Home » Lemmer » Visserij en schepen » Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam » Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam (5)

Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam (5)

1. Gerben Bootsma: 2. Jan Visser: 3. Andries Koornstra: 4. hofmeester Wedman of Dijkstra: 5. R. van der Meer: 6. stuurman Evert de Roos: 7. Sj. Kuipers: 8. Siebren Postma: 9. D. de Boer: 10. onbekend: 11. machinist Jan Kamminga: 12. Gerke Bootsma: 13. onbekend: 14. kapitein Bolhuis: 15. stoker Rienk Coehoorn of J. de Jong.

Jan Nieveen.

Een week voor de kerstdagen van 1951, kwam de mededeling, dat de Jan Nieveen zou worden omgebouwd tot motorschip. De stoommachine had 23 jaar dienst gedaan en was aan vervanging toe. De toekomst van de motorschepen, die bovendien een kleinere bemanning in de machinekamer nodig hadden.

Op oudejaarsnacht maakte de Jan Nieveen, vanuit Amsterdam zijn laatste reis als stoomboot. Het zat potdicht van de mist. Klokslag middernacht trok de kapitein aan het koord van de stoomfluit. Voor het laatst klonk het vertrouwde geluid over het IJ. Passagiers en bemanning wensten elkaar een voorspoedig Nieuwjaar, de hofmeester schonk een oorlam en even later begon de eerste reis van het nieuwe jaar.

Op 5 januari werd daarom de Jan Nieveen, uit de vaart genomen. Bouwman en Rutte gingen zolang naar het schip van kapitein Koop de Boer, Gerrit van der Staal, werd op de Sneek VII geplaatst en Jouke van der Bijl, werd kapitein op een Hunzeboot. Stoker Martin Flig, was de klos, een stoomschip heeft nu eenmaal geen stoker nodig.

Het inbouwen van de nieuwe scheepsmotor een vier cilinder Appingerdammer Brons, die 250 effectieve paardenkrachten leverde, op de werf van de Gebr. de Boer, nam ruim vier maanden in beslag. (De stoomketel en die prachtige machine gingen er uit en er kwam een motor voor in de plaats. Dat alles voor een bedrag van ƒ 150.000 gulden). Als motorschip had de Jan Nieveen minder charme als voor heen , vooral het verdwijnen van de hoge pijp bleek esthetisch een verlies, maar een voordeel was dat er meer vracht meegenomen kon worden.

Het was op 13 mei 1952 dat de Jan Nieveen, voor een proefvaart de Lemster haven verliet. Verdwenen was de markante hoge pijp, die zulke fraaie zwarte rookwolken kon uitbraken, een schoorsteen die de helft kleiner was, was ervoor in de plaats gekomen, de vertrouwde stoomfluit was verdwenen, het schip zag er verder overigs prima uit. Het zat fris in de verf en de verwarming was vernieuwd. Toch koos de bemanning een beetje onwennig de zee.

Niet langer hoorde men het trouwe gestamp van de stoomkar, nu stond een dieselmotor onderin te ronken. De motor hield zich prima. Ook de volgende dag, toen er opnieuw proef werd gevaren, maar nu met een flinke schare genodigden, die in Urk een diner kregen aangeboden. 's Avonds elf uur vertrok de bemanning met een lege boot weer naar Amsterdam. Een succesvolle reis zou het niet worden want een mijl of vijf uit de kust. kwam de Jan Nieveen in aanvaring met een leeg vrachtschip, dat slecht verlicht voor anker lag. De aanvaring liep goed af een paar lichte schrammetjes was alles.

De tot motorschip verbouwde Jan Nieveen, glijdt kalm naar zijn vertrouwde ligplaats in de Lemster Binnenhaven.

In de zomer was het flink druk op de lijn Lemmer Amsterdam. Niet alleen staken veel vakantiegangers over, ook werd de boot gebruikt voor plezierreisjes. Zo vertrok de Jan Nieveen op een zondagmorgen om 7 uur met 500 communisten naar Amsterdam, waar zij een toogdag van hun partij wilden bijwonen. Nog voor de boot de sluis was gepasseerd, was het al mis. De communisten wilde de partijvlag in de voormast knopen.

De blauwe wimpel met daarop de naam van de boot in 't wit zou daar voor moeten wijken. De kapitein gaf geen streep toe. Geen communistische vlag in de mast van zijn schip. Daar hoorde de wimpel van de boot en die bleef daar. Basta. Voor het overige verliep de reis gezellig en gemoedelijk. Hoffie kwam handen te kort, maar werd algauw ter zijde gestaan door een aantal jongedames, die zelfs de afwas niet uit de weg gingen. De hofmeester kon tevreden zijn het schip was keurig opgeruimd, toen het gezelschap tegen twaalf uur van boord ging.

De bemanning zocht de kooi op, om nog even een dutje te doen, voor de boot 's avonds zes uur weer naar Lemmer zou vertrekken. Van slapen kwam echter niet zo veel terecht. De wind haalde aan en floot al spoedig door de want, bezorgd wierp kapitein Bouwman, een blik op de barometer. Hij zag tegen de reis op. De andere bemanningleden trouwens ook. Het weer was bar en boos geworden en de wind waaide uit het noordwesten. De verkeerde hoek dus.

Tot Marken ging het goed, maar toen begon de ellende. Alles moest zeevast worden gesjord. De boot stampte geweldig, de wind gierde, enorme wolken buiswater, ontrokken het voorschip aan het gezicht en het overkomende water, maakte de gangboorden onbegaanbaar. Het natuurgeweld was ontketend. Van de 500 passagiers waren er 499 ziek. Alleen die ene Lemster visser, had nergens last van. Hij hielp de passagiers daar waar nodig was.

Een paar meisjes uit Leeuwarden waren zo ziek, dat ze in momenten van grote twijfel vreesden dat ze Lemmer nooit zouden halen. Kapitein Bouwman, besloot koers te zetten naar Enkhuizen, dit om de beruchte val van Urk te vermijden (De ten westen van Urk gelegen Val van Urk had een diepte van meer dan 5 meter). Na een uitermate zware reis liep de Jan Nieveen, behouden de haven van Lemmer in. De bemanning kreeg toen nog handen vol werk om de boel weer op te ruimen.

Geregeld nam het schip manden met postduiven mee, van Lemster duivenliefhebbers, de dieren werden op zee losgelaten, om naar Lemmer terug te vliegen. Op zekere dag stapte Klaas Wouda, met een mand duiven aan boord. Hij vroeg stuurman Gerrit van der Staal, of deze ze bij Marken los wilde laten. "Natuurlijk Klaas geef maar mee" zei Gerrit. Klaas was er van overtuigd, dat de duiven onmiddellijk naar Lemmer zouden vliegen. Het waren immers beste vliegers. De stuur gaf ze een goed plaatsje, te goed misschien, want waar hij ook aandacht aangaf tijdens de reis, niet aan de duiven.

Een paar dagen later kwam een diep teleurgestelde Klaas Wouda aan boord. "Ik begrijp er niets van", zei hij spijtig. "Niet een van de duiven heeft Lemmer weten te bereiken". Gerrit schrok zich wezenloos. De duiven! Hij was de duiven vergeten. Deksels nog aan toe. Klaas vroeg niet naar de lege mand, en de stuurman kreeg opeens verschrikkelijk veel haast. Klaas vertrok, en Gerrit wist niet hoe snel hij de mand met duiven moest opzoeken. Haastig liet hij de duiven los. Binnen tien minuten was Klaas terug. Nu brak hem toch de klomp! Hier begreep hij geen snars van. "Toen ik thuis kwam waren de duiven er ook", Gerrit haalde de schouders op en mompelde iets van het kan raar lopen, en zei vervolgens met een stalen gezicht, "Je moet je mand mee nemen Klaas". Die staat hier nog. Je bent hem daarnet vergeten.

De winters in het begin van de jaren vijftig waren streng. De schepen kampten met zware ijsgang waarin zij moeizaam vooruitgang maakten. Soms was het nodig om in konvooi te varen. De reizen duurden lang en de kou was hevig. Verschillende keren raakten de schepen ingevroren. Dan konden ze de haven niet uit en werd de dienstregeling stop gezet. Een paar maal werd uitgeweken naar Harlingen om via Den Helder naar Amsterdam te varen. Het overkomende buiswater bevroor meteen. Het ijs zat soms tot halverwege de mast. Bij aankomst in de haven leek het wel of de schepen rechtstreeks uit het poolgebied kwamen. Tijdens zo'n gedwongen stil-lig-periode ging de Jan Nieveen in Amsterdam in dok om van een nieuwe schroef te worden voorzien.

In het dok van Amsterdam werd de schroef van de Jan Nieveen vervangen.

Van de boten werd veel gevergd, maar het onderhoud werd niet vergeten. De Jan Nieveen hoog en droog in het dok te Amsterdam.

Als een grauwsluier hangt de mist over de Lemster Binnenhaven. Maar gevaren werd er.

Lange werkdagen.

Al met al heeft de Lemmerboot dus een veelbewogen en in bepaald opzicht ook een rijke geschiedenis achter de rug, als men daarbij van een schip mag spreken althans. Verschillende oud-bemanningsleden, zien daar met een stuk weemoed op terug. Ook al moesten zij aan boord van de Jan Nieveen, lange dagen en nachten maken tegen een karig loon.

En van een normaal gezinsleven kon geen sprake zijn. Elke nacht werd er gevaren behalve op Zondagen, de ene dag van Lemmer naar Amsterdam de volgende weer van Amsterdam naar Lemmer. Zo tussen de bedrijven door, -want ook overdag was er werk aan de winkel met het laden en lossen van vracht, schoonmaken en onderhoudswerk-, dan konden er soms wat hazenslaapjes worden gedaan.

De nu 75 jarige Hans Seldenthuis, uit Lemmer die van 1928 tot 1942 als stoker op de Jan Nieveen, heeft gevaren, verteld nu dat hij in die jaren inderdaad zelden thuis was. Een werk week van 85 uren was heel normaal. En wat extra's van de baas was er niet bij. Toch vond hij het stoken mooi werk , maar zwaar was het wel. Volgens de toen geldende regels moesten er twee stokers zijn, bij een ketel met een verwarmd oppervlak van honderd vierkante meter. Zeer bewust had men de ketel van de Jan Nieveen, niet groter gemaakt dan 99 vierkante meter. Er kon dus op grond van de wet met één stoker worden voldaan. Die moest dan wel alleen per reis over het IJsselmeer wel drie ton kolen verstouwen. De twee vuren van de Schotse ketel, namen namelijk nogal wat, de druk moest dan ook constant op zeventien atmosfeer gehouden worden.

Die druk was nodig voor de 'quart-tripel expansie machine', Zie ook: www.stoommachine.info dat was een bijzonder geval, zoals gezegd, Tripel machines met drie cilinders waren in die tijd veel in gebruik. De machine van de Jan Nieveen, had nog een extra lange druk cilinder gekregen. Eerst kwam de stoom in een hoge druk cilinder, met de kleinste diameter, daarin bedroeg de druk dan zo'n zestien atmosfeer. Vervolgens werd de druk naar de tweede cilinder geleid, waarin de druk al was afgenomen tot zeven en een half atmosfeer.

In de derde cilinder met een nog grotere middellijn, was de druk nog maar slechts twee en een half. Tenslotte ging de stoom nog naar de vierde cilinder, daarin werd de druk van hoogstens een half atmosfeer bereikt. Volgens de Heer Seldenthuis, was soms de druk soms nog lager, vooral als de frisse wind van buiten langs de machine stroomde en de cilinder te veel afkoelde. Naar zijn mening was de vierde cilinder niet zo effectief, het rendement van zo'n machine zou veel groter zijn geweest, als hij werd gebruikt, op de grote stoomsleepboten op de Rijn, die haast dag en nacht in bedrijf waren. Maar een erg mooie kar (motor) was het wel. En een krachtige ook, met gemak leverde hij driehonderd-vijftig paardenkrachten. "Het was een prachtige machine" zegt de Heer Seldenthuis, nu. Je zag alles zo mooi draaien, en dan al dat prachtige koperwerk.

Het einde en het begin.

In de loop van de jaren vijftig, ging het snel bergafwaarts met de bootdienst Lemmer-Amsterdam. De auto won steeds meer terrein. Het vrachtvervoer nam zienderogen af, terwijl de passagiers ook op de Lemmerboot raakten uitgekeken. Zij reisden voortaan met de trein of met de eigen auto. De verbinding over land met de Randstad, was als gevolg van de inpoldering van het IJsselmeer veel korter geworden. De samenleving had geen tijd meer. Alles moest snel. De oude tram werd in de volksmond de slak genoemd, de Lemmerboot werd spottend 'Jan Scheet' genoemd. Het begin van het einde tekende zich af, toen de maatschappij het besluit nam winterdiensten op te heffen. Daar zat geen brood meer in. Passagiers waren er nauwelijks, vracht evenmin. De boot zou voortaan alleen nog 's zomers, van mei tot september varen.

Het schip werd zelf overigens ook minder. Dat werd duidelijk toen men assistentie wilde verlenen aan een hunzeboot, die vermoedelijk een schroef had verloren. Om dat te onderzoeken werd het achterschip met behulp van de lier van de Jan Nieveen uit het water gelicht. Daar bleek de dertig jaar oude mast niet meer tegen bestand te zijn. In drie stukken kwam het houtwerk naar beneden. Kapitein Roelof Hoekstra, werd door de brokstukken getroffen, maar raakte niet noemenswaardig gewond. Na een week kon hij weer aan de slag. In Amsterdam werd een ijzeren mast geplaatst.

Het einde naderde met rasse schreden. In 1959 deelde de maatschappij mee, dat zij geen kans meer zag om de Jan Nieveen, nog langer op een rendabele wijze te exploiteren. Aan het eind van de zomer zou het schip uit de vaart worden genomen, en verkocht worden.

De laatste zomerdienst werd met dubbele bemanning gevaren. De eerste ploeg bestond uit kapitein Koop de Boer, die een paar jaar eerder kapitein Bouwman, was opgevolgd, stuurman Roel Hoekstra, en matroos Auke Jongstra, de tweede uit Gerrit van der Staal, stuurman Koert de Vries, en matroos Ferdinand Deinum. Het aanbod van passagiers leefde in die zomermaanden nog wat op, en ook zeilers lieten hun bootjes nog wel eens op de Jan Nieveen, hijsen om in Friesland te kunnen varen. Zo ook twee jonge mannen van zestien en negentien jaar oud. Van hun ouders mochten ze in Friesland zeilen, mits ze de heen en terug reis met de Jan Nieveen, maakten. Vader had het kaartje voor de heenreis gekocht en geld gegeven voor de terugreis.

Kapitein Koop de Boer, werd op 24 december 1903 te Lemmer geboren. Al op de leeftijd van twaalf jaar voer hij op de boot tussen Lemmer en Sneek. Hij wilde machinist worden, maar kwam uiteindelijk op de brug terecht. Vier jaar voerde hij het commando over de Jan Nieveen. Toen werd het schip uit de vaart genomen.

Kapitein Koop de Boer, bracht het schip weg, maar haalde het bijna 20 jaar later ook weer op.

Veel Friese en Hollandse zeilers lieten hun boot op de Jan Nieveen hijsen om aldus de oversteek te maken.

Toen de vakantie erop zat, hadden de jongens misschien geen geld meer voor de boot. Hoe dan ook ze besloten het IJsselmeer met hun eigen bootje over te steken. Het werd een drama. Het bootje werd later omgeslagen teruggevonden in de bocht van Hoorn. Enige tijd later werd het stoffelijk overschot van één van de zeilers geborgen door een motorboot van de maatschappij. Het andere werd gevonden door een Lemster visser.

Ondanks de sombere vooruitzichten haalden de bemanning nog wel eens een geintje uit. Hofmeester Verschoor, bijvoorbeeld mocht, als de boot in Amsterdam lag, graag zijn hengeltje uitgooien in het IJ. Af en toe ving hij een palinkje, waar hij verzot op was. Op zekere dag had hij weer zijn vistuig uitgeworpen en liep even naar zijn hut. Op dat moment werd net een partij diepvries paling gelost.

Gerrit van der Staal, zag zijn kans schoon. Hij nam drie van die stijf bevroren palingen uit een kist, haalde de hengel van Verschoor op, bond de vis aan de haak en liet de zaak weer zakken. Kort daarna kwam 'Hoffie' en haalde zijn vangst boven water. Hij was met stomheid geslagen. Hoe bestaat het, mompelde hij, drie dode palingen en nog wel in één keer. Hij begreep er niets van, totdat hij de beesten aan een nadere inspectie onderwierp en ontdekte dat ze koud waren en zo stijf als een plank. Toen was de boot aan! De kapitein lag dubbel van het lachen. Even later zat 'Hoffie' prinsheerlijk aan de gebakken paling.

De zomer liep ten einde en op vrijdag 28 augustus was de dag daar, dat de Jan Nieveen, de laatste reis naar Amsterdam zou maken. Ruim 30 jaar, had het schip zijn diensten bewezen. Mist, ijs en storm trotserend, had hij eerst de Zuiderzee en later het IJsselmeer bevaren. Dat alles was nu voorbij. Het was de bemanning zwaar te moede, toen de scheepshoorn baste en daarmee voor de laatste keer het vertrek aankondigde. Nog even en de motor zou stil staan, voorgoed naar het scheen. Afgedankt lag het in een hoek van het Oosterdok in Amsterdam, wachtend op de sloper.

Afgedankt lag de boot in een hoek van het Oostdok te Amsterdam, wachtend op de slopershamer.

Het was oud Lemster W. Tieleman, die het nog zo trotse schip de smadelijke gang naar de scheepssloper bespaarde. Rederij Tieleman, uit Rotterdam kocht de Jan Nieveen, toen het schip al een jaar voor de wal had gelegen. Het zou dienst gaan doen als rondvaartboot. De verbouwing op de werf van Jonker en Stans, in Hendrik Ido Ambacht, was drastisch en ging ten koste van veel scheepsschoon.

De grote mast, waaraan altijd de bekende blauwe wimpel met de naam van het schip heeft gewapperd, werd verwijderd, even als beide sloepen. Er kwam een deksalon op en ook het ruim werd ingericht als salon. Tafels, stoelen, verlichting, een geluidsinstallatie en wat dies meerzij maakte het schip geschikt voor het beoogde doel. De vertrouwde kleuren verdwenen. De boot werd helemaal wit geschilderd en omgedoopt in IJsselhaven. Het schip werd ingezet tijdens de Floriade en vervoerde veel mensen, onder wie veel Lemsters en oud bemanningsleden, die eens wilde zien wat er van hun oude boot geworden was.

De oud-Lemster W. Tieleman, was de man die de Jan Nieveen, in 1960 van de ondergang redde. Tieleman, voer in zijn jonge jaren op het Bolswarder en Sneker vrachtbootje en begon later in Rotterdam een eigen bedrijf.

De Jan Nieveen, werd verbouwd tot rondvaartboot en omgedoopt tot "IJsselhaven". De grote mast werd verwijderd, boven het ruim kwam een deksalon en de boot werd wit geschilderd.

Het was de bedoeling van de rederij de IJsselhaven, -na afloop van de Floriade- reizen te laten maken naar de Deltawerken, maar daar is niets van terecht gekomen. De motor bleek voor die wateren niet sterk genoeg te zijn. De tochten kregen derhalve Hellevoetsluis als eindpunt, terwijl de boot in de wintermaanden werd gebruikt voor het vervoer van werkvolk in de havens.

Ziekte was er de oorzaak van dat de rederij nog geen twee jaar later verkocht moest worden. Het ging Tieleman erg aan het hart dat hij ook de boot, waaraan hij zo gehecht was, kwijt moest. Het was nog altijd zijn Jan Nieveen. Maar er was geen andere mogelijkheid. Het schip werd in 1961 overgenomen door de NV Verenigde Onafhankelijke Sleepdienst te Rotterdam, die de voormalige Jan Nieveen tot 1974 in de vaart had, aan de rondvaarten kwam toen een eind. Opnieuw wachtte het schip de slopershamer.

Maar zie, er verscheen een vriend van het schip ten tonele. Ditmaal in de persoon van de Amsterdamse buurthuiswerker Tabe Rienks. Hij had veel met het schip op, want in de oorlog had het hem evenals zovele andere uit de handen van de bezetters gehouden. Rienks was met de Jan Nieveen naar Friesland gevlucht, "En daarom sprak hij gaat dit schip niet naar de sloper". Destijds heeft dit schip mijn leven gered, nu zal ik haar redden.

Rienks wilde de Jan Nieveen, inrichten als overnachtingsschip. Het zou een soort jeugdherberg moeten worden. Hij liet het oog vallen op een ligplaats aan de overkant van het IJ, Amsterdam Noord dus, en gaf de Jan Nieveen een Friese naam Utfanhûzerboat. De plannen kwamen echter nooit tot uitvoering. Voordat het zover was, werd de boot gekocht door de Heer J.S. van Gurp, uit de stad aan de Haringvliet. De nieuwe eigenaar herdoopte het schip in Wolga en voerde er twee zomers lang rondvaarten mee uit in de omgeving van de Biesbosch.

In 1975 kreeg de voormalige Jan Nieveen, een andere eigenaar, die het schip de naam Wolga gaf.

De Jan Nieveen, was een indrukwekkend schip, zeker als het in de Lemster Rien (hier bij de Vissersburen) lag en de machtige voorsteven boven de huisjes uittorende.

's Winters lag de voormalige Jan Nieveen in Middelharnis. Daar werd hij ontdekt door een neef van de Lemster -Sjoerd van Brug. Het schip was zwaar verwaarloosd en de eigenaar wilde het schip wel kwijt. De Lemster bewaarde goede herinneringen aan de boot, en met hem meer mensen. Ze staken de koppen bij elkaar en kwamen tot de conclusie, die boot moet feitelijk terug naar Lemmer. Daar hoort zij thuis. Het idee liet hen niet los. Vele uren praten zij er over. Zou het kunnen? Een delegatie reisde naar Middelharnis. Er rezen twijfels over de staat waarin het schip verkeerde. Besloten werd met de eigenaar een afspraak te maken dat het schip op kosten van ongelijk gehellingd zou worden voor nader onderzoek.

Dat gebeurde bij Maaskant in Stellendam. Een nauwgezet onderzoek door de scheepvaartinspectie wees uit dat vlak en kimmen in goede staat verkeerden. De koop ging door. De nieuwe eigenaren werden C. Visser te Gorredijk, S, van Brug en H.J. Portijk te Lemmer, de Vereniging Voor Vreemdelingen Verkeer in Lemmer en later ook de heer P.A. Burgers, eveneens uit Lemmer. Niet lang daarna melde de kranten 'Oude Lemmerboot komt terug!'

Onder commando van de laatste Lemster kapitein Koop de Boer, werd de Jan Nieveen in Middelharnis opgehaald. De bemanning bestond uit meer oudgedienden, Cor Rutten, Arnold Drent, en Cor Visser. In twee dagen werd het schip overgevaren naar scheepswerf Peters, in Kampen. Een drukke tijd brak aan. Het schip moest uiterlijk althans weer zoveel mogelijk in de oude staat worden gebracht.

Men moest kunnen zien dat het de Jan Nieveen was. Veel Lemsters reisden in hun vrije tijd naar Kampen om een handje te helpen. Het vlak werd in de teer gezet, het schip werd in de oorspronkelijke kleuren geschilderd, en de naam 'Wolga' werd uiteraard veranderd in Jan Nieveen. De letters werden gemaakt op de Christelijke Technische school te Lemmer. Was Groningen de thuishaven geweest toen het schip nog onder de vlag van de maatschappij voer, nu kwam er -Lemmer- op de achtersteven te staan.

Op vrijdag 15 april 1977 werd de Jan Nieveen te water gelaten, hij vertrok de volgende dag naar Urk om van daaruit naar huis te varen. Oud bemanningsleden werden uitgenodigd die tocht mee te maken. Het was welhaast onmogelijk, na zoveel jaar weer op de Jan Nieveen te zijn. Een beetje onwennig stapten zij in Urk aan boord van het schip, dat voor de meesten toch zoveel had betekend. Wat was er veel veranderd. Waar was de klok gebleven en de barometer, waar de bordjes met de spreuken zoals, "hij die nooit gevaren heeft, weet niet hoe een zeeman leeft" en met kussens te huur 20 cent en niet met schoenen op de banken?

Ze waren allemaal weg. Verdwenen waren ook de scheepsklok, de koperen bel en de telegraaf. Het ruim bestond niet meer. Dat was nu een salon. Het voordek werd in beslag genomen door een deksalon. Maar wat maakte het eigenlijk allemaal uit? De Jan Nieveen kwam terug. Daar ging het om. De boot zou weer thuis varen. Dat was veel belangrijker. Toen was het ogenblik daar, de trossen werden los gesmeten.

Op de brug stond de nieuwe kapitein Jan Visser, een rasechte Lemster en voormalig Noordzeevisser. Hij kende het schip nog uit zijn jonge jaren. Nu keerde hij er als gezagvoerder mee terug. Na een voorspoedige overtocht lag het schip voor de Lemster haven. De ontvangst was onvoorstelbaar. Tientallen jachten en bootjes waren uitgevaren om de Jan Nieveen een groots welkom te heten. Onder luid gejuich gleed de Jan Nieveen de sluis binnen. Overal wapperden de vlaggen. Muziek korpsen speelden.

Jan Visser, werd in 1977 de nieuwe kapitein van de Jan Nieveen. Een paar jaar later overleed hij onverwacht.

Het zag zwart van de mensen op de Lemster sluis toen de Jan Nieveen geschilderd in de oorspronkelijke kleuren, op 16 april 1977 na een afwezigheid van bijna 20 jaar thuisvoer.

Na vele omzwervingen was de Jan Nieveen weer terug. Twintig jaar was hij weggeweest. Het was niet de bedoeling dat het schip voor de wal bleef liggen. De nieuwe eigenaren wilden er dagtochten mee maken naar onder meer Urk en Enkhuizen. Verder werd het schip verhuurd voor reisjes met gezelschappen. Net als vroeger dus. Dat was ook die speciale reis naar Amsterdam. Ook daar werd de Jan Nieveen, juichend binnengehaald. Het in de vaart houden van het schip koste nogal wat tijd en werk. Dat kwam voor een flink deel neer op één man, Piet Burgers een oud Lemster, die wat graag aan het project had willen mee doen.

Burgers: "In de Zuid Friesland las ik in 1977 van het plan de Jan Nieveen, weer naar Lemmer te halen. Ik woonde toen nog in Kribi (Kameroen) waar ik technisch (?) was van Bois Hydrlique, Ik had herinneringen aan dit schip. Het was in 1944 toen een aantal broertjes van mij met de Jan Nieveen naar Lemmer gevaren werden en in Friesland en Drenthe werden ondergebracht. Wij waren thuis met een gezin van 16 kinderen. Veel te eten was er niet. Ik zal nooit vergeten wat de Jan Nieveen in die jaren heeft betekend en toen las ik dat ze de boot weer wilden terug halen zei ik tegen mijn vrouw, jammer dat wij nog niet in Lemmer zijn, want dan had ik meegedaan".

Die kans kreeg hij echter nog, want toen de familie uit Afrika terugkeerde en in Lemmer gingen wonen, werd hij gevraagd of hij mee wilde doen. Wat graag! Veel van het werk kwam op zijn schouders neer. Op 10 oktober 1978 werden alle aandelen van de Maatschappij tot exploitatie van het motorschip Jan Nieveen door de Heer Burgers overgenomen. Hij was nu enige eigenaar van het schip, dat hij stapje voor stapje weer in de oude staat terug wilde brengen.

De huidige eigenaar wil de Jan Nieveen, stapje voor stapje weer zoveel mogelijk in de oude staat terugbrengen. Daarom kwam er ook weer de schoorsteen op.

"De oude schoorsteen is inmiddels alweer geplaatst, het interieur is onder handen genomen en de oude mast met wimpel moet eigenlijk ook weer terug, vind Burgers. Kapitein is nu oud sleepboot-schipper Leen Nouwen, die de in 1981 overleden Jan Visser, opvolgde. De Jan Nieveen vaart in de zomer tussen Lemmer en Enkhuizen. Voor dagtochten naar het Zuiderzee en het Buitenmuseum en maakt daarna reizen naar onder meer Urk en Hoorn. Het aantal passagiers dat jaarlijks wordt vervoerd bevind zich in stijgende lijn. Dat moet ook wel, want de exploitatie van het schip kost erg veel geld. De restauratie trouwens ook. Van de overheid is daarbij geen steun te verwachten, omdat de Jan Nieveen eigendom van een particuliere besloten vennootschap is. Het onderbrengen in een stichting zou meer mogelijkheden hebben geboden. We vertrouwen er echter op dat de Jan Nieveen nog lang in de vaart zal blijven".

In 1981 werd oud-sleepbootschipper Leen Nouwen uit Lemmer, benoemd tot kapitein van het motorschip 'Jan Nieveen'. Hij maakte er sindsdien ettelijke reizen mee.

Piet Burgers verbleef in Kameroen, daar bleef Burgers op de hoogte van het nieuws uit Lemmer: ,,We hadden een postabonnement op de Zuid-Friesland. Op een keer las ik dat een groep Lemsters zich inspande om de Jan Nieveen terug naar Lemmer te halen. Ik zei toen gelijk tegen mijn vrouw: ,Als we terug zijn in Nederland wil ik daar aan meedoen. Dat schip was met name in de oorlog van grote betekenis. Geen Amsterdammer die de Jan Nieveen niet kende. Ik had daar een speciale band mee, want in de Hongerwinter zijn mijn jongste broertjes met de Jan Nieveen naar Friesland gevaren waar zij bij pleeggezinnen werden ondergebracht.’’

Terug in Nederland voegde Burgers de daad bij het woord en het lukte hem samen met anderen om de Jan Nieveen naar Lemmer te halen. Toen het de commissie minder goed ging, kocht Burgers de boot zelf. Er werden onder meer dagtrips verzorgd tussen Lemmer en Enkhuizen en het schip kon worden gehuurd voor feesten en partijen. Leen Nouwen was kapitein en Cor Visser de bootsman. Saar zwaaide de scepter in de keuken en zoon Gijs stond achter de tap.

In 1985 toen Burgers 65 jaar werd, besloot hij de Jan Nieveen te verkopen en ging met een aanbod naar de gemeente, in de veronderstelling dat Lemsterland meteen ‘ja’ zou zeggen. Samen kan het echtpaar zich er nog over opwinden. ,,Onbegrijpelijk, we hebben het schip aangeboden voor een belachelijke prijs, maar de gemeente wilde niet meewerken. We hebben zelfs aangeboden er nog een paar jaar mee te blijven varen, maar niets van dat al.’’ De Jan Nieveen verdween weer uit Lemmer. ,,Het schip ligt nu in Finland en er wordt niet eens meer mee gevaren, het is een drijvend restaurant. Doodzonde, vooral als je bedenkt dat jaren later voor veel meer geld de LE 50 weer naar Lemmer wordt gehaald. Dat had de Jan Nieveen toch ook verdiend?’’

Piet Burgers

Harm Duim, uit Lemmer had een speciaal welkomstlied geschreven. Spontaan werd het schip toegezongen.

Ik las het in de Lemsterkrant, dat jij weer terug zou komen.
Na twintig jaar afwezigheid, naar Lemmer op zou stomen.
En met een beetje sentiment, zie ik weer in gedachten.
De plek waar jij lag afgemeerd, op passagiers te wachten.

Refrein:

Welkom Jan Nieveen.
Dit had ik nooit durven hopen.
Dat jij je zo vertrouwde haven, weer zou binnen lopen.
Jij bent nu weer thuis, en na die twintig jaren.
Hoop ik dat jij nu bij ons, nog lang zult blijven varen.

Refrein

Met vracht en passagiers voer jij, naar Amsterdam heel wat jaren.
Met voetbalclub Excelsior, ging jij vaak zondags varen.
En tussen de bedrijven door, vervulde jij meerdere wensen.
Jij voer naar Urk en Volendam, met honderden dagjesmensen.

Refrein

Jij was redder in de nood.
Want zelfs in de oorlogsjaren, bleef jij voor ons dag en nacht, het IJsselmeer bevaren.
Bracht voedsel naar de overkant, voor mensen die hoger leden.
Ondanks het dreigende gevaar, voor jou en bemanningsleden.

Refrein.

Wouter Sterk, maakte in 1962 als tienjarige jongen de tocht van Amsterdam naar Lemmer. Hij ging daar op bezoek bij zijn opa Gerardus Sterk in de Bantegastraat. Het stormde verschrikkelijk en iedereen werd zeeziek. Zo erg, dat bijna iedereen over de reling hing. Ook de mensen op het bovenste dek, en ook aan de kant waar de wind op stond. Daardoor kwam alles op het onderste dek terecht, waar de bootsman vloekend en tierend de boel liep schoon te maken. Dat had weinig nut had, want het werd steeds opnieuw vies, er werd massaal gespuugd. Wouter was een van de weinigen met zeebenen en een rustige maag.

Harm Hateboer, machinist op de Jan Nieveen.

TOP