Herinneringen van Teade Wouda e.a 2
"De ôfslach is hjir symboalysk foar de striid fan de fiskerij"
Lemmer houd op vissersplaats te zijn.
Als vissersplaats heeft Lemmer vrijwel geen betekenis meer. Nog slechts enkele vissers brengen hier de vangst uit het IJsselmeer aan de wal en alleen voor hen bestaat nog steeds de gemeentelijke visafslag. Steven Visser, de nu 80 jarige "Directeur" van de afslag, slaat de aangevoerde vis nog dagelijks af. Gevoelsmatig is de afslag in Lemmer nog van veel waarde. Immers, Lemmer houd officieel op vissersplaats te zijn, als besloten wordt tot opheffing van de visafslag. Een stuk historie zal dan worden afgesloten.
Een sluiting van de visafslag van Lemmer zal velen aan het hart gaan. Er ligt immers een roemrijk stuk geschiedenis in de herinnering van de oude vissers, die vroeger de Zuiderzee bevisten. Alom bekend zijn de Lemster bokking's die voor deze havenplaats een bekend handelsartikel waren. Een halve eeuw lang draaide in Lemmer alles om de visserij. De plaats had een vloot die in 1930 was uitgegroeid tot over de honderd aken, botters, schouwen of anderen boten. Honderden personen vonden een bestaan op het water of in de hangen, 'De Baan' 'De Hellingen' of 'De Zeilmakerijen'.
De penetrante geuren die afkomstig waren van de visrokerijen, de netten, taanderijen kenmerkte op treffende wijze de bedrijvigheid van de toenmalige plaats Lemmer. En de frase, "Wee binne Lemster jonges, wee leve fan de sé, en al hwat wee tsjinje forpierewaaie wee. Wee witte fan gjin sparjen, wee lizze noait hwat wei,wee leve as God yn Frankryk fan de iene yn de oare dei" uit het officieuze Lemster volkslied, zegt veel over de mentaliteit van de Lemster vissersbevolking.
De bloei als vissersplaats had overigens niet direct een positieve weerslag op de welstand van de bevolking. Velen waren afhankelijk van de besommingen uit de visserij en anderen vonden slechts een armoedig bestaan bij de hangbazen. Het waren met name deze paling en haring rokers die met de handel in vis goede verdiensten binnenhaalden. Heel anders was het met de vissers en de arbeiders.
Sprak men in het jaar 1808 van een vergelijking van de visserij, met het zoeken naar eieren in het lage hooi en rietland, welk een zoeken tot zeer weinig voordeel strekt, en beschreef men de visserij als een zeer schrale kostwinning voor veel vissers, het was rond 1900 niet anders. Als creditgevers bepaalden veel hangbazen de financiën van de vissers. Niet alleen vroegen de visrokers rente en aflossing, ook werd een afspraak gemaakt, dat men de vangst moest leveren.
Het ontbreken van de visafslag in Lemmer wreekte zich al gauw. De visrokers, die overigens al vanaf het begin van de negentiende eeuw in Lemmer bloeiende bedrijven hadden, maakte vanaf 1850 afspraken met de vissers om de vangsten rechtstreeks te leveren. Het kwam de prijsstijging niet ten goede, want van openlijke concurrentie was geen sprake, de roep om een gemeentelijke visafslag werd dan ook steeds luider.
Van verschillende kanten werd na de eeuwwisseling herhaalde malen aangedrongen op de instelling van een visafslag, uiteindelijk kwam deze er in 1916. Nadat de Zuiderzee-vissersbond andermaal een dringend verzoek had gedaan, besloot de gemeenteraad tot oprichting. In een voorstel zijn burgermeester en wethouders kort en krachtig: deze visafslag wordt verlangd om de vissers in gelegenheid te stellen bij publieke verkoop zeer waarschijnlijk een hogere prijs voor hun vis te bedingen. Voorts verwacht men, dat na de oprichting van een visafslag zich meerdere visrokers, zouters en handelaren zich te Lemmer zullen vestigen en vissers uit andere plaatsen hun vis aan de afslag te verkoop zullen aanbieden wat de ingezetene dezer gemeente ten goede zal komen.
Eerder had de vissersvereniging te Lemmer in 1908 aangedrongen op een vestiging van een visafslag. In een brief aan de raad wijst men ook op de misstanden die toen der tijd golden onder de vissersbevolking van Lemmer. Men geeft te kennen dat de vishandel in Lemmer in een eigenaardige toestand verkeerd. Doordat de aangevoerde vis steeds aan dezelfde vishandelaren geleverd wordt, die de prijs naar eigen goed vinden kunnen regelen.
Niet alleen wezen de Lemster vissers op het eigen belang. Men verwachte weliswaar dat ook vishandelaren van Urk of uit Enkhuizen of andere plaatsen naar Lemmer zouden komen om voor de nodige concurrentie te zorgen. Maar men wees er ook op dat vreemde vissers die thans Lemmer vermijden, niet zouden aarzelen ook hier hun vis ter afslag zouden aanbieden, de Lemster vissers hadden reden omdat te denken. Toen in 1916 tot de instelling van de visafslag werd besloten, lagen bij de gemeenteraad sympathiebetuigingen van de visserijverenigingen te Spakenburg, Elburg, Medemblik, Vollenhove, Huizen, Laaxem, Enkhuizen, Hoorn, en Kolhorn, alsmede van verschillende vishandelaren uit de vissers plaatsen rond de Zuiderzee.
Tot grote ontevredenheid van de Lemster vissers had het toch nog een groot aantal jaren geduurd, voordat in 1916 tot de oprichting van de afslag in Lemmer was besloten. Vele jaren lang was de visafslag in Lemmer onderwerp van gesprek op de algemene vergadering van de visserijbond te Amsterdam, maar het kwam niet tot een uit te dragen zaak. Maar liefst ander half jaar lang liet de Hoofdinspecteur van Lemsterland, wachten op een advies over de wens van de Zuiderzeevissers. Toen hakte de raad van Lemsterland de knoop door. De burgermeester was verwonderd over de trage gang van zaken. Het gevraagde advies is er nooit gekomen.
Ondanks de komst van de gemeentelijke visafslag bleef aanvankelijk nog de schrille tegenstelling tussen de rijke hangbaas en de arme visserman. De conclusie uit een verslag van de staat der zeevisserijen in 1912 is duidelijk. Het gemakkelijk verkrijgen van kredieten voor de vissers bij hun geldschieters, die tevens afnemers van hun vis en leveranciers van hun visserijbenodigdheden zijn. Heeft in deze gemeente toestanden doen ontstaan, die de vissers in plaats van welvaart een aantal verplichtingen heeft bezorgd. Het grootste deel van de vloot verkeerd onder financiële druk, welk slechts door een reeks van voorspoedige jaren kan worden opgeheven. Pas in 1918 werden er maatregelen getroffen, die ervoor zorgden dat vissers niet meer afhankelijk te hoefden zijn van de hangbazen.
Overigens waren deze overeenkomsten tussen de visrokers en de vissers geheel in de rede met de plotseling opkomende bloei van Lemmer als vissersplaats. Niet toevallig was het dat de Lemster vissersvloot rond 1880 in aantal begon toe te nemen. Waren er in 1880 zestien schepen, in 1905 was dat aantal al gestegen tot 84 aken, botters, schouwen, en andere vissersschepen. Veel personen zagen een welkom alternatief voor de vervening of de landbouw. De vervening gebieden in Echten, hadden hun hoogtepunt al gehad, en door de malaise in de landbouw was ook het boeren bestaan van mindere waarde.
Veel veen en landarbeiders zochten daarom hun broodwinning in de visserij. Die bestaansbron bezat toekomst. Door veranderde vis methoden, het vissen met staande netten voldeed beter dan met de zogenaamde wonderkuil, werd de ansjovisvangst juist in 1883 lucratief. Ieder die maar een boot machtig kon worden en enig kapitaal bezat om een viswand te kopen werd ansjovisvisser, predikanten, turfschippers, boerenarbeiders, motor-vaarders, ja wat niet al, groen en rijp, werd ansjovisvisser, zo werd toen in een rapport verklaard.
Maar ook in de aan de visserij verwante bedrijven zagen de boeren en veenarbeiders mogelijkheden. Dank zij de bloeiende visserij konden immers ook zeilmakerijen, scheepshellingen, mast en blikmakerij of netten-taanderijen in Lemmer gedijen. Of men kon wel in de hangen, die al langere tijd goed draaiden en visrokerijen aan de slag. En wilde men de Zuiderzee op, dan kon men krediet krijgen van visrokers als De Rook, De Jager, Sterk of door ondernemer Jan Pen die in Lemmer een belangrijke rol heeft gespeeld in dit soort zaken.
De haring en ansjovisvisserij was in de bloeiperiode van het meest belang voor Lemmer. Vele vangsten werden op de visafslag aangevoerd en vele schotten werden daarna verwerkt in de hangen. Veel hing vast van het slagen van de haringvangst of de ansjovisteelt. Was dat goed, dan profiteerde de hele Lemster bevolking. Drukte in de vissersplaats was er met name in de ansjovistijd. Dan stonden honderden mensen deze vissen uit de netten te halen en waren er even zo velen bezig met koppen en zouten.
Sterk merkbaar was de teruggang op de gemeentelijk visafslag. Met de daling van de aanvoer kwam de visafslag in de rode cijfers. In 1932 besloot de gemeenteraad deze instelling in een andere vorm voort te zetten. De gedachte overheerste toen dat de afslag ten dode was opgeschreven. Om de visserij toen niet te duperen, werd echter niet tot liquidatie overgegaan, zo werd verklaard.
De aanvoer van haring stagneerde al snel, nadat de Afsluitdijk was gedicht. In 1934 werden 10.100 stuks afgeslagen, in 1937 kwamen er nog 600 haringen, maar daarna niets meer. De Tweede Wereldoorlog gaf echter een andere wending aan het verhaal. De aanvoer van met name paling, witvis en snoekbaars maakte een belangrijk deel uit van de omzet en steeg zelfs. Door de oorlogscrisis werden bovendien hogere prijzen betaald en in 1941 concludeerde de gemeenteraad dat de visafslag te Lemmer ook in de toekomst recht van bestaan zou hebben.
Hoe anders zou het echter lopen, toen de Tweede Wereldoorlog was beëindigd. De visafslag verloor nadien steeds meer haar functie, ordenend op te treden bij de vishandel van een open prijs was al helemaal geen sprake. De in Lemmer aanwezige vishandelaren bepaalden de prijs, die bovendien lager was dan op andere visafslagen betaalde prijzen. De bedoeling was om verkeerde praktijken in de handel tegen te gaan, maar van het tegendeel was sprake door het monopolie van de Lemster viskooplieden. Uit andere plaatsen kwamen de handelaren niet meer naar Lemmer. Urk werd als afslag hoofdzaak en door de geringe aanvoer te Lemmer kreeg de visafslag nog slechts een zeer bescheiden rol toebedeeld.
En ook de verwachting dat na de inpoldering van de beide Flevo polders de visserij zich zou verplaatsen naar het noordelijke gedeelte van het IJsselmeer en Lemmer gunstiger zou komen te liggen, werd gelogenstraft. Voor de meeste vissers bleef het aantrekkelijker om in Enkhuizen of Urk te lossen. Bovendien speelde mee dat in deze plaatsen een betere outillage aanwezig was, en meer handelaren waren gevestigd en er vanouds een veel betere markt was, eigenlijk heeft de visafslag te Lemmer nooit met Enkhuizen of Urk kunnen concurreren.
"Je kunt wat mij betreft de deuren wel dicht spijkeren van deze afslag" werd in 1952 al aan de afslager in Lemmer toegevoegd, door één van de Lemster vishandelaren. Het werd een hopeloze toestand, en herhaalde malen is daarna gesuggereerd om de gemeentelijke afslag in Lemmer maar op te heffen. De omzet daalde voordurend en het vormde voor de gemeente Lemsterland een aanzienlijke kostenpost.
De visafslag leek op een spoedige sluiting af te stevenen, vooral omdat steeds meer Lemster vissers de netten opborgen of het besluit namen met kotters op de Noordzee te vissen. Onderwijl dunde de vloot sterk uit en van de Lemster vissers bracht ook maar slechts een deel de vangst naar de thuishaven. Van de eens zo vermaarde vissersvloot van Lemmer stonden er in 1962 nog maar vijftien schepen geregistreerd, vijf daarvan visten op de Noordzee. Bovendien bevond zich onder die groep Lemsters ook nog een aantal meer actieve IJsselmeervissers.
Opheffing werd door de jaren steeds voorkomen. Het zou moeilijkheden voor de Lemster vissers kunnen opleveren. De groep die het IJsselmeer bevisten. Zou gedwongen worden om de vis in Stavoren, Urk of Enkhuizen af te slaan. Voor dat argument toonde men zich gevoelig. Ondanks het feit dat de visafslag de gemeente Lemsterland enkele duizenden guldens per jaar kostte, bovendien wees men steeds weer op de veilplicht, als er weer stemmen opgingen om de afslag te sluiten.
En nog steeds wordt opheffing van de visafslag te Lemmer afgezworen. De gemeente moet er weliswaar jaarlijks enkele duizenden guldens op toe leggen, maar Lemmer blijft met de visafslag de status van Vissersplaats behouden. Burgermeester Feite Faber is daar duidelijk over. "Sa lang as it mei in bytsje kosten trochgean kin, sjoch ik gjin reden om der mei te stopjen", aldus luid zijn commentaar.
De vier overgebleven Lemster IJsselmeer vissers hebben te kennen gegeven belang te hebben bij het voortbestaan van de visafslag. Het zijn Jan Fleer, Gauke Bootsma, Rauke Kuipers en Bauke Visser, die nog voor aanvoer zorgen op de gemeentelijke afslag aan de Willemskade. Ondanks het feit dat de visafslag in Lemmer als ordenend orgaan tussen visser en handelaar veel van zijn functie heeft verloren is 'Directeur' Steven Visser er nog dagelijks te vinden als de vissers de haven binnen lopen.
Van de echte afslag kan men overigens moeilijk meer spreken, de enige kopers zijn de vishandelaar Jurjen Bootsma en minder frequent de visverwerkende industrie van de gebroeders Sterk. Meestal laten zij zich niet zien op de visafslag, ze geven slechts de prijzen door waarvoor men de vis wil kopen en voor die prijzen leveren de vier Lemsters in de meeste gevallen de vis rechtstreeks aan de handelaren. Slechts bij grote aanvoeren gaan de beide Lemsters naar de visafslag om te keuren en te kopen.
Zowel van de zijde van de handelaren, als van de vissers hecht men nog waarde aan het voort bestaan van het "Stekkie" van Steven Visser. "Ik sjoch foar de takomst lykwols donkere loften foar de ôfslach kommem, is echter de mening van visser Jan Fleer. Ik sjoch wol dat dit mei de tiid ôfrint. Foar de de hannel is it nogal hasty net mear de muoite wurdich, omt de oanfier te lyts is, oer't generaal leit de prijs hjir ek leger as yn Starum of op Urk boppdat komme troch lege oanfier ek gjin fremde hannelers mear nei De Lemmer, sadatder hastgjin konkurensje mear is". Verhaalt nu de 63 jarige Fleer, die in zijn zonen opvolgers heeft, die volgens hem mettertijd zullen moeten uitwijken naar anderen afslagen. Om die reden zijn ze ook lid van de vissersvereniging Stavoren, die daar de visafslag van de gemeente heeft overgenomen.
Foto's van Jilling Kingma: 'Directeur' Steven Visser, noteert de door de Lemster vissers, Bauke Visser en Jelle van der Heide, geleverde vangst. Plaats van handeling is het kleine gebouwtje van de visafslag aan de Willemskade in Lemmer.
De omgekeerde werkelijkheid en tijdige redding!
Nieuw signaal.
Bovendien is het heel belangrijk dat er heden een groot verschil met vroeger is. Genoemde verschijnselen, met inbegrip van het beletten door dictatuur van vrijheid in woord en geschrift, worden nu algemeen krachtig veroordeeld. Het wordt niet langer onvermijdelijk geacht, evenmin als internationaal geweld tussen staten onderling. Het is een duidelijk signaal van een opgang komend ontwaking-proces voor het welzijn van allen. Geweldloze vredesbewegingen voor tweezijdige ontwapening en andere acties die worden gekenmerkt door waardigheid en rust zijn er o.a. een voorbeeld van. Maar het voornaamste is en blijft dat we eerst ons zelf ontwapenen door destructieve neiging beter te beheersen. Verrees ook niet de nieuwe Phoenix als symbool van vernieuwing, uit eigen as? En beginnen overal velen zich niet reeds als Socrates te voelen toen hij eens zei geen Athener te zijn maar een burger van de wereld?
Maar, terug naar Lemmer van toen. Op de ene foto zien we de tramconducteur Jan Woudstra en het tramstation omstreeks 1920. Zijn zoon Ruurd was jaren lang tandarts in Leeuwarden en woont nu al enige tijd in Eindhoven. Woudstra hebben we van nabij gekend via het puffende bokkentrammetje naar Heerenveen. Evenals zijn bekende collega Marten Bijlsma, droeg hij het kleine conducteurs petje nonchalant op het achterhoofd. Beste mensen, maar in de tram moesten we met Marten niet proberen "De kachel aan te maken", want hij zetten je zo buiten boord en dan moest je maar zien hoe je thuis kwam
Evert moet de ene Foto (Kortestreek) nog eens goed bekijken en zich afvragen of de man met de hoed naast Woudstra niet mijn vader zou kunnen zijn. Bij evenementen als deze ontbrak hij nooit door zijn contact met de Zuiderzeevissers. Vooral later in verband met de drooglegging met de daaruit de voortvloeiende besprekingen met de zogenaamde Zuiderzee commissie in Amsterdam. Ik meen me te herinneren dat deze besprekingen niet het meeste voor de vissers hebben uitgehaald. Is het niet Jan Wouda? Men sprak toen 'De dijk die armoede aandraagt' De mate van inspraak van heden bevond zich in die tijd ver onder de horizon.
Ook de naam Bosma roept herinneringen op. Hij was jarenlang hofmeester op een van de nachtboten; een kleine rustige mannetje die zijn werk voortreffelijk verrichte. Heel wat Lemsters en passagiers van elders hebben zijn koffie gedronken en een kussen gehuurd om te trachten om een beetje te slapen, onder het gestamp van de grote stoommachine. De boot vertrok 's avonds om negen uur, nadat een stoot op de stoomfluit door de stilte van Lemmer had geklonken.
In de herfst en winter keken de mensen onder het koper kleurig licht van de petroleumlamp en zeiden of dachten: De Nachtboot! Genoemde Bosma, bevond zich eens tijdens dichte mist op het zee ijs ter hoogte, meen ik, van de Vuurtoren waar hij in een wak terecht kwam. Door enorm hard te schreeuwen wist hij de aandacht van enkelen bij de sluis staande Lemsters te trekken. Deze renden in de richting van het hulpgeroep en slaagden er in de ongelukkige uit zijn levensgevaarlijke positie te halen. Ik heb het zelf niet meegemaakt maar het incident ging als hot news door het dorp.
We moesten toch wat te praten of te roddelen hebben, want ook de radio stond nog in de kleinste maat kinderschoenen. Een toestel was slechts weggelegd voor een enkeling. En wat voor een? Je had een twee of drie draadantennen nodig van minstens 50 meter en liefst zo hoog mogelijk. Bij heden vergeleken was alles uiterst primitief. De lampen zaten aan de buitenkant en gaven ook nog licht. voor de huiskamer. Het grootste en modernste apparaat stond bij Pier Meyer in het Nutsgebouw aan de Nieuwburen. Hij was een sympathieke en actieve man met vooruit strevende ideeën. Ik herinner mij dat hij eens (ik heb het geloof ik al eerder aangehaald) bekend heeft gemaakt dat bij hem tegen geringe vergoeding, men in de zaal een radiomuziekuitzending kon beluisteren. Voor de muzikale Lemsters was dit heel wat. Er kwam evenwel niets van... er kwam alleen gezucht en geruis, waarschijnlijk was die avond de windrichting niet goed. De nogal wat omvangrijke winkelier Zandbergen tegenover het Nutsgebouw, met zijn handel in grutterswaren, verpakt in grote bussen langs de muur en verkoop van boter uit het vat en prachtige koperen weegschalen op de toonbank, zag er helemaal niets in! Over zijn bril heen kijkende mompelde hij zoiets als "Moderne fratsen".
Trouwens voor veel Lemsters was het een groot wonder, zomaar geluiden uit de lucht. Het was dan ook vaak, eerst horen en zien en dan geloven. En zo verstreken de jaren in de goede oude tijd. Het werd steeds duidelijker dat het zoute water van de rusteloze Zuiderzee mettertijd over zou gaan in zoet water - het IJsselmeer. Nu worden hier binnenkort weer de alom bekende zeilwedstrijden gehouden met alles wat er verder aan vast zit. We hopen opnieuw veel oude vrienden te ontmoeten. Ruurd Rodenburg niet te vergeten die ergens in Eindhoven woont. Wiesje Dasoul en haar man zijn blijkbaar naar het buitenland gegaan, we hebben sedert vorig jaar niets meer van hen vernomen. In B was ook niemand aan te treffen. Max Koole is vast van de partij en Zwarthoed zal ook wel weer van de partij zijn uit Nice. En verder Feike en Hidde Visser uit Utrecht, Hidde de Blauw uit Delft. En misschien deze keer Henk Brouwer ook.