomen. De volgende morgen bleek dat in de boerderij van B. B. Holtrop verschillende lieden op het hooi gevlucht varen, en dat de schuur dreigde in te storten. Daar geen van de anderen durfde, ging Groen met een touw om het lijf door het water naar deze boerderij, zijn bootje meevoerend. En langs dit touw gelukte het hem 38 mensen in de boot naar het turfschip te vervoeren.

De volgende morgen ging hij met een paar anderen naar Rotstergaast, waar ze onderweg een gezin redden, dat in de kap van een watermolen gevlucht was, en brachten ze veilig bij een boerderij op de Gaast. Na het wegtrekken van het zeewater bleek de woning van Groen (hij huurde deze van de gemeente Schoterland, dus stellig de herberg bij de brug) geheel vernield te zijn.

Met steun van een commissie uit Leeuwarden (waarin mr. C, P. E. Robidé van der Aa, advocaat aldaar, zich veel werk heeft getroost) kocht hij de ruïne van zijn huisje voor f 109,50; de commissie verschafte hen: f 2000.- om weer een huisje te bouwen. We vonden hierover een contract met de gemeente, dat Groen elk jaar f 50.- huur moest betalen, maar als hij uit het huis ging zou het worden getaxeerd, en moest Schoterland hem uitkering doen.

De gemeente (toen norg grietenij) Schoterland moest een nieuwe paalbeschoeiing om zijn erf maken. Met reparatie aan de brug kostte dit ƒ 715,42. Met dit contract is nog heel wat tijd verlopen, daar de gemeente eerst andere condities wilde bedingen, maar zijn adviseurs in Leeuwarden kregen eindelijk in 1828 voor hem de zaak in orde.

Behalve financiële beloning ontving Groen een fraaie zilveren tabaksdoos met inscriptie van „Eenige Menschenvrienden" uit Den Haag, en een gouden ring met grote steen van een dame in Rotterdam. (Hij stierf 27 juli 1876). Beide geschenken zijn thans in bezit van de weduwe H. M. de Jong-Hiddenga (oud 92 jaar) te Oudehaske. Haar man was een zoon van de jongste dochter van Harmen Groen, en kreeg deze herinneringen omdat hij naar de redder was genoemd.

Dit is de zilveren tabaksdoos met in het deksel de inscriptie: "Eenige Menschenvrienden Aan Harmen Jans Groen, wonende te Vierhuis onder St. Johannesga, voor deszelfs menschlievend en manmoedig gedrag tijdens de storm en de watervloed van den 5. 6 en 7den Febru. 1825. In het onvermoeid redden van acht en dertig menschen met opoffering van eigen goed en leven. 's Gravenhage, Maart 1825".

1925: De Watervloed van 1825. De daden van Harmen Groen.

Alvorens met de beschrijving van de gevolgen van den grooten watervloed van 1825 verder te gaan, komen we nog even terug op de door Harmen Groen verrichte daden, die later aanleiding hebben gegeven tot veel geschrijf en getwist.

Zooals wij in ons vorig artikel reeds meedeelden, woont thans nog te Oudeschoot een kleinzoon van den veel geprezen en veel gesmaden visscher, n.l. Harmen Minnes de Jong. Deze toonde ons een zware zilveren tabaksdoos met inscriptie, welke door eenige bewonderaars van Harmen Groen aan hem is geschonken. Door wie deze doos is verleend, is niet heel duidelijk. Volgens den heer De Jong, die tot zijn 20ste jaar zijn grootvader in handel en wandel heeft gekend, beweerde deze, dat ze „van den koning" was.

In hoeverre dit juist is, en of inderdaad Koning Willem I of de regeering zich met deze kwestie hebben ingelaten, is misschien moeilijk uit te maken. Uit de inscriptie blijkt het niet; alleen dat de schenkers in Den Haag woonden. Zij luidt: „Eenige menschenvrienden aan Harmen Jans Groen, wonende te Vierhuis onder St.-Johannisga, voor deszelfs menschlievend en manmoedig gedrag tijdens den Storm en Watervloed van den 4, 5, 6 en 7 Februari 1825, in het onvermoeid redden van acht en vijftig menschen met opoffering van eigen goed en leven. 's-Gravenhage, Maart 1825".

Behalve deze doos ontving Harmen Groen een gouden ring met echten diamant, waarbij een briefje was gevoegd met de mededeeling dat, ingeval Groen te eeniger tijd in de noodzakelijkheid mocht geraken om den ring te verkoopen, hij niet moest vergeten, dat het kleinood minstens f 300 waarde had. Dat briefje is in den loop van de honderd jaren verloren geraakt, maar de kostbare ring is, evenals de doos, nog in het bezit van de familie De Jong.

Of Groen ook nog meer ontvangen heeft? Volgens De Jong zou indertijd een belangrijk bedrag voor zijn grootvader zijn bijeengebracht, maar heeft hij er niets van ontvangen. Groen zelf had hem in zijn Over-Tjongersch dialect meermalen verzekerd: „As ik kregen hadde, wat ze voor my incollecteerd hadden, dan waren we schatriek west."

Wel is Groen is zekeren zin door het gemeentebestuur beloond. Vóór den vloed bewoonde hij een huisje, dat aan de Grietenij Schoterland behoorde. Dat huis, met alles wat er in was, werd door den vloed verzwolgen. De plek, waar 't heeft gestaan, is nu Tjeukemeer. Op een veiliger plaats in de nabijheid is later door de gemeente een nieuw huis gebouwd, waarin herberg met winkel en waarin Groen 11 jaren gratis heeft gewoond. Dit in 1825 gebouwde huis is verleden jaar verbouwd.

In 't bezit van de familie De Jong is verder een oud boek, waarin de daden van den visscher uitvoerig worden beschreven, terwijl in een tweetal gedichten hulde wordt gebracht aan zijn menschlievendheid. De schrijver geeft eigenlijk een soort rapport over een onderzoek naar de daden van Groen, dat ingesteld werd, nadat er op zijn gedrag heel wat was afgedongen en hij zelfs van minder fraaie handelingen was beschuldigd.

Het ging uit en werd geleid door het bestuur van het Departement Leeuwarden der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Dit liet zich behoorlijk voorlichten door tal van getuigen, die de veel gelasterden visscher in de rampspoedige dagen in zijn doen en laten hadden gadegeslagen, of die hem van nabij kenden en getuigenis omtrent zijn levensgedrag konden afleggen. De rapporten van de verhooren dezer getuigen in hun proces-verbaal-stijl zijn als bijlagen in het boek opgenomen.

De beschrijvingen worden toegelicht door een „plattegrond" van Vierhuis, welk kaartje is geteekend door den landmeter A. H. Dooters van Leeuwen, terwijl er tevens op voorkomt een teekening van den punter, waarmee Groen zijn reddingstochten deed en van de praam met zeildoek, waarin hij maandenlang met zijn huisgenooten heeft gewoond. Er is dus, nadat de lastertongen over Groen waren losgekomen, wel al het mogelijke gedaan om hem de eer, die hem toekwam, terug te geven.

Klaarblijkelijk heeft ook de heer J. van Leeuwen in zijn beschrijving van den watervloed zijne gegevens omtrent Harmen Groen geput uit het boek, waarvan nog een exemplaar in het bezit is van de familie De Jong. Beide werken zijn trouwens bij denzelfden uitgever verschenen (n.l. G. T. N. Suringar te Leeuwarden.) Waarin de beschuldigingen tegen Groen hebben bestaan?

Het schijnt, dat, toen Groen om 't geen hij had gedaan, openlijk was geprezen en het bleek, dat hij er goed voor beloond zou worden, menschen in zijn omgeving, ouder wie ook sommigen, die hij had gered, afgunstig zijn geworden en al het mogelijke hebben gedaan, om zijn daden te verkleinen, hem zelfs beschuldigende, dat hij in sommige gevallen in gebreke zou zijn gebleven en niet spoedig genoeg ter hulp zou zijn gekomen. Zoo werd hem verweten, dat hij de menschen, die zich in de schuur van Holtrop aan het Tjeukemeer bevonden, niet terstond ter hulp was gesneld, toen zij om hulp riepen.

Daartegen wordt opgemerkt, dat het eerst wegens den vliegenden storm onmogelijk was om met een klein puntertje zonder roer of zeil over te varen, ook omdat een zeer diep gedeelte moest worden gepasseerd, waar met den vaarboom waarschijnlijk niet eens de bodem geraakt kon worden. Terwijl — en die opmerking is wel zeer terecht — de menschen in de schuur zelf de beschikking hadden over een praam. Toch heeft Groen hen, zoodra het weer het toeliet, geholpen.

De commissie uit Leeuwarden heeft voor haar onderzoek ook een reis naar Vierhuis gemaakt, om daar verschillende personen te hooren, Daarbij werd door Groen's kostganger Fedde Bosma verklaard, dat zekere Tjitse Jongsma op 't hooren dat Groen geldelijk beloond zou worden, zeide: „Groen meent, dat hij er vrij wat van zal trekken, maar dan moesten ik en IJpe er niet wezen, daar zullen wij wel voor zorgen." Deze Man moet volgens het rapport zeer op Groen hebben afgegeven. Toen de commissie hem hoorde, wist hij niets positiefs tegen Groen in te brengen; toch zei hij: „'t Kan mij niet schelen, al willen de heeren van Leeuwarden hem f 100.000 geven, maar hij heeft niets verdiend."

Uit het bedoelde boek nemen wij nu nog eenige regels over van een gedicht, dat op 30 Maart 1825 is uitgesproken in de Winteravond-vergadering van het Departement Leeuwarden der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Zij illustreeren meteen de wijze, waarop men in die dagen, met hollen klinkklank en hoogdravende, overdreven kwalificaties, gewoon was zijn pennevruchten in te kleeden. Dit geldt trouwens niet alleen voor de poëzie; ook het proza van die dagen — de beide genoemde boekwerken geven er het duidelijk bewijs van __ was al even gezwollen van stijl. Het bedoelde gedicht dan begint als volgt:

Daar, waar het groote Tjeuke meer
Zijn golven bruisen doet,
En, bij het barre winterweer,
Vaak zoo onstuimig woedt;
Daar ligt, aan d'ooster oeverkant,
Zoo menig needrig kluis,
Met weinig weelig loof omplant;
Daar ligt het klein Vierhuis.
De schipper, die, om noest gewin,
Den steven derwaarts wendt,
Laadt daar de drooge veenkluit in;
Hem is Vierhuis bekend,
Dat, schaars door anderen bezocht,
Reeds menig jaarkring telt;
Doch, wat geschiednis melden mogt
Vierhuis bleef onvermeld.
Vierhuis, dat nu, in Nederland,
Op alle tongen zweeft,
Waar, in den nederigsten stand,
De kloeke visscher leeft,
Die, bij het vreeslijk noodgetij,
Der menschheid heeft getoond,
Dat, ook in 't kleed van grove pij
De zielenadel woont.
Ja, tot hier was hij vergeten,
De onvermaarde en dorre grond;
Nu, nu wil heel Neêrland weten,
Waar men zooveel deugden vond;
Deugden, die den glans verhoogen
Van der Vriezen eerekroon,
En, wat nijd en laster pogen,
Daar, voor eeuwig, staan ten toon.
Deugden, eischend beetre zangen,
Hooger toon, en schooner lied;
Gij versmaadt de hulde niet,
Die, welmeenend aangevangen,
U mijn zangster staamlend biedt.

We hebben nog een ander boek over Harmen Groen onder oogen gehad en wel een werkje uit de bekende Stamperius-bibliotheek. De schrijver A. Rengersen heeft in het werkje „Aan het Tjeukemeer" (uitgave L. J. Veerman, Heusden) het leven van Groen voor de jeugd beschreven. Het schijnt in verschillende schoolbibliotheken aanwezig te zijn. Een schoolhoofd uit deze omgeving was zoo welwillend ons het werkje te verschaffen.

Het is een tamelijk uitvoerige beschrijving van het leven van Groen, ook van zijn jeugd, derhalve van den tijd vóór den watervloed. In levendige kleuren wordt daarin geschetst het moeilijke leven van dezen bekend geworden man, dien hij een held noemt. De schrijver zegt te hebben geput uit oude aanteekeningen uit het begin van de 19é eeuw. Zijn beschrijving komt, wat het zakelijke aangaat, zeer juist overeen met wat wij in de destijds verschenen werken over Groen lazen.

Waar dus in dit boekje een ware geschiedenis zeer getrouw wordt weergegeven en deze beschrijving een goeden blik geeft op het harde leven van den onbemiddelden schipper uit de eerste jaren van de vorige waar het juist deze dagen een eeuw geleden is, dat de in dit boekje beschreven feiten hebben plaats gehad, daar verdient het op 't oogenblik meer dan gewone belangstelling.

Rohel, Rotsterhaule, St.-Johannesga, Rottum.

In deze vier dorpen was de toestand al niet beter dan in de hiervoor genoemde streken. De nood kwam er iets later, maar niet minder hevig. Tusschen 8 en 9 uur des avonds bemerkte men een sterke was van het water en eenige oogenblikken later de geweldige vloed uit het Zuidwesten.

Binnen een paar uur was het water alle woningen binnen gedrongen. De volgende morgen leverde een toonbeeld van ellende: vele woningen waren vernield; met den vloed werden overal huisraad, planken en andere dingen meegevoerd, die van en uit de woningen waren weggedreven. Honderden bewoners van deze omgeving verkeerden in nood, hadden zich in vaartuigen begeven of bevonden zich in of nabij de kerk van St.-Johannesga. Velen hadden geen gelegenheid gehad zich behoorlijk te kleeden en zij hadden dan ook zeer veel van de koude te lijden. Voedsel was bijna niet aanwezig, terwijl ook andere verzorgingsmiddelen ontbraken.

In genoemde kerk, waarin het water ook tot acht palmen was gestegen, werden niet minder dan driehonderd van deze vluchtelingen tijdelijk ondergebracht. Spoedig daarop ontstonden er onder deze menschen ziekten, wat den toestand nog verergerde.

Het verlies was voor deze menschen wel erg, daar slechts weinigen uit eigen middelen iets konden herstellen. Opder St.-Johannesga en Delfstrahuizen werden honderdvijfig huizen vernield of zwaar, beschadigd. Alleen aan turf verloor het eerste dorp een waarde van f 10.600. Onder de meest getroffenen wordt genoemd de boer S. R. Bok, wiens huis bijna geheel werd vernield, van wien tien stuks vee verdronken, terwijl hij zich met zijn gezin nauwelijks tijdig kon redden.

Van hen, die anderen in hun nood bijstonden, wordt met name genoemd Minne Jacobs Hogeboom, die, hoewel zelf niet bemiddeld, vijftig menschen in zijn schip opnam en hen vijf dagen lang van het zijne mededeelde. Ook in de kerk te Rottum werden eenige vluchtelingen onderdak gebracht. Een arme vrouw, die het weinige, dat zij bezat, door den vloed verloor, is daar op de kerkbanken moeder geworden, zonder dat er behoorlijke hulpmiddelen ter verzorging van moeder en kind aanwezig waren.

Oosterzee.

Roelof Altes Schippers, geb. 7 Febr. en Geesje Berends Kelderhuis, geb. 16 Maart 1822, gehuwd 16 Maart 1845, zoodat ze eerstdaags hun 60 j. echtvereeniging kunnen gedenken, hebben eigenlijk geen heugenis van den vloed, doch de man weet van zijn ouders, die boer waren aan de Kooisloot, dat het vee in een praam werd geplaatst, waarover een kap werd gemaakt. Deze praam lag in de schuur. Met Bouwe Solkama had zijn vader de huishouding van Dirk Groen gered, uit een woning die kort daarna instortte.

Echten.

Niesje MartensTromp, geb. 18 Mei 1821, woonde destijds bij hare ouders te Kalenberg. Haar vader was visscher en ging nog met anderen uit om de gevangen visch in netten aan de drijftillen vast te leggen, en toen zij terug kwamen had de moeder de punter reeds met den steven in huis. Daarin zochten ze hun behoud. Ter beschutting tegen het ruwe weder plaatste de vader een vork met de tanden omhoog in het mastgat en spande daarover een kleed. Zoo liet men zich drijven naar Wieger Jonker a.d. Oudeweg en van daar naar Paaslo. Onderweg dreef veel dood vee. Goed dat ze gevlucht waren, want het water kwam tot den nok van hun huis.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.