Home » Lemmer » Visserij en schepen » Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam » Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam (3)

Jan Nieveen en de tramboten Lemmer-Amsterdam (3)

Toen op 10 mei 1940 de Duitsers ons land binnenvielen, veranderde veel. De boten bleven de eerste dagen aan de wal, varen was te gevaarlijk geworden. Lang duurde die situatie overigens niet. Al spoedig na de capitulatie werd de dienst hervat. De passagiers kwamen weer opdagen en alles leek bij het oude te blijven. Duitse soldaten toonden veel belangstelling voor de Hollandse meisjes, zoals op Volendam.

Toen de Jan Nieveen daarbinnen viel tijdens een uitstapje met Kamper zakenlui, zagen ze dat een Duitser een gesprekje wilde aanknopen met één van de meisjes, dat daar duidelijk niet van gediend was. Was...., wilde de soldaat beleefd vragen, maar verder kwam hij niet. Was? sprak het meisje vinnig, dat moet je op je kont smeren, dan kun je naar Engeland glijden want varend kom je er nooit. De omstanders braken in een bulderend gelach uit, de Duitser droop af.

Het Nederlandse leger hield in die meidagen van 1940 niet lang stand tegen de Duitse overmacht. De soldaten raakten in krijgsgevangenschap, maar mochten later naar huis. Veel noorderlingen maakten de reis met de Jan Nieveen, zoals dit drietal, dat het zich gemakkelijk heeft gemaakt op het achterdek.

Bemanningsleden van de Jan Nieveen in oorlogstijd. Van links naar rechts: Arie van der Meer, Roel de Jong en Hans Seldenthuis. De man in de donkere jas naast Van der Meer behoorde tot het steigerpersoneel in Amsterdam.


Kapitein Haye Bouwman, in de oorlog kapitein op de Jan Nieveen, heeft veel gedaan om mensen op de vlucht met name joden voor de Duitsers te verbergen.

Zo bracht de verzetsman Kees de Wit, uit Amsterdam herhaaldelijk joodse kinderen met de Lemmerboot naar Lemmer, van waaruit deze kinderen bij pleeggezinnen in Friesland werden ondergebracht. Hij had de stille medewerking van de kapitein en telkens als er onraad dreigde, liet Bouwman dat in bedekte termen weten. Toen De Wit op een gegeven moment, twee joodse jongens met de boot naar Lemmer bracht, kwamen er twee Duitse boten langszij en volgde er controle door de Feldgendarmerie.

Het liep goed af voor de joodse jongens. Ze waren door andere passagiers in allerijl bewerkt met lippenstift en hadden een sjaaltje om het hoofd gebonden en ontsprongen zo de dans als "twee aardige grietjes". In februari 1945 bracht De Wit voor het laatst een joods meisje naar Lemmer. Hij wist dat de boot niet meer terug zou gaan, maar nam het risico omdat in Amsterdam de grond te heet onder zijn voeten was geworden. Hij dook onder bij de familie Leenstra in St. Nicolaasga, en keerde na de bevrijding met een Canadese legerauto naar Amsterdam terug.

De Jan Nieveen werd op een gegeven moment in 1944 in Amsterdam gevorderd door de Duitse Wehrmacht, voor het huisvesten van het bewakingspersoneel van de sluis. Hofmeester Bertus Verschoor kon niet aanzien, dat het vlaggeschip van de maatschappij met die vermaledijde Duitse hakenkruisvlag in top, als een armzalig logementschip voor de wal lag. Hij trok zijn mooiste uniform aan en trok er brutaalweg op uit om bij de Duitsers in het algemeen belang het schip terug te vragen in ruil voor de Groningen III. Dat lukte hem...

Toen de Duitsers steeds meer jonge mannen nodig hadden voor 'Arbeitseinsatz' namen de razzia’s toe. Veel mannen doken onder of vluchtten naar het Noorden. Zo ook de jongeman uit Amsterdam, die op de hielen gezeten door de Duitsers in de Jan Nieveen zijn laatste redmiddel zag "Hofmeester help mij" riep hij angstig om zich heen kijkend.

De hofmeester ging met hem naar de bovensalon waar in de hoek een corpulente pastoor zat, uiteraard gekleed in ruimvallende zwarte rokken. De eerwaarde bracht uitkomst tilde de rokken op en bood de onderduiker uitkomst. Tot voorbij de Oranjesluizen heeft de onderduiker in zijn opmerkelijke schuilplaats gezeten. Toen het schip in volle zee was, kon hij weer te voorschijn komen.

Een verpleegster uit Leeuwarden, smokkelde haar verloofde uit Amsterdam mee, die als vrouw verkleed was en door moest gaan voor een patiënt die naar het ziekenhuis begeleid moest worden.

Hij werd aan boord van de Lemmerboot verstopt onder de banken aan dek. De verpleegster ging op de bank zitten en wist de plaid over haar schoot zo te plooien, dat haar 'patiënt' onzichtbaar bleef. Bij controle door de Duitse militairen hield zij zich slapende terwijl haar verloofde letterlijk oog in oog lag met de neuzen van de Duitse laarzen. Ook de joodse jongen Ron Noach, die bij controle door de Duitsers werd aangehouden wist te ontkomen en werd schuil gehouden onder een bank in de kajuit.

Toen de toestand in het westen van het land steeds nijpender werd omdat eten er haast niet meer te krijgen was, gingen steeds meer eten-halers met de Lemmerboot naar Friesland om te proberen daar hun kostje bij elkaar te scharrelen voor de hongerende familie thuis. De mensen stonden uren in de rij voor een kaartje. Soms was het aantal passagiers veel te groot en braken op de De Ruyterkade, vechtpartijen uit om een plaatsje aan boord.

Jos Reedijk, uit Rotterdam was een van die etenhaalsters. Achttien jaar was ze toen ze regelmatig naar het Noorden reisde, bij familie in Zuidhorn, onderdak kreeg en van daaruit langs de boeren in de omgeving ging om eten te vragen "Moeder had nog vijf meisjes en drie jongens thuis. Er werd honger geleden" vertelde ze. Ze ging in de regel per trein naar Noord-Nederland, maar stak na de spoorwegstaking in september 1944 met de Lemmerboot over en dan meestal met de Jan Nieveen.

Ze was vol lof over de gulle bereidwilligheid van de mensen in Groningen en Friesland. Als de fiets afgeladen vol was, begon de tocht naar huis. Dat was vaak een hele opgave want de Lemmerboot was overvol. Je kon amper een zitplaats krijgen. De fietstassen vol met eten werden ’s nachts als stoel gebruikt. Bang werden we als de controleurs aan boord kwamen. Bang omdat je de kans had, dat je al je kostelijke voedsel weer kwijt zou raken.

Een enkele keer gebeurde dat ook. Dat was natuurlijk ontzettend, maar er werd gelachen als alles weer eens goed was afgelopen. Zoals die keer met die vrouw die onder haar bloesje drie rijen worst om haar hals had gehangen. De controleur keek eens goed en zei toen "U heeft een flink gemoed mevrouw" "Ja meneer" zei ze terwijl ze op haar kin wees "het zit me tot hier".

De reis met de Lemmerboot was overigens niet altijd even gemakkelijk. De boot was vaak zo afgeladen vol, dat je je nauwelijks kon roeren. Als het dan ook nog slecht weer was viel het helemaal niet mee. Daarenboven moesten de etenswaren op de vreemdste
plaatsen verstopt worden.

Uit het dagboek van mevrouw C. W. Faddegon-Keizer uit Amsterdam, die etenswaren uit Friesland had gehaald "We verkleedden ons bij kennissen in Lemmer. We moesten ons eten immers verbergen. Ik gespte mijn 'roggebuik' om, hing aan een fietsriem een paar worsten, tussen mijn benen het pond vlees ging op mijn rug en het windjack werd voor en achter vol gestopt met pakjes boter. Ik zag er bespottelijk uit, Elly trouwens ook. Ze droeg een riem met aan beide kanten een serie worsten, die in haar broekspijpen hingen. Onderin haar lange broek had ze nog een paar stukken zeep verborgen. De pijpen had ze aan de onderkant met een touwtje dichtgebonden. Geen gezicht dus...

Er waren meer vrouwen met een 'clandestiene buik' aan boord. Bol van levensmiddelen, wendden ze voor in verwachting te zijn. De mensen werden er steeds vindingrijker in om de controleurs om de tuin te leiden. De Lemmerboot speelde in die tijd een belangrijke rol in het leven van velen. Trieste taferelen speelden zich ook af op de steiger in Amsterdam.

Moeders brachten hun kinderen naar de boot, om ze in Friesland af te staan, aan wildvreemde mensen omdat ze voor hen geen eten meer hadden. Op een gegeven moment werden zelfs baby’s vervoerd. Warm ingepakt in een bed van stro lagen in het ruim zeker honderd baby’s. Allen hadden een label met daarop hun naam om de hals. Veel ouders in Friesland waren bereid de baby’s op te nemen in hun gezin. Voor de echte ouders was het bijzonder zwaar om hun kinderen af te moeten staan, maar het betekende wel hun redding. Van bemanning van de Lemmerboten werd in die jaren veel gevraagd.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden.


Later konden dergelijke opmerkingen niet meer gemaakt worden. De bezetter begon de regels te verscherpen, geboden en verboden werden uitgevaardigd, de Joden vervolging begon en onder de bevolking groeide een geest van innerlijke haat en ondergronds verzet. In de tweede wereldoorlog namen de plezierreizen snel af. Men durfde niet meer met de boot, het was te riskant geworden. Wel werden de geregelde diensten onderhouden. Alleen in uitzonderlijke gevallen werd er nog eens een extra reisje gemaakt. Het werd gevaarlijk op zee. Engelse jagers voerden regelmatig luchtaanvallen uit om te trachten zoveel mogelijk Duitse tonnage tot zinken te brengen.

Onder die omstandigheden verliet op de morgen van de 21e oktober 1942 de Groningen IV, de haven van Lemmer voor haar dagelijkse reis naar Amsterdam. Het schip was nog niet lang onderweg toen aan de horizon de Tommy's verschenen. Even later was de lucht vol vliegtuig geronk. Met donderend lawaai doken de jagers neer op de Groningen IV en het passagiersschip 'De Friesland'. De brug alarmeerde hofmeester Louw Bosma.... "Een luchtaanval" waarschuwde hij de passagiers. Bosma aarzelde geen moment. Hij sprong van boven af in de salon. "Plat" schreeuwde hij, "Ga plat liggen". Een moeder met haar drie kinderen werden onder de bank geduwd. Een panische angst maakte zich van de passagiers meester. Velen baden om behoud. De kogels sloegen in, ook op de plaats waar de moeder met haar kinderen lag. Wonder boven wonder werden zij niet geraakt.

De brug van het schip werd verscheidene malen getroffen. Stuurman Jaap Stienstra, werd zwaar gewond. Het schieten hield op toen de stoomleiding werd getroffen. De aanvallers vertrokken. Kapitein Rein de Jong en stuurman Schelte Rottiné, waren eerst danig over hun toeren, maar vermaanden zich snel. Het hoofd moest erbij, er moest hulp komen en wel zo snel mogelijk. De noodvlag werd gehesen. Traag ging de tijd voorbij. Minuten leken uren. Eindelijk dook aan de horizon de Groningen III en de Jan Nieveen op. De schepen kwamen uit Amsterdam en waren op weg naar Lemmer.

Ze waren de Groningen IV niet op de vaste tijd of plaats gepasseerd, zodat men begreep dat er iets aan de hand moest zijn. Groot was de ontzetting toen men het zwaar getroffen schip hulpeloos zag ronddrijven met de noodvlag in top. De Jan Nieveen, bracht een tros uit en nam de boot op sleeptouw. Op volle kracht werd koers gezet naar Lemmer. Daar had men al een dokter gewaarschuwd. Omdat men de aanval en de noodvlag had gezien. De arts stond de schepen op de sluis al op te wachten. Zijn hulp kwam helaas te laat. Jaap Stienstra stierf in de Lemster sluis. Een vreselijk drama had zich voltrokken. De bemanning was diep verslagen, het gezin troosteloos. 's Avonds melde Radio Oranje vanuit Londen "Schepen aangevallen op het IJsselmeer één brandend achter gelaten".

Stuurman Jaap Stienstra. Hij kwam om het leven toen de Groningen IV in 1942 een paar mijl buiten de haven van Lemmer door Engelse vliegtuigen werd beschoten. Stienstra werd zwaar gewond. Hij overleed in de sluis.

De Groningen IV vaart uit. Het schip zou de oorlog niet overleven.

Gevorderd en weer vrij.

Op een morgen het was in 1944, werd reserve kapitein Jouke van der Bijl, op de steiger in Amsterdam aangesproken door een paar officieren van de Duitse Wehrmacht. Wat al lange tijd gevreesd werd, werd werkelijkheid. Men wilde de Jan Nieveen vorderen. Van der Bijl, haalde hofmeester Verschoor, erbij omdat hij wist dat hij beter in staat was met de heren om te gaan dan hij.

Maar ze konden praten wat ze wilden, de Duitsers waren niet te vermurwen. De boot werd gevorderd. De Wehrmacht, had het schip nodig voor de huisvesting van het bewakingspersoneel van de sluis. Het was droevig. Daar lag de Jan Nieveen, het vlaggenschip van de maatschappij, waar men zo verknocht aan was, met die gehate Duitse hakenkruisvlag in top als een armzalig logementschip voor de wal. De veel kleinere Groningen III nam de dienst regeling van de Jan Nieveen over.

Reserve kapitein, Jouke van der Bijl, aan het wiel van de Jan Nieveen. Het was Van der Bijl, die in de oorlog op een kwade dag van de Duitsers te horen kreeg, dat het schip gevorderd was. Van der Bijl overleed op 85-jarige leeftijd in 1976 te Lemmer.

De bemanning sprak er schande van en kon moeilijk verkroppen dat de boot in handen van de bezetter was gevallen. Vooral hofmeester Verschoor had er de grootst mogelijke moeite mee. Hij was bitter gestemd. Maar iedereen die hem kende, wist dat hij niet voor een kleintje vervaard was. Stroomde er geen marine bloed door zijn aderen?

Op zekere morgen stapte de hofmeester resoluut het kantoor van directeur Nieuwehuis binnen. Zijn besluit stond vast. Die boot moet terug sprak hij verbeten. Mag ik het proberen? Nieuwehuis, keek hem met grote ogen aan. Hoe kwam Verschoor er bij! "hoe wil je dat dan doen", vroeg hij verbaast maar ook met respect. Ik heb een dekschuit nodig die mij bij de Oranjesluizen brengt, antwoordde Verschoor. Daar ligt de boot en geef mij Klaas mee. Klaas behoorde tot het steigerpersoneel in Amsterdam. Hij voelde wel voor de onderneming.

Directeur Nico Nieuwenhuis, is van 1901 tot 1957, dus maar liefst 56 jaar aan de maatschappij verbonden verbonden geweest. Zijn dienstverband was een record. Als jongste bediende begonnen op het kantoor in zijn woonplaats Amsterdam, werd hij later agent in Lemmer en uiteindelijk directeur in Amsterdam. De heer Nieuwenhuis overleed op 22 mei 1970 in Amsterdam. Hij was toen 84 jaar.

Directeur Nieuwenhuis was in 1941 veertig jaar aan de NV Groninger-Lemmer Stoomboot Maatschappij, verbonden. Dat jubileum werd gevierd, niet in een hotel, maar aan boord van 'zijn' Jan Nieveen.

Het plan werd uitgevoerd. Toen de dekschuit de Jan Nieveen naderde, kwamen de Duitsers al naar de reling. Ze zagen Verschoor, gekleed in zijn mooiste uniform aan voor een zeeofficier. Zo'n man die overdag op een dekschuit over het IJ voer, moest wel iets bijzonders zijn. Laten wij hem maar gauw aan boord halen spraken de Duitsers, waar hun spoedig duidelijk werd dat de zeeofficier wel heel bijzondere bedoelingen had. Maar nee daar kwam niets van in. De Jan Nieveen was en bleef gevorderd.

Verschoor gaf de moed niet op. Hij hield aan en wist ze zo ver te krijgen dat ze de Duitse commandant van Schellingwoude belden en vroegen naar de Jan Nieveen te komen. De hofmeester en zijn maten zaten net aan de koffie, toen de commandant kwam. In een vurig en hecht betimmerd betoog zette Verschoor uit een welk belangrijke dienst de Jan Nieveen tot nu toe had verricht. Hij verhaalde van de voedseltransporten van het noorden naar Holland en van de Duitse post, die geregeld mee ging. Hij verzweeg natuurlijk over de onderduikers en Joodse vluchtelingen. Zeker erkende Verschoor, de Groningen III, die de plaats van de Jan Nieveen had ingenomen, was een uitstekend schip.

Geen kwaad woord van te zeggen, maar voor het belangrijke werk toch eigenlijk veel te klein. "Vond Herr commandante dat ook niet"? De overredings-kracht was zo groot, dat de Duitser mee ging naar de steiger om de Groningen III te bekijken. De commandant zwichtte voor de argumenten van de hofmeester-sterker nog, eigenlijk was de Groningen III veel beter dan de Jan Nieveen, geschikt voor zijn doel: de huisvesting van een paar sluisbewakers. De Jan Nieveen werd weer vrijgegeven en in de vaart gebracht. Hofmeester Verschoor gloeide van trots toen de Jan Nieveen weer voor het eerst de haven van Lemmer binnenliep. Op de wal klonk gejuich uit vele kelen, wie had dat gedacht dat hij zou terug keren! Hoffie had het hem toch maar gelapt.

Hofmeester Verschoor, kon weer lachen nadat hij er in geslaagd was de gevorderde Jan Nieveen los te praten.

Benauwde ogenblikken beleefde ook de heer van Dobbenburgh, uit Bentveld bij Haarlem. In Juni 1943 was hij in Oudehaske ondergedoken, om aan de gedwongen tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Via Amsterdam was hij met de Lemmerboot naar Friesland gevlucht. Dolle Dinsdag in september 1944 bracht van Dobbenburgh in de ban van de naderende bevrijding en deed hem besluiten naar het westen terug te keren.

Hij nam afscheid van zijn verloofde, Trijnie Smilde, die als verpleegster in het Diaconessenhuis in Leeuwarden werkte, en ging via de afsluitdijk op huis aan. Ik had mij lelijk verkeken, zegt van Dobbenburgh, de Duitsers hielden stand en in het westen van het land werd het een rampgebied, waarbij Friesland een land van melk en honig leek. Deze berichten bereikte natuurlijk ook mijn verloofde in het diaconessenhuis, maar ik zag geen kans meer Friesland binnen te komen. Zonder grote kans te lopen door de Duitsers opgepakt te worden.

Van Dobbenburgh had vrijwel alle hoop opgegeven het noorden weer te kunnen bereiken. Totdat op een goede dag in december 1944 in de vroege ochtend plotseling zijn verloofde voor de deur stond. In uniform, met een voedselpakket en damesfiets. Ze was van Leeuwarden naar Lemmer gefietst, had daar de boot genomen en was vervolgens van Amsterdam naar Bentveld gereden. Geen kleinigheid in die barre winter. Grote vreugde in huize van Dobbenburgh dus, ook al door het meegebrachte voedselpakket. Ik had mijn besluit genomen, ik moest en zou terug naar Friesland. De vraag was alleen hoe? Voor mijn verloofde bleken er nauwelijks problemen te zijn, maar hoe kwam ik aan de overkant?

De jongenman werd als vrouw verkleed. Een vorm van travestie, die meer weg had van een poging tot zelfmoord dan voor zelfbescherming, verteld van Dobbenburgh. Mijn voorkomen leende zich hier helemaal niet voor. De oplossing lag bij de Ortskommandantur, gevestigd in een voormalig hotel in de Haarlemerhout in Haarlem.

Ik ging er met mijn verloofde heen. Een onderofficier deelde ik mee, dat ik Hauptmann Grabinger*, wenste te spreken. De vraag waarom het ging, werd met een smoes dat het een 'geheime aangelegenheid betrof', Dat werkte en we verschenen bij Grabinger, van wie ik wist dat hij geen nazi-man was. Mijn verloofde stelde ik voor als mijn nicht, die een patiënt van Leeuwarden naar Haarlem had moeten brengen en nu terug moest met de Lemmerboot, ze vreesde dat haar fiets onderweg in beslag zou worden genomen. Inbeslagname achtte ik evenwel geen nut voor de Duitse Wermacht. Grabinger beaamde dat en willigde mijn verzoek in, om ons een schriftelijk verbod van inbeslagname te geven. De volgende dag konden wij de Bescheinigung op halen. Hij wenste mijn nicht een goede reis.

'De Bescheinigung', die mejuffrouw Smilde kreeg om te voorkomen dat haar fiets in beslag zou worden genomen.

* Twee foto's van André Hakhoff: Gasmasker en draag-bus van Hauptmann Grabinger. Deze kwamen te voorschijn na afbraak van hotel Oranje in Haarlem.

De volgende dag vertrokken wij per fiets naar Amsterdam. We voelden ons met de Bescheinigung op zak vrij veilig en we hadden afgesproken dat ik bij aanhouding door de Duitsers voor een patiënt zou doorgaan, die naar Leeuwarden gebracht moest worden. Eventueel zou ik alleen wat onverstaanbare kreten uiten.

Achter het centraal station lag de Jan Nieveen. Op de steiger stonden drommen mensen te wachten. Ze wilden naar Friesland om eten te halen of om er te blijven. Ons probleem was om gezamenlijk met de fietsen aan boord te komen, terwijl de Duitsers streng controleerden. Ik zei tegen mijn verloofde dat zij de Bescheinigung aan de kassa moest laten zien en alleen maar moest zeggen Wehrmacht, zwei Mahl, het werkte, onder dodelijke blikken van de omstanders kreeg zij twee plaatsbewijzen.

Echt gemakkelijk is het niet geworden. Om ongewenste vragen te voorkomen was het beter dat van Dobbenburgh zou verdwijnen. Hij kroop daarom onder een van de banken aan dek, zijn verloofde ging op de bank zitten en plooide de de plaid zo over haar schoot dat hij onzichtbaar werd. Bij controle van de Duitsers hield zij zich slapende, terwijl haar verloofde letterlijk oog in oog stond met de neuzen van de Duitse laarzen.

Ik heb minstens zes uur onder die bank gelegen, want we waren erg vroeg aan boord gekomen. Zeker twee uur voor de vertrektijd, de afvaart was daarom ook een verlossing. We wisten dat de Oranjesluizen nog moeilijkheden konden opleveren omdat daar de Duitsers nog wel eens aan boord kwamen. Maar dat liep gelukkig goed af.

Een nieuw probleem diende zich naar mate aan hoe dichter de Friese kust in zicht kwam. Van Dobbenburgh zat nu wel op de Jan Nieveen, maar hoe kwam hij er ongezien weer van af ?. Afgesproken werd dat zij de beide fietsen van boord zou meenemen, terwijl hij zich ergens verdekt zou op stellen om een gunstig ogenblik af te wachten om van boord te gaan.

Toen de boot werd afgemeerd, nam mijn verloofde poolshoogte. Ja zeker er was wel controle, op de kade stonden de Duitsers al klaar. Het zou een toer worden om ongezien aan wal te komen. Tot overmaat van ramp liepen een stuk of vijf jongemannen die het zelfde van plan waren als ik, in de val en werden gearresteerd. Een ongeval van een van de Duitsers bracht de oplossing. Het vroor flink hard en op sommige plaatsen was het flink glad. Dat werd de soldaat fataal hij gleed uit en viel te water.

Zijn collega's schoten hem te hulp, alle aandacht richten zich op de reddingspoging en dat gaf van Dobbenburgh, de kans om van boord te komen. Ik sprong van het achterdek op de kade en rende in het donker naar een portiek, waar ik mij schuil hield. Even later dook mijn verloofde met de twee fietsen op, en na een bare tocht bereikten we uiteindelijk Oudehaske. Ik was weer thuis, de Jan Nieveen was voor ons onvergetelijk geworden.

In de oorlogsjaren onderhield de firma Reen, uit Sneek met paard en wagen een beurtdienst op Lemmer. De lading bestond voornamelijk uit postzakken en passagiers van of voor de Lemmerboot. Vaak waren het mensen uit Holland, die naar het noorden kwamen om wat eten bij elkaar te scharrelen. Broer Eekma, mende meestal het paard. Op deze foto heeft hij ook de teugels in handen.

Ron Noach.

Ron Noach, woonde in de oorlog in Aalsmeer, 15 jaar was hij en Joods. Zijn vader was weggevoerd. Ron was met zijn moeder en zijn beide broers onder gedoken. De ondergrondse vond het beter dat hij naar Friesland zou gaan. Ron kreeg een nieuw persoonsbewijs en een andere naam: Tony Wagenaar. Ik kreeg te horen dat ik in Amsterdam naar dominee Buskus moest gaan. Die zou me wel verder helpen. Dat is ook gebeurd, ik werd doorgestuurd naar de Heer Fedde Schurer, die toen op de Admiraalweg woonde. Hij zou me een kaartje voor de Lemmer boot bezorgen. Het lukte.... Ron kreeg een kaartje zo'n klein kartonnen dingetje, ik zie het nog zo voor me en of het echt was weet ik niet, maar ik kon nog niet weg. Het IJsselmeer lag vol ijs. De boten voeren niet.

Het duurde een paar weken eer het ijs zover was verdwenen, dat de boten de oversteek konden maken. Ron had te horen gekregen dat hij met de eerste boot die naar Lemmer ging mee moest. Op de steiger stonden lange rijen mensen. Velen droegen een rugzak...etenhalers. Mijn moeder en mijn broertje zwaaide mij uit, maar op de steiger werd ik aangehouden. 'Ausweiss', trillend van angst gaf ik die Duitse soldaat mijn kaartje en persoonsbewijs. Of dit vals was? De hofmeester keek mij aan, "natuurlijk dat is wel in orde". Die Duitser geloofde hem niet ik moest mitkommen. De hofmeester liep echter ook mee. Op een gegeven moment pakte hij me beet en duwde me pardoes een deur binnen van wat de kajuit bleek te zijn, het zat er vol.

Veel vrouwen riepen héé jongen waar moet je naar toe? D'r zit wat scheef zeker? Ik werd onder een bank gefrommeld. De vrouwen gingen ervoor zitten en ik hield mij schuil achter hun rokken. Buiten vroor het dat het kraakte, maar warm dat ik het had, warm! Voor mijn gevoel heb ik daar eeuwig gelegen. Het duurde lang voor de boot vertrok. Ik wilde onder de bank vandaan komen, maar dat mocht niet. We moesten de oranje sluizen nog door en daar werd ook vaak gecontroleerd. Tijden heb ik daar gelegen, maar eindelijk ging de boot weer varen. Ik als de duvel onder de bank vandaan, die vrouwen heb ik bedankt en ik ben toen naar boven gegaan, frisse lucht moest ik hebben.

Aan dek raakte Ron, een klein wit mager mannetje, in gesprek met twee meisjes. Ze hadden roggebrood bij zich, van die grote roggebroden. Zulke had ik nog nooit gezien. Het bleken dus Friese roggebroden te zijn. Wat zag dat er lekker uit. Ik had alleen maar een paar sneetjes brood en een paar winterwortels te eten. Maar moeder had me ook een paar stukjes zeep meegegeven. Goeie zeep wel te verstaan, ik dacht als ik nu zo'n stuk zeep kan ruilen tegen een stuk roggebrood ben ik klaar.

Ik raakte dus met die meisjes aan de praat, ze woonde in de buurt van Nijemirdum. Ik vertelde dat ik naar familie ging in Nijemirdum ging, wat helemaal niet waar was, want ik wist helemaal niet waar ik naar toe ging. Ik had alleen een brief bij mij, die ik moest afgeven bij dominee Verdam in Nijermirdum. Voor de rest wist ik niets. Nou zeiden die meisjes dan kan je straks mooi met ons mee lopen.

Ron ruilde zijn stuk zeep tegen een stuk roggebrood, heerlijk maar hij heeft het geweten. Ik was dat brood helemaal niet meer gewend, dus ik bleef naar de wc lopen. Dat viel niet mee er stond steeds een lage rij mensen voor. Blij dat ik er dan op zat. Als je dan je vrachtje weer kwijt was ging je weer naar buiten, maar even later moest je al weer. Het was een overtocht om nooit te vergeten. Af en toe zag ik de hofmeester, maar die zag mij niet staan. Hij deed of hij mij nog nooit gezien had.

Het was druk aan boord. Verscheidene mensen hadden de oversteek al eerder gemaakt. En vertelden verhalen over luchtaanvallen en controle. Wij zijn niet beschoten maar wel moest er op een gegeven moment de lichten uit, herinnert Ron Noach zich. Er zaten Engelse jagers boven hun, ze waren bang dat die op hun zouden gaan schieten. Ik snapte er niets van. De Engelsen waren toch onze vrienden? Maar tja je bent een jongen van bijna zestien jaar en had nauwelijks besef van angst. Ach ik stond er alleen voor, ik zag wel waar ik terecht kwam.

Dat leek de Duitse cel te worden, want toen Ron in Lemmer van boord wilde gaan, wemelde het op de kade van de soldaten. Ik schrok me dood. De passagiers werden bij de loopplank opgewacht. De mannen werden in rijen opgesteld, twee aan twee en bij elk koppel stond een soldaat. Ik dacht daar ga ik, 't is gebeurd met je. Zenuwachtig werkte Ron zich in de rij naar achteren, maar op een gegeven moment moet je toch. Dan is het jouw beurt, dan sta je voor de loopplank. Maar wat denk je, geen soldaat meer te zien. Ze marcheerden, net de hoek om met een stuk of wat mannen.

Ai, wat was ik blij Ron of Tony zoals hij op het persoonsbewijs heette, kwam eindelijk op de tuinderij van de familie Boukes in Nijemirdum aan. Daar heeft hij het einde van de oorlog afgewacht. Na de bevrijding is hij met de Jan Nieveen naar huis gebracht. Ik wilde weten wat er allemaal gebeurd was. Je hoorde allemaal zulke rare verhalen. Maar ik trof ons huis aan zoals ik het verlaten had. Mijn moeder en mijn broers waren er ook nog. Maar ja van de rest van de familie is er nooit meer iemand teruggekomen.

Bron foto Ron Noach: www.communityjoodsmonument.nl 

Vechten om een kaartje.

De toestand in het westen werd nijpend. Eten was er haast niet meer te krijgen. Hongervluchtelingen werden naar het noorden gebracht. Steeds meer eten-halers gingen met de Lemmerboot naar Friesland, om te proberen om daar hun kostje bij elkaar te scharrelen voor de hongerende familie thuis. Het was verschrikkelijk. De mensen stonden uren in de rij voor een kaartje. Soms was het aantal passagiers veel te groot, en braken op de Ruyterkade vechtpartijen uit om een plaatsje aan boord. Meer dan eens moest de politie er aan te pas komen.

Jos Reedijk uit Rotterdam was één van die etenhaalsters. Achttien jaar was ze, toen ze regelmatig naar het noorden reisde, bij familie in Zuidhorn onderdak kreeg en van daaruit in de omgeving de boeren langs ging om eten te vragen. Moeder had nog vijf meisjes thuis en drie jongens. Er werd honger geleden, verteld ze. De boter, tarwe, erwten, en bonen waar Jos mee thuis kwam, werden dan ook gezien als een geschenk uit de hemel. Ze ging in de regel met de trein naar het noorden, maar stak na de spoorweg staking september 1944 met de Lemmerboot over en dan meestal met de Jan Nieveen.

Jos Reedijk, uit Rotterdam, reisde in de oorlog vele malen naar het noorden om eten te halen. Na de spoorwegstaking ging ze met de Lemmerboot.

Ik ging op de fiets naar Amsterdam de sfeer was daar beklemmend. Er werd veel geleden. Het was bijna niet vertrouwd om met eten over straat te lopen. Op de Lemmerboot die 's nachts zou vertrekken, was het een drukte van belang. Tegen de tijd dat het schip 'Het IJ' afvoer was je al aardig vertrouwd, met de anderen mensen aan boord. Iedereen wilde wel praten en iedereen had zijn eigen ellendig verhaal. We voeren volkomen geblindeerd om beschietingen te ver komen. Het was angstig donker aan boord.

Na ongeveer vijf uur varen kwamen we in Lemmer aan. Iedereen ging weer zijn eigen weg. Moederziel alleen stapte ik op de fiets, richting Oosterend, een afstand van 36 kilometer. Voor mijn gevoel was ik in een heel andere wereld terecht gekomen. De mensen waren zo vriendelijk, ze groeten je en als je bij een boerderij aanbelde kreeg je altijd iets te drinken of wat te eten. In Oosterend bleef ik een nacht bij mijn pleegouders. Die hadden daar een boerderij. Na het bombardement in Rotterdam ben ik er ook al zes weken geweest. Ik zat toen bij een groep kinderen, die van Rotterdam naar Friesland gingen en die de reis van hun leven maakten.

Het meisje Reedijk fietste de volgende dag naar familie in Zuidhorn, bij boeren onderweg stapte ze af en vroeg of die nog wat te eten hadden. De meeste gaven met gulle hand, en als de fiets afgeladen was, begon de tocht naar huis. Vaak een hele opgave, want de Lemmerboot was overvol. Je kon amper een zitplaats krijgen. De fietstassen vol met eten, werden 's Nachts als een stoel gebruikt. Bang werden we als de controleurs aan boord kwamen. Bang, omdat je de kans liep dat je al je kostelijk voedsel kwijt zou raken. Dat was natuurlijk ontzettend, maar er werd gelachen, als alles goed was afgelopen.

Na aankomst in Amsterdam wachtte nog een fietstocht naar Rotterdam. Dat was altijd een lange tocht, vooral als het slecht weer was. Maar nooit zal ik het blije gezicht vergeten van mijn moeder als ik weer thuis was. Dat zal mij mijn hele leven bij blijven. Tegen het eind van de oorlog bleef Jos in Friesland.

Door de toenmalige theologisch student Jelke Bruinsma, later emeritus predikant in Gaastmeer, werd ze ondergebracht op de boerderij van Pieter Hotze Bonnema, op de Pôlle, een buurtschap tussen Oosterend en Roodhuis. In september 1954 trouwde ze met Jaap Bonnema, een zoon uit het gastgezin. Mevrouw Bonnema-Reedijk woont nu in Workum, waar haar Jaap directeur is van de Coöperatieve Zuivelindustrie 'De Goede verwachting'.

Bemanningsleden en hulppersoneel, tijdens de oorlog. v.d Meer - niet bekend-Anne Wielinga- Roel de Jong- Griet van der Meer - Bertus Verschoor - Kelderhuis en Grietje Bergh-de Jong.

Grietje Bergh-de Jong en ??

Roel de Jong

Grietje Bergh-de Jong en ??

Twee hulpen, Grietje Bergh-de Jong en Alie van der Meer, op de brug van de Jan Nieveen.

Dagboek.

De reis met de Lemmerboot was niet altijd even gemakkelijk. Dat blijkt uit het dagboek, dat mevrouw Clazina Wilhelmina Faddegon-Keizer, uit Amsterdam van november 1944 tot februari 1945 heeft bijgehouden:

13 november 1944. Vandaag precies een week geleden gingen Elly en ik 's morgens naar de Lemmerboot om een kaartje te bemachtigen. Er stond een ontzaglijke rij mensen, maar na heel veel moeite kregen we eindelijk meneer Achterberg, een reuze geschikte man van de Rivierpolitie, te pakken. Hij bracht ons naar meneer Prins van de Lemmerboot. Ja hoor, we kregen een kaartje. We konden wel juichen! De boot ging om vijf uur maar we moesten om vier uur al op de kade zijn. We moesten echter nog veel langer wachten, want de boot lag aan steiger 5 goederen te laden, en de passagiers moesten aan boord op steiger 17. Tot halfzeven hebben we op de kade staan blauwbekken.

't Was een grote boot de Jan Nieveen en hij was zo zwaar beladen dat er op zee nauwelijks beweging in zat. Je merkte ternauwernood dat je op een boot zat. We zaten aller-beroerdst, eerst een hele tijd op de leuning, later op een koffer, en de rest van de nacht om beurten op een hoekje van de bank. De tocht was verschrikkelijk. De mannen, die aan het begin van de reis allemaal op het dek stonden, om de vrouwen een zitplaats te gunnen in de salon, kwamen naar beneden want het werd koud.

Ze zaten en stonden in de gangetjes en op de trap. Zodat op het laatst het beneden niet meer uit te houden was. Je kon de rook wel snijden en ventilatie was er niet. We hadden de wind mee, zodat we om half twaalf in Lemmer waren, maar vanwege de spertijd mochten we niet eerder van boord dan vier uur. Hoe het vier uur geworden is weet ik niet, maar eindelijk mochten we aan wal. Tot kwart voor vijf hebben we in de storm gestaan klappertanden tot onze fietsen werden afgeroepen. Toen waren we al zover dat het ons niets meer kon schelen wat er zou gebeuren. 't Was een hel.

De terugreis was zo mogelijk nog beroerder. Bepakt en bezakt arriveerden de vrouwen in Lemmer. Het was de kunst de etenswaren ongezien aan boord te krijgen om lastige vragen en mogelijk zelfs in beslagname door de CCD te voorkomen. Dáár was de reis niet voor gemaakt. Thuis zaten ze met smart op het eten te wachten. De kaart verkoop begon om vijf uur, Na zes uur hadden we nat en bevroren, gemangeld en vertrapt, een kaartje. Een man of drie vier die na ons kwamen kregen ook nog een kaartje, maar toen was het gebeurd. Uitverkocht. Een lange rij wachtenden konden wel gaan. Men moest maar zien waar men onderdak kreeg tot de volgende boot ging.

We verkleden ons bij kennissen in Lemmer. We moesten ons eten immers verbergen. Ik gespte mijn roggebuik om, hing aan mijn fietsriem een paar worsten tussen mijn benen, een pond vlees ging op mijn rug en het windjack werd voor en achter volgestopt met pakjes boter. Ik zag er bespottelijk uit! Elly trouwens ook. Ze droeg een riem met aan beide kanten een serie worsten die in haar broekspijpen hingen. Onder in haar lange broek had ze nog wat zeep verborgen. De pijpen had ze aan de onderkant met een touwtje dicht gebonden. Verder zag ze er uit als ik. Geen gezicht dus.

Tegen zeven uur kwamen we in de stromende regen aan boord. Het was stikdonker. We waren zo wat de laatste en kregen beneden een plaatsje in de kajuit, haast tegen de wc aan op de koffers, 't Was er ontzettend benauwd en we waren bang dat de boter begon te smelten. Tegen achten was er controle door de Lemster politie, die erg soepel was. Toch duurde het nog een uur voor dat de boot vertrok. De politie maakte jacht op een paar zwarthandelaren, die voor de 73e keer wilden meevaren. Toen we één keer goed en wel vertrokken waren, ondergingen we een vermageringskuur. We haalden onze spullen uit onze kleren en de jas kon weer gewoon aan. Dat was een hele opluchting. Nog geen half uur buiten de haven begon het schip hevig te slingeren, we hadden de storm op zij.

Veel mensen verdwenen zeeziek naar het dek, zodat we al gauw van onze harde plaats op de koffers naar een zachte bank konden verhuizen. Het was niet best. Het enige toilet voor mannen en vrouwen was nog geen meter van ons af, de passagiers, die beneden zeeziek werden, konden onmogelijk op tijd boven komen, want de trap naar boven zat vol met mannen, die het aan dek wegens de kou niet meer konden uit houden. Het gevolg was dat je bij ons in het gangetje al uit gleed, doorlopend stonden de mensen aan beide kanten van de closetpot over te geven.

Zeeziek was ik niet, maar ik werd beroerd van de lucht en vond het beter om maar even een frisse neus te halen. Na een expeditie van een klein kwartier was ik eindelijk boven. Het schip slingerde verschrikkelijk. Je kon geen stap doen zonder je overal aan vast te houden om niet te vallen. Zeezieke passagiers hingen bij bosjes over de reling.

Het was aarde donker, en overal op het achterdek struikelde je over de mensen. Daar lagen minstens een stuk of veertien mensen voor dood in de regen in allerlei toonaarden te kreunen. Ik heb nog geholpen om een paar mensen in de luwte te leggen. De Lemster politie die aan boord gebleven was regelde het verkeer, Nee mevrouwtje niet aan deze kant, daar krijgt U alles in het gezicht aan de andere kant van het schip is nog wel een plaatsje vrij.

Toen ik weer beneden terug kwam, vertelde Elly met een benauwd gezicht dat het pakje boter in haar mantelzak stuk was gegaan. Ze greep midden in de botersaus. Haar zak dreef, we zochten een paar boterham zakken om de zaak weer wat schoon te maken. En Elly vertrok ongelukkig aan dek. Ik zag haar niet eerder dan tegen de ochtend terug. Eén klont boter had ze nog uit haar zak kunnen opvissen de rest had ze noodgedwongen maar laten zitten en had ten einderaad de hele nacht in de kou aan dek gezeten om de boter in haar zak te laten stollen. Verkleumd kwam ze beneden, een paar uur later was ze verkouden.

Midden in de nacht het was een uur of twee klonk er op eens een verschrikkelijk lawaai. De boot was over een ketting van een boei gevaren en zat even later muurvast op een ondiepte. Tot vier uur 's morgens hebben we anders niets gedaan dan achter en vooruit varen, vooruit achteruit en stil liggen. De kapitein verklaarde dat hij niet wist waar we zaten. We waren de Hoek voorbij gevaren, en nu was hij de koers kwijt.

Het anker werd uit gebracht en toen het licht was, bleken we aan de andere kant van Pampus te liggen. Pas tegen acht uur en dat was zes uur later dan de bedoeling was, waren we in Amsterdam. Een verschrikkelijke reis was ten einde. Over een ding waren Elly en ik het eens, al zouden we een kaartje en honderd gulden toe krijgen, dan nog zouden we voor de eer bedanken. Dit was eens maar nooit weer.

S.S. ''Friesland'' (voorzien van slaaphutten) der Holland-Friesland-Groningen lijn, dag en nachtdienst (postdienst) Amsterdam-Lemmer v.v. in directe verbinding met alle stations der Nederlandse Tramweg Maatschappij, afvaart te Amsterdam, de Ruyterkade, steiger 5, te Lemmer, Tramhaven.

Mevr. Pen: Aan boord waren, naast de bemanning van vijf koppen, een tiental passagiers op deze reis van Amsterdam naar Lemmer. ‘De vreselijkste nacht van ons leven, nog erger dan die van 16 op 17 april 1945’, (de nacht van de Bevrijding) vergelijkt Mevr. Pen. Het echtpaar Pen was voor een familiefeestje naar Amsterdam geweest.

Op de terugweg konden zij de boot van acht uur niet halen, maar wel een extra boot om negen uur. Die boot voer omdat er zoveel vracht was, waaronder driehonderd zakken meel voor Sneek. Zij mochten de hut van kapitein Jonker gebruiken, comfortabeler dan in de passagierskajuit. Hun rust werd verstoord door een harde klap. Deuren van kajuit en kastjes vlogen open en alle bagage werd door de kajuit geslingerd.

In de kombuis zat de hofmeester zeeziek op een krukje. Hij was gewond geraakt door een omgevallen petroleumstel waarop een ketel met kokend water stond. Daarbij was de broodvoorraad verloren gegaan. De petroleum was in de broodtrommel terecht gekomen. Geen ramp, niemand dacht op dat moment aan eten. Voor de hofmeester, die aan handen en been brandwonden had, was het de eerste week aan boord. Daarvoor had hij op de houtmolen gewerkt.

De oorzaak van dit alles was een onweer met wind tot orkaankracht. Boven zich hoorden Pen en zijn vrouw een oorverdovend lawaai. Dat waren grote fusten wijn en melasse die waren losgeslagen en met de bewegingen van het schip mee rolden. Soms ging de boot zo scheef dat de schroef boven water kwam en dol sloeg.

Na uren over de zee te hebben gezwalkt maakte de boot een schuiver en stopte de machine. Het schip ging zo scheef dat de passagiers over de grond rolden, de lamp uitging en een golf water binnen kwam. Gelukkig kwam de machine weer op gang. ‘Dat gaf ons een gevoel van uitstel’, schrijft mevr. Pen; zij hadden de hoop om Lemmer en hun zoontje terug te zien al opgegeven. ‘Alles dreef in het water, mijn man zijn vioolkist en de mooie nieuwe spullen die ik in Amsterdam had gekocht’. Maar dat maakte niet zo veel meer uit.

Toen was er het gerammel van de kettingen van het anker dat uitgegooid werd. Pas toen werd het gieren van de wind, dat eerst overstemd was door het lawaai aan boord, hoorbaar. Kapitein Jonker kwam naar de passagiers kijken en vertelde dat ze de hele nacht met drie man aan het roer hadden gestaan en dat de boot in de Val van Urk uit het roer gelopen was. Dat het schip zo scheef lag kwam doordat een deel van de vracht meel buiten boord hing en steeds zwaarder werd van het opgezogen water. Dat meel moest door de bemanning binnen gehaald worden. Een karwei waarbij ze tot over de knieën door het water moesten. De volgende dag moest het meel, afgekeurd voor consumptie, weer mee terug.

De plaats waar het anker uitgegooid was, was onder Schokland. Daar waren de Lemsters nog aan een gevaar ontsnapt. Zij waren rakelings langs een schip gevaren waarvan de lichten uitgewaaid waren. Toen de lading weer gestouwd was en de vaten extra vastgelegd bleek dat er van de fietsen van de passagiers alleen maar verwrongen staal over was. Daar waren de vaten telkens overheen gerold. ‘ ’t Was een ongekend geluk toen we in Lemmer aan wal stapten en weer vaste grond onder de voeten kregen’, aldus mevr. Pen. Als bemanningsleden noemt zij nog naast kapitein Jonker de stuurman Sibbele de Boer, Foppe Akkerman, Klaas Koornstra en P. v.d. Bijl, hofmeester.