Home » Lemmer » Verhalen van en over Oud-Lemsters » Marten Rottiné-Memoires

Marten Rottiné-Memoires

Door: M. Rottiné.


Mijn moeder was een dochter van Jouke Wagenmakers en Janke Duit. Ze woonden in de Beneden Schans in de Lemmer. Mijn grootvader was klokkenmaker en fietsmaker. Boven had hij de werkplaats, daar was ook een groot aandrijfwiel voor de slijperij, dat moest je met de voet in beweging brengen. Dat vonden we leuk werk en we gingen daarom ook vaak naar boven.

Oom Pieter, een broer van mijn moeder, was postbode in Lemmer en Omstreken. In zijn vrije tijd hielp hij grootvader. Grootvader was ook in dienst bij de Gemeente Lemsterland om de klok in de toren bij de Hervormde Kerk te onderhouden en geregeld het uurwerk op te winden. ’t Was toen zo, en het is nu nog zo, dat de torens bij de Hervormde kerken eigendom van de plaatselijke Gemeenten zijn en onderhouden moeten worden. Ook het luiden van de klok en op feestdagen de vlag uitsteken, behoort tot hun taak. De Hervormde kerken zijn eigendom van de Kerkelijke Gemeenten. Ook met begrafenissen moest grootvader de klok luiden. Oom Pieter hielp hem daarbij.

In die tijd werd de overledene meestal naar het kerkhof gedragen. Je had dan een dubbel stel dragers die onderweg wisselden, want soms moest men van een heel eind weg komen.Toen het grootvader te zwaar werd om dagelijks naar boven in de toren te gaan om het uurwerk op te winden, kreeg oom Pieter dispensatie om naast zijn dienst bij de posterijen, de taak van wat de torenklok van de Gemeente Lemsterland betrof, over te nemen.

Toen oom Pieter eens een paar dagen met vakantie ging, vroeg hij mij of ik een paar dagen voor de torenklok wou zorgen. Ik zag er erg tegenop omdat ik hoogtevrees had. Afijn, dat kon je nog omzeilen door niet door de galmgaten te kijken. Maar achter huis in de Parkstraat had ik precies het oog op de toren. Dus elke keer als ik naar buiten ging, keek ik of de klok wel goed bij de tijd liep, en telde ik de slagen of die overeenkwamen met de tijd. Wat was ik blij dat mijn oom weer thuis was.

Grootmoeder Janke was een allerliefst gelovig mensje. Toen we klein waren gingen we iedere zondag na de kerkdienst bij hen op bezoek, we kregen dan een snoepje, en later toen we ouder werden een klein sigaartje. Het was een gezellig mensje. In de kamer waren twee bedsteden.

Bovenin sliepen ze, en onder was ruimte om voor de winter wat op te slaan. Ze hadden meestal wat sterappels, dat waren van die appeltjes die je eerst op ging wrijven en die dan zo’n mooi rood wangetje hadden. En ze roken ook zo heerlijk. Door de week had ze een kanten muts op het hoofd, en ’s zondags, of als het een bijzondere feestdag was, dan werd het gouden oorijzer opgezet.

Wij waren de eerste kleinkinderen, zo kwam het dat we de eerste jaren met Sint Nicolaas presentjes kregen. Ze kwamen dan met z’n drieën, grootvader, grootmoeder en tante Antje, een zuster van moeder. Ze hadden dan een grote mand tussen hen in. Eén kadootje kan ik me nog heel goed herinneren, dat was een doos met alle soorten beesten die je om en bij de boerderij kunt vinden. Jammer dat het niet bewaard is gebleven.

Jouke Wagenmakers en Janke Duit.

Naast onze grootouders woonde een joodse familie, Simon Jakobs, Mientje en Mietje, een broer en twee zussen. Ze hadden een klein winkeltje met galanterieën, daar kon je ook vodden inleveren, waarvoor je dan een kop of schotel kreeg. Het waren al oude mensen. Simon ging venten met een kar naar de buitendorpen. Ik zie hem nog sloffen op het Westend (weg van Lemmer naar Oosterzee). Ze hadden naast hun huis de joodse synagoge, maar ik kan me niet herinneren dat die nog in gebruik was, er waren toen ook nog maar een paar joodse families in de Lemmer. Als het sabbat was dan mochten ze niets doen, zelfs de lamp opsteken (petroleumlamp) werd door grootvader of oom Pieter gedaan.

Tegen Pasen als ze de uittocht van Israël uit Egypte vierden, dan bakten ze ongezuurde koeken, en ze brachten mijn grootouders daar ook van. Het waren van die flinterdunne koeken, wij mochten er ook van proeven. De ellende van de oorlog en de haat tegen de joden is hun gespaard gebleven. Ze liggen op de joodse begraafplaats te Tacozijl begraven.

In die tijd liepen we altijd op klompen. We kochten ze dan bij Jaantje, die woonde aan de Nieuwburen, ze was naar ik meen weduwe. We kochten dan witte klompen, die waren goedkoper dan zwartgelakte, en zat er dan ook nog een knoest in het hout dan waren ze nog een paar centen goedkoper. We gingen dan met de klompen naar Pake Jouke en die bestreek ze dan met carboleum. En om ze zo lang mogelijk te kunnen dragen, werden tegen slijtage er ook nog strippen van een oude fietsband ondergezet. Soms werd een ruzie onder de jeugd met klompen uitgevochten en dat werd dan meestal brokken, en dat was een dure zaak.

Mijn vader repareerde zelf de schoenen die we ’s zondags droegen. Het materiaal werd gekocht bij schoenmaker Euverman. Als ik zo bezig ben, dan sta je versteld van wat wij in ons leven al hebben meegemaakt. In mijn jongensjaren hadden we geen elektrisch, geen waterleiding, geen gas.

’t Was dus als het donker was aarde nacht. Daarom waren er ook heel veel mensen die spoken zagen, en hele verhalen vertelden over wat ze meegemaakt hadden. Ze zagen dan ’s avonds al wat wit was, bijvoorbeeld een laken aan de lijn, voor een geest aan. Een hek aan de weg van Lemmer naar Kuinre had de naam: Spoekes hikke (spookhek). Daar moest je ’s avonds niet om twaalf uur door gaan, want dan ging hij vanzelf knarsend open.

We hadden petroleum voor de lampen. Als we naar bed gingen dan hadden we een klein lampje, dat bleef de hele nacht branden. Als het eens gebeurde dat het niet bijgevuld was met petroleum, dan werd er vast wel een van de kinderen wakker, en midden in de nacht werd het dan bijgevuld. Turf of hout stookten we in de kachel. Als de waterbak bij huis leeg was, dan haalden we water uit de waterbak bij de Hervormde kerk, voor een paar centen kon je dan emmers of bussen water krijgen.

We mochten dan vaak voor een uurtje een paar melkbussen bij melkboer Jongsma lenen, later kwam er wel een tank met water, ik meen vanuit Sneek. Op een gegeven moment kon je cokes krijgen bij de gasfabriek voor het stoken van de kachel, en toen werd de olielamp een gaslamp. Het was ook de tijd van de eerste vliegtuigen. Als we zaten te eten en er kwam een vliegtuig over dan vroegen we of we even mochten kijken.

Voor mijn gevoel was er altijd ziekte in ons gezin. Mijn vader is lang ziek geweest, tenslotte is hij aan een nier geopereerd.Voor zijn trouwen was hij smidsknecht bij van Putten en Zoon aan de Korte Streek. Later werkte hij bij de Kisten- en Vatenfabriek in Lemmer als machinebankwerker. Hij was een goed vakman, en daarom ook iemand die geacht werd verstand te hebben van heel veel zaken betreffende machinerie.

Vaak moest hij ook op feestdagen zoals Paas- of Pinkstermaandag werken, omdat ze van de firma Stork uit Hengelo kwamen om de machines een onderhoudsbeurt te geven, of een reparatie uit te voeren, waar hij dan bij moest zijn. ’k Ben vaak bij mijn vader in de fabriek geweest, het was zo’n machtig gezicht in de machinekamer, dat grote aandrijfwiel, één en al leven en lawaai, je moest hard schreeuwen om je verstaanbaar te maken, en het rook er zo lekker naar olie. En was het dan schafttijd dan moest er aan de fluit getrokken worden, dan tilde Jan van der Wal, de stoker, mij op en mocht ik aan de stoomfluit trekken. Je kunt begrijpen hoe geweldig het was als je dan van alle kanten de mensen uit de fabriek zag komen, dat had ik dan toch maar gedaan.

Ik weet nog dat mijn vriend Renze Fleer met mij naar de fabriek gegaan was, we speelden in het stookhok, daar kwam het zaagsel uit de fabriek terecht en werd daar in de ovens gezogen. Toen we in het zaagsel gespeeld hadden, en de kousen en sokken weer een beetje van zaagsel ontdaan moesten worden, kon dat mooi om ze even voor de zuigpijp te houden, jammer dat Renze de sok niet goed vasthield zodat de sok in het vuur terechtkwam.

Mijn vader was een fijnwerker. Op de kisten en vaten die gemaakt werden moest meestal de naam van de Firma en de inhoud gedrukt worden. Vader moest daarvoor een cliché maken, dat wil zeggen drukletters en figuren maken, en dat was meest handwerk. Uittekenen op een koperplaat, zagen, vijlen, draaibankwerk enzovoort, echt precisiewerk. Hij was daar dan ook erg trots op, en dat mocht hij ook wezen. Als hij dan zo’n klus had gedaan, nam hij het even mee naar huis en liet ons zien wat hij gepresteerd had. Het koperdraaisel nam hij mee naar huis, en dat kwam in een oude pan in de kelder, en als we dan van school iets hadden waar geld voor moest komen, dan liet hij Michiel Davidson komen, en het geld dat het opbracht werd dan aan ons kinderen besteed.

In die tijd had je geen ziekteverzekering, als je ziek werd dan werd je loon niet uitbetaald, je moest je maar redden, en als dat dan niet lukte moest je van nood naar de armenmeester, dat was de heer de Blauw, die woonde aan de Vissersburen. ’k Zal nooit vergeten dat het bij ons vanwege ziekte van mijn vader weer armoe was. Mijn oom Imke, de jongste broer van mijn moeder, was altijd als er iets gebeuren moest, de hulp van mijn moeder. Hij nam mij mee en gaf me een briefje voor armenmeester de Blauw en zelf bleef hij om de hoek staan. Hij zal wel gedacht hebben, een kind sturen ze niet met lege handen naar huis. En dat was ook zo, want ik kreeg iets mee terug. Mijn ouders beschouwden het als een geschenk uit de hemel.

Ondanks de omstandigheden thuis is er nog veel waar ik met plezier aan terugdenk. We woonden eerst in de derde Parkstraat. Naast ons woonde de familie Andries Faber. Faber was leedaanzegger, dat wil zeggen als er iemand overleden was dan regelde hij de begrafenis, en deed de ronde bij de mensen, namens de familie, dat die of die was overleden in de ouderdom van zoveel jaren. Deur aan deur dezelfde monotone boodschap. Zijn vrouw Marie ging uit bakeren, het was een vrolijk gezin. Gerrit was van mijn leeftijd, en was ook bij het korfballen, hij had er de slag van om van ver de bal door de mand te gooien. Wij verhuisden later naar de eerste Parkstraat nummer 7. We betaalden fl. 2,50 per week aan huur, dit werd elke maandag door de heer Pen opgehaald. We noemden hem altijd Pen potlood.

’s Zondags na de kerkdienst gingen we naar de zondagschool, elke zondag kreeg je een tekst mee, die je de volgende zondag op moest zeggen, en kon je het goed, dan kreeg je een plaatje. Hoogtepunt was wel het kerstfeest. Er stond een grote kerstboom in de kerk, de jongelingen staken al de kaarsjes aan en hielden de wacht met een emmer water en een lange stok met een spons erop voor het geval er brand in de kerstboom ontstaan zou. De traktatie bestond uit chocolademelk en koek, en als het feest afgelopen was dan kregen we een Jouster Pof, dat was een koek met aan de bovenkant een nest bruine suiker, heerlijk!!!, en ook nog een dikke sinaasappel. We kregen ook een cadeautje maar later waren het boekjes.

We hadden een oude dominee, Ds. Zoete, die zeer gezien was bij de kerkelijke gemeente, hij kon leuk meedoen op zo’n feest. Bij wat voor gelegenheid het is geweest weet ik niet meer, maar toen kregen de gemeenteleden een foto van hem, die bij menigeen op de schoorsteenmantel stond.

Rond kerstmis was het ook de gewoonte dat we met vader naar de viswinkel van Sjerp de Blauw in de Boven Schans gingen. Hij kocht dan een pot zure haring en een zoute haring, je moet er nu om lachen, maar het was voor ons als kinderen een feestelijke gebeurtenis. De zoute haring werd in mootjes gesneden, je kreeg mondjesmaat. In die tijd kreeg je een sinaasappel als je een beetje ziek was, er moest al heel wat aan mankeren als je een ei kreeg, en soms als er iemand erg ziek was of geweest was, dan kreeg die om aan te sterken een geklutst ei met een scheutje cognac. Haarlemmerolie was de drank voor allerlei kwaaltjes. ’t Was soms wel eens fijn om een dagje ziek te zijn.

We hadden 2 bedsteden in huis, die in de keuken was voor mijn ouders, maar die in de kamer was voor de patiënt, heerlijk om zo eens lekker toegestopt te worden, en was het ernst, geen nood, ’s middags kwam Friso met sinaasappelen door de straat, dan voelde je je lekker ziek. Ook als het onweerde en het zwaar weer was dan werden we van boven gehaald en mocht je net zo lang in de bedstee liggen totdat de bui over was.

Nieuwjaarsdag gingen we naar Pake en Beppe in de Schans, en dan was er nog een oudtante, die woonde ook vóór in de Schans, Oeke Boon noemden wij haar, dat was dan één keer in het jaar. Wat me altijd is bijgebleven: in haar kamer stond een stander met daarop een Statenbijbel, met van die mooie sloten, dat waren vroeger pronkstukjes. Bijzonder mooi. Als we dan de buit binnen hadden, dan mochten we bij Oene Plantinga, die woonde op de Nieuwburen, hij was schilder, maar had ook een drogisterij, zoutdropjes halen en dan waren we de hele dag zoet.

Hadden wij het armoedig of slecht? Welnee, maar de meeste arbeiders leefden op dat niveau. Over die tijd heb ik altijd het gevoel overgehouden dat er twee standen in de gemeenschap waren, dat waren de gewone arbeiders, en daarboven de dokter, de dominee, de burgemeester en een paar andere notabelen. Van huis uit werd ons bijgebracht dat, als we de burgemeester of de dominee tegenkwamen, we de pet moesten lichten. Ook als je bij iemand die je vreemd was binnen werd geroepen, nam je zodra je over de drempel was, de pet of de hoed af.

In de derde en vierde Parkstraat woonden nogal wat vissersgezinnen. Als de mannen of zonen ’s morgens al vroeg naar de haven gingen om de schepen voor de vangst klaar te maken, kon je ze al van verre aan horen komen, en dat kwam niet van het klotsen van hun klompen, maar er waren er bij die een stem hadden om jaloers op te worden, ze zongen dan uit volle borst de hele Lemmer door tot ze aan boord waren. Wat ze dan zongen? Meestal smartlappen, zoals ‘Ketelbinkie’, ‘De klok van Arnemuiden’, ‘Bij de muur van ’t oude kerkhof’, enzovoort en soms een nieuwe hit. Je had toen geen radio en televisie. In school en op de haven bij zee (toen was het IJsselmeer nog Zuiderzee) en in de straat speelde onze jeugd zich af. De spelletjes in de straat waren: krijgertje, knikkeren, verlossertje enzovoort enzovoort

We hadden toen in Lemmer nog eb en vloed. Als het stormweer was dan stond het water soms op de haven. Het was een gezellige tijd als de vissers binnenkwamen van zee en de vangsten losten aan de visafslag bij de haven. Toen kon je nog wel een maaltje vis halen bij de vissers. Soms ging Fekke de dorpsomroeper door Lemmer met de boodschap dat bij Lemmer die en die bot of schol te koop was aan de haven. In de tijd van de ansjovis, was de vangst soms zo groot, dat ze aan de Lange Streek gingen liggen en daar werden de visjes uit de netten geplozen. We hebben daarbij wel eens geholpen.

Als het zomer werd en mooi weer, dan gingen we zo gauw mogelijk naar en in zee. Als het geen weer was om in zee te wezen dan speelden we in de ‘Stjonkhoeke’. Dat was een stukje strand in een hoek van het Schapendijkje, waar je in het zand kon spelen en schelpen zoeken. De naam is ontstaan doordat er ook veel aanspoelde waar een luchtje aan zat, bijvoorbeeld na een storm spoelde er ook nogal eens een dode bruinvis aan, en dat was geen lekker geurtje. Zwemmen dat moest je jezelf leren want er waren geen zwembaden. Het leren zwemmen ging allemaal spelenderwijs.

Tegen de dijk naar het stoomgemaal stonden een paar kleedhokjes voor de meer gegoeden in de maatschappij. Als we dan weer uit het water gingen, dan zeiden we, we moeten eerst de zee nog bedanken, en dat was een buiging met het hoofd onder water naar Oost, West, Zuid, Noord. Er was altijd veel variatie bij zee. Aan de ene kant van het Schapendijkje de zee, en aan de andere kant het tramstation, waar het ook altijd druk was met het rangeren en vervoer van goederen en personen. Bij zomerdag kwamen toeristen uit Holland met boten vanuit Amsterdam naar Lemmer, dat was toen een reis van 5 uren, de Afsluitdijk was er toen nog niet. Er waren 2 boten die een lijndienst van Lemmer naar Amsterdam v.v. onderhielden.

De Lemmerboot was meer een vrachtboot maar zomerdag ook druk met passagiers. De tramboot was meer een luxe passagiersboot en ook wel voor vracht. De passagiers van de tramboot gingen dan ook meest met de tram Friesland in, terwijl die met de Lemmerboot aankwamen per fiets verder gingen. De rivaliteit tussen de beide maatschappijen was groot, en wij leefden mee, natuurlijk was de Lemmerboot (Jan Nieveen) bij ons favoriet. Men gunde elkander niet één passagier.

Vier kilometer voor Lemmer stonden ze van beide maatschappijen de mensen op te wachten en kaarten te verkopen. ’s Middags was er ook veel belangstelling. Als de boten uit Amsterdam vertrokken waren, konden ze meestal om een uur of drie in Lemmer arriveren.

In de verte aan de horizon kon je de rookpluimen zien. Wij als jongens ervoeren het net als bij een voetbalwedstrijd, wie zou het winnen? ’t Was zomerdag een heel vertier, wie zou het eerst in de haven zijn?

Als we een strenge winter hadden, en het ijs dik in de Zuiderzee lag, dan was het voor de scheepvaart vaak een hele toer om van Amsterdam naar Lemmer of andersom te komen. Werd het al te erg, dan kwam er een ijsbreker uit Amsterdam, de Daniël Goedkoop was de naam van de ijsbreker. Het waren kleine boten met een breker voor de boeg. Het was een moeizaam karwei, maar voor de buitenstaander een heel schouwspel. Al maar dikke zwarte rookpluimen want het kwam op stoken aan, en mocht het soms niet lukken dan kwam er een tweede bij. En maar op de fluit seinen van vooruit en achteruit. En als er dan veel sneeuw lag, dan speelden wij het na met een hele rij sleetjes achter elkaar, en een sterke ervoor, dat was dan de ijsbreker.

Over mijn grootouders van vaderskant, en naar de grootvader waar ik naar genoemd ben, heb ik nog niets geschreven. Ze woonden op de Vissersburen. Grootmoeder Antje de Vries was ook een best mensje, maar we kwamen er niet zo vaak als bij beppe Janke in de Schans, dat kwam ook omdat grootvader Marten veel van huis was, hij loodste de schepen over de Zuiderzee van Lemmer naar Amsterdam, Zwartsluis en Kampen, hij was dus geregeld bij de sluis en de haven. Hij was een heel ingetogen klein mannetje met niet veel woorden, maar hij wist van aanpakken. Men noemde hem in Lemmer dan ook Stille Marten.

Bijna iedereen die met de visserij e.d. te maken had, had een bijnaam. Kwam er een vreemdeling in Lemmer die naar een adres zocht, dan was het mooi als je de bijnaam wist, want dan wisten ze meteen wie het was. In mijn jongensjaren had ik dat stille niet van hem, want mijn oom Wieger uit Blokzijl die met Antje, een zuster van mijn moeder, was getrouwd, noemde mij altijd de burgemeester van Schokland omdat ik erg spraakzaam was. En zuster Smeding (wijkverpleegster) die mijn vader verpleegde, noemde mij de Bosjesman.

In die dagen waren er geen communicatiemiddelen zoals radio en televisie aan boord. De vissers en schippers waren op het kompas aangewezen en naar het kijken naar de lucht, waar ze heel goed in waren. Bij de sluis op het havenhoofd stond een hoge galg waaraan als er storm op komst was een grote bal kwam te hangen, en soms kwam er een puntbal bij, of 2 puntballen. Ze hadden verschillende betekenissen afhankelijk van de weersverwachtingen.

Mocht de storm of slecht weer de zeelieden overvallen en ze waren op zee, dan zochten ze als het mogelijk was, de luwte van het eiland Schokland op, want men had er een hekel aan om met slecht weer door het val van Urk te varen. Soms duurde het dagen of nog langer voordat ze weer uit konden varen. Menig gezin zat in angst en zorgen of hun mannen of zonen het noodweer overleefd hadden. De communicatiemiddelen waren zeer schaars, het moest vaak van mond tot mond doorgegeven worden.

Bij de haven en de zee brachten we als kinderen vele uurtjes door. ’t Was altijd één en al bedrijvigheid. Het schutten van schepen door de sluis, de vissers die binnen kwamen met de buit, en het lossen bij de visafslag. De Vissersburen lag aan het water, de route van de schepen ging dan over de Brekken en het Tjeukermeer. Sinds het klaarkomen van het Prinses Margrietkanaal gaat het vrachtvervoer met de schepen buiten de Lemmer om. Nu bestaat de drukte uit pleziervaartuigen, dat kan natuurlijk ook gezellig zijn, maar als oud-Lemster vind je niet veel uit je jeugdjaren terug.

Van mijn schooltijd weet ik niet zoveel meer af, het rekenen was wel één van mijn beste vakken. De jaartallen leren dat was altijd een hele opgaaf. De geschiedenis die daaraan verbonden was, was natuurlijk wel interessant.

’k Weet nog wel dat ik een paar maanden eerder naar school mocht, in verband met de omstandigheden thuis. Juffrouw Willie de Vries (later de vrouw van Fedde Schurer) moest me wel een paar keer op mijn plaats zetten, want ik was dat stilzitten niet gewend. Later heb ik ook nog bij Fedde Schurer in de klas gezeten. Jammer dat hij door zijn lidmaatschap van Kerk en Vrede en zijn evangelisch pacifistische gedachtewereld in conflict kwam met het bestuur van de school en de Gereformeerde kerkgemeenschap, zodat hij geen les meer mocht geven aan de school en ook zijn lidmaatschap bij de Gereformeerde kerk kwijt was. Jaren later, in 1972, vier jaar na zijn dood, werd hij door de Gereformeerde kerk gerehabiliteerd.

Hoewel Fedde Schurer niet in Lemmer geboren was, lag Lemmer hem toch na aan het hart. Hij schreef ook gedichten en één daarvan was: Lied foar de Lemmer, dat uit 7 coupletten bestaat. Het derde couplet wil ik hieronder even weergeven.

En elts dy’t ienkear mei de earste tate
De sâlte seewien op syn lippen preau
Hoe’t libben fan syn oarsrong skate
En wêr’t it wiffe lot him hinne dreau
Hy sil foargoed en oeral Lemster wêze
Dyn oantins trou bewarje oant ’e dea
Yn ’stjerren sil men fan syn lippen lêze:
Dit hert fergeat syn goede Lemmer nea.

Dit vers is niet te vertalen in het Hollands, dan zou al het mooie niet tot zijn recht komen. Maar het was zo, Lemsters die ergens anders gingen wonen in verband met hun werk, kwamen later vaak weer naar Lemmer toe.

Ook heb ik in de klas gezeten van meester Boschker, dat was een aardig klein mannetje, hij woonde alleen. Als je in de klas vervelend was dan kwam hij naast de bank staan, en zijn gezegde was dan altijd: “Must een slag om de peule:” Daar bedoelde hij je hoofd mee. Mijn moeder bakte zo nu en dan een koek voor hem, mijn zussen mochten die naar hem toebrengen, tegen betaling natuurlijk.

Augustus was de maand van overgaan, zittenblijven, of school verlaten. Aangezien ik de klassen door was, had ik het wel voor gezien gehouden, en wou met alle geweld van school af. Ik zei tegen m’n ouders dat ik liever met sinaasappelen of Lemster bokkings bij de deuren langs ging dan verder leren. Wat weet je als kind van 11 jaar (bijna 12) wat het beste voor je is, want mijn ouders hadden wel andere zorgen.

Op 8 augustus 1927 is mijn moeder overleden, ik was te jong (ik was toen nog geen 12 jaar) om het echt zo te beleven dat ik nu nog zou weten hoe het precies geweest is.

Ik weet wel dat ze een paar dagen voordat ze kwam te overlijden nog heeft gezegd tegen mijn vader: “De Here is mijn levenskracht, voor wie zou ik vrezen”, (Psalm 27:1 onber.) Het was vroeg in de morgen, ze had ook alweer een hele tijd in het beruchte Groene Kruis-tentje gelegen, haar kwaal was long-tbc. Van die dagen kan ik me weinig meer herinneren, alleen dat ik die morgen broer Piet, die was toen 4 jaar, bezig moest houden.

Toen moeder begraven werd gingen we lopende naar het kerkhof. Dat moet wel een zielig gezicht geweest zijn. Vader met zes kinderen, de jongste van 4 jaar aan de hand. Ons gezin bestond toen uit vader, 3 meisjes en 3 jongens, te weten: Antje geb. 2 april 1911, Jouke geb. 18 oktober 1912, Janke geb. 16 mei 1914, Marten geb. 11 sept. 1915, Renske geb. 29 sept. 1917, Piet geb. 26 juni 1923. Vader is geboren op 15 dec. 1885. Moeder is geb. op 18 november. 1888. Dus was mijn moeder nog maar 38 jaar toen ze kwam te overlijden. Wat dit verlies voor ons gezin betekende is niet te beschrijven. Achteraf kan ik nog niet begrijpen dat we er zo doorgekomen zijn. En als we niet zo’n lieve zorgzame vader hadden gehad, dan weet ik niet hoe het dan gegaan was.

Nadat tante Antje (een zuster van mijn moeder) even geholpen had, was het zus Antje die de honneurs waar moest nemen, stel je voor een kind van 16 jaar dat een gezin moet verzorgen, dat was een moeilijke opdracht. Ze had iets over zich dat die opdracht dubbel zwaar maakte, ze was zo schoon in de huishouding, en dat kon moeilijk met zoveel kinderen. Broer Jouke was bij bakker Oldendorp, en als hij dan thuis kwam, dan moesten eerst de sokken uit bij de deur en het meel er uitgeklopt worden.

In de kamer mochten we niet komen als ze die een goede beurt gegeven had. Ze had voor zichzelf een zwaar leven. De was werd zo schoon gewassen dat als dat gebeurd was haar knokkels spek open waren, maar we mogen dankbaar zijn dat we, mede dank zij haar, schoon voor de dag kwamen. Wasmachines waren er toen nog niet. Zus Janke en ik mochten als we later eens als familie bij elkaar waren graag nog eens over die (goede?) oude tijd praten, maar als zus Antje er bij was, dan duurde het niet lang of ze zei: “Hou er nu maar weer over op”. Vermoedelijk kwam dat omdat het voor haar de moeilijkste tijd geweest is.

Vroeger was het zo, als iemand uit een gezin kwam te overlijden, de nabestaanden een jaar van rouw in acht namen. Wij droegen dan ook een jaar een rouwband om de arm, kleermaker IJlst leverde die. Ik weet nog dat ze zo vaal waren dat we voor de tweede keer nieuwe banden kregen. Maar het leven ging verder. En dat lukte ook weer. Ik val misschien in herhaling, maar we hebben het aan vader te danken dat het zo goed ging, hij was o zo zorgzaam voor ons. Hijzelf zou zeggen: “De Here heeft ons geholpen”. Vader en moeder leefden ondanks ziekten en zorgen uit dat geloof, en voor mijn gevoel zijn ze daarin nooit beschaamd uitgekomen.

Eén ding hebben we allemaal gemist en dat kwam niet weer, dat was de moederliefde die een kind als je jong bent zo nodig hebt. Want wat was het wat dat je je soms zo eenzaam voelde, dat je het gevoel had dat je van God en de mensen verlaten was, een heimwee naar iets of iemand dat je niet vertellen kon? Dat duurde tot je iemand trof waar je mee kon praten, die je kon begrijpen, en dat kwam later gelukkig.

We namen onze bezigheden weer op. Vader was ook weer naar het koor gegaan, zingen dat mocht hij graag doen. Hij is jaren voorzitter geweest van het koor. Meester van der Loon was hun dirigent. Als ze dan naar een concours gingen dan moest er gerepeteerd worden. Vader was daar erg serieus in. Hij liep dan van de kamer naar de keuken en maar herhalen. Van sommige stukken kan ik nu nog wel regels zingen.

Mijn zusters zongen ook in het koor. Ja, dat zingen had een grote plaats in ons gezin. Het was dan ook altijd spannend als het zover was. De uitslag kon je dan bij het Nutsgebouw gewaar worden, daar stond het dan ’s middags aangeplakt. Ook de zondagsschool deed vader, en het ambt van ouderling heeft hij ook jaren gedaan. Ik denk nu wel eens, nu ik zelf ook Minke moet missen, gelukkig dat je nog bezig bent, op welke manier dan ook, dat hielp hem natuurlijk ook. We kregen een orgel helemaal uit Zeeland, dat werd aangeboden in een maandblad van het Jongelingsverbond.

Broer Piet zat er het meest achter. ’t Was zelfstudie. Het eerste dat hij speelde en tot in den treure herhaalde was ‘De Heilige Stad’. Toen hij in 1952 naar Canada verhuisde werd het orgel verkocht. In Canada nam hij de draad weer op en is meer dan 25 jaar organist van de kerk in Whitby geweest en had tevens een kerkkoor. Zelf ben ik in Dokkum begonnen met koorzang. Eerst bij een Mannenkoor en later bij een gemengd koor. Met elkaar doe ik wel dertig jaar mee.

Maar ik loop nu een beetje vooruit, dus nog maar even To back. Renze Fleer dat was, zoals ik al eerder schreef, mijn kameraad. Mathijs en Griet waren zijn ouders, ze woonden op het buurtje vlak bij de Roomse Kerk. Renze was alleen als kind thuis. We speelden vaak naast de kerk want toen was het gebouw er nog niet. We haalden de schillen bij de buren vandaan en Renze had zo’n rollebak en daar kwam het dan in, en brachten we het naar Hotel de Wildeman, want die hield er een paar koeien op na. De paar centen kwamen dan in de spaarpot.

We speelden ook vaak ergens anders, maar net waar je uit school terechtkwam. Soms gingen we met Bouwe de Vries en speelden we op de taanderij van z’n vader Marten Folkerts de Vries. Achter de zeilmakerij op een stuk land stonden een paar grote bakken die bestemd waren voor scheepsbenodigdheden die getaand moesten worden, dat wil zeggen in die bakken zat een verfstof waar netten en zeilen enzovoort een bad kregen tegen verweren. In de bevrijdingsnacht is Bouwe om het leven gekomen door een granaatscherf.

Ook gingen we vaak met Poppe Kok mee, die woonde bij het Stoomgemaal, z’n vader was stoker-machinist bij het gemaal. Ook woonde daar de familie Krekt. Die omgeving was prachtig mooi. We zwierven dan door de landen. Dat gedeelte noemden ze De AAP. Daar waren heel veel weidevogels, dus dat was vaak eieren zoeken in de tijd dat er gezocht mocht worden. ’k Weet nog goed dat we op een zondag bij Poppe waren, en dat we ook nogal wat eieren gevonden hadden. Maar ik durfde eigenlijk niet met eieren thuis te komen, want dat paste niet op zondag, toen werd het zo opgelost: de eieren van mij bleven bij Poppe, en de maandag daarop heb ik ze opgehaald. Ja, we waren ook geen lieverdjes hoor.

Dat alles was een mooie periode in je jeugd, dat vrije leven, bij de zee, bij de haven, dan nog de landen achter de trambaan, slootje springen, klompen vol water in de muizengaten gieten, zodat ze ergens anders boven de grond kwamen. Het was vervelend om met natte voeten thuis te komen, dus de sokken net zolang tegen een dampaal slaan totdat ze bijna droog waren en stopwerk voor de meisjes. Ook herinner ik me nog dat vanwege de mist een Duits vliegtuigje van de ‘Lufthansa’ een noodlanding heeft gemaakt achter de trambaan, een paar dagen later moest hij naar de andere hoek van het land getrokken worden, om tegen de wind op te kunnen stijgen, en daar moest je natuurlijk bij zijn.

De augustusmaand was de vakantiemaand, ik meen 3 weken en drie dagen. In die maand was het ook de verjaardag van Koningin Emma, dat vierden we dan op een stuk land aan de straatweg. De vakantie werd bij ons thuis doorgebracht, een uitzondering was bij ons een dag naar oom Wieger Oosterkamp en tante Antje in Blokzijl, en dat was toen al heel wat. ’k Kan me ook nog herinneren dat Renze en ik met zijn grootvader een dag naar Sloten geweest zijn met een aak of botter? die een dag in Sloten op de scheepshelling moest. Zoiets was dan echt een buitenkansje.

De eerste paar dagen in augustus was er ook de Lemster kermis. Hoewel we geen geld kregen om daaraan mee te doen, ging je wel zo veel mogelijk kijken. Had men liever niet dat je naar de kermis ging, dan werd er vaak gezegd dat de duivel in de draaimolen zat. Veel kinderen meenden dat het zo was, maar ze konden hem nooit vinden natuurlijk. Oom Imke, de broer van mijn moeder, heeft ons een keer in de draaimolen gezet, maar dat hadden vader en moeder liever niet. Toen werd de draaimolen nog door een klein paardje (kedje) getrokken. Dat beestje had me ook wat zo’n hele dag maar rondjes draaien.

Het waren ook dagen dat de vissersbevolking zich eens echt ging vermaken, en de bloemetjes buiten ging zetten, en dan speelde de drank ook een grote rol. Daar kwamen dan ook weer vechtpartijen van. Als het al uit de hand liep werd de marechaussees die een kazerne in Sloten hadden opgetrommeld, en daar hadden ze een groot respect voor.

Van de kerk probeerde men er ook wel iets tegen te doen. Men hield dan voor de jongeren Antie Kermis vergaderingen. De bedoeling was goed, maar het hielp zo weinig. Een keer hadden ze een miniorgeltje, en stonden ze bij de kermis te draaien met liederen zoals ‘Er ruist langs de wolken’. We lachen er nu om, maar je moest er toch wel respect voor hebben.

Het jaar 1927 werd voor mij een grote ommekeer in mijn leven. De schoolklassen was ik doorgelopen en ik had helemaal geen zin meer om verder te leren. Toen was het gewoon als je op 12-jarige leeftijd van school ging en ergens als loopjongen aan het werk kwam. Bij ons in Lemmer waren er 2 mogelijkheden, tenminste wat ik nu nog weet, dat was bij bloemist-tuinman Funcke of bij de boer aan het werk, dus de buitendienst. Toen ik dan ook hoorde dat Meindert Gaasbeek, die toen knecht was bij Funcke, daar wegging heb ik de stoute schoenen aangetrokken en gevraagd of ik zijn knechtje kon worden, en dat lukte. De bedoeling was dat ik in het begin van 1928 zou beginnen. Maar de winter van 1927-1928 was zeer streng, dat zal in de oude kronieken nog wel beschreven staan.

Ik ben dan ook begin maart begonnen, maar er kon toen nog niets op de tuin gedaan worden. Ik heb toen bij Funcke thuis bij de kachel bruine bonen mogen doppen. Funcke en z’n vrouw waren beste mensen. ’k Verdiende fl. 2,50 in de week, dat kwam bij ons thuis wel ten goede. ’t Was heel afwisselend werk, we moesten verschillende tuinen onderhouden. ’s Zaterdagsmorgens ging ik met een mand met bloemen bij de deuren langs, en dat vond ik helemaal niet vervelend, want meestal was ik ze gauw kwijt. En waren de eerste groenten er, zoals spinazie en sla, dan gingen we met de kar bij de deuren langs. Je was zo’n beetje manusje van alles.

Toen ik ongeveer 2 jaar bij hen was geweest, werd er een jongen bij de Centrale Bakkerij gevraagd. Nu was ik op de leeftijd, 14 jaar, dat ik een arbeidskaart kon halen bij het Gemeentehuis. Bij de Centrale Bakkerij was ook een baantje waar je van alles moest doen. ’s Morgens de broden bij de bakkers, die aangesloten waren bij de Centrale, brengen, en was er soms een van de venters ziek, dan moesten wij bij hun klanten langs. ’s Zaterdagsmorgens moesten we vroeger beginnen, want dan moesten we suikerbroden inpakken, en dan was er ook wel eens een kneusje bij, en dat mochten wij dan opeten. Hoewel het wel een gezellige tijd was, moest je toch weer iets anders zoeken.

Mijn broer Jouke was bevriend met Ynze de Jong, zoon van slager de Jong. Toen het bij ons door ziekte thuis niet zo gemakkelijk ging, kwam het zover dat hij overdag bij de familie de Jong was, dus hij was er kind aan huis, hij kwam alleen thuis om te slapen. ’s Maandagsmorgens brachten we een emmertje naar familie de Jong, en als we dan uit school kwamen konden we het weer ophalen, gevuld met soep en balletjes. Toen de knecht die ze hadden bij hen vandaan ging, kon ik bij hen komen als knechtje. Dat was heel iets anders dan wat ik gewend was. Dit was werk waar je de meeste tijd van de dag bij de weg was.

Er waren nogal wat slagers in Lemmer: de Jong, Sijswerda, Rypkema, Koopmans, Sonsma, van der Bijl, en dan kwam slager de Vries uit Oosterzee ook wel in Lemmer, en wij kwamen ook in de buitendorpen: Eesterga, Follega, Doniagaasterdijk, Westend, Oosterzee, Echten, Bantega, dat was een hele opgaaf.

Maar het had zijn mooie kant ook weer, want als je er een beetje thuis was, dan had je met leuke mensen te doen, en werd je wel gauw eens uitgenodigd voor een kop koffie, en dat deed je goed, tenminste als het koud en guur was. Eén adres wil ik hier met name noemen, dat waren Wietse en Renske van der Meer in Bantinga. Daar werd je altijd uitgenodigd voor een kopje koffie. Renske schreef tot aan haar overlijden toe stukjes in de Lemsterkrant onder de naam Frou fan der Meer. Ze had een rijke bron aan informatie, en kennissen die haar op de hoogte hielden met foto’s, brieven enzovoort.

Mensen die al jaren uit de omgeving van Bantega waren, vonden in een boek dat door haar uitgegeven werd, hun voorouders, ouders en bekenden op de foto’s of in de omschrijving terug. ’k Heb een grote bewondering voor haar dat ze zoiets klaar heeft gekregen. ’k Prijs me gelukkig dat ik er ook een exemplaar van heb. Over haar zelf zou je ook een boek kunnen schrijven. Meestal 2 keer per jaar bezochten we hen vanuit Dokkum, en waren we blij elkaar weer te zien. Prompt de daaropvolgende uitgave van de Lemsterkrant kwam daar in te staan dat Marten en Minke ook weer bij hen op bezoek waren geweest. Toen Minke, mijn vrouw, kwam te overlijden, heeft ze daar in de Lemsterkrant ook over geschreven.

Hier wil ik nog zeggen “dank je wel Renske”. Met haar man Wietse heb ik nog geregeld contact, en dat zal ook zo blijven zolang we leven. Wietse is intussen 89 jaar, maar we kunnen beiden nog best een praatje hebben over de goede oude tijd.

In de tijd dat ik slagersknechtje was had je nog carbidlampen aan de fiets. Dus als je naar de buitendorpen moest en het werd een beetje laat dan moest de lamp aan, en als het dan vroor kon het best zijn dat het water in de lamp bevroren was, of de carbid was op. Als het ’s morgens zo koud was in de winkel en je moest een aad (een ovale bak) met gehakt met kruiden doorwerken, dan kreeg je daar een pannetje met warm water bij, maar ik moet er niet meer aan denken. En de wegen waren in de winter ook veel moeilijker begaanbaar, sneeuwruimen werd met schop en bezem gedaan, en in de buitendorpen moest je maar in de wagensporen gaan rijden.

Mijn baas was ook niet de gemakkelijkste voor een knecht, maar achteraf kun je dat beter begrijpen want als je zo jong bent, dan moet je heel veel leren, en daar hoort ook veel geduld bij, en vrouw de Jong had dat over haar, zij kon veel begrijpen. Ik was bij hen in de kost, en dat was natuurlijk wel fijn omdat je op ongeregelde tijden thuiskwam. Als ik wist dat we potstro kregen dan trapte ik een beetje sneller om thuis te komen. Heerlijk potstro met stroop en uitgebakken spekjes.

Toen moest je er ook al veel voordoen om een klant te krijgen. Dus als je wist dat er een familie ergens kwam te wonen, dan moest je als het ware op de stoep staan. Of als er in de verte een sleep (stoomboot met een stuk of zes schepen achter zich) in aantocht was moest je proberen om de eerste te zijn, en dat kon niet anders dan ze tegemoet gaan met een bootje, dan moest je voor parlevinker spelen. Deze schepen voeren over de Brekken en het Tjeukemeer door de Lemmer en door de sluizen naar de Zuiderzee. Nu gaat het allemaal buiten Lemmer om.

Ik ben nooit een held geweest om met een bootje de schepen tegemoet te gaan. Ik zou ook nooit een goede zakenman worden, want ik vroeg de mensen of ze ook iets nodig waren en werd er nee gezegd dan vond ik dat wel vervelend maar ik kon bij wijze van spreken de klomp niet tussen de deur zetten. En toch was ik blij als ik met een flinke bestelling thuis kwam. ’t Was zelfs zo dat als ik de deur uitging, ik een schietgebedje deed of ik maar goed wat in het boekje zou krijgen, dat werd niet altijd verhoord natuurlijk.

Misschien spring ik wel eens van de hak op de tak, maar dat gaat zo als je zit te schrijven, komen er weer zoveel herinneringen boven die vaak wel de moeite waard zijn om te vermelden. Toen er een koe geslacht moest worden, moest ik er ook bij zijn, en dat was voor de eerste keer dat ik dat zou zien. Maar het ging goed, en na dat het gebeurd was zei de oude baas tegen mij: “Je valt me niet tegen”.

In het voorjaar werden er veel kalveren geboren, de stierkalfjes gingen dan naar de slager. Soms nam de melkrijder ze mee bij de boer vandaan, maar heel vaak moest ik die ophalen. Een grote mand voor op de fiets, de vier pootjes bij elkaar gebonden, en dan maar naar de slagerij. Vanaf Follega tot Lemmer was het soms onderweg geregeld een geroep van bè, bè, bè. Maar alles wende, en zo was het ook met het slachten. ’t Was net als een bakker met deeg bezig was, zo was het met het slachten. Als het de drukste tijd was, dan waren er ook veel artikelen, zoals hartjes, niertjes, levertjes. Dan werd er gezegd probeer ze maar kwijt te worden, dus in de mand en maar proberen ze te slijten, dat ging de ene keer ook vlotter dan de ander. Op het laatst wist je wel waar je ze vaak kwijt kon. Zelfs met koeienuier moest ik soms op stap, daarvoor waren ook nog enkele liefhebbers.

Als het tegen Pasen liep, dan kocht de slager een extra beestje op de markt of bij de boer, en dat was dan de Paaskoe die een mooie krans om de nek kreeg, en waar we stad en land mee afgingen, deur aan deur of mevrouw ook een stukje van de Paaskoe wou kopen. ’k Was altijd blij als dat voorbij was. Het vak op zichzelf mocht ik wel doen zoals uitbenen, worst maken enzovoort Alleen een koopman zou ik nooit kunnen worden, want ik liet me veel te gauw afschepen.

Meestal was ik ’s avonds niet vroeg thuis, want in een zaak is er vaak geen regel, toen helemaal niet. ’t Was maar net hoe druk of het was, of als de dominee even kwam praten, want mijn baas zat ook in het kerkewerk. Gelukkig dat er ook nog veel dingen waren zoals knapenvereniging en later jongelingsvereniging waar je weer met je vrienden en bekenden in aanraking kwam.

In de jongenstijd had je nog geen lange broek aan. Maar er kwam een tijd dat ze zeiden: “Het wordt tijd dat je de lange broek aan krijgt”, maar dat vond je helemaal niet zo leuk, want dan konden ze je de eerste tijd lekker plagen.

Zo langzamerhand werd je een jongeman. ’s Zondagsavond hadden we om 7 uur nog een kerkdienst en na die tijd gingen we met een groep een wandeling maken meestal de straatweg uit naar het tweede brugje, of naar het einde van de dam. Waren we dan zulke brave jongens? Nee, maar stel je voor, er waren nog geen brommers, of gelegenheden waar je ’s zondags terecht kon en dat zouden we ook niet doen, de zondag was voor de kerk en wat er mee samenging. Ook zongen we vaak rondom het orgel met vrienden en vriendinnen. Je was meestal op je eigen plaats aangewezen, en was je op een leeftijd dat je een meisje ging zoeken dan kwamen de meeste niet verder dan Oosterzee of Echtenerbrug, tenminste als ze een fiets hadden.

Sporten dat deden we op een klein terreintje achter de lijnbaan, want sportvelden waren er toen nog niet. ’k Ben ook bij de korfbalclub geweest, en op gymnastiek, elk jaar was er dan een dag in Kuinre waar de ronde om Kuinre gelopen werd en daar deden we dan aan mee. Ook heb ik nog een keer meegedaan aan de loop door Sneek. Als je de loop nu volbracht had of niet, je kreeg allemaal een medaille voor de moeite.

Zo langzamerhand begon ik ook naar een meisje om te zien, maar ik was niet erg driest in dat stuk van zaken, maar er was één meisje dat ik nooit zou vergeten, ik weet niet of het van haar kant ook zo was. Ik heb het haar nooit durven vragen. Zou het ook gekomen zijn dat zij van Gereformeerde huize was, en ik van Hervormde, want in die tijd waren we nog lang niet toe aan het S.O.W.-proces. Mijn moeder was van Gereformeerde ouders en is met mijn vader overgegaan naar de Hervormde Kerk, maar dat ging niet vanzelf, daar waren heel wat woorden over gewisseld heb ik wel eens gehoord.

Maar het zou met mij heel anders gaan dan ik zelf ooit gedacht had. Elk jaar hielden de jongelingsverenigingen en meisjesverenigingen een toogdag in Sneek. Daar kwamen dan zo’n 3000 jongeren bij elkaar. Dat was altijd een heel gezellige dag. Je kreeg dan kaarten voor de morgen- en middagdienst. De morgendienst werd gehouden in de kerk, daar had men dan een predikant als spreker, en samen zingen. De helft was daar aanwezig terwijl de andere helft in het gebouw van Christelijke Belangen zat, daar werd dan een stuk opgevoerd. ’s Middags werd er dan gewisseld, zodat je alles kon meemaken. Na de diensten gingen we nog in optocht door Sneek, en zongen we nog op de markt zoals ‘Voorwaarts Christenstrijders’. Toen we goed en wel een plaats hadden in het gebouw zaten we achter een rijtje meisjes. Al gauw hadden we al een gesprek met hen. Uit heel Friesland kwamen de verenigingen, dus na afloop werden de autobussen, die een ieder weer op de plaats van bestemming moesten brengen, weer opgezocht.