Vries, Bouke de

Bouke de Vries, geboren op 30 juli 1907 te Harich, overleden op 6 mei 1943 te Leeuwarden, zoon van Jan de Vries en Hendrikjen Albada. Gehuwd met Grietje Bruinsma.

Bouke de Vries deed met vele anderen op zaterdagavond 1 mei 1943 mee aan de melkstaking te Oudega-W. Hij was op een boot gesprongen die melkbussen vervoerde en leegde de bussen in het meer. Bouke dook onder, evenals enkele anderen die hadden meegedaan. Toen werd zijn vrouw Grietje op maandagmorgen 3 mei 1943 meegenomen, terwijl thuis drie kleine kinderen achterbleven. Van andere stakers waren ook al familieleden als gijzelaar meegenomen.

Dit kon Bouke niet aanzien, en meldde zich vrijwillig op 4 mei 1943. Andere gijzelaars waren al weer vrijgelaten, maar Bouke werd als leider gezien. Bouke werd standrechtelijk tot de doodstraf veroordeeld op het Oud Burger Weeshuis (SD-kantoor, waarheen het Standrecht was verhuisd vanwege de lang aanhoudende onrusten in Friesland) te Leeuwarden en samen met Dirk Fokkens, Jan Eisenga en Broer de Witte op 4 mei 1943 om 21.30 uur op het Kalverdijkje te Leeuwarden gefusilleerd. Bouke de Vries was vrachtrijder en woonde met zijn jonge gezin in Oudega (Wymbritseradeel).

● 1947: Bouke de Vries te Oudega (Wijmbr.), door de Duitsers gefusilleerd op 5 Mei 1943

Sedert die Donderdagavond, toen de Duitsers door de radio bekend hadden gemaakt, dat de Nederlandse militairen in krijgsgevangenschap teruggevoerd zouden worden, was het onrustig geweest in het dorp. De jongeren scholen samen, ouderen liepen met bedrukte gezichten. De gehele Vrijdag werd in gespannen bewogenheid doorgebracht; er broeide iets, er ging iets gebeuren; wat sedert maanden en jaren in gans een volk opgekropt was, zou zich ruim baan verschaffen. Maar hoe en waardoor en door wie?

Waar het vandaan kwam, weet niemand, maar plotseling werd het woord „staking gehoord. Het waren geen communistische cellenbouwers, die het consigne uitgaven en er was overigens ook geen enkele organisatie, die deze actie voorbereidde. Het kwam, omdat het komen moest, omdat het uur geslagen had, omdat de door de vijand voorgenomen maatregel het hart in zijn levensader zou treffen. Er laaide een vuur op in de gemoederen van ons volk, even stralend en onweerstaanbaar als de overdadige zonneschijn, welke die laatste dagen van April 1943 over onze Friese landen viel.

Een Vrijdag van zenuwachtig afwachten. Het rommelde en grommelde, maar tot ontlading kwam het nog niet. Al spoedig bleef alle arbeid buiten het aller-noodzakelijkste liggen, het verzet was nog geheel passief. Wat zou het spoor doen? Op de vaste tijden rolde het nog van Leeuwarden naar Staveren en terug.. . . De Zaterdag werd de gloriedag. Laat de voorzichtige en bedachtzame en bevreesde duizendmaal gelijk gekregen hebben, ongelijk hadden ze, toen al en nog meer voor het front der geschiedenis, zoals zich dat nu reeds enigszins aan onze ogen vertoont.

Het was de dag van de jeugd, van het enthousiasme, van de vrijheid vooral. Weg de knellende boeien. Wat kon de bezetter een volk deren, dat tot één vurig-willend leger was samengesmeed? In het Oudega aan de Brekken steeg de opstandige stemming met het klimmen der uren tot koortshitte. Alles lag stil, niemand ging naar Sneek, de solidariteit leek volkomen. Alleen de melkwagens probeerden nog te rijden, maar de spontaan-verrezen vrijscharen verhinderden zulks met dreiging of geweld. De melk stroomde, zoals de golven van de Rode Zee over Farao's leger stroomden. Toen de melkboot niettegenstaande herhaalde waarschuwingen in de haven van de zuivelfabriek arriveerde, overstortte een stoet geestdriftigen het terrein en al spoedig vloeide het witte vocht weg en vermengde het zich met de groene wateren van de Brekken, onheilspellende figuren vormende. . . .

De Zondagmorgen van de eerste Mei, was niet zo gezegend rustig, zo heilig vredig als alle andere Zondagmorgens. Er was nog gevechtsactiviteit, de ongeregelde troepen waren nog op pad, de dorpsveldwachter was in zijn gezicht uitgelachen, toen hij een melkrijder met zijn zwaaiende revolver wilde beschermen, maar zo ganselijk onbekommerd als de vorige avond was toch niemand meer. Moest hier niet iets anders achter vandaan komen, iets monsterachtig-wreeds? En wie zou het dan treffen? Bouke de Vries was zo geheel anders dan gisteravond, zo geforceerd kalm, zo stil ernstig nu.

Wat een kerkdienst die morgen; De burgemeester was aanwezig, de dominee bleek, de gemeente wonderlijk gespannen. Van de preekstoel een waarschuwing om rustig naar huis te gaan en tegen het eind van de dienst, de noodlotstijding: de Duitsers zijn in het dorp!

Later werd het haast „gewoon", maar deze eerste overval blijft verschrikkelijk, doet bij de gedachtenis nóg huiveren. Zwaarbewapende patrouilles surveilleren, halen de mannen uit hun huizen, nemen verhoren af, omsingelen het dorp. Zelfs kinderen zijn niet vrij voor hun bedreiging. Al spoedig zoeken ze om bepaalde personen, er moet verraad in het dorp zijn. Wat moet dit worden? Burgemeester Schut van Sneek en de gevreesde Lammers van Leeuwarden lopen met de Duitsers af en aan door de buurt, die als schoongeveegd is.

Bouke de Vries heeft juist op tijd het dorp kunnen verlaten; een van zijn naaste medewerkers van de vorige avond glipt ook nog net op tijd langs de uitgezette wacht, maar zijn vriend is te laat. Ergens op een donkerstoffige zolder verschuilt hij zich en moet daar horen, hoe zijn jongste broer als gijzelaar voor hem door de Duitsers meegenomen wordt: een kwelling, die een jonge kerel gek kan maken.

Bouke de Vries heeft geen jongste broer thuis, alleen een angstige vrouw en kinderen, die nog van niets weten. Hém willen ze echter hebben de Duitse bloedhonden en nu ze hem niet kunnen krijgen, nemen ze zijn vrouw mee. Met opelkaar geklemde lippen moeten de dorpelingen het aanzien, hoe zij op de overvalwagen, tussen talrijke Oudegasters in weggevoerd wordt.

Alleen maar angst aanjaging, intimidatie van de voortvluchtige? Die geen gevaar te duchten hebben, zeggen zulks zelfverzekerd, maar wat moet een man doen, die dat bericht enige uren later in zijn schuilplaats te horen krijgt? God alleen weet, welk een strijd deze kerel van 35 jaar in zijn binnenste te voeren gehad heeft, maar de uitslag kan voor hemzelf en voor die hem kennen, niet onzeker zijn.

De volgende avond verschijnt hij in het dorp en geeft zich ogenblikkelijk aan bij de marechaussee. Een dorpsgenoot, die hem nog poogt te overreden om te verdwijnen en die hem toevoegt: "Dou meist it net dwaen, Bouke, dit giet om dea" krijgt alleen te horen: „Ik moat it dwaen, dit giet om myn wiif". Die mond en die ogen zeggen nog honderdmaal meer dan deze enkele woorden.

Al heel gauw zijn de Duitsers er, om hun buit op te halen. Bouke heeft de boekhouding van zijn vrachtrijderij heel zakelijk overgedragen, dan ondergaat hij als een held en in geloof zijn lot. Twee dagen van angstige spanning volgen; zijn vrouw keert terug, maar van hem wordt niets meer gehoord. Des Donderdagsmorgens, op 6 Mei 1943, wordt bekend dat hij gefusilleerd is. met een boerenzoon uit de naaste omgeving, Broer de Witte van Greonterp, met Jan Eisenga van Gorredijk en vele anderen. Nooit wordt hun graf gevonden.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.