Herinneringen van Teade Wouda e.a. 8
"SÛPE SE SA ALDERFREESLIKST BY JIMME YN È LEMMER?"
En andere herinneringen aan de oude Lemmer.
Met veel genoegen het ingezonden stuk gelezen, dat januari 1911 in de "Nieuwe Friesche Courant" heeft gestaan, uitgave W.A.F. Koopman te Lemmer (toen in de volksmond beter bekent als "Wafke") en ondertekend door acht Lemsters vissers. Dat roept weer vele herinneringen op.
Wat die zuiperij betreft, dat was schromelijk overdreven. Zoals al in dat schrijven staat ging burgermeester Callenbach helemaal af op de inlichtingen van politieman Venema en die had in die tijd van enkele uitwassen het meeste last. Dus dat werd wel breed uitgemeten. De burgermeester had zo goed als geen contact met de bevolking. Op het gemeentehuis ging in die tijd ook niet veel om, er werkte maar een stuk of wat mensen, waar ik mij de secretaris meneer Daan herinner, die aan de Rijksstraatweg woonden, later het huis van Laurens de Rook.
Maar ik geloof niet dat secretaris Daan er in 1911 al was. Lijcklema werkte toen wel op het gemeentehuis, droeg altijd een slipjas, die groen en glad was van ouderdom. Hij en zijn broer exploiteerden ook het café in de Schans, wat later van Uiltje Kooistra was. Het waren vrijgezellen en Richtje van de Brug was daar jarenlang de huishoudster.
Maar echt dronken mensen zag je er haast nooit. Uitgezonderd met kermissen, maar dat is nu nog zo. Wel waren er een stuk of wat visserslui die, als ze 's middags naar huis gingen om te eten, één of twee borreltjes gebruikten, en zondagsmorgens was het druk in de cafés. Maar wat wil je in de tijd van de één kamer woningen met een troep kinderen?. Het was geen wonder dat de mannen eruit liepen naar het café, waar het warm en gezellig was en je kon praten, bij moeke Knol nog een stukje muziek er bij? Nee echte zuipers had je niet in Lemmer. Wel een klein ploegje wat ook in de omgeving wel eens over de schreef ging. En het was toen een rauwe tijd en de strijd om het bestaan was zwaar.
En daarom had Venema het niet gemakkelijk. Ik weet van de verhalen van mijn vader, die in zijn jonge tijd ook wel mee kon doen, dat Venema hem een keer van huis zou halen aan de Lijnbaan. Hij had zeker wat uitgehaald, maar hij nam de hete kop van zo'n hoge kachel en gooide die naar Venema, die hard maakte dat hij weg kwam. Venema had in die tijd ook wat met Jan en Afke gehad, waar Jan wraak op moest nemen. Venema liep op een avond op de Lijnbaan, met zijn altijd aanwezige rotanstok in zijn hand. Komt Jan hem op sokken achterop sluipen, steekt vliegensvlug zijn hoofd tussen Venema zijn benen en kwakt hem zo achterover op de straatstenen... er heeft nooit een haan naar gekraaid. Ook hebben ze met een ploegje een bolderwagen bij een boer aan de Rijksstraatweg op de nok van een boerenschuur gezet, met de wielen aan beide kanten van de nok zo ging dat in die goeie ouwe tijd.
Maar met de kermis begin augustus was het wel eens raak. Mijn vader kwam nooit in een café, en kon daardoor ook niet tegen drank. Ik heb hem één keer dronken gezien, maar dan was het ook wel goed mis. Het was de kermis van 1907 of 1908. het was voormiddag dat Excelsior met daverende marsen door de Lemmer marcheerde. Van de Schans en de Kortestreek naar het Turfland. Ik was toen een jongetje van zes of zeven jaar en stond op de bakkershoek (Markt) te kijken naar de voorbij trekkende stoet. Honderden mensen hossend achter de muziek aan en daar zie ik vader en Kobus Brandenburg, en nog een paar met de armen over elkaars schouder ook achter de muziek hossend, met natuurlijk flink wat op. Ik erg angstig er achteraan, en bij de brug van Jelte gekomen, grijpen ze de stok met klompje er aan, wat Jelte de schippers toe stak om het doorvaart geld te innen, en dat klompje ging met het touw er aan, door de lucht en werd weggegooid.
Even verder bij Schotsman, neemt hij z'n pet en die gaat met een sierlijke boog draaiend over Excelsior heen, een eindje verder neemt hij zijn pantoffel, met geborduurd anker erop van zijn voet en die gaat dezelfde weg, even later gevolgd door de andere, hij liep nu op sokken en had niks meer om weg te gooien. Dat ging zo langs de Kortestreek en ze komen op het Turfland. Net voorbij het "Fine tsjerkje" woonde van der Veen, die daar een winkeltje en aardappelhandel had. Er stond een kruiwagen voor de winkel met zo'n hekwerkje aan de voorkant waartegen een zak aardappelen tegen kon steunen. Vader neemt de kruiwagen en begint daarmee een ronde dans te maken. Toen ben ik maar terug gegaan, en later in de middag hebben vier man hem slepend naar huis gebracht.
Turfland.
Grote consternatie thuis vanzelf. Ik weet nog dat Oate Jette en pake Jan er waren. Pake Jan zei: hij moet wat hards onder het hoofd hebben, en toen legde ze een stoel op de vloer, en hij werd met zijn hoofd op de zgn, bekkeling gelegd en was toen gauw in het land der dromen. Dat is nu zowat 67 jaar geleden, maar ik zie het nog allemaal voor me. De andere dag natuurlijk veel spijt. Het zou niet meer gebeuren en ik moest bij de kraam van Friso, die altijd tussen de beide bruggen stond een grote zak oliebollen halen, en ik kreeg een heel dubbeltje voor de kermis en daar kon je toen heel wat mee doen. Een ritje met de draaimolen van Van der Veen met z'n grote rode hangsnor, koste toen nog één cent. Die stond altijd op de Schulpen met zijn mooie draaimolen.
Oud-kermisman Van der Veen, bij zijn zelfgemaakte mini-draaimolen.
Maar de ouwe heeft wel woord gehouden, zoiets is nooit meer gebeurd. Eén keer heb ik hem een beetje aangeschoten gezien, dat was in 1911 of 1912. Hij had met een maat een klipper binnen gebracht, die bij de "Marderhoek" was vastgelopen. Ze hebben een anker uitgebracht en wisten hem met de lier los te trekken. Zoiets gebeurde wel vaker en was natuurlijk een welkome prooi. Maar dan moesten ze een akkoord zien te bereiken met de verzekering Mij., want de ondervinding had wel geleerd, dat als het op een proces aankwam, de advocaten met de buit gingen strijken. Met de plaatselijke verzekeringsagent moest dat vanzelf worden afgehandeld bij Faber in de Wildeman.
Maar om op de adviseur van burgermeester Callenbach terug te komen, politie Venema die was niet erg geliefd bij de bevolking en zeker niet bij de visserslui. Hij was dan ook wel een bijzonder mens. Want toen hij met pensioen ging, en dat zal in die tijd ook wel geen vetpot zijn geweest, begon hij een winkel aan de Polderdijk. Nu kon je hem dagelijks door de Lemmer zien rijden met een lange kist met koeken achter op zijn fiets en dan zong hij luidkeels "Bij Venema op de Polderdijk, verkoopt men honingkoeken, Honingkoeken zijn zo zoet je moet ze maar eens proeven" De jongens zongen er dan achteraan. "Valt er een boom uit de lucht, Venema op de vlucht"
Maar de visserslui hebben de politie ook wel eens geholpen. Mijn vader heeft mij verteld dat op een keer een deel van de vloot van Vollenhove, in de haven lag en dat waren in die tijd geen lekkere jongens. Daar waren de Lemsters nog lieverdjes bij vergeleken. Die zaten 's avonds in het café van Jentsje Knol en maakten daar een herrie. Politieman Bosma, ging het café in om de herrie wat te sussen. Maar ze ontwapenden Bosma en die werd op het biljart gesmeten, en ze zouden hem met zijn eigen sabel slachten. Toen hebben de Lemster vissers hem ontzet en een broer van Hidde Koornstra, was ontzettend sterk die nam de twee ergste belhamels onder elke arm één en sloeg ze met de koppen tegen elkaar en Bosma's leven was gered.
Het is bij Vollenhove gebeurd, zo tussen plm. 1890 en 1900 dat daar vier stropers, die door de Rijksveldwachter werden aangehouden, koelbloedig door die vier zijn vermoord, om beurten hebben ze die man met een mes bewerkt, omdat ze allemaal evenveel schuld zouden hebben, zijn ze allemaal opgepakt en tot levenslang veroordeeld. Drie zijn in de gevangenis gestorven, en één is als een oude man zijnde op vrije voeten gesteld, dus het waren geen lieverdjes.
Terug naar de sterke Lemsters van vroeger. Die sterke broer van Hidde Koornstra is niet oud geworden. Want ik weet mij te herinneren dat toen ik een jongen was, Hidde Fetsje in de Schans woonde, waar later Willem de Blauw woonde, ik heb een foto heb gezien, waar de sterke man in z'n kist lag.
Juni 1954. Op de haven voor de afslag te Makkum zijn deze mannen bezig met het inzouten van de vis. V.l.n.r. Sake Koornstra, Joost Siemensma, Dorus en Hidde Koornstra, Jan Visser, Wybren Rinia, Willem Visser en de jongen op de voorgrond is Arend Hzn. Poepjes.
Maar er waren in die tijd meer krachtpatsers in de Lemmer. Mijn moeder vertelde mij dat zij als jong meisje in betrekking was bij bakker Fortuin, later Knol, in de Benedenschans. Daar werkte ook een bakkersknecht die oersterk was. Er was een groot vat krenten aangekomen van 400 kilogram, dat zouden de mannen met z'n allen naar de zolder brengen, toen ze dat 's middags zouden doen, had de sterke knecht voor een verassing gezorgd, en het alleen de brede trap op weten te krijgen.
Dan ging er het verhaal van de toen al oude Eibert Duim, die vroeger ook altijd de honderden lammeren, die met de Lemmer nachtboot werden verscheept, met een kwast verf een merk op de kop gaf. Als er dan ook koeien in het ruim werden vervoerd en een enkele de loopbrug niet af wilde, nam hij de koe op zijn rug, met onder zijn armen de voor en achterpoten, en zo sjouwde hij de koe het ruim in, zelf heb ik het niet gezien. Maar wat ik wel heb gezien is dat er een keer stieren met de boot mee moesten en grote Lammert Dijkstra, die ook erg sterk was, een stier bij de horens pakte, zodat de stier zijn kop niet heen of weer kon krijgen, ook liep hij met een aanbeeld van 200 kilo door de smederij.
Nu zijn we door de sterke mensen heen, die komen schijnbaar niet meer voor. Als er 's avonds paarden met de nachtboot mee moesten, wat ook af en toe ook gebeurde, was je daar als jongen niet vandaan te krijgen. Want er waren dan paarden bij, die de loop brug niet af wilden, wat ze ook probeerden, als het dan niet anders kon deden ze zo'n paard een brede zeildoek onder zijn buik door, en werd het paard opgehesen met de stoomlier, dan sloeg het dier uit angst met zijn poten op de keien dat het vuur er uit sloeg. Dan bonkte het hart in je jongenslijf want je hoopte dat het paard zou winnen, wat natuurlijk nooit gebeurde.
Maar op het drankmisbruik terug te komen, toen ik een jongen was.. kwam er maar één dagblad in de Lemmer en dat was van Hepkema's Courant uit Heerenveen. (Nederlands streekblad dat tussen 1874 en 1951 verscheen in Midden- en Zuidoost-Friesland) Die kwam altijd om half vijf, vijf uur met de tram aan in Lemmer. Ik meen dat de krant toen 3 cent koste. En Schotman's Bazar, verkocht ze, abonnees zoals nu waren er geloof ik niet. Bij de rechtszaken van de rechtbank in Heerenveen stonden geregeld verslagen van vecht en steekpartijen, maar nooit uit Lemmer. Wel uit de Wouden zoals Jubbega, Schurega, Haulerwijk, Steenwijk enz. Dus dat wijst ook niet op overdadig drankgebruik voor Lemmer in die tijd, en drank aan boord van vissersschepen is zo goed als nooit voorgekomen. Dat was zeer zeker ruchtbaar geworden, er waren toen ook wel onder de vissers die fel tegen drank gebruik waren en lid van de geheelonthoudersvereniging. Er was vroeger altijd een grote afdeling van de bond in Lemmer en de mensen van het opkomend socialisme, waren ook felle tegenstanders van de drank, want arbeiders gezinnen hadden natuurlijk het meest te lijden als vader te veel dronk. Als er vroeger een verjaardag werd gevierd kwam er niet als nu drank op tafel, wel een pan chocolademelk.
Toen we al voor de oorlog van 1914 aan het buurtje woonden bij de R.K. Kerk waren onze buren Johannes (Jan) Visser en Rees, toen beter bekend als 'Johannes van Hantsje'. Hij had een grote aak, de LE 12. Ik weet nog best dat als hij en zijn vrouw op bezoek waren, je vaak kon lachen. Hij had altijd van die leuke verhaaltjes, die hij zo smakelijk kon vertellen. Zo had hij ook eens een buurvrouw gehad die in zijn uitzicht een paar weken een hemd had hangen. Dat begon Johannes de keel uit te hangen, en hij zei tegen de buurvrouw "Wanneer zal je nu dat gore Dorcas hemd eens inhalen buurvrouw" Nu was 'Dorcas' een meisjes vereniging die met kerstmis onderkleren uitreikte aan behoeftige mensen.
Zo had hij ook een zolder gehuurd, om een deel van zijn netten op te bergen en in de netten zit altijd veel stof. De bewoonster van het huis hete Afke. Als Johannes in de winter op die zolder aan het scharrelen was met het netwant, hoorde hij Afke die hardhorend was, mopperen over het stof dat naar beneden kwam. Afke: "Gesodemieter met dat rotstof uit die netten van Johannes voor die paar centen", Johannes van de zolder, "Sizze jo hwat, Afke?" Afke weer: "Welné myn goede man, geane jo jo gong mar hear". Een tijdje later ging het weer van voren af aan en dan kon Johannes schateren van het lachen.
Johannes was een fijne man. Toen ik drie jaar was noemde ik hem al oom. Hij woonde toen in de Benedenschans, waar later Marten en Griet Kokje woonden. Hij had daar ook een winkeltje en verkocht o.a. ook Bensdorp repen, die in een stopfles zaten en 2½ cent kosten. Als ik er was zei hij al gauw Sille wy in reepke nimme, soan? En zo komen er soms herinneringen bij je boven van een gewone foto in de krant, n.l. de foto van mevrouw Coehoorn Jongsma in de Zuid-Friesland, toen ze voor de P.V.D.A. zitting nam in de gemeenteraad van Lemsterland, want de raadsverslagen sla ik namelijk nooit over. De foto was precies haar moeder op die leeftijd. Maar het bijzondere was wel dat haar grootvader, Auke Bakker van de LE 6. in...ik dacht 1913 of 1914 ook in de gemeenteraad van Lemmer heeft gezeten en ik daarin ook nog voor een klein deeltje aan heb meegewerkt.
Foto van de heer Stevens: Het echtpaar Jan Stevens Visser en Rinske Visser-Friso. 18 december 1941. Met hun kinderen en de aangetrouwde familieleden.
Het was zo dat naar het oordeel van de vissers hun belangen in de raad niet tot uiting kwam. Er moest een visserman in de raad komen, en de keus was gevallen op Auke Bakker. Het was een rustige man, die zijn woordje goed naar voren wist te brengen. Een stemlokaal was in de oude R.K. Kerk, waar wij toen vlak bij woonden. Ik kreeg een lijst waar de namen op stonden van de kiezers, die waarschijnlijk wel op Bakker zouden stemmen, was er dan weer een geweest, kreeg die een streep. Zo konden ze de kiezers die tegen de tijd dat de stembus ging sluiten nog op roepen om alsnog te komen. Bakker liep altijd rechtop, altijd de beide handen tussen de broeksband en was tevens een droge humorist, mocht er graag iemand tussen nemen. Zo lagen we eens in Urk de ansjovisnetten over te halen. We lagen bij Bakker opzij en daarbinnen nog een Lemster. Die wou rijst eten, maar wist niet hoeveel ze nodig waren met z'n drieën, en vroeg dat aan Auke. Daar zag Auke een mooie grap in en zei: "Ik denk dat je aan een kilo wel genoeg hebt". Dus er ging een kilo rijst in de pan en dat vloog al gauw de pan uit. Op het laatst stond alles vol met rijst tot de koffie mokken toe....en Auke maar lachen, dat z'n grap geslaagd was.
Zo kom je ook minder mooie berichten tegen, waarbij je weer gaat denken over het verre verleden. Er stond een overlijdensbericht in het Parool en nadien ook in de Zuid-Friesland van Wybrand Scheffer, psychiater te Bakkum. Dan zie je de familie namen eronder, A. Scheffer, die zo goed als zeker de schrijver is van o.a. "Nachtboot naar Lemmer". De namen Tineke en Aaltje, die de grootmoeder en de vrouw was van grootvader Wybrand Scheffer en dan denk je weer aan de lekkere appels en Urkerbrok, die overgrootmoeder IJke Scheffer in haar winkel in de Schans verkocht, en waar nu nog een kleindochter en haar man woont. Ook denk ik dan aan de verhalen die mijn vader vertelde over Wybrand Scheffer, waar hij als jongen nog bij had gevaren. Dat was een intelligente man. Liep altijd met zijn handen op zijn rug onder zijn jasje. Hij had zo'n klein sikje onder zijn onderlip met een snor als versiering daarboven.
Hij had feitelijk 'te veel' verstand voor visserman. Daarmee wil ik niet beweren dat visserlui domme mensen waren, maar voor een visser bestond er niets anders dan vissen en slapen, wat er in de wereld om je heen gebeurde, moest je je maar niks van aantrekken, daar was gewoon geen tijd voor. Zo zat Wybrand meer in de handel en ik denk wel in samenwerking met zijn moeder en broer Simon. Ze woonden toen aan de Oostkant van de winkel in het huis met het grote winkelraam. Daarna (of was het er voor) heeft Gaasbeek er ook gewoond, die hofmeester was op de nachtboot en de grootvader was van wijlen het raadslid Anne Visser. Ik meen me te herinneren, dat toen het huis daarvoor is verbouwd en er nog een goudsmidzaak in is geweest.
Maar op Wybrand terug te komen, die zat ook altijd vol streken en grappen. Zo gingen ze eens, zo mijn vader vertelde op Kampen aan, om een vracht appels te halen. Telefoon zal er toen nog niet geweest zijn, maar hij bestelde bij 10 slagers een flinke rollade, af te leveren om één uur aan de kade bij dat en dat vaartuig. Om even voor enen gingen de touwen los en daar kwamen 10 slagersjongens met witte jassen aan, allemaal met een rollade aanzetten. Dan had hij de grootste lol en lachte zich slap.
Mijn vader werd er ook af en toe er tussen genomen en die nam op een keer wraak. Ze kwamen van Kampen af en Wybrand deed zijn behoefte zittend op de kant van het boord zo aan de achterkant van het zwaard, zoals dat gewoonte was. Nu stonden daar in zee vroeger in de zachte grond veel van die taaie eikenstokken, waaraan paling-kubben waren bevestigd (de voorlopers van de kistjes, een van wilgen tenen gevochte maand voor de [aal]vangst) van palingvissers. Vader stuurde de botter, want ik geloof dat de aak LE 44 er nog niet was, zo.. dat de zware stok onder de zwaardklamp doorboog. Die kwam er aan de achterkant onder vandaan, vloog weer recht en kwam met een flinke zwiep tegen het blote achterwerk van Wybrand. Toen kon vader weer lachen, want Wybrand kroop met een pijnlijk achterwerk naar het vooronder.
Zo gingen ze ook eens naar Amsterdam met een bun vol bot voor de visafslag daar. Ze lagen in de oranjesluizen, gelijk met een sleepboot, die ze voor een bakzooitje wel even naar de Ruyterkade zou slepen, nu ging het niet om het zooitje bot, want die koste niet zoveel, maar om de kapitein een hak te zetten. Toen ze er zowat waren, stuurde hij vader naar de bolderen, zou dan het roer van de ene kant naar de andere kant gooien, telkens als de aak dan een gier nam kwam er 'Loos' in de sleeptros en dan moest vader de tros zoveel in halen als hij kon. Toen ze zowat vlakbij het schip waren sneden ze het touw door en schreeuwde tegen de kapitein "Smakelijk eten" Bij zulke huzaren stukjes, had hij de grootste lol. Later is hij naar Ameland vertrokken en exploiteerde daar het beurtveer Holwerd - Ameland.
TERUG BLIK OP DE TWINTIGER JAREN.
Typische dingen in Lemmer.
Als je in die tijd het machine - geroezemoes van de houtmolen was gepasseerd en vervolgens het hek bij pasveer had geopend, voor de richting Oosterzee, dan deed je dit als jonge knaap niet zonder enige voorzichtigheid of heimelijke angst. Dit hield verband met sterke verhalen die je menigmaal hoorde in Lemmer, over de "Aapkes van Oosterzee". Het zouden twee jongens zijn met het uiterlijk van apen. Waarvoor je, je terdege in acht moest nemen; ze waren gevaarlijk....zei men. Hoe vaak ik het ook probeerde, na telkens al mijn moed te hebben verzameld, nooit was er iets te zien. Ik begon reeds aan legendevorming te denken, totdat ik op zekere dag, een boodschap moest doen voor mijn vader en er eigenlijk niet meer aan dacht, tot ik in een klein zijstraatje plotseling oog in oog stond met twee vreemde jongens. Iets ouder dan ik in de leeftijd van misschien 13 jaar, die er inderdaad ongewoon uitzagen (en wist je toen veel) en je daardoor schrik inboezemden, ook omdat één rare geluiden maakte.
Dit waren ze, wat nu! Op hetzelfde ogenblik keek ik ze echter recht in de ogen, maar daarin was niets te bespeuren om angstig voor te zijn. Mijn onlust gevoelens verdwenen als nevels voor de zon. Het waren eerder goedige niet begrijpende ogen. En zijn deze, een heel oud gezegde, niet inderdaad de stempels van de ziel? Ik geloof dat die jongens meer van mij schrokken dan ik van hen. Ze deden in ieder geval geen mens kwaad en ook nu bleek weer, dat verhalen vaak langs de rand van de waarheid lopen. Wat er later van de stumpers terecht gekomen is weet ik niet.
Wel herinner ik mij, dat ik medelijden met ze had en dat ik ze nadien nooit meer gezien heb. Het stond misschien in verband met de ouders die de jongens meestal binnenhuis hielden. In die tijd was dit niet zo ongewoon, je moest zoiets zoveel mogelijk verbergen ofschoon natuurlijk de wijde omgeving er bekend mee was. Hulp en begeleiding waren dingen die nauwelijks van de grond kwamen, buiten inrichtingen voor ernstige gevallen. In deze tijd is het heel anders, vooral door de meer begrijpende houding, hoewel daar ook nog wat aan valt te sleutelen. Maar het is in ieder geval in geen enkel opzicht van bestaande instituten van toen. En dan wordt soms ook nog beweerd dat er niets ten goede verandert, terwijl de voorbeelden voor het grijpen liggen, maar je moet het wel willen zien.
Lemmer zelf had in die tijd, weer andere typen die ik reeds in anderen bijdragen heb aangehaald. Zo herinner ik mij de woonwagen bewoners - kooplieden, die zo nu en dan ons dorp aandeden; het gezin van Houten, wat een aantal kinderen betekende. Als het bedtijd was trok pa een grote houten lade, die onder de wagen lag naar buiten, deze diende dan als bed. Het grut werd er netjes ingestopt en vervolgens schoof het geval weer dicht, zodat er aan de buiten kant niets was te zien. De volgende morgen werd het bed teruggehaald en konden de stakkertjes uit stappen. Van Houten, handelde in van alles wat los en vast zat, en had de gewoonte overal uitvoerig te vertellen over zijn levens omstandigheden. Om zijn operatie gebied wat dichter binnen de grenzen van zijn bedoeling te brengen.
Dit lukte hem aardig, want hij was in staat de dood zelf dood te praten. Ook vertelde hij steevast zijn eerdere ervaringen in Lemmer; opgeschoten jongens hadden op een donkere avond zijn woonwagen met alle hebben en houden als een appelboom heen en weer geschud, zodat deze bijna zou zijn gekanteld. Dit laatste was overdreven maar paste prachtig in de trant van zijn verhaal, ook ten behoeve van zijn handel. Zijn geschreeuw die avond met hoge doorslaande stem, tot ver in de omtrek te horen, stond in geen enkele verhouding tot de werkelijkheid. Niettemin was het stof waarover in Lemmer lang en breed is gesproken, aangenomen als een welkom verzetje. Ook van deze typen hebben we later niets meer gehoord. Waarschijnlijk heeft hij het dorp te gevaarlijk gevonden. Zo ja dan was dat ten onrechte, want waneer iemand het toen inderdaad te bont maakte, dan kon hij er op rekenen onder handen te worden genomen, met zo nodig een pak op zijn huid. Mede hierdoor kon haast altijd het evenwicht worden bewaard, zonder tussenkomst van de politierechter, door een soort eigenrichting dus.
In ieder geval ging het het niet zoals ik onlangs in de krant heb gelezen, omtrent een stel "Bokkerijders" uit Lemmer, waarvan minstens één, doordrenkt met enorme hoeveel heden bier, zinloos eigendommen van anderen vernielden en zich zelfs overgaf aan soortgelijke zacht uit gedrukt vorm van geweld in niet bedwelmde toestand. Op de tribune van het gerechtsgebouw bevonden zich een paar aanhangers van de leider die ergens herinnerden aan de onlangs in Amsterdam gehouden Grand Gala van de matheid. Hier waren eveneens vreemde vogels die een show van de zotheid op voerde. Als genoemde leider zijn arendsblik over de tribune liet dwalen, werd hij aangemoedigd door hem vererende aanhangers niet beseffende dat de politierechter inzag op onnozelheid alleen maar met een zekere mildheid te kunnen reageren.
Iets heel anders betreft een koopman uit Sneek, die eens per jaar met een grote handkar ons dorp aandeed. De wagen was gevuld met krakkemikkige vlaggetjes en andere prullaria. Hij was verzot op vodden en afgedankte dingen (vroeger werd niet gauw wat afgedankt), die je bij hem kon inruilen tegen de in de handkar bevindende prularia uit zijn handkar. Hij werd door kinderen bestormd, die naar huis waren gerend om oude rommel op te halen. Een bepaald dingetje voor zoveel vodden, en een ander ding voor bijvoorbeeld een kopje of veel beter een oude trekpot.
Zijn vaste kreet, op die mannier zoals alleen sommige kooplui het kunnen doen, klonk de hele dag door Lemmer: "Voddee, voddee, nikkele theepottee". Het is een raadsel hoe de goede man, met zijn bleke ascetengelaat en immer gekleed in een lage zwarte jas, door een dergelijke handel zelfs een korst brood kon verdienen. Maar in die tijd kon héél wat. Het leek wel iets op de Chinezen van voor de oorlog die je in de steden, weer of geen weer, met bakjes voor de borst, kon aantreffen vergezeld met hun klagelijk geroep 'pinda, pinda, lekka pinda'....Ja heel andere tijden en typische dingen en gewoonten, maar niet om ze direct terug te verlangen, daar gelaten het feit dat niets ooit op dezelfde wijze terug keert.