Home » Lemmer » Visserij en schepen » Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam » Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam (4)

Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam (4)

Clandestiene.

Er waren meer vrouwen met een clandestiene buik aan boord. Bol van de levensmiddelen wenden ze aan in-verwachting te zijn. Mevrouw K. Homan-Visser uit Steggerda, deed dat ook. In 1935 was ze voor het eerst met de Jan Nieveen naar Amsterdam gevaren, waar zij in betrekking ging. Toen de oorlog uitbrak was ze getrouwd, maar bleef de 'Lemmer boot' trouw. Het zal wel gek klinken zegt ze nu, maar je voelde je veiliger, misschien ook vertrouwder. Bovendien maakte de aanvulling op je bonnen, die je in Friesland kon krijgen de reis dubbel en dwars de moeite waard.

In Amsterdam waren de winkels zo goed als leeg. Het spek en de boter en eieren die ik van thuis mee kreeg, waren dan ook erg welkom. Op een keer had ik zes pakjes boter, een stuk spek en drie flessen melk bij me. Ik was net gaan zitten toen de controleurs aan boord kwamen. Wat nu? Wel, ik droeg een wijde cape en die kwam uitstekend van pas. Ik legde de boter en het spek op de bank, en ging er voorzichtig steunend op mijn handen op zitten. Door die cape kon je er niets van zien.

Toen kwamen de controleurs. Alle tassen en koffers moesten open. Dat was een probleem, ik had alleen nog drie flessen melk. Of ik niet meer levensmiddelen had? Nou nee. De controleur vond het maar vreemd. Hij keek me aan met een blik van,dat zal wel maar niet heus. Bovendien zat ik op mijn voorraadje boter en spek bepaald niet gemakkelijk. Die vent zag dat ook. "Ik ben in verwachting" zei ik gauw. 'Oh, klonk het wat aarzelend, maar hij ging gelukkig weg. De boot vertrok spoedig en ik kon de schade opnemen, de boter had zich keurig gehouden. Alleen het spek en het krantenpapier waar in het was verpakt waren wat aangeslagen. Maar het heeft er niet minder om gesmaakt.

In 1944 waren we weer eens bij mijn ouders geweest. In Amsterdam was nauwelijks meer iets te krijgen. Om niet met lege handen thuis te komen kochten we een half schaap. Maar hoe kreeg je dat in de hoofdstad? Wel, we hebben dat schaap uit elkaar gehaald, het vet gesmolten, het vlees gebraden, en alles verpakt in vier platte pakken die precies in een hoge kartonnen doos pasten. We hadden ook twaalf hanen op de kop kunnen tikken, en die gingen in een doos met een laagje stro. Van de pakken schapenvlees zag je niets meer. De doos werd aan de boven kant afgesloten met een stuk kippengaas en achter op de fiets gebonden. De reis samen met mijn man, mijn zuster en mijn zwager, kon beginnen.

Lemmer leverde geen moeilijkheden op. We kwamen ongehinderd aan boord, de dozen werden op een luw plaatsje gezet terwijl de mannen de wacht hielden. Toen de Boot aan de Ruyterkade afmeerde, was het nog aardedonker, de politie vond het nodig om te controleren. Met de dozen achter op de fiets stonden we in de rij te wachten. Eindelijk waren we aan de beurt, nors werd me gevraagd wat ik in die doos had. "Kippen" zei ik. De man geloofde mij niet en scheen met zijn zaklantaarn in de doos, kennelijk zag hij niets, want hij stak zijn vinger door het gaas, had hij beter niet kunnen doen. Want de haan waker geworden en hongerig omdat hij een dag niet had gegeten, bedacht zich geen ogenblik. Met een snelle beweging viel hij op de vinger van de gezagvoerder aan. Geschrokken trok hij zijn hand terug. Woest was hij, weg met die kippen schreeuwde hij, dat lieten we ons geen twee keer zeggen. Later hebben we er nog veel om gelachen.

In december 1944 gingen we voor de laatste keer naar Friesland. Ik was drie maanden in verwachting en we hadden besloten ons huis in Amsterdam te laten voor wat het was en naar Nijeholtpade te gaan. Daar was eten warmte en rust. We konden echter maar één kaartje voor de boot krijgen. Wat we ook probeerden, het lukte niet er twee te versieren. Mijn man zei ga jij nu maar, ik zie wel, ofschoon het hem ook wel uit kwam uit Amsterdam weg te gaan, vanwege zijn activiteiten, waarop de Duitsers nou niet direct gesteld waren. Afijn ik kwam op de boot en mijn man niet. Nu wist hij dat de schepen in de Oranjesluizen moesten worden geschut. Hij sprong op zijn fiets en reed zo hard als hij kon naar de Oranjesluizen. Daar werd hij aangeroepen door een Hollandse Kriegsmarineman, maar mijn man liep door, "ik heb geen tijd riep hij", ik moet die boot halen.

Kennelijk overdonderd bleef de Kriegsmarineman staan, terwijl mijn man naar de overkant van de sluis rende waar de boot lag. Hij gooide zijn fiets naar beneden, die werd opgevangen door een ons onbekend gebleven passagier, terwijl hij zelf op een stapel balen sprong. De passagier verborg hem onder een zeil. Toen het schip buitengaats was kwam hij naar buiten om mij te zoeken. Maar ik zat op de andere boot. In Lemmer zagen we elkaar pas weer. Wat was ik gelukkig! Tot op heden zijn we de maatschappij nog geld schuldig voor een enkele reis Amsterdam Lemmer. Maar eigenlijk is het veel meer.

Mevrouw E. de Jong.

De mensen werden steeds vindingrijker in het om de tuin leiden van de controleurs. Zo ook mevr, E. de Jong-Wiersma, uit Amsterdam. Zij had eten gehaald in Friesland en kwam met de Jan Nieveen terug. Aan alle goede dingen komt een eind en ook ik moest mijn koffer open maken voor zo'n vent van de landmacht. Toen ik de deksel op tilde zag ik de ramp, allemaal bloed van mijn vers vlees. Zachtjes deed ik de koffer dicht en fluisterde tegen die vent, "Kunt U de koffer zo houden dat de andere er niets van zien? Ik ben ongesteld geworden, ziet U en er was geen wasgelegenheid onder weg. Als U wilt zal ik zelf de boel er wel uit halen, want dat is te vies voor U". "Doe maar gauw dicht, ik heb het al gezien", en weg was ie. En ik blij!

Mijn buurvrouwtje maakte het echter nog bonter. Ze had zoals er wel meer deden, een rok genaaid met allemaal zakken rondom op een hoogte, dat je er aan de buitenkant niets van zag. Kilo's boter had ze er verborgen. Tot Amsterdam was alles goed gegaan. Toen sloeg het noodlot toe. Strenge controle op de steiger. Niemand ontkwam er aan. Ze hadden overal belangstelling voor. Anders werden alleen de tassen en koffers gecontroleerd. Nu werd alles bekeken. Daar stond mijn buurvrouwtje met een rok vol boter van f 450,- per pond in die tijd. "Schrik niet" siste zij mij toe, gleed uit en viel met een luide gil tussen wal en schip in het koude water van het IJ. Voor een ras-zwemster deed ze erg onbeholpen, en het had er alles van weg dat ze zou verdrinken. Met grote moeite werd ze op de kant geholpen, en de bezorgde Duitse controleurs joegen iedereen opzij. "Sie musz schnell nach Hause sonst wird sie krank werden". Mijn buurvrouwtje rende weg zo hard zij kon. Zelfs haar koffertje werd haar aangereikt. De Duitsers controleerden verder.

Hongerwinter.

De Hongerwinter brak aan. Het Nederlandse volk kreunde onder het juk van de Duitse bezetting. De ellende bereikte een dieptepunt. Het gebrek aan voedsel was zo groot, dat velen in Holland de hongerdood stierven. De voedseltransporten onder meer met de Lemmerboten, waren lang niet toereikend. Door de nood gedreven verdrongen de mensen zich op de steiger, waar de boten lagen die naar Friesland voeren. Allen probeerden een plaatsje te veroveren om in het Noorden voedsel te halen. Fietsen, karretjes, oude kinderwagens, allerlei soorten vehikels werden aan boord gehesen, waar ze tegen de stuurhut werden op gestapeld.

De Jan Nieveen speelde in die tijd een belangrijke rol in het leven van velen. Bijvoorbeeld in dat van het gezin Delfsema, uit Haarlem, man, vrouw,en twee kinderen en een baby van negen maanden. Het gezin woonde in Haarlem-Noord en de Hongerwinter was op zijn hevigst. Er was geen enkele vorm van vervoer meer. De spoorwegen staakten, in Amsterdam stonden de trams stil, brandstof was niet te krijgen en het eten was op. Het was onder die omstandigheden dat de bevolking van Haarlem-Noord moest evacueren.

De bezetters verwachten een geallieerde invasie bij IJmuiden en had het gebied Velsen-Santpoort-Haarlem-Noord, nodig als schootsveld. Iedereen moest weg. Dat was een probleem, maar er was nog een lichtpuntje, verteld Klaas Delfsema, uit Haarlem. De Lemmerboot... die was nog in de vaart. Voor een kaartje moest je dagen van te voren in de rij staan. Bovendien moest je van de Duitsers papieren hebben, waaruit de reden van je vertrek bleek. Dat laatste was voor ons geen probleem en met behulp van die papieren wist mijn vader kaartjes te bemachtigen.

In de nacht van 4 op 5 december 1944 zouden we naar de overkant gaan. 's Morgens om acht uur gingen we op pad met de kinderwagen en een evacuatiewagentje gemaakt van latten, karton en een paar fietswielen met oude autobanden erom, iets anders was niet te krijgen. We namen onze laatste bezittingen mee. Elf jaar was ik toen we lopend via Spaarndam en Halfweg naar Amsterdam gingen. Het werd een zware tocht en ik weet het nog zo goed.

Toen we uit Haarlem vertrokken, was daar net een grote razzia aan de gang. Talloze mensen werden door de Duitsers uit hun huizen verdreven en afgevoerd. We werden verscheidende keren aangehouden. Bij een wachtpost aan de rand van Haarlem wilde een Duitser door ons wagentje heen schieten. Hij dacht dat onder onze spullen een onderduiker verborgen zat, maar de baby in de wagen zette het op een schreeuwen en hij bedacht zich. We mochten door lopen.

Laat in de middag kwamen we in Amsterdam aan. Je bad gewoon dat de boot er zou liggen, maar de Jan Nieveen was er niet. De boot was niet aangekomen. Er werd verteld dat de Jan Nieveen in Lemmer werd vastgehouden. Om dat er onderduikers ontsnapt zouden zijn. De SD hield het schip aan de kant. We waren de wanhoop nabij. Tot overmaat van ramp was een wiel van het wagentje gaan slingeren. Het was overbelast.

We raakte er ook nog in een tramrail vast. De teleurstelling op de Ruyterkade was groot. Niet alleen bij ons maar ook bij al die anderen mensen die met de boot wilden vertrekken. Er waren gezinnen bij die helemaal uit Rotterdam waren komen lopen en al een ellendige reis achter de rug hadden. Toen ze hoorden dat de boot niet zou varen, barsten ze in tranen uit. De mensen konden geen kant meer op. Het was een trieste bedoening, daar op de steiger.

Het kantoor van de maatschappij verstrekte adressen waar misschien overnacht kon worden. Wij kregen ook zo'n adres. Hoe we daar tenslotte gekomen zijn, weet ik niet meer, maar toen we voor de deur stonden zakte het wiel van het karretje in elkaar. We waren niet alleen. Er kwamen ook nog een paar Rotterdamse gezinnen en er was te weinig ruimte om ons allemaal onderdak te kunnen bieden.

Nu hadden wij nog de mogelijkheid om te overnachten bij mijn grootouders, maar die woonden wel in Diemen. Na wat op verhaal te zijn gekomen, zijn we opnieuw op stap gegaan. Het wagentje met al onze bezittingen moest achter blijven. Nu na al die jaren, nu ik dit zo vertel, valt het me eigenlijk op dat niemand klaagde over moeheid. Mijn ouders niet, mijn oudste broer niet en ik ook niet, terwijl we toch uren lang hadden gelopen. Ondanks het voedseltekort beschikten de mensen over een enorme wilskracht.

Mevr. E. Goudriaan-Loyer.

Diep trieste taferelen speelden zich af, op de steiger in Amsterdam. Moeders brachten hun kinderen naar de boot om ze in Friesland af te staan aan wildvreemde mensen. Ze moesten wel, het eten was op, de honger schrijnde. Daar in het Noorden hadden ze tenminste nog een kans. Maar welke moeder houdt dat uit?" zegt mevrouw W. Goudriaan-Loyer, uit Hoogwoud. "Twee broertjes en een zusje gingen in de Hongerwinter met 'De Lemmer boot' naar Friesland. Mijn jongste broertje en zusje kwamen bij een Notaris in Dokkum terecht en mijn ander broer bij een bakker in Hommerts.

Liefdevolle mensen, dat is zeker, maar welke moeder kan leven met de wetenschap dat drie van haar kinderen zover van huis zijn bij onbekende mensen. Mijn vader werkte bij de A.D.M  (Amsterdamse Droogdok Maatschappij) en wist via via aan een kaartje te komen. Eén kaartje, meer zat er niet in. Wat nu? Nou mam ga maar alleen, zeiden wij. Zij durfde het eerst niet aan, maar ze ging toch. Ik bracht haar naar de boot. De Duitsers bewaakten het schip, dit zou de laatste overvaart zijn. Morgen werd de demarcatielijn gesloten.

Ik had mijn kleren in een tas gepropt, nam moeder haar koffer en vroeg aan de Duitser die de kaartjes controleerde of ik mijn moeder even aan boord mocht brengen. Ik zou direct weer terugkomen. Het mocht, toen ik moeder naar de kajuit had gebracht zei ik, "ik blijf hier zitten", ik ga niet meer terug. Ik ga mee naar Friesland. U moet doen of U mij niet kent. Dat viel natuurlijk niet mee. Ik ging naar beneden en wat zag ik? Een kajuit vol met baby's en een paar verpleegsters erbij om te helpen.

Dit is mijn kans dacht ik. Dit kan ik ook. Snel bond ik een witte doek om mijn hoofd en promoveerde me zelf tot verpleegster. Later werd er nog gecontroleerd, maar wie verdacht nu dat zo'n jong verpleegstertje die het zo druk had met de baby's. Ik ben nog wel even langs mijn moeder gelopen om te laten zien dat ik het goed maakte. Gesproken hebben we niet met elkaar, maar ze begreep wat er aan de hand was, dat ik me wel redde. Zonder problemen zijn we in Lemmer aangekomen.

Barend van den Elskamp, uit Amsterdam kwam onder minder plezierige omstandigheden in Lemmer aan. Om de Arbeitseinsatz te ontlopen had hij zich gemeld voor aardappelrooien in Hooghalen. Met de Jan Nieveen, voer hij samen met een stuk of wat andere aardappelrooiers naar Lemmer. Van één van zijn lotgenoten kreeg hij een stukje gebraden konijn. Dat dacht ik tenminste. Later bleek het een stuk van een kat te zijn. Maar ja het was Hongerwinter, en je at werkelijk alles. Van den Elskamp zag grauw van ellende, toen hij in Lemmer aankwam. De honger had hem erg verzwakt. De pap en de volle melk kon hij niet binnen houden. Zijn maag verdroeg het niet meer.

Na een paar dagen gingen we met een stoomtrammetje richting Drenthe. Soms werd er gestopt en ging één van ons met een pan het land in en molk een koe. Heerlijk was dat die warme melk zo uit de koe. In Drenthe werden we over verschillende boerderijen verdeeld. Toen kon het werk beginnen. Hoe moeilijk en zwaar het werk op die natte akkers was, weten alleen degenen die er bij zijn geweest. Maar de gedachte dat mijn moeder een half mud aardappels kreeg als premie deed mij volhouden. Dat ging een paar weken zo, totdat er een van ons stierf. Met drie man hebben wij aangeboden het stoffelijk overschot naar Amsterdam te brengen. Dat mocht.... Met paard en wagen zijn we naar Lemmer gegaan om met de Jan Nieveen naar Amsterdam te gaan. De Duitsers maakten bij controle weinig moeilijkheden, vooral omdat we zeiden dat we schurft hadden.

In januari 1945 ben ik, ook al vanwege het nijpende voedseltekort in Amsterdam, met de Jan Nieveen teruggekeerd. Als ik me weer melde voor werk in Drenthe mocht mijn moeder mijn bonkaart hebben. Dus dat heb ik gedaan. Naderhand bleek dat we in Havelte, stellingen moesten graven langs de Smildersvaart. Dat heeft een paar maanden geduurd. Toen werden we door de Engelsen en de Canadezen bevrijd. Een paar maanden later kon ik naar Amsterdam terug keren.

Niet alleen kinderen werden naar Friesland gestuurd om aan te sterken, op een zekere dag kreeg de Jan Nieveen een wel heel bijzondere lading... warm ingepakt, en in een bed van stro lagen in het ruim, zeker honderd baby's. Allen hadden een label met daarop hun naam om de hals. Het probleem was echter dat die baby's erop lagen te sabbelen, zodat bij de aankomst in Lemmer bij sommigen de label onleesbaar was geworden.

Toen iedereen van boord was doken agent Arie Hiemstra en Thijs Fleer, in het ruim af en kropen op hun knieën door het stro om te controleren of er niet per ongeluk een baby was achter gebleven, voordat het stro met de hooi vork werd verwijderd. Veel ouders in Friesland waren bereid om een baby op te nemen in hun gezin. Voor de echte ouders was het zwaar onder deze omstandigheden hun kinderen te moeten af staan aan mensen die ze niet kenden, maar het betekende wel hun redding.

Agent Arie Hiemstra, volgde in Lemmer in 1939 de heer Geert Nieveen op. Hiemstra werkte toen al meer dan tien jaar bij de maatschappij. Soms droeg Hiemstra een witte boord, maar vaker hielp hij, gekleed in een gele overall, mee als de schepen gelost en geladen moesten worden. In oorlogstijd werd nimmer tevergeefs een beroep op hem gedaan. Altijd was hij bereid een veilig onderkomen te zoeken voor de talrijke onderduikers en vluchtelingen, die met de boten uit Holland kwamen. In 1955 nam de heer Hiemstra, ontslag en emigreerde naar Australië, waar hij op 13 april 1975 op 70-jarige leeftijd overleed.

Van de bemanning van de Lemmerboten werd in die jaren veel gevraagd. Niet alleen smokkelden ze talrijke onderduikers naar het noorden, de vaart zelf stelde met name de mannen op de brug voor grote problemen. Vooral 's nachts, met het oog op gevaar van beschietingen door Engelse jagers voeren de schepen vrijwel geheel verduisterd. De navigatieverlichting was gedoofd en ook op de wal brandde geen enkel licht. Het varen was, vooral in die donkere wintermaanden, haast een gok.

Het was donker, die dinsdagavond 8 januari van het laatste oorlogsjaar... het was koud. Het vroor een beetje. Verzetsman Kees de Wit, uit Amsterdam was op weg naar huis. Niet met de Jan Nieveen zoals oorspronkelijk de bedoeling was, maar met de Groningen IV. De boot was vol, moeders met kinderen, uitgemergelde mannen en vrouwen, die in het Noorden eten hadden gehaald.

Onder het kleed van de deklast lagen vier onderduikers, en op het achterdek hingen een paar Duitse soldaten rond. De Wit kende de oude Groningen IV wel. Daar was hij al vaker mee overgestoken. Met de kapitein had hij de afspraak dat hij één van de kooien in het voorschip mocht gebruiken, als ze niet bezet waren. Dat mocht ook nu weer, maar had de kapitein gezegd, als die en die vrouw bij je komt moet je er uit, want zij gebruikt de kooi meestal en heeft er het meeste recht op.

De vrouw kwam echter niet opdagen en de Wit kroop in de kooi. Hij had de slaap nog maar nauwelijks te pakken, toen de vrouw hem wakker schudde. Het speet haar wel maar zij was op het allerlaatste moment aan boord gekomen, en wilde toch graag van de hut gebruik maken. De Wit klom uit het warme bed en ging een sigaret roken op het achterdek. Een donkere avond dacht hij en huiverde. Het zicht was slecht.

Tien minuten voor twaalf wees de scheepsklok... uit het duister doemde plotseling een schim op, onheilspellend, onafwendbaar. Enkele ogenblikken later werd de betrekkelijke stilte door een daverende klap verscheurd. Met een gekraak en geknars, waaraan geen einde leek te komen boorde de Jan Nieveen, zich in het voorschip van de Groningen IV.

De Wit werd tegen het dek geslingerd. Mensen begonnen te roepen. Het onheilspellend geluid van binnenstromend water was te horen. Schijnwerpers werden ontstoken. De scherpe en indrukwekkende voorsteven van het vlaggenschip van de maatschappij had het voorschip van de Groningen IV als een sardineblikje opengereten. De ravage was enorm. De plaats waar de Wit nog had geslapen was één groot gapend gat.

De Jan Nieveen kwam langszij. De passagiers sprongen over, Terwijl het voorschip van de Groningen IV, steeds verder in de golven weg zonk. Er werd om hulp geschreeuwd. De deur naar het vooronder was als gevolg van de aanvaring uit het lood geslagen, en zat klem. De passagiers zaten als ratten in de val. Pas toen een van de matrozen erin slaagde een paneel uit de deur te trappen, wisten nog een paar mensen uit het vooronder te ontsnappen. Ze stonden al tot hun hals onder water.

Voor veertien mensen kwam de hulp te laat. Zij waren onbereikbaar geworden. Als een geslagen man stapte als laatste kapitein A. van der Meer met de scheepspapieren onder zijn arm van boord. Even later verdween zijn oude maar trouwe schip in de golven. Veertien mensen vonden de dood. De Jan Nieveen, zette koers naar Lemmer. In de hut lag de gewonde hofmeester Verschoor. Tijdens de reddingswerkzaamheden was hij tussen de schepen gevallen en was vrij ernstig gewond aan een been.

Leeuwarder Courant: 05-09-1946

Op woensdagmorgen 4 september 1946 werd door een bergingsmaatschappij het wrak van de "Groningen IV" het Krabbersgat te Enkhuizen binnen gebracht en aan de strandvonderij overgedragen. Er zou worden getracht de lijken te bergen en te identificeren, naar schatting zou hier veertien dagen mee gemoeid gaan. Men schatte het aantal slachtoffers toen nog op vijftig!

De burgemeester van Enkhuizen maakte op 19 september 1946 bekend, dat verwanten van de slachtoffers hem zo spoedig mogelijk moesten opgeven: het signalement en een beschrijving van de kleding, welke de slachtoffers ten tijde van het ongeval droegen.

Donderdag 19 september slaagde men er in twee slachtoffers te vinden in de taaie klei en te identificeren, op vrijdag weer twee, waarvan één onherkenbaar was.

De namen van de drie geïdentificeerde slachtoffers waren:

  • A. van der Veen, Pascalstraat 4 Amsterdam.
  • P. Henschen, Meeuwenlaan 189 Amsterdam.
  • G. de Vries, inspecteur bij de GEB, wonende Brinkstraat 52 Amsterdam.

In tegenstelling met de verwachtingen dat het bergen van de slachtoffers nog enige tijd in beslag zou nemen, hadden de werkzaamheden van de Dienst voor Identificatie en Berging een dusdanig vlot verloop, dat op donderdag 26 september dertien lijken konden worden geborgen, waarvan elf waren geïdentificeerd.

De namen van deze slachtoffers waren:

  • A. M. Jans.
  • A. van der Veen.
  • P. Henschen.
  • C. J. Sunotel.
  • K. G. van der Paverd.
  • R. J. Groenendaal.
  • J. Postma.
  • G. de Vries.
  • J. van Ankeren.
  • G. Gronnotte.
  • M. C. Jansen.

Op 7 oktober 1946 waren ook de laatste twee slachtoffers van de dertien geïdentificeerd.

Hun namen waren:

  • Elisabeth Josephine Kuijper, oud 25 jaar, Amsterdam.
  • Agnes van der Veld, oud 31 jaar, Amsterdam.

Directeur Nieuwenhuis, en zijn zoon Han uit Amsterdam konden de volgende morgen hun ogen niet geloven, toen ze zagen dat de boot niet was aangekomen. Dat was toch niet mogelijk. Die boot voer altijd, al was het vliegend weer, en waaide de stront van de dijken. Op het kantoor hoorde ze het rampzalige nieuws van het drama, die zich in deze donkere oorlogsnacht had voltrokken.

Die nacht werd de zwartste bladzijde uit de geschiedenis van de NV Groninger-Lemmer Stoomboot maatschappij geschreven. Het wrak van de Groninger IV, kon pas in september 1946 worden gelicht. Pas toen konden ook de slachtoffers geborgen worden. Het schip bleek onherstelbaar te zijn beschadigd.

Nog geen vijf maanden na de tragische ondergang van de Groningen IV was de oorlog afgelopen. De rederij was die donkere jaren niet geheel zonder kleerscheuren doorgekomen. Eén schip was verloren gegaan, andere waren beschadigd en vijf schepen waren naar het buitenland verdwenen.

Maar bevrijd van het Duitse juk ging het Nederlandse volk energiek aan de slag. De bemanning van de Lemmerboten waren dubbel blij. Eindelijk konden ze weer varen zonder risico te lopen te worden beschoten. De verlichting kon weer branden! De ellende was eindelijk voorbij. Met gevoel van dankbaarheid dachten talloze onderduikers, vluchtelingen, etenhalers terug aan vooral de Jan Nieveen, het schip dat voor velen hunner de laatste verbinding met het leven had onderhouden.

William Dijkstra, uit Amsterdam ging in de jaren 1946/1948 als nog heel jonge jongen alleen met de boot naar Lemmer. Hij was pas acht jaar toen hij de eerste keer de zomervakantie in de buurt van Lemmer doorbracht. Op de boot zong hij alle drie de jaren voor de passagiers het cabareteske lied De Voetbalmatch van Louis Davids en ging aansluitend met de pet rond. Kennelijk viel dit in de smaak, want hij haalde behoorlijk veel op. Zóveel, dat hij bij thuiskomst nog geld aan zijn moeder kon geven.

Hij die nooit gevaren heeft.

Het duurde zeker tot midden 1946 eer de passagiers weer in grote getallen kwamen opdagen. De vaart leefde op. Het ladingaanbod nam toe. Voor de wederopbouw van het land was veel nodig. Er werd hard gewerkt, maar tussen de bedrijven door was er ook tijd voor aangename dingen.

De Lemmerboten maakte weer plezierreisjes, er kwamen weer vakantiegangers aan boord en er werden net als voor de oorlog weer zeilboten en kano's meegenomen. De Hollanders trokken naar de Friese meren, de Friese watersporters gingen zeilen op de Kagerplassen, soms moesten er zoveel boten mee, dat het kleine spul, als BM ers enzovoort, in het ruim werden geladen. De grotere boten werden op bokken op het dek geladen.

Getrouwd werd er ook en het kersverse echtpaar Van Mourik-Warnaar, uit Sneek maakten hun huwelijksreis met de nachtboot. We zijn op 24 april 1946 in Hazerswoude getrouwd, zegt mevrouw K. van Mourik-Warnaar, die nu in Dokkum woont. Daar woonden mijn ouders, maar wij woonden en werkten in Sneek, we moesten dus weer terug. Een oom uit Amsterdam heeft ons 's avonds meegenomen in zijn auto en ons naar de boot gebracht. Daar hebben we toen onze huwelijksreis van gemaakt.

Voor de meest kersverse bruidsparen is zoiets een onvergetelijke aangelegenheid, omgeven met rozengeur en maneschijn. Dit keer ging het wat anders. De boot zat stampvol. Je kon er de rook snijden en overal zaten of lagen mensen te slapen. De nieuwe bruidegom maakte er geen punt van. Als oud militair was hij gewend onder alle omstandigheden een uiltje te knappen. De bruid deed echter geen oog dicht. Ze was dan ook blij dat de boot de haven van Lemmer binnenliep en de tram hen 's morgens zes uur naar Sneek kon brengen, we waren tamelijk geradbraakt herinnert mevrouw van Mourik-Warnaar zich. Samen met haar man en vijf kinderen is ze later nog vaak met de Lemmerboot naar de overkant gevaren, Prachtige tochten, zegt ze.

Boekhandelaar Kees Buster, uit Sneek is iets minder enthousiast. Hij was vaste klant op de Jan Nieveen. Regelmatig reisde hij naar Amsterdam om op het Waterlooplein, zijn handelsvoorraad boeken aan te vullen. Op zo'n dag kocht hij een paar honderd boeken, die 's avonds mee naar Sneek moesten. Buster droeg doorgaans een hoed, maar op zekere dag stapte hij getooid met een heuse schipperspet aan boord. Net echt, maar het waaide, een vliegende storm en algauw hingen de eerste zeezieken groen van ellende over de reling. Zo niet Buster. Moedig hield hij stand op zijn vaste plek met de rug tegen de schoorsteen. Maar ziek dat hij was. Ook hij droeg die dag met volle overgave bij aan een rijke maaltijd voor de vissen. In de oranje sluizen was Buster overigens weer het heertje. Kwiek stapte hij even later aan de Ruyterkade van boord.

De NV Groninger-Lemmer stoomboot Maatschappij, werd in 1948 met de Rederij van Swieten en de Groninger-Rotterdammer Stoombootmaatschappij, ondergebracht in een nieuwe maatschappij, genaamd de Groninger Beurtvaart, die op 5 oktober 1953 werd omgezet in een naamloos vennootschap, die twee jaar later 18 schepen in de vaart had. In 1948 kwamen er ook veranderingen in de bemanning van de Jan Nieveen. Cor Rutten, een rasechte Amsterdammer met veel ervaring, werd de nieuwe machinist. Hij volgde Arnold Drenth op, die twee jaar eerder op zijn beurt het commando over het zwarte koor had overgenomen van Linze de Boer.

Behalve Rutten deed ook Gerrit van der Staal, zijn intrede op het vlaggenschip. Van der Staal was een zeeman in hart en nieren, had al wat gezien van de wereld en kwam uit de Friese Wouden. Een 'Wâldpyk' met zeebenen dus, een man met wie kapitein Bouwman, erg was ingenomen, want van der Staal verstond zijn vak. Gerrit was dan wel 23 jaar jonger, maar had veel ervaring op gedaan in de kustvaart, en met zo'n eerste stuur wilde Bouwman best in zee.

Oud machinist Linze de Boer, wist zich nog heel veel bijzonderheden over de Jan Nieveen te herinneren. Hij was machinist van 1938 tot 1946 en maakte dus ook de moeilijke oorlogsjaren mee. Terwijl er op andere schepen op het IJsselmeer als gevolg van beschietingen verschillende doden vielen, ontsprong zijn schip altijd de dans wonder boven wonder.

Evenals stoker Seldenthuis, is de Heer de Boer van mening, dat De Quad Triple machine beter tot haar recht had gekomen op schepen met langere vaartijden. Het reisje naar Amsterdam was eigenlijk te kort om er volledig profijt van te trekken. Ter hoogte van Marken moest er al weer stoom terug genomen worden, omdat het schip dan op de droogte kwam en niet meer op volle kracht kon varen.

Machinist de Boer, was ook aan boord toen het schip in een stormnacht bijna werd verspeeld. In diezelfde nacht ging het beurtschip Hunze, ten onder en verloren drie bemanningsleden het leven. De Jan Nieveen met een laadvermogen van 147 ton, was die nacht misschien wat te zwaar beladen, na een hoge golf kwam het schip niet meer terug in zijn normale stand. En bleef met zware slagzij liggen. Als je aan dek was kon je zo je handen wassen in zee verteld de Boer. Met man en macht werd een deel van de lading over boort gezet, om het schip te behouden. Verschillende kisten met haringen werden in zee gegooid, bovendien werd een vat met cognac niet ontzien, "Jammer" aldus de machinist.

Zijn broer, de nu 79 jarige Koop de Boer, die de laatste vier jaar in het bestaan van de Lemmerboot, als kapitein op de Jan Nieveen voer, schrijft die 'bijna ramp' toe aan het ontwerp van het schip. De ontwerper had met verschillende eisen rekening te houden. Daar waren de al genoemde afmetingen van de Lemstersluis. Het schip mocht dus niet te diep steken. Verder moest het veel passagiers kunnen vervoeren en veel vracht bovendien.

Het resultaat was dat het onderwaterschip zo plat was als een dekschuit. Mede als gevolg van de hoge bovenbouw was de stabiliteit niet honderd procent. Een schip moet de vorm hebben van een makreel. De Jan Nieveen met een lengte van 45.40 en een breedte van 6.72 en een diepgang 1.85 meter was van onderen echter vierkant naar voren naar achteren. Dankzij zijn sterke machine kon er even wel goed mee gevaren worden.

Ouderwetse navigatie.

De ex kapitein kon er dan ook goed mee overweg, ook al had hij in zijn tijd niet de beschikking over navigatie apparatuur van nu. Een echolood was niet aan boord om over een radarapparaat maar hele maal niet te spreken. De navigatie leverde nooit een probleem op. Zelfs niet bij mist je wist precies hoe laat je bij de boei van het Enkhuizerzand moest zijn. Bij mist werd vaak de slagaard, de peilstok gebruikt.

Als je dan van 10 voet plotseling in dieper water kwam en geen grond meer raakte, wist je dat je in de val van Urk zat. In de mist werd altijd de sirene gebruikt, als daar de echo van terug kwam van de Noordoostpolder, wisten we dat we te dicht bij de dijk zaten. En stuurde we iets naar buiten. Door onze ervaring kwamen we altijd waar we wezen wilde, aldus de Heer de Boer.

Hij denkt met genoegen terug aan zijn tijd op de Jan Nieveen. Al was er natuurlijk wel eens wat, maar ik mocht graag varen en dan nam je veel. Dat de Jan Nieveen, later weer op zijn oude plek terug is gekomen vond hij fijn. De mensen die dat voor elkaar kregen heb ik respect voor, zij hebben het schip mooi in orde, zo zegt hij tenslotte. Al is het niet meer wat het was.

Echolood en dieptemeter waren er nog niet, in die jaren vlak na de oorlog. Stuurman Van der Staal, peilt de diepte op ouderwetse manier.

Schafttijd op de Jan Nieveen. Kapitein De Boer, schenkt koffie. Machinist Cor Rutten (links met pet) houdt zijn kopje alvast bij.

Machinist Arnold Drenth, was één van de oud-bemanningsleden, die de Jan Nieveen op de thuisreis bemande.

Stuurman Gerrit van der Staal, houdt onder toezicht van een paar passagiers het roer van de Jan Nieveen.

Die winter lag er een brede strook ijs vanaf de Rotterdamse Hoek tot de Friese kust. Een doorgang was er niet. Niet ver van de Hoek zat er een tanker vast, een sleepboot wilde het schip er wel vandaan halen, maar dan moest de Jan Nieveen eerst het ijs breken. De boot had dat wel vaker gedaan. Vol goede moed begon de bemanning aan het karwei, maar het liep op een fiasco uit. De Jan Nieveen liep geregeld in het ijs vast. Het ijs was te dik. Onverricht terzake moest het schip naar de haven terug keren. De onderneming leverde niets op. Het had alleen een hoop kolen gekost.

Meer succes had men later met een tweetal schepen, die in de buurt van Marken in het ijs waren vast gelopen. De Jan Nieveen kwam van Amsterdam. Er waren maar weinig passagiers aan boord. Simon van der Wal, uit Lemmer was er één van. Hij ging vaak mee naar de overkant en was aan boord kind aan huis. Als er wat te doen viel, stak hij ook de handen uit de mouwen. Zo ook die maandagavond.

De Jan Nieveen was om elf uur uit Amsterdam vertrokken. Er stond een straffe noordooster en bij de Hoek van het IJ was het ijs op een hoop gedreven. In de buurt van Marken was er haast geen doorkomen aan. Maar wacht eens, daar verderop, waren dat geen schepen? Jazeker, daar zaten twee schepen vast, dat kon niet missen. Duidelijk was dat ze van Lemmer waren gekomen. Er moest dus ergens een doorgang in het ijs zijn.

Moeizaam kwam de Jan Nieveen naderbij. Krakend brak het ijs onder het gewicht van het machtige voorschip. Het vergde heel wat stuurmanskunst om in de buurt van de vast gekluisterde schepen te komen, maar het lukte. De hele bemanning was in touw, hofmeester Verschoor incluis. In zijn salon had hij toch niet veel te doen, want er waren deze reis maar vijf passagiers aan boord en die lagen ook nog te slapen. Daar had je dus geen omkijken naar.

De bevrijding van de schepen nam heel wat uren in beslag. Simon van der Wal, kreeg op een gegeven moment honger. Hij had hard meegewerkt. Van der Wal maakte 'Hoffie' deelgenoot van zijn opspelende maag. In het buffet staat een stopfles met gekookte eieren, er is koffie en bier. Ga je gang maar, kreeg hij te horen dat liet hij zich geen tweemaal zeggen.

Terwijl hij zich te goed deed bekeek Simon de passagiers eens wat beter. Vier sliepen als ossen. De vijfde opende net zijn ogen en informeerde slaapdronken of ze al haast in Lemmer waren. Nog een klein rukje antwoordde Simon met een uitgestreken gezicht, terwijl het schip nog niet verder dan Marken was gevorderd. De man was tevreden en dutte weer in. Boven zijn hoofd hing een bordje "hij die nog nooit gevaren heeft". De boot kwam 's morgens met veel vertraging, tussen 10 en elf uur in Lemmer aan. Simon haastte zich naar zijn werk op de bank. Wat krijgen we nu, kreeg hij van zijn collega's te horen, Heb je je verslapen? Simon had er toen al een dagtaak op zitten.

Tot de vaste passagiers behoorde ook loods Bosma, een voormalig sleepboot kapitein. Hij sliep meestal in een hut van een van de bemanningsleden. Gelijk een hotelgast werd hij op de juiste tijd gewekt. Vaak stapte de loods al in de Oranjesluizen van boord, om daar het schip op te pikken, dat hij naar Lemmer terug moest brengen. Op een nacht sliep hij in de hut van stuurman van der Staal. "Roep je me bij de hoek van het IJ?" vroeg de loods. "Akkoord", zei Gerrit.

Nadat de stuurman op de brug werd afgelost, liep hij nog een rondje over het dek en stapte vervolgens zijn hut binnen. Het schoot hem te binnen, dat zijn vrouw hem een paar appels had mee gegeven. Voorzichtig maakte de stuur zijn kast open, de loods sliep nog als een os. Gerrit pakte een appel, deed de deur weer op slot, en zag dat het tijd was om Bosma te wekken. Het is tijd riep van der Staal, die terugkeerde naar de stuurhut.

Even later hoorde hij zijn naam noemen vanaf het voordek, vriendelijk klonk het niet. De stuur keek naar beneden en kon zich slechts met moeite goed houden. Want wie beende daar in zijn lange witte onderbroek tot groot vermaak van de passagiers woedend over het dek heen en weer? Juist, de loods. Zijn broek zat vast tussen de kast deur. Hij had er flink aan staan trekken maar de broek, die beknelt was geraakt, toen Gerrit de appel uit zijn kast had gehaald, had geen krimp gegeven. Er zat voor de loods niets anders op dan in zijn onderbroek aan dek te gaan. Vol berouw kwam de stuur even later naar beneden, om de kast deur open te maken. De loods was woest.

Het was in mei of juni 1950 dat de 17 jarige Liekele Kingma, zoon van een Lemster visserman, na een reis van zes maanden op één van de zeeschepen van Shell Tankers, in Amsterdam aankwam. Hij kreeg verlof en de Jan Nieveen, zou hem naar huis brengen. De jonge matroos wilde dolgraag even in het stuurhuis van de Lemmerboot rond kijken, maar had het lef niet aan te kloppen en te vragen of hij even binnen mocht komen.

Wel bleef hij in de buurt, want je wist maar nooit. Toen de Jan Nieveen het IJ achter zich had, stak kapitein Bouwman even zijn neus buiten de deur. Liekele rook zijn kans 't was nu of nooit. Of hij even mocht rondkijken? Hij voer zelf ook, ziet U kapitein. Kapitein Bouwman had geen bezwaar. Gerrit van der Staal had op dat moment het roer. Hij kende Liekele wel, hij was de zoon van een visser en dat schept een band.

Het duurde niet lang of de jonge matroos stond aan het roer. Hij vertelde van zijn reis op de grote vaart en dat hij in september naar de zeevaartschool, op Terschelling zou gaan om te studeren voor het diploma van derde stuurman. Wat of hij in die tussenliggende tijd ging doen, wilde kapitein Bouwman weten. "Nu ik wist het niet", waarop hij mij vroeg of ik er iets voor voelde om in de zomer maanden op de Jan Nieveen, te varen vanwege de dubbelen diensten. Daar had ik natuurlijk direct oren naar.

De kapitein zou het op kantoor bespreken, en ik moest mij daar in de loop van de dag maar vervoegen, verteld Kingma. Wel toen ik op kantoor kwam was de zaak al geregeld. Ik was aangenomen voor de zomerdienst. Zo'n prachtige zomer heb ik nog nooit gehad. Een mooiere vakantie was niet mogelijk geweest. Liekele Kingma, die inmiddels in Harlingen woont, vaart nu als kapitein bij de NV Stoomvaartmaatschappij Oostzee, in Amsterdam. Hij stond op de brug van vele schepen, "Maar de Jan Nieveen, is toch het schip waar ik de mooiste herinneringen aan heb overgehouden".

Aan de wal staat de trouwe pistonist, en laat het Friesche Volkslied hooren.

Het personeel van de "Friesland". Van links naar rechts: Johannes de Jong, Gerke Bootsma (beide matroos) Evert de Roos, stuurman, J. Bolhuis, kapitein, D. Wedman, hofmeester, Jan Kamminga, Mevr. Wedman, R. Dijkstra en geheel rechts met witte pet is Hendrik Dijkstra. De overigen zijn niet bekend.

TOP