Brieven van de Grietman Lemmer 8

1871

27 februari 1871: In een schrijven van het gemeentebestuur, wordt voor de eerste maal gesproken van de Groninger-Stoomboot-maatschappij en de brief werd gericht aan de gezagvoerder G.Nieveen, een naam die voor dien en ook later nog meerdere malen als directeur van deze maatschappij waaruit naderhand de bekende Lemmer nachtboten uit voort kwamen, is genoemd.

14 maart 1871: De burgemeester bericht aan het hoofd der school, dat pokken is uitgebroken in een gezin van een schippersknecht en dat hij verzocht wordt de kinderen uit dat gezin voorlopig niet meer op school toe te laten. De betrokken persoon is 33 jaar en was als kind gevaccineerd, doch had zich niet laten her inenten. Voor ongeveer drie weken terug had hij zich naar Gravenhage begeven om vandaar het nagelaten huisgezin en schip van een aan kinderpokken overleden schipper naar hier te vervoeren. Dit schijnt de oorzaak der besmetting te zijn, aldus een brief in dit verband gericht aan de commissaris des Konings.

12 augustus 1871: De burgemeester bericht aan Ged. Staten, dat twee inwoners van Lemmer bij notariële akte zich borg hebben gesteld voor de ondernemers van een stoombootdienst van Lemmer op Deventer en de andere voor een dergelijke dienst van Lemmer op Zwolle. Naast de bestaande diensten op velerei plaatsen dus nog twee nieuwe.


1872

22 januari 1872: Aan Eiso de Wendt Alberda van Ekenstein, voorzitter van het comité tot aanleg van een buurtspoorweg van Lemmer - Groningen wonende te Marum, wordt bericht dat der raad deze gemeente besloten heeft zich te verbinden tot een tegemoetkoming in de kosten van opmeting en kwartering te maken ten behoeve van de genoemde spoorweg en zulks tot een bedrag van f 27.50,- voor elke kilogram?(KM) welke deze lijn binnen deze gemeente loopt.

24 januari 1872: De ambtenaar van de burgerlijke stand te Lemmer bericht aan de burgemeester van Gaasterland dat op 24 januari is overleden te Lemmer Billa Joël Haaxma en op 25 januari te Tacozijl zal worden begraven. Deze kennisgeving was verplicht omdat Tacozijl toentertijd deel uitmaakte van de gemeente Gaasterland.

31 januari 1872: Het gemeentebestuur heeft van Ged. Staten een kaart in ontwerp ontvangen, waarop enkele correcties zijn aangebracht. Naast kleine opmerkingen wordt meegedeeld dat het meer “De Brekken” in 1866 is drooggelegd en in 1859 “De Poel” “De Wiel”. Voorts zijn de omtrekken der veenpolders als die van Echten en de Mutserd (eigenlijk muisvaart)  met een rode stippellijn aangegeven. De voormalige stins “Roorda” is op de tegenwoordige kaart niet op de juiste plaats aangeduid. Dit gebouw stond ten het westen van de Middenvaart op de scheiding van Oosterzee en Echten. Hetzelfde kan gezegd worden van het voormalige kasteel “Oosterzee” dit heeft gestaan waarin de laatste jaren een boerenhuis is gezet. De punten waar vroeger deze adellijke huizen hebben gestaan laten zich nog kennen door een kromming in de weg die er met een flauwe bocht voor langsliep.

20 maart 1872: Aan de Com. des konings wordt bericht, dat in den vroege morgen van 1 april zeer algemeen de Nederlandse en de Oranjevlag uit de huizen wapperden, waardoor de plaats feestelijk aanzien had. Echter was uit enkele huizen van voorname R.K. burgers geen vlag uitgestoken en gingen dien dag herhaaldelijk naar de kerk zonder Oranje lint te dragen. Dit verzet tegen de algemene volkswens ergerde velen, doch men heeft deze burgers vredig laten lopen. Toen de ontevredenheid algemeen werd hebben enkele R.K. burgers alsnog de vlag uitgestoken en kwamen met Oranjelint gesierd op straat. De heer Ferdinand Visser geneesheer alhier stak echter geen vlag uit zijn woning en droeg evenmin een Oranjelint. Hij liep bij herhaling over straat en men liet hem ongemoeid lopen, doch in de avond omstreeks 7 uur liep hij naar de haven. Nu eerst werd hij door enigen beleefd aangesproken om Oranjelint te dragen; Men stak hem zelfs een lintje op zijn borst, doch hij moet dit hebben afgescheurd en wilde heengaan, doch enige personen achtervolgden hem en hebben hem toen opgetild van den grond, gesleurd, gestoten en geslagen. De massa groeide zo spoedig aan, dat de politie niet in staat was dien eerste aanval te keren. De heer Visser werd met moeite in veiligheid gebracht. Door het voorgevallene met de heer Visser was de baldadigheid van het gemeen treurig genoeg opgewekt en de aandacht op de R.K. burgers gevestigd. Men begon roeriger te worden en het liet zich niet te best aanzien. Grote massa's waren op de been en het was met de geringe politiemacht niet te keren, dat hier en daar niet een glasruit werd ingegooid. Een jongeling werd op heterdaad betrapt toen hij enige ruiten in de openbare school inwierp. Ik heb mij de gehele avond bij de politie op straat bevonden tot in het diepst van den nacht en door toespraak en raadgeving aan menigeen zijn wellicht een groter onheilen voorkomen. De burgemeester betreurt het, dat de heer Visser aanleiding heeft gegeven tot ongeregeldheid, wat anders zeer zeker niet zou hebben plaatsgevonden, want de geest der bevolking te Lemmer was over het algemeen tot gepaste vrolijkheid en feestvreugde gestemd.

(In heel Nederland werd een gigantisch, historisch volksfeest gevierd waarbij massaal oranje vlaggen, versieringen en de nationale driekleur werden uitgehangen. Dit evenement staat bekend als de Brielsche Feesten of het onafhankelijkheidsfeest van 1872.)

30 mei 1872: Het gemeentebestuur richt zich in het schrijven tot de K.S. van Andringa, om vergunning te krijgen voor het rijden met de postkar of door de Schoolsteeg en verder ook de balsteen bestrating voor uw huis op het Turfland ofwel langs het kerkhof naar en van het stichten postkantoor in de huizinge, vroeger bewoond door Fedde Kerstens Woudstra op het Turfland alhier. De plaatsing van het postkantoor met de brievenbus op het Turfland in tegenstelling met de Lijnbaan, hangt geheel af van de inwilliging van bovenstaand verzoek. Ofschoon wij ten volle overtuigd zijn dat in casu het Turfland voor het gerief van het publiek verre de voorkeur verdient boven de Lijnbaan, komt het ons aan den andere kant voor de publieke veiligheid, gevaarlijk voor dat, er over het kerkhofpassage van rijtuigen plaats hebben. Daar de bestrating echter door u wordt onderhouden achten wij het nodig daaromtrent eerst uw goed vinden te vernemen, terwijl wij niet twijfelen of ook gij zult overtuigd zijn van het belang dat het publiek daarbij heeft. De bestrating voor de woning op het Turfland -thans Kortestreek- was eigendom en daardoor in onderhoud bij de eigenaars der woningen. Het pand dat voor het postkantoor in aanmerking komt is thans bewoond door de heer K. Otter, voorheen v.d. Horst. Een zelfde schrijven wordt gericht aan de weduwe Fortuin, de heer Rienk Sleeswijk en de erven Römer.


1873

17 januari 1873: De burgemeester geeft naar aanleiding van een ontvangen missive van de Comm. des Konings dezen in overweging bij een eventueel plan tot wijziging van de gemeentegrenzen de Tjonger als oostelijke grens van de gemeente Lemsterland aan te nemen. Een gevolg hiervan zou zijn, dat de lange smalle strook land ‘Schoterruiterdijken’ genaamd, lopende tussen deze gemeente en Weststellingerwerf, die thans zeer oneigenaardig tot Schoterland behoort, aan Lemsterland zou komen.

16 augustus 1873: Aan de voorzitter van het comité tot oprichting van een locaal spoorweg van Lemmer-Groningen, wordt bericht dat de raad besloten heeft indien deze spoorweg tot stand komt in die onderneming tot een bedrag van f 30.000,- gulden aandeel te nemen en te storten zodra de dienst op die lijn is geopend. Bij schrijven van 27 sept. 1873 wordt bericht dat de raad nader besloten heeft, zulks behoudens hogere goedkeuring tot het bedrag van f 50.000,- deel te nemen. Bij schrijven van 30 december 1873 wordt aan de voorzitter van het comité tot aanleg van een spoorweg Lemmer Groningen, bericht dat de hogere goedkeuring is ontvangen omtrent het nemen van aandelen in genoemde aan te leggen spoorlijn.


1874

6 januari 1874: Tot de erfgenamen van Jhr. J.W. van Andringa de Kempenaer wordt het verzoek gericht mede in verband met het veelvuldig voorkomen van besmettelijke ziekten enkele sloten in Lemmer grenzende of toebehorende aan hun eigendommen te dempen, zulks in het belang der volksgezondheid. Met name wordt genoemd de ‘Doolhofssloot’ (Ligging: De sloot liep destijds door de dorpskern, specifiek rondom en tussen de achterkant van de huizen aan de Langestreek en de Tuinstraat) die de scheiding vormt tussen de tuin achter uw huizen en de erven van enige huizen aan de Langestreek. Behalve dat in deze sloot privaten uitlopen gebruiken sommigen der belendende bewoners haar als een débouché voor afval en allerlei ander vuil. Daarom en in verband met a.s. invoering van een verordening op de asvaalten een secreten, achten wij de demping dier sloot wenselijk. De gemeente is genegen de kosten van f 300,- voor haar rekening te nemen, mits de erven de Kempenaer dan voor een nieuwe afscheiding tussen de verschillende eigendommen willen zorgdragen.

26 mei 1874: Schrijven aan D. Allard te Amsterdam: Verslag gedaan van de heugelijke feestdag van 12 mei jongstleden in deze gemeente houden. Het feest werd door ongeveer 900 kinderen op de diverse scholen gevierd, door het houden van optochten en het aanbieden van versnaperingen, door de ongunstige weergesteldheid vond het feest in De Lemmer enkele dagen later plaats. Het feest werd gefinancierd door een bijdrage van de gemeente f 400,- en uit bijdragen van particulieren.

17 juni 1874: In een circulaire wordt aan de Comm. Bericht, dat in het algemeen zijn opgemerkt dat er in deze gemeente onder het vee geregeld longziekte voorkwam; een enkele maal tongblaar en bij de paarden kwade droes. Onder de ingezetenen heel veel kinderpokken een enkele maal cholera, Typhus en bronchitis.

28 december 1874: Aan de heren L. de Groot, H. Luiking, J.A. Lacrooy, J. Driest, M. van der Woude, J.S. de Vries, G. Nieveen, D. Woudstra en R. Teitsma, wordt namens de burgemeester bericht dat ze worden uitgenodigd om op oudejaarsdag v.m. 10 uur ten gemeentehuizen te verschijnen ten einde met b. en w. te bespreken een plan tot demping van de Doolhofssloot, achter hun huizen aan de lange steek. (Ligging: De sloot liep destijds door de dorpskern, specifiek rondom en tussen de achterkant van de huizen aan de Langestreek en de Tuinstraat)


1875

19 mei 1875: Aan de pachter van de Truitjezijlsbrug de wed. G. Hottinga, wordt bericht dat bij K.B. met ingang van heden is afgeschaft de tol wegens overtocht of passage over de Truitjezijlsbrug en dat de invordering door u moet worden gestaakt.

22 mei 1875: Aan Adam Rippen, wordt op diens verzoek eervol ontslag verleend als boter en kaasdrager aan de waag alhier. De gemeenteraad heeft hem met ingang van de datum van ontslag zijnde 1 juni een pensioen verleend van f 10,- gulden per jaar.

19 augustus 1875: De gemeenteraad betuigt adhesie aan een adres van drie heren aan den minister van Binnenlandse Zaken, om te bevorderen dat voor de aanleg van de spoorweg Lemmer-Groningen een subsidie wordt verleend van 3 miljoen gulden te verdelen over 3 jaren. Een soortgelijk adres wordt aan de Tweede Kamer gericht, waaraan ook de gemeenteraad zijn adhesie betuigt.

20 september 1875: De pachter van de Truitjezijlsbrug weigert de brug te wippen op zondag vanaf het begin tot het einde der gebedsdienstoefeningen, waardoor er grote opstoppingen plaats hebben en de scheepvaart oponthoud ondervindt met gevolg, dat er herhaaldelijk klachten van de zijde der schippers bij het gemeentebestuur binnenkomen. Hoewel de pachter verplicht is bij afwezigheid of verhindering een vervanger te laten optreden, is de pachter onwillig hieraan te voldoen en hij heeft gedreigd de brug op slot te zullen leggen, indien van de zijde van het gemeentebestuur wordt ingegrepen. De burgemeester vraagt een officier van Justitie te Sneek hoe in deze kwestie te handelen.

25 oktober 1875: De uitdieping van de Lemsterrien is gekomen ten laste van de floreenplichtigen, die onder protest deze onderhoudskosten hebben betaald. Deze kosten hebben te samen f 8207.61,- bedragen, doch het gevoerde proces heeft de floreenplichtigen in het gelijk gesteld en dit onderhoud bij vonnis van het Hof van Friesland d.d. 8 april 1868 opgedragen aan de provincie. Floreenplichtigen wensen thans deze betaalde sommen terug te ontvangen en is vanwege deze personen een adres bij het gemeentebestuur ingediend ondertekend door 91 personen. Zij vragen een post tot dit bedrag op de gem. begroting te willen uittrekken en de raad wil hierin wel meegaan, indien Ged. Staten bij Prov. Staten voorstellen dit bedrag op de begroting der provincie als uitgaaf op te nemen, waartoe thans een schrijven dat dit college wordt gericht.

19 december 1875: Aan Dr. Witteveen wordt bericht, dat de raad niet kan ingaan op verzoek nogmaals bij Ged. Staten aan te dringen een afwijzend besluit om de kosten van de uitdieping van de Lemsterrien alsnog te vergoeden, te herzien. Het gemeentebestuur geeft in overweging aan belanghebbenden zich rechtstreeks tot dit college te wenden.


1876

5 januari 1876: Aan de plaatselijke boekhouder W.A.F. Koopman, wordt de levering van leermiddelen aan de scholen opgedragen. De prijzen waarvoor dus ingeschreven is als volgt: 5 soorten leien f 0.18 – f 0.27; stalen pennen per gros f 0,75; pennenhouders per st f 0,03; krijt per doosje f 0,18; potloden per doz. F 0,75; schrijfboeken gelijnd van 6 vel per 100 st. f 6,40; papier 1e soort per riem f 5,70; 2e soort gelijnd per Rm f 4,60; inkt per fl. f 0,55; griffels lange dikke per pakje f 0,23; dunne f 0,16. Korting van schoolboeken bij afname van 13 st. 15% en schoolkaarten eveneens 15%. Eventuele vrachten komen voor rekening van de school.

30 december 1876: Bij het overlijden van de vroegere gemeenteontvanger is een kas tekort ontdekt want bijna f 8000,-. In de raad is de vraag gesteld wie voor dit tekort aansprakelijk is. Is het onvoldoende toezicht en het te groot trouwen in de persoon van den ontvanger, mogelijk aanleiding om burgemeester en wethouders persoonlijk voor verantwoordelijk te stellen werd gevraagd. Naar aanleiding van de gehouden besprekingen werd er rechtskundig advies ingewonnen.


1877

19 april 1877: Naar aanleiding van een aan zijne Z.M. de Koning gericht verzoek door de heer S.E. Oudschans te Leeuwarden, wordt door de comm. des Konings bericht consideranties en advies van het gemeentebestuur gevraagd. Het gemeentebestuur richt zich tot de comm. des Konings op welke voorwaarden de concessie tot het droogmaken van het Tjeukemeer en het ontginnen daarvan is aangevraagd. In principe is het gemeentebestuur deze onderneming wel toegedaan.

12 juli 1877: Van de heer Levi D. de Jong c.s. is een schrijven ingekomen bij het gemeentebestuur om van gemeentewege over te gaan tot stichten van een bewaarschool. B. en W. achten het meer voor de hand liggend, dat een dergelijk initiatief uitgaat van de ouders dan van het gemeentebestuur en ze geeft in overweging te beproeven of verschillende ingezetenen van Lemmer genegen zijn om door vereende krachten een bewaarschool te doen verrijzen.

16 oktober 1877: Ter voldoening aan een missive van de comm, des Konings wordt een overzicht gegeven van de tot stand gekomen werken van algemeen en bijzonder belang. Opgegeven wordt dat tot stand is gekomen het maken van een stenen walmuur in het zogenaamde Dok te Lemmer ter vervanging van de houten walbeschoeiing langs de zuid- en noordzijde van het Dok. Het werk is in het belang de scheepvaart op kosten van het gemeentebestuur zonder subsidie uitgevoerd door de aannemer L.H. van Noord te Lemmer voor de som van f 8195,-

30 november 1877: Aan de eigenaar der kolk de heer W.S. Visser, in de wandeling genoemd Engwerder kolk, wordt bericht dat de gemeente genegen is dit brugje zonder vergoeding over te nemen en te doen herstellen. (Het Steenland is alhier vergraven lopend uit de Kolk tot aen de 'Hop, de Zeedijk ten zuiden de Sijlroede ten noorden. Een stukje land lopende van de Engwirder kolk tot aan de Steen-kolk het Turfland genaamt.)


1878

11 februari 1878: Aan de gemeenteopzichter wordt bericht, dat de raad afwijzend heeft beschikt op het verzoek van J. Oly, alhier tot het dempen van het ‘Doode gat’ voorzover strekkende langs zijn huizinge op de Nieuwburen alhier en bewoond door Margje Dijkstra.

13 februari 1878: APD. de Ged. Staten wordt een opgaaf verstrekt inzake de verveningen bevattende de hoeveelheid gemaakte turf in de lage verveningen gedurende het jaar 1877 buiten de gereglementeerde veenpolder hieruit blijkt dat in Lemmer:

  • 49660 vierk. ellen gespreide slik is verwerkt
  • 27810 tonnen turf is geproduceerd
  • f 0.50 als middelprijs heeft gegolden
  • 40 Nederlandse arbeiders hebben gewerkt
  • 15 Buitenlandse arbeiders hebben gewerkt
  • f 1.32 ½ als arbeidsloon per dag is uitbetaald.

13 maart 1878: Aan de heer L.D. Landmeter, uitgever van het weekblad ‘Nieuwe Tijd’ te Lemmer, wordt op zijn verzoek bericht, dat hem een  gereserveerde plaats bij de raadsvergadering met stoel en tafeltje zal worden toegestaan, teneinde door u een verslag kan worden opgemaakt van hetgeen in substantie in die zittingen wordt verhandeld.


1879

19 maart 1879: Het gemeentebestuur richt zich met het verzoek tot den minister van Waterstaat enz. om bij de aanleg van de spoorlijn Harlingen, Leeuwarden, Heerenveen naar Duitsland een aftakking naar Lemmer worde tot stand gebracht.


1880

10 januari 1880: Uit een opgave aan de commissaris des Konings blijkt, dat navolgende ondernemers een vaste dienst onderhouden met stoomboten;

  • W.J. Brouwer; van Lemmer naar Heerenveen via Sneek; Telegraaf I
  • Lemmer-Groningen Veend. Stoomb.rederij; van Lemmer naar Groningen; Lemmer I en Lemmer II
  • Lemstra; van Lemmer naar Bolsward; Vier Gemeenten
  • Fa W. de Haan; van ?: Lemmer
  • A.S. de Jong; van Lemmer naar Amsterdam; Amsterdam
  • J.S. Visser; van? Telegraaf II
  • W.J. Brouwer van? Telegraaf II

13 juli 1880: De heren Leopold Mertens en Louis Finet te Utrecht hebben bij schrijven van 15 november 1878 een uitvoerig plan ingediend om te komen tot aanleg van een net van tramwegen in deze provincie, waarbij ook bepaald is de aanleg van een lijn van de Lemmer-Follega-Heerenveen en Follega-Sneek B. en W. vragen wanneer men denkt met de aanleg aan te vangen.

1880: Het dijksbestuur der Zeven Grietenijen heeft voorgesteld voor gezamenlijke rekening de sloot ten zuiden van het Waaigat te dempen. Het gemeentebestuur heeft bezwaar tegen demping en acht een gehele opruiming van de Dijksloot aldaar veel verkieselijker. Het gemeentebestuur verzoekt daarom te willen bevorderen dat ook die sloot zo spoedig mogelijk worden gereinigd.

21 augustus 1880: Aan de Hoofdingenieur van den Waterstaat in het district Friesland te Leeuwarden, wordt bericht dat in antwoord op zijn missive na door deskundigen te zijn ingelicht, het gemeentebestuur van oordeel is, dat bij de bestaande wijdte en diepte door u aangegeven een verlenging van de Lemster havenkom met 100 meter een aanmerkelijke verbetering zou aanbrengen, maar dat de verlenging van 150 meter nog wenselijker geacht kan worden.