Mulder, Tiny

1970: Tiny Mulder.

Tiny Mulder (Beetsterzwaag, 2 april 1921 – Jellum, 4 november 2010) was een verzetsvrouw, journaliste bij het Friesch Dagblad, schrijfster en dichteres.

In de Tweede Wereldoorlog was ze actief bij het Friese verzet. Hier hielp ze onderduikers aan een onderkomen, en werkte als koerier. Ze kreeg de Medal of Freedom onderscheiding met Silver Palm in 1946 van de Amerikaanse regering.

Later stond ze bekend als een van de belangrijkste Friese dichters van na de oorlog. Tevens was ze journaliste, schreef twee romans, kinderboeken en hielp boeken te vertalen. In haar roman Tin iis (in vertaling uitgegeven als Gevaarlijk ijs) verwerkte ze haar herinneringen aan haar koerierswerk. In 1986 kreeg Tiny Mulder de Gysbert Japicxpriis voor haar hele oeuvre.

Leeuwarder courant 1970: TINY MULDER We hadden ook op de stoep moeten gaan zitten.

Als. „As is verbrande turf" zeiden we dan. Als Tiny Mulder op die ene oorlogsdag geen piloot had hoeven weg brengen was zij naar Utrecht gegaan. Nu ging een andere koerierster en liep in de val want de zaak was verraden en het adres bezet. Zij werd gefusilleerd.

Als Tiny Mulder op een andere oorlogsdag een kwartier later op dat bekende nummer in de Amsterdamse Rijnstraat had aangebeld zou de S.D. haar hebben open gedaan en was ze er gloeiend bij geweest. En zo hing haar lot jaren lang van toevalligheden af, welke echter keer op keer net die goede wending namen waardoor zij de bezetting overleefde. Maar óók door haar koelbloedigheid en voorzichtigheid. „Ik heb altijd wel erg opgepast geen stommiteiten uit te halen" zegt ze over haar tijd als koerierster. En ook: „Het was voor mij geen hoogtepunt in mijn bestaan. Ik leef er ook niet meer zo mee"

In '39 kwam ze van de Chr. HBS in Leeuwarden, begerig om haar wens in vervulling te doen gaan, de journalistiek in. Maar de Leeuwarder Courant had geen plaats, het Nieuwsblad van Friesland in Heerenveen evenmin en „ook Laverman meende, dat hij het zonder mij af kon." Via de dienst van Sociale Zaken in haar woonplaats Drachten, waar duizenden werklozen het toen van hebben moesten, kwam zij op verzoek van de leider (zo heette dat) van het distributiebureau, P. Wijbenga, in zijn team medewerkers. Later heeft ze begrepen, dat Wijbenga — later „Geale" in de K.P. — zijn ambtenaren zorgvuldig uitkoos om buiten de legale grenzen te kunnen manoeuvreren zonder risico van gepraat of verdachtmakingen.

Het verzet is, zoals' bekend, slechts aarzelend op gang gekomen. Ook in dat Drachtster distributiekantoor kon aanvankelijk slechts mondjesmaat geholpen worden. Pas toen de stroom onderduikers meer opgang kwam werd het handje-helpen van Tiny Mulder een volledige dagtaak. De laatste jaren van de oorlog was zij in en buiten de provincie regelmatig op reis voor het onderbrengen van joden en andere onderduikers, het overbrengen van berichten of het vervoer van paperassen, al was zij altijd een voorstandster van het systeem zo min mogelijk, liever niets, op papier, zoveel mogelijk onthouden. Hoeveel kilometers zij op die manier in treinen en op de fiets heeft afgelegd is niet te berekenen. Zij had dagen, dat zij kris-kras door het land reed, van stad naar stad, van west naar oost, onopvallend in de massa, stipt knopend aan het net, dat de K.P. had samengesteld, waar niet zelden gaten invielen maar dat steeds gerepareerd werd. Was zij moedig?

Zij vindt zelf van niet. Dat zij het deed was geen verplichting. Niemand dwong iemand om in het verzet te gaan. Wie wilde meehelpen was vrijwilliger en Tiny Mulder had, als zo velen, gewoon het gevoel, dat dit werk was, dat je niet mocht laten liggen. „Het was voor ons zo gemakkelijk. Je was niet getrouwd. Als je dood raakte zouden een paar mensen een poos verdriet hebben maar dan was het over, Ik heb altijd diep respect gehad voor de mensen, die onderduikers in huis hadden. Die konden niet weg, zoals wij. Die moesten blijven waar ze zaten, eenden op het nest. Met joden in huis of piloten of andere onderduikers. En ook heb ik dat respect voor mensen van wie je wist, dat ze eigenlijk bang waren, het in wezen niet durfden, maar toch meededen. Wij veranderden van adres, van naam — dat was zo gebeurd. Maar die anderen..."

Haar ouders zullen aan de vanzelfsprekendheid waarmee zij in het verzet ging zeer zeker veel hebben bijgedragen. Thuis waren altijd onderduikers, joden, piloten. „Ze werden 's avonds uitgelaten, net honden. Ik realiseerde me later pas wat dat voor mijn moeder een opgaaf moet zijn geweest met dat eten voor zoveel mensen Bonnen had je niet altijd extra, een enkel keertje wel, meestal niet. We hebben drie jaar lang een joods meisje in huis gehad, Evelijn. Die is gewoon een zusje voor me geworden en gebleven. Ze heeft het gehaald, haar ouders ook. Toen mijn ouders eind '44 uit huis moesten omdat alles te gevaarlijk werd ging ze mee. Ik ben nu een dubbele onderduiker, zei ze. Ze kwam uit Den Haag. Nu woont ze in Hendrik Ido Ambacht. Toen ze bij ons kwam was ze zeven of acht jaar. Stel je voor — er komt een vreemde mevrouw bij je thuis en die neemt je mee. Wat moet dat ook wat voor die ouders geweest zijn. Dat kun je je pas goed voorstellen als je zelf kinderen hebt."

Haar herinneringen aan die tijd zijn soms vreemd. Dan weet ze in een of andere stad, dat zij tijdens de bezetting bij dat en dat gebouw geweest moet zijn om er berichten of documenten over te brengen maar ze herinnert zich er verder niets meer van. Details zijn vervaagd of geheel verdwenen. Wel staat haar nog scherp voor de geest, dat ze op den duur het land had aan de enorme fietstochten. „Op die rotbanden. De Engelsen hebben eens banden gedropt maar toen we ze bekeken waren het van die kleine Britse maatjes. We hadden er niks aan."

Waarom deed ze het? Waarom deed een ander het niet? „De een werd gevraagd" zegt Tiny Mulder „Ik werd door Piter Wybenga gevraagd. Je moest er wat aanleg voor hebben, houden van het oplossen van moeilijke puzzels — dat ligt me wel. En dan het langzaam groeiende gevoel, dat we de slag om de onderduikers gingen winnen. De slag om de joden hebben we afschuwelijk verloren. Het kwam te vroeg. Niemand was er op voorbereid. We zijn nog eens op verkenning geweest naar Westerbork. Je kon niets doen. Het was teveel. En ook eens naar Apeldoorn naar een grote joodse psychiatrische inrichting. Wat moesten we?"

Eind 1943 begon het pilotenwerk een rol van belang te spelen. Geallieerde vliegers, aan de parachute ontsnapt uit hun reddeloze machine, na hun landing op een duikadres ondergebracht, dienden zo mogelijk via bezette en neutrale landen terug gebracht te worden naar Engeland. Op zichzelf is dat een enorme organisatie geweest, die internationaal heeft gedraaid met verbindingen en connecties in België, Frankrijk, Zwitserland, Spanje en Portugal. Tiny Mulder was een degenen, die dergelijke vluchtelingen begeleidde tot het punt waar een ander de mannen als gids en mentor overnam voor de volgende etappe.

Op die manier hebben de Spaanse en de Zwitserse lijn tal van militairen voor het krijgsgevangenkamp gespaard en iets bijgedragen aan het oorlogspotentieel van, vooral, de Amerikaanse en Britse luchtmachten.

Juffer Goedekoop uit haar bundel Viadukt (1965). „Ze heette niet zo maar ze heeft bestaan. Ik heb haar gekend. Zij was 'oud, ziek en een jodin. Begin 1943 begonnen de Duitsers ook bejaarde, zieke joden te deporteren. Zij werd uit het ziekenhuis in Heerenveen gehaald — ja, in een overvalwagen! En ze is nooit terug gekomen..."

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.