Algra, Roelof

1-148.jpg

Roelof Algra

Roelof Algra, geboren op 10 maart 1888 te Rinsumageest, overleden op 12 oktober 1944 te Nijeholtwolde, zoon van Aan Algra en Tjitske Steringa. Gehuwd met Hinke van der Goot. Uit dit huwelijk 6 kinderen.

Op 17 september 1944, kondigde de Nederlandse regering algehele spoorwegstakingen af. Om het vijandelijke vervoer en troepenconcentraties tegen te gaan.

De Duitsers brachten zelf het treinverkeer weer opgang. Het verzet besloot om dit te voorkomen. Zij wilden de treinen laten ontsporen bij Nijeholtwolde.
Dit werd ontdekt en de schade werd weer hersteld, voordat er een trein gepasseerd was.

Als represaille, werden hierop drie gevangenen uit het Huis van Bewaring, gehaald. De slachtoffers waren: Nicolaas Veltman, Roelof Algra en Marcel Leiser, werden op 12 oktober 1944 naar Nijeholtwolde gebracht. Daar werden de drie mannen terechtgesteld.

● 1983/tisjri: Op het graf van een joods gefusilleerde staat een kruis door Simone Jacobus.

Het graf van Marcel Leiser, met kruis, op de algemene Begraafplaats te Wolvega.

Dat heeft Marcel Leiser niet verdiend. Al bijna 39 jaar ligt hij, zonder dat iemand er weet van had onder een kruis op de Algemene Begraafplaats van Wolvega. Hij werd daar in 1944 begraven, opgegraven en herbegraven. Binnenkort zullen zijn stoffelijke resten weer worden opgegraven en worden opgebracht naar de joodse begraafplaats van Leeuwarden. Wie is dan wel die Marcel Leiser. Hoe is hij in Wolvega onder een kruis gekomen, terwijl hij vluchtte voor de nazi's juist omdat hij jood was.

De Algemene Begraafplaats Wolvega ligt even buiten het centrum van het dorp. De ingang van de begraafplaats wordt gesierd door slingerend groen. Iets verderop staat een wit marmeren beeld: een grote, wakende engel. De beheerder van de begraafplaats H. Bakker leidt me rond, want het graf van Marcel Leiser kent hij wel. Hij gaat me voor, langs de schuur en het huisje van de begraafplaats, rechts het hoekje om. De beheerder wijst naar het derde graf aan onze rechterhand, waarop een kruis en roze bloemetjes staan.

Het is een algemene begraafplaats en behalve dat er op een enkele steen het opschrift 'In Jezus Ontslapen' te lezen is, zijn de meest gebruikte leuzen toch 'Hier Rust', 'Ter Nagedachtenis aan' en 'Rustplaats van'. Op geen enkel graf staat, zoals op dat van Leiser, een kruis. Bakker haalt zijn schouders op als ik vraag hoe dat kruis op het graf is gekomen. „Hij was toch een van die mannen bij Nijeholtwolde waarvoor dat gedenkteken is gekomen", merkt hij op. „Verder weet ik er niets van".

Marcel Leiser werd op 29 augustus 1923 in Gouda geboren als enige zoon en enig kind van Benjamin Leiser en Eva van Dantzig. Hij volgde in Gouda de Ulo, behaalde een typediploma en werkte waarschijnlijk tot de oorlog als bloemkweker. Zijn vader 'dreef een handeltje', zo zou Marcel de boer vertellen waar hij later zou onderduiken. Leisers tante, M. van Dantzig, beschreef haar neef, na de oorlog om hem op te laten sporen: „Hij is middelmatig van grootte, heeft donkerbruin haar enigszins in een krul vallend, donkerbruine ogen, matte gelaatstint, gaaf gebit met flinke witte tanden (...), enigszins breed voorhoofd, onrustige trekken om de mond, rechte toch enigszins gebogen neus, geen Joodsch voorkomen".

Het moet betrekkelijk rustig geweest zijn tijdens de beginjaren van de oorlog in Gouda, waar Marcel en zijn ouders woonden. Echter, de joodse gemeenschap in Gouda werd wel aanzienlijk uitgebreid door de komst van de evacués, voornamelijk joodse vluchtelingen van een buitenlandse nationaliteit, die gevaar zouden opleveren in de Nederlandse kuststrook. Een van die evacués was een mevrouw die momenteel woonachtig is in Amsterdam. „Ik heb Marcel Leiser vaag gekend", zegt ze. „We waren ongeveer van dezelfde leeftijd. Ik heb nog een foto van hem", en ze toont me een klein zwart/wit foto waarop een aantal jonge mensen gearmd de fotograaf lachend toekijken. „Het was in mei 1941. We maakten in die tijd vaak fietstochtjes naar de Reeuwijkse plassen. Kijk, dit was ook een fietstochtje, dat zie je aan de fietsen die in het gras op de achtergrond liggen. Dit is Marcel Leiser, de tweede van links." Ze omschrijft hem als een stille jongen, wel vrolijk maar niet opdringerig, geen branieschopper.

Op 15 mei 1942 stond Leiser te boek als keukenbediende in het Centraal Tehuis voor Israëlieten, daarna is het spoor bijster. Echter, ook in Gouda werd het te gevaarlijk voor joden en Marcel Leiser zal zijn gaan onderduiken. Volgens de Friese boer R. Sybrandy had Leiser op drie verschillende adressen ondergedoken gezeten alvorens hij omstreeks half november 1943 bij Sybrandy kwam onder de schuilnaam Jaap van der Loo. Marcels ouders waren toen al door de Duitsers opgepakt, zo had Marcel Sybrandy verteld, en waren naar Westerbork gebracht. Op 23 februari 1943 werden zij naar Auschwitz gedeporteerd vanwaar ze nimmer zijn teruggekeerd.

Boer Sybrandy woonde even buiten Blessum, een Fries dorp bij Leeuwarden. Marcel hielp de boer op het land, met het vee en met de distributie van de melk. Van heinde en verre kwamen mensen naar het erf van de boerderij om melk te halen en Sybrandy kon een paar extra handen goed gebruiken. Tot september 1944. „Het gerucht doet de ronde", zo vertelt wethouder IJ. Damsma van de Friese gemeente Rauwerderhem (die in 1975 een boek publiceerde over de oorlogsgeschiedenis van zijn omgeving), „dat er op een zeker moment de dochter van een NSB'er uit Leeuwarden, Zwart genaamd, bij de boerderij kwam. Zij zou om een extra liter melk gevraagd hebben. Marcel Leiser, alias Jaap van der Loo, weigerde dat omdat hij de pest aan NSB'ers had".

Dezelfde nacht, ergens in september 1944, werd Leiser van zijn bed gelicht door de beruchte Friese landwachter L. Bunt en zijn maat. „Ik ben uit bed gegaan toen ik beneden iets hoorde", zegt boer Sybrandy. „Beneden stond Marcel tussen twee landwachters in. We hadden nauwelijks tijd om dag te zeggen." Leiser werd overgebracht naar de Leeuwarder gevangenis waar hij tot 11 oktober 1944 verbleef, de dag waarop enkele leden van de Binnenlandse Strijdkrachten (het verzet) op eigen initiatief een poging deden om een trein bij Nijeholtwolde te laten ontsporen door de rails onklaar te maken. De sabotagepoging mislukte, werd ontdekt nog voordat de Duitse trein voorbij was gekomen. Om meer sabotagepogingen te voorkomen, kreeg het hoofd van de Zoll-politie in Wolvega (Funk) opdracht drie gevangenen uit de Leeuwarder gevangenis te halen die dichtbij de plaats van de sabotagedaad in Nijeholtwolde gefusilleerd moesten worden. Er moest een voorbeeld gesteld worden voor de Friese bevolking.

Het nieuwe hoofd van de Sicherheitsdienst, SS-Hauptsturmführer A.W. Albrecht, die op 13 september 1944 met het beruchte commando- Albrecht in Leeuwarden gearriveerd was, wees willekeurig op de lijst van gevangenen de drie slachtoffers aan.

Het eerste slachtoffer was Nicolaas Veltman, 32 jaar oud, afkomstig uit het dorpje Irnsum, waar hij samen met zijn vrouw een winkeltje dreef. In de meidagen van 1940 vocht hij op de Grebbeberg. Hij werd in Wageningen gearresteerd van waaruit hij werd overgebracht naar een krijgsgevangenenkamp in Duitsland. Na zijn vrijlating keerde hij terug naar Friesland en ging in het verzet. In de nacht van 4 op 5 oktober werd hij samen met 'zijn onderduikers' gearresteerd.

Het tweede slachtoffer was Roelof Algra, 56 jaar oud. Hij was een landarbeider uit Rinsumageest die in de nacht van 13 juni in zijn woning met drie anderen door landwachters werd opgepakt omdat ze naar een Engelse radio-uitzending zaten te luisteren.

De naam van het laatste slachtoffer die Albrecht aanwees, was die van Marcel Leiser.

Wethouder Damsma. die samen met verzetstrijder Veltman in een cel gezeten heeft, reconstrueert de executies: „Op 12 oktober 1944, om een uur of tien 's ochtend, stonden twee Duitse auto's met een paar SD'ers en de gevangenen in Nijeholtwolde, dichtbij de spoorbaan. Toen kwamen er zes Duitsers op een fiets aan, met petten op en helmen op de rug. Ze zetten hun fietsen tegen de heg van een woning die vlakbij was, deden hun petten af en de helmen op en pakten hun geweren, die aan de stang van de fietsen vastzaten. Eerst werd Algra doodgeschoten, hij was de oudste. Toen Nico Veltman. De getuigen, die achter het raam van die woning stonden, zeiden later dat Veltman zijn handen voor zijn ogen deed. En toen was de beurt aan Marcel Leiser die nog een vluchtpoging heeft ondernomen, maar er stonden zes Duitsers met het geweer in de aanslag klaar. Hij had geen schijn van kans", aldus de wethouder.

Hoe Leiser precies op de Algemene Begraafplaats Wolvega terecht is gekomen en waarom hij onder een kruis ligt, wordt overschaduwd door vele vraagtekens. Een vertegenwoordiger van de gemeente Westellingwerf verklaart dat Leiser waarschijnlijk in 1944 door de gemeente is begraven, „afdeling 6, regel 3, graf 4". Op 28 september 1948 echter blijkt Leiser opgegraven te zijn en kwamen zijn stoffelijke resten terecht op „afdeling 16, regel 1, graf 4". „Voor zover ik kan nagaan werd het graf in 1948 door de gemeente Westellingwerf beschikbaar gesteld en sindsdien komen ook de kosten van het onderhoud voor rekening van de gemeente", aldus de woordvoerder van de gemeente. Op mijn vraag waarom het kruis op Leisers graf geplaatst is en vooral in 1948 gehandhaafd is gebleven, zegt de .voordvoerder: „Dit kruis moet eerder gezien worden als teken dat iemand dood is en niet dat die persoon christelijk zou zijn geweest".

Ook de Oorlogsgravenstichting Nederland weet niet precies hoe de vork in de steel zit. Chef binnenland H.J. Chardet wijst erop dat het graf ontstaan moet zijn buiten de stichting om, in een tijd dat zij nog in opbouw was en dus niet op de hoogte van allerlei zaken. Chardet vertelt dat de kwestie officieel bij de stichting is aangekaart door de Joodse Gemeente in Leeuwarden die de Oorlogsgravenstichting verzocht heeft gelden beschikbaar te stellen voor de overbrenging van de stoffelijke resten naar de Joodse Begraafplaats in Leeuwarden.

Feit is dat de stoffelijke resten van Leiser overgebracht zullen worden naar Leeuwarden, de Leeuwarder Joodse Gemeente zal mettertijd een stukje grond op de Joodse Begraafplaats beschikbaar stellen. Een feit blijft eveneens dat de vraag hoe een kruis op het graf van een joodse jongen terecht is gekomen onbeantwoord blijft.

En dat dit publiekelijk bekend werd, is niet in de laatste plaats te danken aan wethouder Damsma van Rauwerderhem die zich medio zeventiger jaren begon in te zetten voor een monument voor de drie gefusilleerden. In 1981 zei de wethouder in een interview met de plaatselijke krant: „In 1975 heb ik (...) de plaats opgezocht waar de drie waren gefusilleerd. Toen ik er stond, werd het mij koud om het hart. Wij zagen alleen hoge 'stikels' en onkruid. Was dit nu de plaats waar het leven van drie mannen wreed was beëindigd?

Dankzij de inspanningen van wethouder Damsma en zijn collega van Wolvega, J.K. Bruinink, onthulde burgemeester L.G. Boelens van Westellingwerf op 4 mei 1981 het gedenkteken, in het bijzijn van familieleden van de geëxecuteerden Algra en Veltman.

Het gedenkteken staat op de plaats van de executies en is een zwerfkei waarin twee kruisen voor de katholieke Veltman en gereformeerde Algra en een Davidster voor Leiser gebeiteld zijn. „Het is toch normaal dat voor een Leiser een Davidsster op de kei kwam en hoe hij onder een kruis is komen te liggen, begrijp ik niet goed", zegt wethouder Damsma. „Misschien hebben ze destijds op het gemeentehuis niet geweten dat Marcel een joodse jongen was, hoewel hij als 'overleden' is opgegeven, trouwens ook onbegrijpelijk, door een man van joodse komaf, Michael Davidson, en hij in 1948 naar een ander graf is overgebracht. Het moet een ambtelijke onnauwkeurigheid geweest zijn. Maar Marcel Leisers resten worden overgebracht. Onder een kruis te liggen heeft hij niet verdiend."

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.