Herinneringen van Jan Wouda e.a.

DAAN ATSMA.

Nu ga ik even praten met Daan Atsma, Amstel 258 in Amsterdam. Je ouders Daan, Klaas en Tiete, heb ik heel goed gekend. Mijn vrouw kwam vroeger wel bij je moeder als naaister, je broer David, die bij de waterpolitie was in Amsterdam, kwam af en toe bij mij op het kantoor als we moeilijkheden hadden met ligplaatsen voor arken, want dat was zijn afdeling. Je dacht Daan, dat er vroeger bij Wouda wel karbonade op tafel zou zijn geweest. Dat gebeurde wel eens op zondag en feestdagen en armoede hebben we nooit gehad. Maar mijn vader was dan ook een broodvechter en als zelfstandig visser een zeer goed vakman.

Als het in de winter te koud was om de botbeug te azen, dan gebeurde dat in de huiskamer. De garnalen werden 's morgens om half vijf in de botter gekookt en 's avonds tevoren het zand, hoekwant en aasbakken al naar huis gebracht. 's Morgens om vijf uur waren ze dan al met vijf man aan het aanazen bij petroleumlampen en na 1907 bij gas. Daar waren dan oom Teade, oom Pieter bij en meest Gerben Bootsma, waar een straat in Lemmer naar vernoemd is en een buurjongen Harm van Zwol. Dat duurde tot twaalf uur toe, want na het eten moesten ze naar zee om de beug uit te zetten. Ik aasde dan ook al dapper mee en moeder moest zich maar zien te redden met een klein broertje en zich in de bedstee aankleden, je kunt wel nagaan hoe dat behelpen was. Mocht daar dan eens een karbonaadje op tafel komen?.

Ook vroeg Atsma of er wellicht een oudere Lemster was die eens iets kon schrijven over het baanbrekende werk dat de geheelonthoudersbeweging en de socialisten hebben gedaan omdat gene te verwezenlijken van wat we nu hebben.

Maar er is niemand geweest die de moeite heeft genomen om daar eens over te schrijven. In één van mijn stukken van bijvoorbeeld "Burgermeester Callenbach opende in 1916 de visafslag", waar ik ook vroeg om reacties omtrent de misstanden van toen, heeft ook geen mens gereageerd. Er zijn toch wel Lemsters en zeker ook oud Lemsters die dat beter zouden kunnen doen dan Jan Wouda, die alleen maar de lagere school heeft bezocht. Fedde Schurer is ons helaas ontvallen, maar er is er nog een Age Scheffer, wiens specialiteit dat moet zijn, en een professor Pen, wiens grootvader een grote rol heeft gespeeld in die tijd.

Waarom we het wel aan te danken hebben dat we het nu zoveel beter hebben dan onze voorouders Daan Atsma, is geen gemakkelijke vraag. Misschien hebben mensen als de grootvader van Mej. Romkema, die uit eigen zak bonnen voor levensmiddelen gaf aan behoeftige mensen, daar onbewust aan meegewerkt. Die gaf tenminste blijk wat zijn christenplicht was en zo andere mensen aan het denken bracht. Maar het was natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat.

Toen kwam in 1903 de spoorwegstaking, de ellende stond de mensen toen wel aan de lippen, want dat waren toen toch de mensen met een vaste baan, de staking werd toen om zeep geholpen en vele mensen werden op straat gesmeten, en toen kwamen de bekende worgwetten, want ze waren wel geschrokken in Den Haag. In Lemmer werd ook gestaakt op de tram, er woonden twee machinisten in Lemmer, ene Kramer die niet meedeed en een zekere Lienos, die woonde toen achter de timmerwinkel van Nijholt. Ik speelde vaak met zijn zoontje van mijn leeftijd. Dat was Klaas en ik kwam er vaak in huis. Maar ik kreeg de waarschuwing van mijn moeder dat het gevaarlijke mensen waren, maar 't waren fijne mensen.

Vroeger maakte een timmerman één deur per dag en een arbeidershuisje had één deur. Nu maakt één man 16 deuren per dag bij Bruynzeel en een arbeidershuis heeft 16 deuren. Alleen uit dit gezegde blijkt wel dat de industrialisatie zeker een groot aandeel heeft gehad in de vooruitgang. Ook hebben de vakbonden er voor gezorgd dat de werkman nu zijn deel krijgt van de te verdelen koek. Alleen is het bedroevend dat maar 38% de werkmensen georganiseerd zijn, en de rest klaplopers, die de 38% de kastanjes uit het vuur laten halen, maar graag de voordelen opstrijken. En vaak nog de meeste praatjes hebben ook, en o zo goed weten hoe het wel moet. Ik wil geen mens beledigen, maar wie de schoen past trekke hem aan.