Herinneringen van Jan Wouda e.a.
DAAN ATSMA.
Nu ga ik even praten met Daan Atsma, Amstel 258 in Amsterdam. Je ouders Daan, Klaas en Tiete, heb ik heel goed gekend. Mijn vrouw kwam vroeger wel bij je moeder als naaister, je broer David, die bij de waterpolitie was in Amsterdam, kwam af en toe bij mij op het kantoor als we moeilijkheden hadden met ligplaatsen voor arken, want dat was zijn afdeling. Je dacht Daan, dat er vroeger bij Wouda wel karbonade op tafel zou zijn geweest. Dat gebeurde wel eens op zondag en feestdagen en armoede hebben we nooit gehad. Maar mijn vader was dan ook een broodvechter en als zelfstandig visser een zeer goed vakman.
Als het in de winter te koud was om de botbeug te azen, dan gebeurde dat in de huiskamer. De garnalen werden 's morgens om half vijf in de botter gekookt en 's avonds tevoren het zand, hoekwant en aasbakken al naar huis gebracht. 's Morgens om vijf uur waren ze dan al met vijf man aan het aanazen bij petroleumlampen en na 1907 bij gas. Daar waren dan oom Teade, oom Pieter bij en meest Gerben Bootsma, waar een straat in Lemmer naar vernoemd is en een buurjongen Harm van Zwol. Dat duurde tot twaalf uur toe, want na het eten moesten ze naar zee om de beug uit te zetten. Ik aasde dan ook al dapper mee en moeder moest zich maar zien te redden met een klein broertje en zich in de bedstee aankleden, je kunt wel nagaan hoe dat behelpen was. Mocht daar dan eens een karbonaadje op tafel komen?.
Ook vroeg Atsma of er wellicht een oudere Lemster was die eens iets kon schrijven over het baanbrekende werk dat de geheelonthoudersbeweging en de socialisten hebben gedaan omdat gene te verwezenlijken van wat we nu hebben.
Maar er is niemand geweest die de moeite heeft genomen om daar eens over te schrijven. In één van mijn stukken van bijvoorbeeld "Burgermeester Callenbach opende in 1916 de visafslag", waar ik ook vroeg om reacties omtrent de misstanden van toen, heeft ook geen mens gereageerd. Er zijn toch wel Lemsters en zeker ook oud Lemsters die dat beter zouden kunnen doen dan Jan Wouda, die alleen maar de lagere school heeft bezocht. Fedde Schurer is ons helaas ontvallen, maar er is er nog een Age Scheffer, wiens specialiteit dat moet zijn, en een professor Pen, wiens grootvader een grote rol heeft gespeeld in die tijd.
Waarom we het wel aan te danken hebben dat we het nu zoveel beter hebben dan onze voorouders Daan Atsma, is geen gemakkelijke vraag. Misschien hebben mensen als de grootvader van Mej. Romkema, die uit eigen zak bonnen voor levensmiddelen gaf aan behoeftige mensen, daar onbewust aan meegewerkt. Die gaf tenminste blijk wat zijn christenplicht was en zo andere mensen aan het denken bracht. Maar het was natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat.
Toen kwam in 1903 de spoorwegstaking, de ellende stond de mensen toen wel aan de lippen, want dat waren toen toch de mensen met een vaste baan, de staking werd toen om zeep geholpen en vele mensen werden op straat gesmeten, en toen kwamen de bekende worgwetten, want ze waren wel geschrokken in Den Haag. In Lemmer werd ook gestaakt op de tram, er woonden twee machinisten in Lemmer, ene Kramer die niet meedeed en een zekere Lienos, die woonde toen achter de timmerwinkel van Nijholt. Ik speelde vaak met zijn zoontje van mijn leeftijd. Dat was Klaas en ik kwam er vaak in huis. Maar ik kreeg de waarschuwing van mijn moeder dat het gevaarlijke mensen waren, maar 't waren fijne mensen.
Vroeger maakte een timmerman één deur per dag en een arbeidershuisje had één deur. Nu maakt één man 16 deuren per dag bij Bruynzeel en een arbeidershuis heeft 16 deuren. Alleen uit dit gezegde blijkt wel dat de industrialisatie zeker een groot aandeel heeft gehad in de vooruitgang. Ook hebben de vakbonden er voor gezorgd dat de werkman nu zijn deel krijgt van de te verdelen koek. Alleen is het bedroevend dat maar 38% de werkmensen georganiseerd zijn, en de rest klaplopers, die de 38% de kastanjes uit het vuur laten halen, maar graag de voordelen opstrijken. En vaak nog de meeste praatjes hebben ook, en o zo goed weten hoe het wel moet. Ik wil geen mens beledigen, maar wie de schoen past trekke hem aan.
DE GEHEIMZINNIGE BEZOEKER EN DE ÂLDE TSJOENSTER.
Omstreeks 1924.
Er is meer tussen hemel en aarde, deze aanloop heeft maar weinig te maken met Lemmer en zijn bewoners in het begin van de twintiger jaren waaronder ik al eerder in een artikel hem noemde. Ik bedoel de koopman in lompen en oude metalen, die zijn vrouw en zuster in de Benedenschans woonden. Onder zijn ruige baard, waar het weer haast in zat en in zijn melancholieke ogen, school een zekere slimheid, die hij ook handig gebruikte ten behoeve van zijn handel jegens boeren uit de wijde omgeving van Lemmer. Deze probeerden hem soms met listen en mooie praatjes, oude producten in de maag te splitsen, dan de habbekrats die ze waard waren. Onze koopman zou er dan geen luizige cent aan overhouden na al zijn gezwoeg achter zijn zware handkar. Overigens stond reeds bij zijn geboorte vast, dat hij materieel gezien een dikke niet had getrokken.
In die tijd gebeurde het dat rooien Siemen, 'over hem gaat het' op een mistige herfstdag slechts even na het ochtendgloren, zijn kar uit het berghok pakhuisje trok en zijn schoenen haast zo groot als botters, voorwaarts bewoog in de richting van de Otterweg, een trekhond kon hij er niet op na houden. Want volgens hem vrat deze meer, dan dat hij met zijn hele handel en wandel voor zichzelf, zijn vrouw en zijn zuster bij elkaar kon scharrellen. Zijn vrouw en zuster kwamen weinig op straat en hebben waarschijnlijk nimmer het andere eind van Lemmer gezien. Jonge kinderen waren eigenlijk maar bang voor hen.
Veel waren ze in hun krakkemikkig huisje niet nodig, waar het stijf stond van het vuil en stank. Wiesje Knol, de blonde en charmante dochter van de bekende bakker Klaas Knol uit de Schans, bracht er geregeld brood voor een schappelijk prijsje. Zij werd dan met veel egards door de dames bejegend, maar Wies zorgde er wel voor niet te ver over de drempel te komen, om een zekere staat van bewusteloosheid te vermijden vanwegen de odeur van half bedorven lucht, de bewoners zelf waren er kennelijk immuun, voor want ze gedijden er zelf goed. Hiernaar beoordeeld lijkt het een open vraag of alle soorten vervuiling wel zo funest zijn als men ons soms doet geloven.
Siemen was onderwijl sloffend de immer gonzende Houtmolen en de smederij van van der Wolf gepasseerd en vervolgde zijn zware gang via Pasveer (hek dicht hek open) langs de beneden kant van de zeedijk. Deze bood een welkome beschutting tegen de straffe zuidwester. Voorbij de boerderij van de toen aldaar zo bekende familie Akkerman, schreed hij waardig over het bruggetje landinwaarts. Zijn metgezel was de jagende wind die de stilte van de aarde raakte. Nu en dan pijlsnel uit een oude sloot opvliegende wilde eenden kregen de doodschrik van Siemen zijn afhangende zwarte hoed en enorme jas welke hem bijkans op de tenen hing. Maar warm dat wel!.
Zelf merkte hij niets van de agitatie van de vogels noch van de donkere luchten boven hem. Zijn gedachten waren bij een mogelijk goed handeltje en dat was het meest belangrijke. De contouren van het boerderijtje, waar hij dacht te moeten zijn een paar honderd meter verderop, bevond zich half verscholen in de mist. Een hem onbekende bezoeker met lange baard en ondoorgrondelijk uiterlijk, had hem een paar weken geleden uitgenodigd om eens langs te komen voor een mooi partijtje oud koper en zink, aantrekkelijke dingen in de wereld van Siemen. Hij had de man met zijn immer tranende ogen goochem aangekeken en veinsde weinig belangstelling, als één van zijn trucjes om bij voorbaat de verlangde prijs te drukken.
Met dit soort dingen had hij zich door jarenlange training een grote behendigheid verworven, men wist nooit wat men aan hem had. Dit zijn aangeboren eigenschappen welke op geen andere school, dan die van het dagelijkse koopmansleven in oude metalen en lompen kunnen worden geleerd, een soort spontane toegepaste psychologie.....Het boerenspultsje bleek een in tamelijk goede staat verkerende bouwval te zijn. Bescheiden van omvang met een woongedeelte met erachter een wrak schuurtje. Buiten liepen een paar mistroostige kijkende geiten die betere dagen hadden gekend.
Siemen kon er niets aan doen, maar alles maakte op hem een sombere, vreemde en tegelijk geheimzinnige indruk. Hij voelde zich opeens niet meer zo prettig. Het bordje "Tink om e houn" was een misplaatste grap, want nergens zag hij iets wat zelfs bij benadering een blaffend geluid zou kunnen produceren. Het stelde hem wat gerust, ervaringen met honden op boerenerven waren niet zijn beste. Maar goed!
Zich over zijn schroom heen zettende klopte hij op de achterdeur. Na een poosje en nog wat gerammel van zijn kant, hoorde hij langzame voetstappen naderbij komen. Deze bleken bij een oude vrouw te behoren die hem vriendelijk verzocht binnen te komen, na hem eerst scherp te hebben opgenomen. Ondanks haar vriendelijkheid bekroop Siemen weer dat nare onbekende gevoel, wat hem achter het huis ook overviel. Hij legde haar uit wat hij kwam doen en bleek in de keuken te zijn waar twee katten hem met felle ogen aan keken. Een ander verdween blazend onder tafel. Het was of ze door een onzichtbare hand werden opgejaagd. Terwijl de vrouw hem niet begrijpend aan keek, viel het hem op dat ze diep weggezonken ogen had, iemand die als het ware door je heen keek.
Na verdere uitleg deelde ze hem mede dat haar man niets gezegd had en de gehele dag afwezig was. Wel waren er veel dingen die opgeruimd moesten worden, daar ze gingen verhuizen. Siemen moest maar met 17 dagen terug komen precies op die dag en niet later, zo tegen een uur of 5 in de middag. Hij vertrok enigszins teleurgesteld en was anderzijds opgelucht toen hij de vreemde sfeer binnenshuis achter zich kon laten.
Op de afgesproken dag en op het overeen gekomen uur het werd reeds donker was hij ter hoogte van het boerderijtje, althans waar het had moeten zijn.
Tot zijn stomme verbazing was er niets te zien dan een kale plek en wat oude rommel. Later bleek na wat informatie dat er in deze omgeving wel een klein koemelkers bedrijfje had gestaan, maar dat was lang heel lang geleden. Het was verwoest door hemelvuur. Siemen voelde zich kompleet aangeslagen en kwam ver na donker Lemmer weer binnen. De mensen die hij het verhaal vertelde, wezen naar hun voorhoofd en zeiden dat je goed kon merken dat Siemen hard achteruit ging. Hij had vast en zeker een tsjoenster gezien.
Of niet? persoonlijk weet ik niet wat waar of niet waar is, daar men mij als jongen het verhaal vertelde. Wel herinner ik mij, dat Siemen een hoogst merkwaardig figuur was om wie een geheimzinnige waas hing. Wie zal het precies zeggen, want tussen hemel en aarde.
TANTE TRIEN.
In de directe omgeving van Siemen, woonde later de bekende timmerman Willem Blaauw met zijn vrouw Trijntje Jongsma en kinderen, Zij is een paar jaar geleden op hoge leeftijd helaas op tragische wijze om het leven gekomen. Heel veel oudere Lemsters hebben haar gekend. Over tante Trien zoals ze vaak werd genoemd, wil ik het even hebben. Zij was een bijzonder hartelijk en zeer toegewijde vrouw. Mevr. Jaalsma Fleer, herinnerde mij onlangs opnieuw aan haar. Zij was vroeger de buurvrouw van tante Trien en wordt door haar genoemd als een zorgzame moeder. In de oorlog moest de familie Jaalsma, haar huis in de Benedenschans op last van de bezetters verlaten. Het is duidelijk dat zoiets een diepe inbreuk maakte in de persoonlijke sfeer. Maar daar werd in de onzalige jaren niet naar gevraagd.
Waar moest de familie met hun hele hebben en houden heen? Ze kregen bovendien te horen dat ze niet alles mochten meenemen. Tante Trien kwam onmiddellijk in actie. Haar eerste woorden waren dat er "net ien stikken kopke en pantsje" achter zou blijven. Geen enkele kans, alles ging mee, hoe dan ook. Getracht werd een plaatsje te vinden in het gebouw "Us thûs" hier was ruimte genoeg. De familie kon het echter wel vergeten, want er werd geen medewerking verleend. Tante Trien, in het geheel niet ontmoedigd, stelde meteen haar keuken beschikbaar in hun toch al kleine woning. In no-time was alles opgeborgen. Deur van de keuken op slot. In de Schans zou niemand weten waar alles gebleven was. Indien er mocht worden geïnformeerd van Duitse zijde of meelopers. Waarschijnlijk zouden ze ook nog hebben gezegd nimmer van een familie Jaalsma, te hebben gehoord.
Later ging de boedel naar 'De Houtmolen' door welwillende medewerking van de zo bekende directeur Corée, die daar zo lang woonde met zijn vrouw en hartelijke dochters. Later woonde hij in Leeuwarden waar ik hem nog vaak ontmoete, als hij met zijn lange zwierige passen zijn dagelijkse wandeling maakte. Bovenstaande hulpverlening was tante Trien ten voeten uit, bereid een ieder te helpen. Ja mevrouw Jaalsma, de beste dingen gebeuren ook hier in de stilte door zogenaamde gewone mensen zonder misleidende glans van uiterlijk vertoon en zelfgenoegzaamheid.
DE LEMMER IN 1914
Wat me van de Lemmer altijd is bijgebleven zijn de optochten, als het twaalf uur was geweest en de arbeiders van 'De Houtmolen' en de Helling in gestrekte looppas naar huis gingen om te eten. Dan was het een geklos van de klompen...de mensen van de Helling in het roestbruin Engels leer, waarvan vroeger de werkkleding was gemaakt. Lange Herre liep altijd voorop en kon het harst lopen. Hij moest dan ook van het Waaigat heen en terug. Er werkte in die goeie tijd 40 a 50 man. Er stond altijd een rijnaak op stapel, één die werd afgebouwd en één in het hellinggat die werd afgewerkt. Dan de aken en de boeiers en grote aken voor de Zeeuwse mosselvissers.
Er is nog een mooie schoener gebouwd en een stalen logger voor IJmuiden, die de beste zeiler van de loggervloot was. Ik weet nog dat de sleepboot van Koningsveld, die aan de Visserburen woonde, hem naar IJmuiden sleepte, en onderweg op zee iemand van de logger naar de boot wilde palmen langs de sleepdraad en deze man in zee terecht kwam.
Als je vroeger van school afkwam voelde je wel dat je nog lang niet genoeg had geleerd. We hadden vroeger de gelegenheid niet zoals de jonge mensen van nu, die vaak de mogelijkheden die hun worden geboden, niet eens gebruiken. Ik wilde in de winter graag naar de herhalingschool die je toen had in de avond, het lukte me ook wel eens een poosje, maar in de netten zaten altijd gaten die moesten worden geboet.
Toen kwam er in 1913 een zogenaamde schippersschool waar 's avonds les werd gegeven. Meester de Vries was directeur, verder gaven les onderwijzer Oosten, en iemand van de christelijke school, een zeilmaker voor zeilen naaien knopen enz, en een soort eerste hulp bij ongelukken en dat werd gegeven door dokter Tas. Meester de Vries kon niet zo goed met de jongens omgaan. En het eerste wat hij zei was, "dan ga je er maar uit hoor"!. Dat gezegde had hij al gauw als bijnaam.
Meester Oosten was een strenge, en de meester van de christelijke school was een man met een beetje hoge rug, en die kon juist goed met de jongens op schieten. Die maakte een grapje mee, en als de zaak was uitgelachen, kreeg hij ze allemaal rustig aan het werk. Op een keer lagen ze allemaal met directeur de Vries overhoop, en ging het in optocht naar Jan de Vries, dat was een herenboer, die woonde aan het begin van de Straatweg. Hij was de voorzitter van de school, wel eigenaardig een boer voorzitter van een schippersschool. Maar er werd een deputatie door Jan de Vries ontvangen die de tekortkomingen van meester de Vries uit de doeken deed, wat niets uit haalde alles bleef bij het oude.
Op een avond had een knaap een schuttingwoord op het bord geschreven. Meester de Vries kwaad, hij wou geen les meer geven zolang iemand zich niet had gemeld als de dader. Niemand had het natuurlijk gedaan. Dokter Tas kwam voor de ongevallencursus, en meester de Vries zei, "vind U het niet verschrikkelijk dokter ?" waarop dokter zei, "Het is toch maar een gewoon woord meester?".
Het zal zowat in 1912 zijn geweest dat velen in Lemmer in een soort paniek waren. De komeet Halley, zou tegen de aarde botsen en de wereld zou vergaan. Wat waren er velen mensen bang, velen die radeloos waren en volgens de kranten hebben toen verscheidende mensen zelfmoord gepleegd. Maar dat liep ook goed af, wat niet goed afliep was de dreiging van de oorlog in 1914. Het werd (voor ons) wel geen oorlog, maar mobilisatie. Het was begin augustus, de kermis was al opgebouwd langs de Korte en Langestreek, en ik hoorde twee exploitanten tegen elkaar zeggen dat ze met wat kinderen als klanten zouden blijven zitten.
De mensen zagen het donker in, een paar dagen later moesten ze afbreken, want niemand had nog lust in kermisvieren. Er was al bekend gemaakt wie allemaal opgeroepen waren om dienst te nemen in het leger. Wij met een ploegje jongens gingen naar het eindje van de Dam om de vissers die binnenkwamen en op moesten komen het nieuws te vertellen. Alles stond op zijn kop, zoals u wel kunt nagaan. Er was immers al in geen honderd jaar meer oorlog geweest?
Mannen die al een groot gezin hadden waren er bij. Van overal waar Nederlanders woonden in het buitenland, moesten deze naar huis komen. Ook verschillende gezinnen die in Duitsland woonden en werkten moesten hals over kop met hun hele hebben en houwen naar Lemmer, waaronder het gezin Brandsma, Jan van Hansje en zwarte Fekke met gezin. Uit Amerika ook een stuk of drie. Dat was Gerardus Wierdsma, die later in Lemmer politieagent zou worden. Dan had je een Koopmans, zijn vader was meen ik brugwachter, en nog zo'n zware man die in het Waaigat woonde en sergeant was. Koopmans, dat was een nummer, zijn bijnaam was Billy Ritchie, dat was toen een Amerikaanse komiek.
De school werd ontruimd, dat werd een kazerne en er kwamen ook soldaten van buiten de Lemmer. En de meiden dol, zoals dat dan gaat. Billy. R. wou zich doof houden. De rekruten stonden 's morgens voor school en moesten naar de straatweg marcheren. Dat was voorwaarts mars! En daar gingen de landverdedigers. Ze waren zoals verteld werd, bij Follega waar halt werd geroepen, Maar Billy. R. alias Eskebibel liep door, hij was immers doof! Maar na een tijdje ging alles zijn gewone gang, zo goed en zo kwaad als het ging.
De visserlui begonnen weer te vissen en de soldaten kregen af en toe visserij verlof, want de vis kon best worden gebruikt, vooral later want alles kwam al gauw op de bon en de vis is best voedsel. Het is gek maar de hele oorlog is er weinig haring te vangen geweest. Voorheen in de natijd als de haringen weer scholen gingen vormen om weer naar de Noordzee te vertrekken, kon je net zoveel haring vangen als je maar wou, maar omdat het te warm werd, waren ze niks meer waard.
ANSJOOP
Maar ansjoop was er toen genoeg alle jaren, maar wat erg vreemd was de ansjoop mocht niet worden uitgevoerd, die moest in Holland blijven als volksvoedsel, terwijl haring daar zich veel beter voor leende. Maar de ansjoop was al die jaren klein van stuk, dat was voor de oude netten goed vangen want door het vele tanen werden de mazen iets kleiner. Maar het zogenaamde pluizen van de vis was arbeidsintensief. De prijs was door de overheid vastgesteld op 20 cent per pond, als ze de vis hadden mogen uitvoeren was de prijs wel f 1,- gulden per pond geweest.
Van elk visje moest de kop worden afgeknepen en daar werden de vingers dun van, het vel wel te verstaan. Dat dunne rubber spul van tegenwoordig om de vinger te beschermen was er toen nog niet, het was voor velen een pijnlijke geschiedenis. Alle dagen werkten er losse krachten mee, die hielpen om de vis uit de netten te krijgen, want ze moesten 's avonds weer in zee uitstaan. De hele Lemmer stonk naar vis, langs de haven, op de wal, en langs de streek aan beide kanten, overal waren ze aan het ansjovis pluizen. 's Avonds kwam de brandweer om de boel wat schoon te spuiten.
Als de netten 's avonds in zee werden uitgezet werden de plaatsen uitgezocht waar de ansjoop het minst uit het water sprong, om maar minder te vangen. We hebben de netten een keer opgehaald met 4700 pond ansjoop erin, en af en toe moesten de armen er onder anders scheurde de netten onder het gewicht. In de zouterijen waar de ansjoop moest worden verwerkt was het razend druk. Eerst moesten ze gekopt worden voor zover ze er nog op zaten, en werden de ingewanden er ook mee uitgetrokken. Dan moesten ze geraapt worden, de visjes lagen dan op een brede plank, bij Poppe de Rook, zat dan meestal Jacob de Rook, als inzouter voor het vat of anker.
De vrouwen legden de visjes allemaal met de kop naar één kant in de hand, en als die vol was dan werd die met een handig omkeren in de hand van de zouter gelegd. Was het anker vol dan kwam er een rond houten blok op en werden de visjes met een hefboom in elkaar geperst, weer bijgevuld, en dan ging de duig of deksel erop. En onderwijl werden uit volle borsten de smartlappen gezongen. Dat ging ook zo in de haringtijd, de haring aan de speten geregen om gerookt te worden en in de spiering tijd dito.
Tientallen meisjes en vrouwen werkten dan in de rokerijen om er wat bij te verdienen, voor de vele mondjes die toen gevoed moesten worden, van al die vrouwen wil ik er één naar voren halen om ze de eer te geven, die ze toen niet kregen. En die éne is Kaatje Spiekholt van Wiebe Feenstra, een vrouw die een groot gezin had, en trachtte er fatsoenlijke mensen van te maken wat haar voor 100% is gelukt.
Ze was ondanks haar grote zorgen altijd vrolijk en zong het hoogste lied. Als je om 12 uur naar huis liep, hoorde je haar boven alles uit zingen van: "En al zijn we kolonialen, daarom zijn wij zo slecht nog niet". Ook had zij een zekere trots. Dat kwam tot uiting toen een van de kinderen om een briefje vroeg voor school, 'dan konden de arme kinderen na schooltijd twee sneeën roggebrood krijgen met dikke reuzel er op'. Maar Kaatje zei "kind als je dat doet, dan krijg je voor je hele leven een stempel op gedrukt". Als er dan ook een standbeeld in Lemmer moet worden opgericht dan komt Kaatje die hulde toe, dan heeft Lemmer meteen een verbinding met de vroegere visserij, wat toch in wezen een glorie tijd was voor Lemmer.
Dat Kaatje ook gelijk had dat je een stempel op je kreeg, weet ik nog wel dat als de armste drommels 's winters naar de bedeling moesten, dan werd in de waag onder het gemeentehuis groene erwten en bruine bonen met roggebrood en een bon voor 25 turven uitgereikt, als dan de stumpers onder de hoek langs kwamen werden ze vaak door de plaatsgenoten nog bespot en beschimpt.
Op de voorgrond zien we de broers Pieter en Johannes Coehoorn, met daarachter Tiesse de Rook. Naast hen bevinden zich Willem Platte en Pieter Feenstra. De twee dames op de foto zijn Renske Rottine-Spiekholt en haar zuster Kaatje Spiekholt. De man met de hoed is de leidinggevende, Poppe de Rook. Achter de kar staat Jan Rottiné, vergezeld door Jurjen de Rook, die zijn dochter Mientje op de arm draagt. Bij het raam, achter hen, staat Klaas de Rook, mogelijk naast Lourens de Rook of Marten Feenstra. De man uiterst links is Toon Woudhuizen. De twee vrouwen op de foto zijn Renske Spiekholt-Rottine en haar zuster Kaatje Spiekholt. Echter, Renske en Kaatje zijn geen directe zussen, maar schoonzussen. Het is aannemelijk dat de correcte naam Renske Visser-Feenstra zou moeten zijn. Kaatje was namelijk gehuwd met Wiebe Feenstra.
We gaan weer naar de mobilisatie. Bot was in die tijd veel te vangen. Dat kwam waarschijnlijk doordat er op de Noordzee weinig werd gevist, vanwege het mijnengevaar. Er zijn toen veel trawlers vergaan doordat ze op mijnen liepen. Er is meen ik nog een Lemster, ene Scheffer bij omgekomen. We hadden soms 1000 ton bot van een schot van de hoekwant gehaald, terwijl 300 pond ook al een dikke vangst was. Eén keer hebben we het hoekwant gehaald, maar een klein beugje van 40 spleet waar 1600 pond bot aanzat. Aan elke 225 haken zat 40 pond bot allemaal van die grote knapen van 4 ons of een pond.
Het was meen ik 12 januari 1916, dat er een zware storm uit het westen op stak. Het water werd zo hoog opgestuwd dat de kade langs de vluchthaven diep onder water kwam te staan, het water stond nog tot de 5e stelling paal toen in het gras. Zo hoog was het nog nooit geweest, de Dam aan de overkant stond er ook onder, alleen de bolders waren nog te zien. Vader en ik gingen 's morgens vroeg met een kruiwagen naar zeilmaker de Vries, om een nieuwe kabel te halen.
We moesten vlak onder de huizen door want de dakpannen keilden door de lucht. Als het erg stormde dan werd er met collega's een flet of bootje naar de Dam of overkant geroeid, en dan werd een kabel vastgemaakt aan de grote bolders die daar in de Dam verankerd zaten. De kabel werd dan stijf getrokken en aan de bolders van de buitenste aak vast gemaakt want we lagen meestal met vier schepen naast elkaar. Maar er waren al verschillende aken en botters losgeslagen, die allemaal met geweld achter in de haven werden gedreven en voor de spuisluis tegen elkaar lagen te botsen.
De wind was later zeker gekrompen anders hadden ze daar niet kunnen komen. De grote schepen van ijzer konden wel wat hebben, maar de kleintjes er tussenin kwamen in de vernieling. Sake Visser, zijn schouw zat ook onder water, en ik zie ze nog hozen met planken op de bun toen ze de schouw er weg kregen. En Wiebe Urk, met zijn houten aak de LE 34. Bleef droog op de kade staan toen het water zakte. Overal was veel schade en wat erger was de zeedijken waren op veel plaatsen doorgebroken. In de omgeving van Monnikendam op verschillende plaatsen, daar om 'Broek in Waterland' heen heb je erg lage polders, daar zijn honderden koeien en schapen verdronken. Er stond wel 4 meter water in de polder en die nacht nog veel meer, alles was verwoest. Ook Marken zat helemaal onder water.
Er kwam later bij de Kuindersedam zoveel hout aangedreven, soms hele huizen met nog gedeeltelijk dakpannen er nog op. De huizen van Marken waren meestal van hout gebouwd. Ook werd verteld dat er zelfs doodkisten van het kerkhof waren afgedreven en aangespoeld, maar ik heb het zelf niet gezien. Alle Lemsters waren toen jutters geworden, gelukkig niet voor lang.
1908.
Toen kwam er naar ik meen in 1908 een grote verandering aan de Korte en Langestreek, over het Dok was toen een houten brug genaamd "De lange brêge" Die was helemaal gebouwd op houten palen met in het midden een of twee klappen, welke met een takel werden opgetrokken. De brug lag aan de kant van de Kortestreek bij de schoenwinkel van Boterkoper, waar later Jan van der Horst zijn kapperszaak had. Ook stond toen aan het water naar de brug een huis, waar Boterkoper zijn schoenmakerij in had. Of de oude brug niet meer kon worden gebruikt voor de nieuwe klaar was weet ik niet, maar wel dat er een pont door het Dok heen en weer werd getrokken voor het publiek en waarvan de school jeugd dankbaar gebruik van maakte.
Waar de nieuwe brug is gekomen weten de Lemsters wel, want jullie moeten er nu vaak voor wachten. Maar toen ging de vaart nog voor 95% door de Rien en Vissersburen. Waar nu de muziektent staat was toen de scheepshelling van Nijdam en die woonde in het huis waar later Andries Vleer woonde. De helling moest verdwijnen en Nijdam nam het stoombootje over van Tieleman, die naar ik meen in beurtdienst voer op Bolsward en later door de Gebr Coehoorn werd voortgezet. Later had Nijdam nog weer een helling in Sloten.
Dat Lemmer toen een heel ander aanzien kreeg, hoef ik U niet te vertellen. Het was net of Lemmer groter was geworden en het streekje omwandelen duurde nu ook langer en dat werd veelvuldig gedaan want Lemsters hielden veel van wandelen.
"De lange brêge", met de schoenmakerij van Boterkoper.
Reactie plaatsen
Reacties