Home » Lemmer » Oorlog Lemmer - Lemsterland » Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog

Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog

Energie...Leven...Vrijheid... 

Sake Visser en de Spaanse burgeroorlog, soldaat in Spanje.

Wa’t by it folle ferstân is,fjochtet him net dea.

Met dank aan Rienk en Charlotte.


De Spaanse Burgeroorlog, die van 1936 tot 1939 duurde, was een gewapend intern conflict op Spaanse bodem tussen republikeinen, communisten (met steun van de communistische Sovjet-Unie), anarchisten en internationale vrijwilligers enerzijds en zogenoemde nationalisten en monarchisten (met steun van Nazi-Duitsland en fascistisch Italië) anderzijds. Het totale dodental, inclusief de republikeinse excessen gedurende de oorlog en de daarna volgende nationalistische massamoorden en zuiveringen na afloop, bedroeg ongeveer een half miljoen mensen.

LC. 1986: Hans Dankaart, Jaap-Jan Flinterman, Frans Groot, Rik Vuurmans:

„De oorlog begon in Spanje" Nederlanders in de Spaanse Burgeroorlog 1936-1939. Uitg. Van Gennep, Amsterdam, 1986. Paperback. 177 pag, ƒ 29,50.

Vijftig jaar geleden, op 18 juli 1936, kwamen Spaanse generaals in opstand tegen het wettige bewind in Madrid. Wettig, maar naar de smaak van de opperofficieren, de monarchisten en niet te vergeten de fascisten in Spanje véél te links. Daarmee begon de Spaanse Burgeroorlog, die tot in 1939 zou duren. Een oorlog die achteraf beschouwd wordt als het voorspel tot de Tweede Wereldoorlog.

De schrijvers van dit boek denken er ook zo over. Vandaar de titel van hun boek: „De oorlog begon in Spanje". Ruim twintig Nederlanders, onder wie Sake Visser uit Lemmer, zijn voor dit boek geïnterviewd. Zij zijn allemaal de mening toegedaan, dat hun strijd, aan de kant van het officiële linkse Republikeinse bewind, gezien moet worden als de opmaat van de gebeurtenissen tussen 1939 en 1945.

Het twintigtal behoorde ook tot die mensen die zo schrijven de auteurs, met grote betrokkenheid de binnenlandse èn de internationale politieke ontwikkelingen volgden. „Vooral de gebeurtenissen in Duitsland hadden op de vrijwilligers een diepe indruk gemaakt, net aan de macht komen van Hitler in 1933 luidde een hevige vervolging van politieke tegenstanders van het nationaalsocialistische regime in", aldus Dankaart c.s.

Vluchtelingen uit Hitler-Duitsland konden hun geestverwanten in ons land duidelijk maken wat het nazisme in de praktijk betekende. Trouwens, in Nederland zelf bestond ruim een halve eeuw geleden ook een opvallende aanhang voor fascistische opvattingen. De acht procent van de stemmen die de NSB bij de Statenverkiezingen van 1935 behaalde zeggen in dit verband genoeg.

De opstand van de Spaanse generaals luidde dus de Spaanse Burgeroorlog in. Maar al heel gauw was het geen burgeroorlog meer in de echte betekenis van het woord. Aan de kant van Franco c.s. vochten hele Italiaanse divisies mee plus het Duitse Condor-legioen van de Luftwaffe.

Ook hebben enkele Nederlanders de keuze gemaakt voor het Nationalistische bewind, zoals de schrijver Johan Brouwer. Aan de andere, Republikeinse, zijde kwamen uit de hele wereld linkse vrijwilligers, die of in de Internationale Brigades vochten of in meer geregelde Spaanse eenheden. In het algemeen wordt een vrijwilligersaantal van 35.000 aangehouden, plus nog eens een tienduizend medici, verpleegsters en verplegers. Die waren afkomstig uit vrijwel alle Europese landen, zodat Spanjaarden tegen Spanjaarden vochten, maar evenzeer Duitsers tegen Duitsers en Italianen tegen Italianen.

Onder die 35.000 waren ongeveer zeshonderd Nederlanders. Voor het overgrote deel hadden zij communistische sympathieën, maar er waren ook anarchisten en sociaaldemocraten bij en, stellig, ook wat avonturiers. Volgens Dankaart en zijn medeauteurs waren die Nederlandse vrijwilligers in hoofdzaak twintig- tot dertigjarige werkloze handarbeiders uit de Randstad. Maar ook, als gezegd, was er een enkele Lemster.

De motieven van de meerderheid van de Nederlandse vrijwilligers waren idealistisch. Men wilde het fascisme niet de kans geven zich verder te verbreiden. Met name de Communistische Partij Nederland verleende hun steun; de andere partijen, zeker die uit het politieke midden en van rechts onthielden zich van instemming voor de helpers van de toch door Nederland erkende Spaanse republiek. Maar naarmate Franco c.s. meer gebied veroverden, werden de betrekkingen tussen Den Haag en hem nauwer en bleek minder van de non-interventie.

Het merkwaardige feit heeft zich voorgedaan, dat die „linkse" Nederlandse vrijwilligers bij terugkeer hun Nederlanderschap verloren bleken te hebben: ze waren in vreemde krijgsdienst getreden en dat mocht en mag niet. De enkeling die aan de kant van Franco meevocht, kon Nederlander blijven, omdat Franco immers een opstandeling was en geen leider van een vreemde mogendheid. De wereld zit soms raar in elkaar.

Die helpers van de Republiek hebben zich tijdens de Tweede Wereldoorlog over het algemeen ook niet onbetuigd gelaten in de strijd tegen de Duitsers. Niettemin heeft het nog tot diep in de jaren zestig geduurd, voordat zij het Nederlanderschap zonder problemen terug konden krijgen. Er zijn nog altijd overlevenden die een verzoek in die richting principieel hebben geweigerd.

„De oorlog begon in Spanje" geeft aan de hand van brokstukken uit de interviews aanvulling op wat al langer in studies was vastgelegd. Als zodanig nuttig en waardevol Maar wie zich na lezing afvraagt of het boek ook levendig is, zal moeten zeggen, dat dat nu bepaald niet het geval is. Er zou veel meer uit die gesprekken gehaald kunnen zijn, indien op een journalistieke manier was doorgevraagd. Dan had men stellig mensen van vlees en bloed kunnen opvoeren en niet, zoals nu, vlakke randfiguren. Een gemiste kans - jammer.

Sake Visser

Sake Visser, ook genaamd "Ingelse Sake", is geboren op 30 augustus 1910 te Lemmer, overleden op 17 februari 1996 te Lemmer, 85 jaar oud. Gehuwd (1) op 13 februari 1950 met Mary Nellie Biles, geboren op 25 maart 1911 te Poole in Dorset Engeland, overleden op 25 januari 1964 te Poole in Dorset. Gehuwd (2) op 8 oktober 1965 met Jeltje Schaper, geboren op 3 januari 1927 te Sneek, overleden op 26 november 1973.

Persoonsgegevens Sake Visser (bijnaam: Ingelse Sake en de Stryder. In Engeland werd hij door de familie Jack genoemd). Zijn adres in Engeland was: Flat 57 Nelson Court, Laglandstreet te Poole, in the County of Dorset. Zoon van Klaas Visser, matroos op de grote vaart, geboren op 15 augustus 1886 te Lemmer, overleden op 28 april 1967 te Sneek, 80 jaar oud, zoon van Sake Visser en Akke Koornstra. Gehuwd op 24 april 1908 te Lemmer, met Klaaske Dijkstra, geboren op 17 februari 1886 te Sloten, overleden op 15 februari 1940 te Heerenveen, 53 jaar oud, dochter van Rienk Dijkstra en Angenietje Tijsseling.  Klaas heeft met zijn gezin op de volgende adressen gewoond: Parkstraat 37 en 19: en de F. van der Walstraat 37 te Lemmer.

Sake Visser uit Lemmer is er bij geweest, hij was één van de paar friezen die daadwerkelijk aan de burgeroorlog in Spanje hebben deelgenomen.

Word geschreven in Sake zijn Lemsters Hollands dialect.

Sake zijn verhaal :

Ik was de tweede uit een nest van elf kinderen. Heit Klaas, was vissersman en voer onder meer op de Katwijker loggers. Hij was links en dwars zoals het een goeie Lemster betaamt. Mem Klaaske, kwam uit Sloten, zij was kerks en Oranjegezind, (toch moet het een redelijk harmonieus huwelijk geweest zijn, getuige de rijke kinderschare van twaalf kinderen).

“Mar mem skriemde gauris, dan hie se net in pear sinten om bóle te keapjen, Se woei t net witte, dan sei se, dat se pine mûle hie,”

"Direct na de lagere school moest ik aan het werk, en dat betekende naar zee, ik heb nog wel een zeemansboekje van 1929, maar toen viste ik nog op de Zuiderzee. Ik kwam net van school af en was een jaar of 11/12. Je ging naar zee om mee te verdienen.

Ik ging met mijn vader mee, of met een ander, en ik moest aan boord het eten koken. Ik voer ook als jongen van 13 op de palingaken naar Denemarken en Zweden. Palingkooplui, zoals de Gebroeders Visser uit Heeg, kochten in deze landen levende paling van de visserslui.

We vaarden op een oude botter van vissersman Andries Koornstra en we visten meestal met hoekwant op bot (hoekwant is een verzamelnaam voor vistuigen in gebruik op het IJsselmeer en in de binnenwateren, waarbij de vis door middel van een aan een lijn bevestigde haak = hoek wordt gevangen. Gewoonlijk bestaat het vistuig uit lange lijnen, waaraan op onderlinge afstand dwarslijnen zijn bevestigd, elk voorzien van een geaasde haak).

’s Morgens vroeg om drie uur waren we al aan boord bezig met aanazen, aan een lijn had je wel zo’n 180 haken (=hoeken) waaraan we garnalen deden. Wanneer we op bot visten dan waren de garnalen gekookt, visten we op paling, dan aasden we levende garnalen aan. Op maandagmorgen was het altijd de beug (lijnen met haken) klaarmaken".

In de herfst namen we de beug ook wel mee naar huis. Op zee gingen we nog wel eens door met het klaarmaken van de beug. ’s Middags direct na het eten voeren we uit. Als je een slechte wind had, dan moest je soms het schip de haven uit trekken. Je had toen nog geen motors en je voer onder zeil. We sprongen dan van boord op de Oosthavendam, waar nu wegenbouwbedrijf M. van der Wal, gevestigd is, en trokken het schip de haven uit.

Eenmaal op zee, ergens tussen Urk en Enkhuizen, zetten we de beug overboord. We gingen meestal niet dezelfde dag terug naar Lemmer, maar gingen naar Urk of Enkhuizen of voor anker. Ik heb wel op een botter gevaren, waarop we met vier man in één kooi sliepen. De tenen van de ander had je naast je liggen, en dan een paar oude dekens er overheen. Er werd meestal ‘s nachts gevist, ’s morgens om een uur of drie gingen we dan weer naar zee, overdag werd er alleen bij stormweer op bot gevist, dan werd het water “dik”.

Bij het binnenhalen van de beug kwam het allemaal in de bak terecht en later moest je het er allemaal weer uithalen en had je er de volgende dag de hele dag werk mee. Als het slecht weer was geweest dan zat alles om elkaar heen gedraaid, al die knoopjes moest je er dan weer uithalen. In die tijden werden er werkdagen gemaakt van 15/16 uur, ik verdiende toen zo’n f 2.50 per week als jonge helper.

Had een visser twee knechten aan boord, dan kreeg de grote knecht 1/5e van de besomming, d.w.z. 1/5e deel van wat de totale vangst had opgebracht, de jonge knecht kreeg meestal 1/6e deel. Je haalde als grote knecht de 10 gulden per week niet eens: zo waren die tijden, je wist niet beter. Onze ouders en grootouders hadden het veel slechter. Vroeger moest je ook een goed ansjovisjaar hebben, dan werd er nog wat verdiend.

In 1926 hebben de vissers kapitalen verdiend, in 1927 was het weer niks. Haring was in het begin van het seizoen altijd duur, maar ving je veel, dan waren ze weer waardeloos. De haring werd dan wel overboord geschept, je kon ze aan niemand kwijt. Ook de rokers Sterk, de Rook, de Jager, Scheffer, en de Blauw konden er niets mee. We hebben vroeger thuis wel armoede geleden, maar nóóit honger.

Ik heb ook nog een tijdje aan de Zuiderzeewerken gewerkt, bij de Afsluitdijk. In het midden van de jaren twintig vonden veel visserslui daar werk. Bij de bouw van de Afsluitdijk waren grote aannemers betrokken, combinaties zoals de HAM en de Beverwijk, ik werkte bij de MUZ (Maatschappij Uitvoering Zuiderzeewerken), die ging meer van de regering uit.

Ik was een bakschipper, een bak noem je zo’n modderschuit, waarop twee man stonden een voorop en een achterop.

Je moest naar de baggermolen om te laden en naar de zuiger wanneer je zand geladen had. Vervoerde je keileem, dan moest je naar de kraan, die de leem op de buitenkant van het dijklichaam bracht. Dan was je vier weken van huis af, voordat je de beurt kreeg. Er waren ook veel Sliedrechtsen, die moesten een heel end. Ik was toen een jaar of 18/19. En dan zondags weer op die rotbak, want daar voeren die Sliedrechtsen ook mee. Dan zat je voor op de bolder van die baggerbakken. Wel vier weken aaneen, wat had ik daar een hekel aan. En dan van die molens, van die zuigers en van die sleepboten. Maar het verdiende wel goed door de vele uren, en overuren, die je maakte, en beter dan op die vissersschepen.

Daar verdiende ik 24 gulden per week, maar met de overuren kwam ik wel op 45/56 gulden per week. Ik had de wacht er ook wel eens bij, daar kreeg ik dan 7½ gulden voor. Dan had je zaterdag en zondag wacht. Zaterdags eindigde de wacht om één uur ’s middags en die van zondag op maandagmorgen zes uur. En dat was veel geld, want ze verdienden op de fabrieken in die tijd tussen de 14 en 18 gulden per week.

De Sliedrechtsen waren altijd goed georganiseerd met dat baggerwerk. De baggeraars waren lid van de Partij van de Arbeid en hadden ook een sterke vakbond. Vroeger was het de N.V.V., iets anders had je niet. Ik was daar geen lid van, omdat je altijd op de visserij zat en toen was het nog niet zo dat iedereen georganiseerd was. Het was net als met die mensen op de ‘grote vaart’. Zij waren ook meestal georganiseerd. Van die baggeraars zaten er ook een hoop in het buitenland, nu nog trouwens, en die hebben altijd goed verdiend.

Maar je werkt dag en nacht, je bent tóch op zee en kunt nergens heen. En dan had je soms wel eens een paar uren varen, en dan dacht je: laat ‘m maar varen, niet? Weer overuren erbij, zo ging dat in die tijd. Ik heb dit een paar jaar gedaan. Tegen de herfst werd je ontslagen en dan ging je er in het voorjaar weer naar toe. Het was ook geen vast werk. In de maanden augustus en september kregen er op de Zuiderzee, een heleboel ontslag. Behalve de mensen die altijd vast op die molens zaten, die Sliedrechters. Maar ja ze moesten toch mensen ontslaan, de werktijden werden verkort, de nachten werden veel langer.

Dus zat ik de wintermaanden zonder werk, en je had dan nergens recht op, als vrijgezel, ik woonde nog bij mijn ouders. Maar in 1932 was de dijk klaar, dus toen was het afgelopen… De heer Visser kreeg ontslag, “koop maar een paar pantoffels” was het dan, je had nergens recht op. En de Wieringermeer was toen ook klaar. Dan waren daar ook nog de crisisjaren. En je had nergens recht op, als je een tientje verdiende, dan werd het al van mijn vaders uitkering ingehouden. 

Mijn vader was toen ook werkloos, en niet alleen in de wintermaanden. In de zomer had mijn vader het ook slecht, want met die crisisjaren hadden we na 1932 allemaal geen werk meer, en de visserij was ook slecht. Er was wel vis, bot en zo, maar die kon je soms weggooien want er was geen geld, de mensen konden niks meer betalen.

Ik herinner me dat ik eind maart 1929 bij iemand werkte op de haringvangst. Dan waren de haringen bijna altijd hier, maar waren ze meestal waardeloos. We kregen twee kwartjes voor 200 stuks frisse haring. Dan zeg je nu, hoe bestaat het. Veertig keer tweehonderd haringen namen we mee, die losten we niet. We gingen met de schuit naar Heerenveen en er daar mee de boer op.

We verkochten in Heerenveen twee stuks voor een cent. Dan kregen we toch nog voor tweehonderd stuks een gulden in plaats van twee kwartjes. Maar dan kwamen ze ook met 2/3 centen bij de schuit voor haring. Toen was alles nog goedkoop, maar was er geen geld. Het zijn verschrikkelijke tijden geweest. Later ging ik op de Noordzee vissen, ik woonde toen nog in Lemmer, maar moest wel naar IJmuiden toe.

Ik ging dan met de boot over, de nachtboot Lemmer – Amsterdam, de Jan Nieveen, en dan bleef je een dag of negen op zee. Daarna kon je een dag of anderhalf naar huis toe en dan moest je weer terug. In IJmuiden had je trawlers waarop je kon aanmonsteren. Dan moest je maar zien of je een schip kreeg. Om te zoeken moest je daar naar de kantoren toe. Je kon op kleine trawlers beginnen. Het is altijd zo geweest - dat heb je hier op de kotters ook, de goeie hebben altijd knechten. Als je op een klein schip begon, dan kon je later op een groter schip van hetzelfde kantoor komen, waar je dan ook weer meer verdiende.

De Jan Nieveen. "De Lemmerboot".

In Lemmer was toen niet veel te verdienen, als de scholvisserij afgelopen was, dan was het armoede. Nou ja, de visserij is altijd armoede geweest, en nu met de laatste jaren… Vroeger op de Zuiderzee kon je Urk ruiken, al was je er maar een uur vanaf, zo stonk dat dorp, en nou zijn het allemaal bungalows daar, vroeger was het één stuk armoede op Urk. Toen heb ik hier en daar nog gevist, en was dan weer werkloos. Dan moest je maar weer kijken of je een schip met stenen kon lossen, of dit of dat. In de steun kwam je niet, omdat je niet getrouwd was.

Er waren jongens, die waren met pech getrouwd. Die mochten een week niet werken en een week wel werken, want ze hadden nog geen kinderen. Dan kwamen ze met 7 of 8 gulden in de week thuis, toen was het ook verschrikkelijk hoor. In de crisisjaren 1932/1933 had je niet eens een dubbeltje om een pakje sigaretten te kopen. In 1932 heb ik weer in Lemmer gevist.

Mijn oom Jan Visser, had hier een Visserij, de LE 91. Zijn zoons noemen ze de “takkebosken”, zij konden nooit hun bed uitkomen, en gingen ze naar school, dan hadden ze geen tijd meer om hun haar uit te kammen, vandaar. Ik heb daar toen nog twee jaar gevist en in 1935 ben ik met mijn zwager naar Makkum gegaan, mooi dicht bij de Afsluitdijk.

Aan boord van de LE 91 bezig met lijnvissen (hoekjen) aan het roer Jan Adriaan Visser, midden Jelle Visser, zoon van Jan Adriaan, man op de rug is: Teunis Visser (De Flapper).

Op de Waddenzee visten we op haring; in het begin was er veel haring, die tegen de Afsluitdijk kapot liep. De haring en ansjovis trokken altijd terug naar de Zuiderzee, om daar kuit te schieten. De biologen zeiden al tegen me dat door de bouw van de Afsluitdijk de haring en de ansjovis niet terug zouden komen, en ze hebben gelijk gehad.

Met mijn zwager heb ik nog 2 jaar aan de IJsselmeerkant gevist. Nou dat was ook verschrikkelijk, nu is het rijk vergeleken met toen, maar toen wist je niet beter. Mijn militaire dienstplicht vervulde ik met grote tegenzin bij de marine in Den Helder. Ik kreeg het vooral te kwaad met die blagen van 'Adelborsten', die gegroet wilden worden, hoewel ze overigens geen belangstelling voor 'De Jannen' hadden.

Sake bij de Marine in Den Helder.

In de jaren dertig werd de NSB in Nederland actief. De NSB belegde vergaderingen en deelde op straat pamfletten uit. Ik kreeg op straat toen contact met Duitse vluchtelingen, die hun vaderland verlieten uit angst voor Hitler. Ik kwam er al gauw achter dat deze Duitse immigranten meestal links georiënteerd waren. Werden ze in Nederland ontdekt, dan werden ze meteen weer uitgeleverd aan de Duitse overheid. De bestemming van de Duitse vluchtelingen was toen al bekend: het concentratiekamp.

Ik vond toen dat de Nederlandse regering nogal vriendelijk tegenover de Duitsers was. Door die gebeurtenissen werd ik fel antifascistisch. Ik werd lid van de Internationale Rode Hulp. Elke week stortte ik een bijdrage en ik raakte ook betrokken bij de rellen tegen NSB-aanhangers. Als de jongens vergaderden, dan wachtten wij ze buiten op en pakten hun pamfletten af en verscheurden ze. Daarbij ontstonden vechtpartijen. De marechaussee, die een kazerne in Sloten had, kwam er dan weer tussen, want iedereen had recht op vergaderen, ook de NSB-ers.

Internationale Rode Hulp (ook bekend als MOPR) was een internationale sociale organisatie die verbonden was met de Communistische Internationale. De organisatie werd opgericht in 1922 om als internationaal Rode Kruis te functioneren. De organisatie leidde campagnes voor steun aan communistische gevangenen en verzamelde materiële en humanitaire steun in specifieke situaties. Zo werd ook hulp gegeven aan de tussen 1933 en 1940 uit Duitsland naar Nederland uitgeweken communistische vluchtelingen. 

Label van de Internationale Rode Hulp c.a. 1930. Foto van wikipedia.org

Via contacten met leden van de Internationale Rode Hulp, besloot ik in augustus deel uit te maken van de Internationale Brigade, een vrijwilligersleger dat opgebouwd was uit soldaten van verschillende nationaliteiten, dat zou vechten tegen de Franco-troepen in Spanje. Zodoende ben ik ook naar Spanje gegaan, want ik dacht als we daar de oorlog konden winnen, dan zou ik hier niet terugkomen. Ik had echt genoeg van Nederland, omdat ik geen werk had, en ook geen kansen, ik vond het zo’n kleingeestig en kleinzielig landje.

Later ook, in Canada zag ik dat de mensen daar heel anders waren, veel vrijer. Het is niet te begrijpen, als je daar nooit geweest bent. Je kon daar met mensen die goed waren voor 10.000 dollar in een café een glaasje bier drinken, zonder dat je dat aan die mensen kon zien. Je had daar geen klassenverschillen, geen aristocratie zoals hier, en dat was daar heel gewoon. De mensen die daar iets waren, hadden zichzelf ook opgewerkt, die waren ook vroeger met niks daar naar toegegaan.

In de Lemmer was het erg christelijk. Zij hadden de meerderheid in de gemeenteraad. Als mensen van de kerk zonder kolen zaten, kregen ze die van de kerk. Was je niet bij de kerk, dan moest je alle zeilen bijzetten om aan kolen te komen. 

Maar de visserslui waren wel aardig links, zo heeft de communistische partij ook in de gemeenteraad gezeten. De meeste vissers stemden dan ook op deze partij, want wij waren zowat de enigen die op zondag visten, langs de hele Zuiderzee, én in Hoorn. In Hoorn waren ze ook wel aardig rood. Maar in de andere vissersplaatsen ging men zondags naar de kerk, en wij zondags naar zee; daar rustte een vloek op vanzelf.

De Lemsters hadden daar goed een hekel aan. Zelf ben ik geen lid geworden van de CPN. Wat zal ik zeggen, ik was vroeger toen ik nog jong was niet zo links. Ik ben het meer geworden toen ik uit dienst kwam. Wij waren altijd dat vrije leven gewend, met het vissen. In dienst stond je onder discipline. Officieren waren mensen uit een heel andere klasse. Het was de hele dag: dat moet je doen en dat moet je doen.

En daar kwam ik een beetje tegen in opstand en dat werd later steeds meer. Wat wist je in het dorp feitelijk van politiek af, tenminste met werk als vissen. Als je met een vissersman aan boord was, een oudere zeg maar, overlegden we wel met elkaar: “Wat zullen we doen, zullen we daar naar toe, zullen we hier een beun neerzetten of daar?”. Je was meer vrij onder elkaar, want je viste ook op een deel, dus je deed allemaal je best. Je had geen vast loon, het was allemaal deelvissen. Nou, en dan kwam je in dienst, en was het afgelopen, weer discipline en de hogere klassen.

Ook in Den Helder had je die adelborsten. Als wij niet groetten - en dat deden we wel eens niet - dan moest je meekomen. Ik kwam toen op het schip de Nautilus terecht, die is gebleven in de oorlog. Vlak voor ik erop kwam is dit schip bij het Jan Mayen eiland geweest (Jan Mayen is een vulkanisch eiland in de Noordelijke IJszee). De Nautilus was een oude trawler die mijnen kon leggen.

Het schip werd veel gebruikt voor de visserijinspectie. De Nautilus* moest bijvoorbeeld ingrijpen als er conflicten waren bij de vissersschepen over stukgevaren netten bijvoorbeeld. Ook kon er assistentie verleend worden, als er op de vissersschepen zieken waren (er was een dokter aan boord) of bij radioproblemen (er was een radiomonteur aan boord). Ik moest één week varen en werd dan weer afgelost, ik kreeg daar f 1,25 per week voor, je kon niet eens “rokende” blijven.

* (Hr. Ms. Nautilus (M 12) was een Nederlandse mijnenlegger, gebouwd door de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij uit Rotterdam. Naast mijnenlegger was de Nautilus ook ingericht als vaartuig voor politietoezicht op de zeevisserij. Op 24 en 25 juli 1930 bracht de Nautilus een bezoek aan het eiland Jan Mayen in verband met de plaatsing van een gedenkteken voor de Nederlandse zeelieden die op het eiland overwinterden en het leven lieten. De Nautilus was een van de Nederlandse schepen die in verband met de Spaanse Burgeroorlog vanaf 17 maart 1937 tot 10 januari 1939 voor ruim een miljoen ton aan schepen van diverse Nederlandse rederijen veilig door de Straat van Gibraltar escorteerden. Andere Nederlandse marineschepen die hierbij betrokken waren, waren de Hertog Hendrik, Johan Maurits van Nassau, Java (O 13 en de O 15).

Toen ik in Den Helder zat, kwamen we ook met Amsterdammers in aanraking. Zij hadden weer andere gedachten dan wij; wij kwamen uit dat boerenland vandaan hè, maar ik kon altijd wel aardig met ze opschieten hoor.

Er waren ook meer linksen onder, meer communisten. Dit waren vaak jonge jongens, die leerling-stoker waren op de treinen, en jongens van de visserij en van de koopvaardij. Zij kwamen meestal bij de marine. Dit was zo rond 1930. In 1931 ben ik weer afgezwaaid. Je was toen nog maar 8 maanden in dienst en in het leger 6 maanden. Dat lijkt niet lang, maar het duurde lang genoeg, je was blij dat je af kon zwaaien. Je kreeg ook maar één of twee keer verlof in die 8 maanden, en één keer vrij reizen. Dat mocht ook wel voor die f 1,25 per week.

Er waren wel veel vrijwilligers bij de Marine, die van alles deden onder het mom van het is voor het vaderland, maar er was ook een Amsterdammer die zei: "Ik heb f 1,50 in de week, ik heb ook voor f 1,50 vaderlandsliefde”. Zulke uitdrukkingen hadden ze.

Begin 1937 ben ik naar Spanje gegaan (ik zat toen nog niet bij de communistische jeugdbond, ik had wel informatie gevraagd). Mijn neven waren toen wel bij de communistische partij, een van hen heeft hier later na de oorlog ook 25 jaar in de gemeenteraad gezeten. Om lid te worden moest ik naar Amsterdam. Dat was een hoop geregel, maar dan kon ik de week erop al weg. Maar ik moest eerst nog pasfoto´s laten maken, ook dat nog, en veel geld had ik niet. Maar goed, toen moest ik alles goed in m’n hoofd onthouden: ik moest eerst met de boot over, de nachtboot Lemmer-Amsterdam, en dan met de bus naar Antwerpen, in die tijd (de crisisjaren) reed er een bus naar Antwerpen en dat was goedkoper dan met de trein.

Ik kreeg wat geld mee. In Antwerpen moest ik naar het stationsplein gaan, en daar zou iemand staan (te herkennen aan een communistische krant), die het geld zou omwisselen in Belgische franks. Van hem zou ik dan weer horen hoe verder te gaan. Ik moest ‘s avonds met de trein van Antwerpen naar Brussel, en daar weer wachten. Ik ben nog naar de bioscoop gegaan in Brussel. Daarna moest ik met de nachttrein naar Parijs gaan, en als ik in Parijs aankwam, dan moest ik ene kameraad Leo hebben, die in een café zat aan de Rue de Violette, nummer 16. Ik moest dat allemaal goed onthouden.

Maar er woonde bij ons aan de Schans in Lemmer een winkelier, die heette Bonnejette. Ik dacht, ah, Violette, Bonnejette. En die vissersman die ik goed kende, had de LE 16, dus het nummer kon ik ook goed onthouden. Maar ja, dat was het ergste nog niet. Daar kwam ik aan op het Gare du Nord, en ik eruit, maar ja waar moest ik heen? Ik kon geen woord Frans, daar had ik nooit over geprakkezeerd. Vlakbij was een parkje. Ik bleef steeds maar heen en weer lopen tussen het station en het parkje. Op een gegeven moment dacht ik, ik ga maar eens op een bankje zitten. Toen stopte er een motorrijder, die zijn diensten aanbood. Deze motorrijder heeft mij naar de Rue de Violette 16 gebracht naar kameraad Leo. Toen wij daar binnenkwamen, zaten ze allemaal te eten, Fransen zitten altijd te eten. Kameraad Leo en ik hebben ook maar meegedaan.

Bij het eten kregen we rode wijn te drinken, het was de eerste keer dat ik wijn dronk. Ze dronken allemaal rode wijn, dus ik dacht dan drink ik het er ook maar bij. Maar ik kon het niet door mijn keel krijgen, die landwijn, maar kameraad Leo zag het wel: “Je moet maar bier hebben zeker”.

Dat ik deze weg opgeholpen ben is eigenlijk door een neef van mij. Ik had er wel eerder van gehoord, want ik had Jef Last, in Lemmer hier ook wel over gesproken. Hij heeft in Lemmer gesproken toen we dat communistische gebouwtje nog hadden: Palvu, * (Proletariërs Aller Landen Verenigt U) op de Lijnbaan in Lemmer. Dat hebben ze in de oorlog verkocht, omdat de Duitsers er beslag op hadden gelegd, en later is het een kerkje geweest voor Baptisten. Maar ik heb wel via Jef Last, het een en ander gehoord.

1991: Verkorte reisbrief uit LEMMER door Piter Terpstra.

De Lijnbaan, waar vroeger PALVU (Proletariers aller landen verenigt u) stond. Het was de vergaderplaats van de Lemster communisten, die geleid werden door de idealistische visroker en musicus Jacob de Rook. Hij zat voor de Communistische Partij Holland in de gemeenteraad, maar onderwierp zich niet altijd aan de

Amsterdamse partijdiscipline. Bij de algemene beschouwingen over de gemeentebegroting sprak hij op visionaire wijze over een toekomstige tijd, waarin er geen verdrukten meer zouden zijn en een rechtvaardige maatschappij volgens de denkbeelden van Marx zou bestaan.

Maar ook op korter front voerde De Rook zijn strijd: hij kwam op voor de noden van de kleine man en werd in het dorp algemeen gerespecteerd. Het viel te voorspellen dat hij met de Duitsers in conflict zou komen. De Rook werd tijdens de bezetting gearresteerd en overleed in het Kamp Buchenwald.

Het gebouwtje staat er nog. Het wordt sinds korte tiid beheerd door Arend Poepjes, die de ruimte gezellig heeft ingericht. Het wordt nu voor allerlei vergaderingen en bijeenkomsten gebruikt. Ik praat met Poepjes even over het verdwenen communisme.

Wel heeft de groep in Lemmer nog steeds een vertegenwoordiger in de gemeenteraad: Rinse Visser van de Vrije Communisten. „Hy set him yn foar alle minsken, dy't help nedich hawwe en by har eigen partij soms foar de tichte doar komme", verzekert Poepjes. „Ek foar de alderen, dy't har mei de sosiale problemen en belestingen net sa best rede kinne" De geest van Jacob de Rook leeft dus voort.

We zijn toen nog een dag en nacht in Parijs gebleven, met Duitsers en Scandinaviërs, er waren geen Nederlanders bij. En veel Duits kon ik ook niet, maar ik had wel Duitse emigranten gesproken, die uit Duitsland gevlucht waren. Ik was toen nog wel lid van de Internationale Rode Hulp, en we gaven daarom wekelijks een dubbeltje, meer konden we ook niet missen, maar die mensen hadden helemaal niks.

De meeste van hen zijn toen ook ondergedoken in grote steden zoals Amsterdam, niet in kleine dorpen, dat liep teveel in de gaten. Vaak hielp ik ze dan verder, en diezelfde mensen kwam je dan weer in Spanje tegen. Die van de emigratie zaten allemaal in de Internationale Brigades. Na Parijs moesten we naar Carcassonne, helemaal in het zuiden.

In Parijs ben ik niet gekeurd want ik was in dienst geweest, en dat was dat, dat keuren dat zegde immers toch niks...... Een paspoort had ik niet, alleen een bewijs van Nederlanderschap, daarmee kon ik de Belgische en de Frans grens over. In Carcassonne zijn we een paar dagen gebleven, en vandaar moesten we een paar dagen lopen door de Pyreneeën heen, om in Spanje te komen, ik wist toen voor het eerst wat lopen was, lopen en toch slapen. Ja eerlijk waar, onder het lopen viel je gewoon in slaap.

Want we moesten een spoorlijn volgen, en dan struikelde je over die dwarsverbindingen die daar lagen, en dan schrok je weer wakker, en dan gingen we maar weer druiven plukken. Op het laatst had je diarree, verschrikkelijk, van al die druiven. We hebben ongeveer 20 uur gelopen, dan had je de ene berg gehad, en dan kwam de volgende berg alweer, en dan dacht je dit zal de laatste wel wezen, maar was je daar overheen, dan was er toch weer een, en zo ging dat maar door. Tot je op het laatst toch op het end kwam, en dan moest je met een rotgang naar beneden toe, en kwam je in Figueres aan, zo’n tien kilometer van de Middellandse Zee.

Daar waren we dan met zo'n 40/50 man, met Duitsers en Scandinaviërs. In Figueres waren er al meer, die waren met een groep eerder gekomen. Vandaar zijn we met de trein naar Albacete gegaan, waar het opleidingskamp van de Internationale Brigades was. Maar ja, omdat we in dienst geweest waren, konden we in 1937 direct naar het front, ook al omdat we met een geweer om konden gaan Het zal in de maand juli geweest zijn, want in 1936 is daar de revolutie uitgebroken, en in mei 1938 ben ik daar gevangen genomen. Met ook al die anderen, veel Duitsers en Engelsen, we konden er niet meer doorkomen.

Jaren later was het de bedoeling dat we rechtstreeks naar Curaçao zouden gaan, maar de boot voer naar Argentinië, ook met Spanjaarden en al die andere mensen. Maar we mochten niet op Curaçao aanleggen. We kregen permissie van de Engelsen – de Engelsen hebben een hoop voor ons gedaan – om naar Trinidad, Port of Spain, te gaan. Dat was in 1942. Daar hebben we een paar maanden gezeten en toen zijn we per vliegtuig over Venezolena, Trinidad, naar Curaçao gegaan. En vandaar – na daar een tijdje te zijn gebleven - zijn we met een tanker naar New York gegaan.

Ticket Curaçao.

Het was nogal een heen en weer natuurlijk, maar we moesten in New York van boord af. Er waren nog wat Engelandvaarders bij, meest joodse vluchtelingen. De tanker ging richting Europa; er waren twee mariniers aan boord die uit Curaçao kwamen en naar Engeland gingen, maar die tanker is daar nooit aangekomen. We hadden dus geluk gehad, dat wij in New York van boord gingen.

In New York verbleven we een dag en een nacht en een dag in het Time Square Hotel, en daarna zijn we met de trein naar Canada gegaan, naar de staat Ontario, niet ver van de Niagara Falls. (Nederlanders uit de USA, Canada en Zuid-Afrika kwamen daar samen in een kamp voor training.) Daar hebben we 5 maanden training gehad, en zijn toen met een Canadees troepenschip naar Engeland gevaren.

We waren begin 1943 in Engeland. Ik ben niet meteen al als matroos gaan varen. We moesten tekenen als vrijwilliger, en dat wilden we niet. Wij hadden paspoorten, anders hadden ze ons ook niet kunnen vervoeren, en we waren Nederlander. Maar in Engeland hebben ze de paspoorten van ons afgenomen en opgeborgen. We konden toen wel in dienst blijven, maar dat moest dan wel vrijwillig.

Zo was de Nederlandse regering, want als dienstplichtige moest je Nederlander zijn. Maar ze kwamen erachter, dat als je zes maanden in een land woont, en dat land is in oorlog, ze je dan kunnen oproepen voor dienstplicht. Maar we waren helemaal geen statelozen, we waren gewoon zeg maar onze burgerrechten kwijt. Dus ze konden ons verplichten om in dienst te gaan. Maar ik was dienstplichtige van de marine, en toen heeft men me naar de marine overgeplaatst. Ik kwam toen bij de Nederlandse Marine, waar ik vroeger als dienstplichtige al was geweest. Het was wel raar dat ik toen ik in Spanje gevangen zat, thuis in Nederland een oproep kreeg voor mobilisatie.

Mobilisatiefoto uit 1939. Wie deze onverschrokken militairen zijn is onbekend. We weten dat er in ieder geval één persoon uit Tytsjerksteradiel op staat.

Ik werd toen eigenlijk mooi gedropt bij de Nederlandse Marine, maar wilde dat eigenlijk niet, ik zat liever bij de Irene Brigade. Maar ik heb toch gediend voor koningin en vaderland tot juli 1946. Het eigenaardige was, dat ik zelf niet zoveel voor de regering en koningin en vaderland over had hoor. We zaten daar namelijk met Engelsen, Scandinaviërs, Fransen, Belgen, Amerikanen, en die Duitse emigranten en Oostenrijkers.

In 1938 zijn we gevangen genomen. In 1939 toen de oorlogsdreiging steeds groter werd, kwamen de anderen allemaal vrij en werden door hun regeringen eruit gehaald. Maar wij als Nederlanders bleven zitten met Joegoslaven, Hongaren, Bulgaren, waar helemaal geen democratie bestond. We zouden nonnen hebben vermoord of verkracht, geloof ik. De Spaanse regering heeft toen gezegd dat we misdadigers waren, maar die andere democratische landen hadden hun onderdanen wel opgeroepen.

De Nederlandse regering heeft toen voor ons niet veel gedaan, maar in de oorlog konden ze ons weer goed gebruiken. Dus alle anderen waren er in 1939 - maanden vóór de oorlog uitbrak - er al uitgehaald, maar wij dus niet. Dat was echt Nederland. Ik heb later vaak genoeg gezegd, als je later ergens komt en je zit in gevaar, dan kun je beter Zuid-Afrikaans, of een beetje achterstevoren Nederlands spreken (als je geen Engels kent), maar je moet je nooit als Nederlander uitgeven, want dan ben je nergens.

Nee, we hebben in Madrid meegemaakt, dat van de diplomatieke dienst ene consul-generaal, De Bruin van Tinbergen, bij ons kwam. Dat was trouwens de grootste vrouwenjager die er bestond. We kregen van hem zakgeld, en al die dingen meer om kleren van te kopen. Dat was de corruptie hé, en fooien geven, dat was de Bruin van Tinbergen.

Een Engelse gezant of consul kwam altijd bij ons in Miranda de Ebro, en zij namen dan altijd levensmiddelen-pakketten mee van het Rode Kruis. Dat hadden de Engelsen dan voor ons klaargemaakt, en zij zeiden tegen ons: De Bruin van Tinbergen is een zuiplap en een vrouwenloerder, daar heb je niks van te verwachten hoor.

's-Gravenhage, 19 September 1939.

TOP