Home » Lemmer » Verzamelingen: Lemmer » Verzameling van Sleat Eartiids |1| » Verzameling van Sleat Eartiids |10|

Verzameling van Sleat Eartiids |10|

Sake Visser (Foto Wietze Landman).

SAKE VISSER EN DE SPAANSE BURGEROORLOG

Wat by it folle ferstân is, fjochtet him net dea"

Door Rink van der Velde

Zondagavond heeft de VPRO de tweede aflevering van een zesdelige Britse documentaire over de Spaanse burgeroorlog uitgezonden. Sake Visser (75) uit de Gale Hamkesstraat op de Lemmer heeft gekeken. „It is goed dat se soks sjen litte, foaral dy earste ôflevering oer de earmoede op it Spaanse plattelân. Mar ja, ik hoech der eins net nei te sjen, ik wit it sa wol." Hij laat er zich verder niet over uit wat er in hem omgaat als hij de bekende beelden ziet. Bekend, want Sake Visser is er bij geweest. Hij was één van de paar Friezen die daadwerkelijk aan de burgeroorlog in Spanje hebben deelgenomen.

Sake Visser was de tweede uit een nest van elf. Heit Klaas was visserman en voer o.m. op de Katwijker loggers. Hij was links en dwars, zoals een goede Lemster betaamt. Mem Klaaske kwam uit Sloten, zij was kerks en Oranjegezind. Het moet toch een redelijk harmonieus huwelijk zijn geweest, getuige de rijke kinderzegen. “Mar mem skriemde gauris, dan hie se net in pear sinten om bôle te keapjen. Se woe it net witte, dat se sei dat se pine mûle hie."

Sake voer als jongen op de palingaken, die vanuit Heeg verse aal naar Londen brachten en tot in Denemarken kwamen om daar de vangst op te kopen. Zijn militaire dienstplicht vervulde hij - met grote tegenzin - Bij de marine in Den Helder, waar hij het vooral te kwaad kreeg met de blagen van adelborsten, die gegroet wilden worden hoewel ze overigens geen belangstelling voor de jannen hadden.

Rue de Violette

In de tweede helft van de jaren dertig hield Jef Last spreekbeurten in Friesland over Spanje waar de wettige republikeinse regering bedreigd werd door het fascisme van de militairen onder leiding van Franco. Sake Visser was wat men tegenwoordig noemt politiek bewust. Toen de burgeroorlog uitbrak en er vrijwilligers voor de strijd tegen Franco werden gevraagd, meldde hij zich.

De CPH (Communistische Partij Holland) organiseerde de werving. Sake was geen lid, hij is dat ook later nooit geworden, al heeft hij altijd op de communisten gestemd. Hij was er niet minder welkom om. Heit was op de hoogte, mem werd er wijselijk buiten gehouden. Sake ging met de Lemmer nachtboot naar Amsterdam en kreeg vervoer tot Antwerpen. Daar stond op het station een Belgische helper met de communistische krant onder de arm. Sake moest die man aanklampen. Hij kreeg een adres in Parijs, hij mocht het niet opschrijven. Hij had trouwens pen noch potlood. Anno 1986 weet hij nog precies hoe het adres in Parijs luidde: Rue de Violette 16. Het huisnummer onthield hij gemakkelijk, want de logger waarop hij gevaren had droeg hetzelfde nummer.

Op Gare du Nord in Parijs pendelde hij tussen het station en een park, dat in de nabijheid van het station lag. Hij werd er opgepikt door een anonieme medewerker van de organisatie, die hem per motorfiets naar de Rue de la Violette bracht, waar kameraad Leo hem wachtte. Leo was een Duitser, Sake zou later in Spanje nog vele Duitse anti-fascisten ontmoeten. In 1939 en de jaren daarna zijn ze allemaal uitgeleverd en maar weinig hebben de concentratiekampen overleefd.

Pyreneeën

Sake Visser ging per spoor naar het Zuiden. Op het punt waar de Pyreneeën het smalst zijn, stak hij in gezelschap van een vijftiental andere vrijwilligers het gebergte te voet over. Ze deden er zo’n anderhalve dag over en kwamen toen in Perpignan in Catalonië. Via Barcelona en Valencia gingen ze naar het opleidingskamp Albacete in Andalusië. Hij had bij de marine het een en ander geleerd voor wat betreft de wapenkunde. Hij werd al na een hele korte training in Albacete geschikt bevonden voor deelname aan de burgerkrijg. Het was in de zomer van 1937. In de internationale brigade, met aan zijn zijde Britten, Denen, veel Duitsers en een paar honderd Nederlanders vocht hij op bijkans alle fronten. Want overal waar de toestand kritiek was, werd de internationale brigade ingezet.

Sake Visser „Ik bin gjin helt. Wa’t by It folle ferstân is, fjochtet him net dea. Ik wie bang foar de dea. As jo foar it earst oan it front komme, dan sliepe jo net. Jo binne bang foar alles, want jo kenne de lûden net. Letter went dat wol. As de fleantugen boppe jo binne, dan witte jo: as er se no falle lit, reitsje se my net mear. Jo hearre de artillery, as de granaten oer jo hinne fluitsje, is der neat te rêden. Jo hearre ek daliks oft it in blyngonger is, in granaat dy't net goed is en ferkeard ôf giet. Lyk as it gûlen fan swannen, sa heart it. Jo leare, dat as je it gewearfjûr hearre dan libje jo noch. Want as jo de knal hearre dan is de kûgel al foarby. En as jo nachts it fjoer fan de artillery siogge, dan binne de granaten al oer je hinne."

Na zo’n aanval, bekent Visser, heeft hij wel eens een half uur lang rillingen van angst gehad. Maar als het bataljon terug moest of oprukken, dan kon hij zichzelf baas blijven. „Jan Borman koe dat net. Wy moasten werom, wy krûpten ûnder it fjoer troch en op it stuit gyng er stean en begûn hurd te rinnen. Dat die ik net, want dan wienen jo ferkocht, mar ik krige it letter. It wie panyk: Like goed ha ik it gefoel ek wol hân fan: dan mar dea. Dan binne jo oer de grins."

Verliezen

De verliezen in de internationale brigade bedroegen 40 tot 50 procent. De overlevingskans was dus niet groot. Sake Visser overleefde ruim een jaar. Tijdens een poging tot uitbraak, werden hij en een tiental anderen krijgsgevangen gemaakt. Het was niet nodig geweest zegt hij er achteraf van. Ze waren al uitgebroken, ze pauzeerden en werden verrast, maar de Bataljonscommandant was te zeer begaan met zijn eigen hachje en vergat de achterste wachtposten te waarschuwen.
„Yn de oanfal woe elk de achterste wol wêze, mar as wy werom moasten rûnen se allegear foarop. Wy moasten werom en ik wie ien fan de achtersten."

Gevangenschap betekende veelal fusillering. De internationale brigade was gehaat bij de pro-Francostrijders vanwege het fanatisme. In de eerste periode van de strijd werden er weinig gevangenen gemaakt. Later was het uit propagandistische overwegingen beter gevangenen van de internationale brigade te kunnen tonen. „Se seinen ús daliks oan, dat wy de kop kwyt rekken. Ik hie der ek op rekkene, dat wy fusilleard wurde soenen. Guon fan ús skriemden, mar ik wie der op dat stuit klear foar. Ik wie yn elk gefal net bang mear. Mar ik wie fansels wol bliid, dat it net troch gyng. Letter ha 'k faak winske dat wy al deasketten wienen."

Dat was tijdens de gevangenschap, die tot 1942 duurde. Sake Visser overleefde die barre jaren. Hij doorstond zelfs een aanval van tyfus, hoewel hij sindsdien aan zijn rechteroog blind is. De Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigers in Spanje deden volgens Sake zo goed als niets. Door Britse bemiddeling kregen ze via het Rode Kruis voedselpakketten. Het waren ook de Britten die begin 1942 voor repatriëring zorgden. Ze verschaften Visser een Nederlands paspoort hoewel hij daarop geen recht had. Hij was wat men nu noemt „in vreemde krijgsdienst" getreden en had daarmee zijn Nederlanderschap verloren.

Met Britse hulp kwam hij met een aantal lotgenoten via Trinidad, Curacao en de V S in Canada terecht. Hij werd ingelijfd bij de Nederlandse marine en beleefde nog het een en ander als opvarende van o.m. Hr. Ms Soemba. Maar tenslotte belandde hij op het hoofdkwartier in Londen, waar het volgens Sake Visser zo’n vrolijke boel was, dat hij er met gemak een tachtigjarige oorlog had overleefd. Hij trouwde in Engeland een Britse, ging in 1945 met verlof naar de Lemmer en trof mem niet meer levend aan.

1946 mocht hij de dienst uit. Hij en zijn vrouw vestigden zich in Sneek. Sake Visser zat in het losse werk, het beviel niet. Hij kon het hier niet meer vinden. In 1952 verhuisden hij en zijn vrouw naar Engeland. Hij werd zeeman en had goede jaren. Zijn vrouw stierf aan kanker en Visser had in Groot Brittannië niets meer te zoeken. In 1964 keerde hij terug naar Lemmer. Hij hertrouwde en verloor zijn jonge vrouw al na acht jaar. Ook zij stierf aan kanker. Het verdriet om het ene verdrijft het verdriet om het andere naar de achtergrond, zo moet het ongeveer zijn, beredeneert Sake Visser. Wat hem betreft weegt het persoonlijke leed in elk geval zwaarder dan de ellende van de Spaanse burgeroorlog. De laatste tijd bedenkt hij vaak, dat hij eigenlijk beter had kunnen sneuvelen. Omdat hij tussen 1942 en 1947 tegen wil en dank nog zijn best heeft gedaan voor koningin en vaderland, kreeg hij al in 1947 het Nederlanderschap terug. Zodat hij in elk geval staatspensioen geniet.

„Ik bin dus gjin helt Jo wurde pas helt as jo dea binne. Dat kostet ek aardich minder, dan hoege te allinne it grêf mar te ûnderhâlden, en faak litte se dat ek noch oer oan partikulieren.”


Mevrouw Wietske de Vries-van Brug.

MEVROUW DE VRIES KAN NIET MEER SPELEN

Afscheid van de muziekschool

MEVROUW Wietske de Vries-van Brug uit Lemmer is er niet verdrietig om - daar is haar karakter te opgeruimd en de kracht door haar geloof te groot voor - maar ze zal waarschijnlijk nooit meer gitaar kunnen spelen. Een aandoening aan de vingers van beide handen is er debet aan dat ze haar instrument aan de wilgen heeft moeten hangen. Dat betekent niet alleen dat ze nooit meer zal kunnen musiceren, maar ook dat ze heeft moeten ophouden met haar beroep: het geven van gitaarles. Bijna dertig jaar heeft ze dat gedaan, het laatste aan de muziekschool Sneek en omstreken, die morgen afscheid van haar neemt.

Ze heeft het altijd een heel mooi vak gevonden. Muziek speelt nu eenmaal een belangrijke rol in haar leven en bovendien vindt ze het heerlijk om met kinderen om te gaan. „Maar, er zijn ergere dingen, hoor", zegt ze relativerend. „Je bent goed gezond en daar moet je ook dankbaar voor zijn. Het is ook niet van de ene dag op de andere gekomen. Jaren geleden begon het al. „Op een morgen werd ik wakker en toen wilde die ene vinger niet meer", vertelt ze.
Allengs werd het erger. „Ik dacht eerst ik moet wat meer studeren, dan zal het wel weer terecht komen. Maar dat is juist funest geweest. Daarom zei de dokter ook: je hebt roofbouw gepleegd." Ondanks twee operaties ging het spelen niet meer. „Soms pak ik de gitaar en dan denk ik: nog even proberen. Maar dan is het wel zo stuntelig; net of je een beginneling bent."

Naar de radio

Mevrouw De Vries is evenals haar man, de heer IJsbrand de Vries, afkomstig van Sneek. In haar jeugd luisterde ze vaak naar de radio en vooral op de Franse zenders hoorde ze dan prachtige Spaanse en klassieke gitaarmuziek. De beroemde gitarist Andres Segovia werd een begrip voor haar. „Dan dacht je: hoe is het mogelijk dat ze dit maken," herinnert ze zich van die dagen. Ze begon les te nemen van een particuliere leraar in haar woonplaats. „Dat was wel leuk, maar ik wilde graag een beetje meer." Daarom ging ze later naar Pieter van der Staak, die in Leeuwarden een muziekschool had. Toen deze naar Zwolle vertrok is ze meegegaan en studeerde ze verder aan het muziek-lyceum in de Overijsselse hoofdstad.

„Toen kreeg ik een paar stageleerlingen van Van der Staak en dat is gegroeid. Ik ben daarna ook in Leeuwarden les gaan geven." Dat gebeurde ook in Bolsward, Dokkum en Sneek, waar zij en haar man, die ook muziekleraar was, in 1951 bij haar ouders in trokken. De gitaar was in die dagen nog niet zo bekend in Friesland, althans de klassieke wijze van spelen. Toen ze nog in Zwolle studeerde en in Friesland les gaf had ze het ontzettend druk.

In 1964 hield ze op met het lesgeven in Dokkum, Bolsward en Leeuwarden. Ze trad toe tot een stichting in Sneek waar haar man ook al bij was. „Dat was een groep particuliere leraren die zich hadden verbonden tegen de muziekscholen. Daarmee hadden we zelf ook een muziekschool natuurlijk", legt hij uit. „Toen de muziekschool gemeentelijk werd, traden we daar met onze muziekschool ook tot toe. Dat was goedkoper voor de leerlingen en beter voor ons."

Groepjes

Het echtpaar was dus verbonden aan dezelfde muziekschool. Mevrouw De Vries vormde daar vaak groepjes van leerlingen, zodat ze konden leren samen te musiceren. Niet alleen met gitaren, maar met verschillende instrumenten. „Dan hadden we zo veel plezier", zegt ze. „Ook heb ik eens acht meisjes met gitaar bij elkaar gehad. Dat was een heel mooi jaar". De heer De Vries, die les gaf op orgel, harmonium, piano en accordeon, werd enkele jaren geleden om gezondheidsredenen op non actief gezet. Evenals zijn vrouw wist hij dat snel te aanvaarden. Als leden van de Nieuw Apostolische Kerk, waar ze ook bergen werk voor verzetten, bezien ze alle dingen op aarde in het eeuwigheidslicht en daar putten ze veel kracht uit, vertellen ze. Beiden hebben ze bij het uitoefenen van hun vak veel genoten. Het is een heerlijk werk, vertellen ze, vooral omdat de lessen een privé karakter dragen. „Je hebt daardoor een echte binding met de kinderen."

Mooiste kant

En: “Als we goede leerlingen hadden, zeiden we: je moet muziekleraar of -lerares worden". De heer De Vries is op school dan ook door oud-leerlingen opgevolgd. „Ik had geweldige leerlingen", zegt zijn vrouw. „Minder goede waren er ook en om die wat bij te brengen, zodat ze op een hoger niveau kwamen, dat was eigenlijk je doel. De goeden redden het wel. Haar man: „De mooiste kant is dat je ontdekt dat ook deze leerlingen plezier hebben in het spelen". Samen zijn ze best te spreken over de sfeer op de muziekschool in Sneek. “We hadden daar heerlijke collega's en een fijne directeur".


Koop en Hammie Gaastra sluiten hun monumentale groente/aak aan het Turfland in Lemmer per 1 september. Foto I.C/Paul Janssen.

“MONUMENTALE GROENTEBOER” STOPT

Door Jan Schoten

TEKENEN EN SCHILDEREN, daar houdt de Lemster groenteboer Koop Gaastra van. Straks heeft hij er alle tijd voor want per 1 september is hij groenteboer af. Maar zijn hobby heeft hij altijd al gebruikt om zijn zaak een eigen gezicht te geven. Bij het monumentale pand aan het Turfland prijst hij zijn waar aan in sierlijke krullende letters op schoolborden. „Jo hawwe wat nedich dat der út springt. De buorden trekke in soad oandacht."

Maar het is bijna afgelopen. Koop Gaastra en zijn vrouw Hammie stoppen met de groentezaak. Jammer vinden ze het wel, ze zullen het contact met de klanten erg missen. Maar er moet teveel geïnvesteerd worden om aan de nieuwe milieu-eisen te voldoen en de concurrentie is moordend. De horeca-klanten zijn vertrokken omdat ze bij de grossier goedkoper kunnen inkopen. Verder verdwijnen oudere klanten en komen er geen jongere voor in de plaats. „Elke supermerk hat tsjinwurdich in griente-ôfdieling. Alles ûnder ien dak. Dat is maklik foar jonge minsken, as se nei it wurk noch gau wat keapje moatte."

Gaastra heeft ook geen opvolger die de zaak kan overnemen. Dat is spijtig, want behalve de sierlijke letters is er meer dat zijn groentehandel tot een bijzondere winkel maakt. Neem alleen al het oude pand. De Lemster groenteboer heeft er nooit over gedacht om zijn winkel te moderniseren. Het grote voordeel van het oude pakhuis met het lage plafond is volgens Gaastra dat zijn groente langer koel blijft. Ook heeft hij geen last van de vorst in de winter. “It is gewoan in unyk pân.”

Eigenlijk is behalve het pand ook de groentehandel zelf monumentaal te noemen. Zo neemt Gaastra ouwerwets veel tijd voor een praatje met de klant en stopt hij de verkochte waar persoonlijk in de boodschappentas. “De klant is by ús gjin nûmer." De 58-jarige Gaastra is bijna zijn hele leven groenteboer geweest. Door toedoen van zijn vader Meine Jolle Gaastra rolde hij 45 jaar geleden eigenlijk vanzelf in het vak. Als jongen van veertien verkocht hij 's ochtends voor schooltijd al kistjes sla. Ook trok hij met een bootje langs de binnenschippers in de haven van Lemmer om de groente aan de man te brengen. „Ik mei graach by dy skippers komme want se hawwe jild."

Het was bittere noodzaak om de groente op ieder tijdstip van de dag te kunnen verkopen. „Der wiene doe gjin koelsellen en oars koest it spul fuortsmite", legt Gaastra uit. Verder trok hij in die dagen langs de huizen van de beter gesitueerden in Lemmer. In een boekje noteerde hij wie er tuinbonen wilde hebben. Daarna werden ze besteld, want tuinbonen at de gewone man niet. Het uitgebreide assortiment van vandaag de dag is volgens Gaastra het grootste verschil met vroeger. „No kinst it hiele jier blomkoal, snijbeane. mango's en avocado's krije. Yn ús heit syn tiid ferkochten wy winterdeis allinne winterierappels, woartels, rapen en sipels."

Vanaf 1963. toen zijn zusters trouwden en het huis uit gingen.m, bleef Koop Gaastra in de winkel en hield het venten geleidelijk op. Nu gaat ook de winkel dicht. De Gaastra's blijven in het pand aan het Turfland wonen. Daar willen ze eerst de keuken en de woonkamer maar eens flink opknappen. Ze hebben dus voorlopig genoeg omhanden. Maar ze hoeven niet meer zulke lange dagen te maken als vroeger. „Do giest troch oant alles ferkocht wie", herinnert Gaastra zich. Hij blijft er met plezier aan terugdenken: „Myn pake sei al: de humor en it jild lizze op strjitte."


FOTO (boven): Henk Bron heeft zijn hele achtertuin al opgeofferd aan de spoorlijnen.

FOTO (onder): Voor zijn treinen heeft Bron een kelder gemaakt waarin een rangeerstation van drie etages is ondergebracht. Door een tunnel rijden de treinen de tuin in.

LEMMER LIGT AL JAREN AAN HET SPOOR

Door Jan Arendz

MIDDEN TUSSEN treinen, trams en 500 meter spoorrail is op een betonnen plateau nog net plaats voor vier tuinstoelen en een tafeltje. Achter en naast het huis is verder alles volgestopt met spoorwegen. Henk Bron uit Lemmer is weg van treinen. Op de vrije zaterdag gaan alle 25 locomotieven 'met aanhang' naar buiten. Bron loopt van hot naar haar om alles in goede banen te leiden. De koffie wordt koud en het bier lauw.

Sinds 1989 verovert de Lehmann Graten Bahn (LGB) stukjes tuin bij de twee-ondereen-kap-woning aan de Pollux 55. Twee jaar geleden gooide ingenieur Bron zijn garage zelfs tegen de vlakte. De 'treinengek' maakte een diepe kelder voor een drie etages tellend rangeerstation. Ook legde de Lemster het fundament voor een betonnen tunnel naar de tuin. Vervolgens bouwde hij de garage weer op. „Ja, it is in djoere hobby. Sels it hûs hie fan 'e bouwerij te lijen." Onder de betegelde voortuin ligt de elektrische bedrading al klaar voor weer een uitbreiding. Dit wordt een bergachtig gebied voor locomotieven met power. Daarnaast koopt Bron nog een strook grond van 2 bij 17 meter van de gemeente. De coniferen zullen er plaats maken voor goederenvervoer. Dan is het treinlandschap compleet.

Van onder het terras klinkt de stoomfluit van een oude Oostenrijke loc. Het ijzeren ros komt puffend naar boven. Witte wolkjes kringelen omhoog uit de locomotief. De acht wagons zijn gevuld met hout, pvc en aluminium. Bij een klein stationnetje houdt de trein stil. De diesel die er al stond, mag namelijk eerst. De lichtjes in de personenwagons ontbranden bij vertrek. Langzaam sterft het geluid van de zware motor weer weg. In de verte begint een combinatie aan de klim van een steile berg. De loc grijpt naar de tandraderen en trekt zich omhoog. ..Henk, het sein blijft op groen staan", waarschuwt achterbuurman Jan Essers. Hij komt geregeld langs om te assisteren. „Ik maak de locs schoon. Ik hou van priegelen. Aan de seinen en wissels kom ik niet. Dat is veel te ingewikkeld. Shit, de bergbaan loopt er uit." Bron heeft even geen tijd voor seinhuisjes of ontsporingen.

Een andere trein heeft een wagon verloren. Bovendien krijgt één baanvak geen stroom. Hij moet solderen. De modeltreinen zijn in het echt te zien in Duitsland, Zwitserland en Oostenrijk. Ze rijden op smallere sporen dan die wij kennen. Ze zijn 1 meter breed. In de tuin is de breedte 45 millimeter. „Yn Nederlân lizze trouwens ek wol sokke spoaren. Tusken Enkhuzen en Hoorn. En trams ride der ek op." Deze zomer gaat het gezin naar Zwitserland op vakantie. „Dêr wol ik myn Arosa 622 sjen." Bron - door de week projectmanager in leidingen en kabels - heeft nog één grote wens: een spoorverbinding maken tussen zijn treinenwereld en die van Adrie Siebum aan de Wega in Lemmer. „Wy moatte mar ris mei de ymporteur prate oft wy net ris fiifhûndert meter spoar liene kinne."

Planten groeien dus niet in de tuin. Gras is vervangen door kunstgras, beton, hout en split. Brons nieuwe levensgezellin Els uit Almere klaagt desondanks niet over de uit de hand gelopen hobby. „Want je hebt hem wel bij huis, hè?" Kinderen mogen alleen naar de treintjes kijken. Omdat de trams overdag constant hun ‘diensten' rijden, is er altijd wel wat te zien. Een jongetje staat al een poosje bewonderend achter het tuinhek. Met een Duits accent concludeert hij: „Henk, ik denk dat je dit heel mooi gedaan hebt."


Schilderijen van eigen hand sieren de kapsalon van Kees de Bruin in Lemmer. De kapper heeft zich de laatste tijd toegelegd op het schilderen van vogels.

LEMSTER KAPPER KNIPT EN SCHILDERT

Door Jan Schoten

KAPPER KEES DE BRUIN uit Lemmer wil voorkomen dat hij alleen de geijkte weerpraatjes van zijn klanten moet aanhoren. Daarom hangt hij zijn kapsalon aan de Vissersburen vol met schilderijen van eigen hand en liggen er boeken over de Stijl, het kubisme, tuinen, wijn en beeldhouwen op de leestafel. „Dat maakt in ieder geval wat los. Zo ben je veel bewuster bezig. Je zit niet bij de kapper voor het weer."

Hoe extremer de werken, hoe meer reacties je krijgt, ondervond de Lemster kapper in zijn salon. De Bruin: „Kijk, een schilderij met een landschapje vindt bijna iedereen wel leuk, maar dat levert geen gespreksstof op. Als mensen bij mij in de stoel zitten, maken de schilderijen bijna altijd deel uit van het gesprek. Wat is dit eigenlijk en vind jij dit zelf mooi, vragen ze dan." De reacties op de acht schilderijen die verspreid in de kapsalon hangen, lopen uiteen. „Sommigen vinden het absoluut niks terwijl anderen me vragen of ze de schilderijen mogen kopen. Mijn personeelsleden vinden het volgens mij helemaal niks. Als ik die rare vogels van mezelf ophang, wordt daar hartelijk om gelachen", aldus De Bruin.

De kapper schildert met name vogels in primaire kleuren. In de salon hangen vijf schilderijen met dat thema. Waar die voorkeur voor vogels vandaan komt, weet De Bruin niet. „Het is iets uit het onderbewuste. In vogels kan ik het meeste kwijt. De vogels op de schilderijen zijn allemaal verschillend van karakter net zoals dat voor mensen geldt.

Die vogels hebben allemaal een eigen ziel; ze drukken bepaalde gemoedstoestanden uit. De ene heeft een kwaaie kop en die er naast hangt is een soort sciencefictionvogel. Dan hangt er verderop nog een dodo en één die iets hooghartigs uitdrukt."
De Lemster kapper vermoedt dat hij altijd al een sluimerende interesse voor kunst en schilderen heeft gehad. „Mijn opa schilderde de grachten van Amsterdam en ook zijn broer en zus maakten schilderijen. Ik heb verder een broer die verdienstelijk schildert. Dat wekt je interesse voor kunst.

Sinds ik kapper ben en me met vormgeving bezighoud, raakte dat in een soort stroomversnelling." De 39-jarige De Bruin werkt sinds 1975 als kapper in Lemmer. In die tijd heeft hij al vele wisselende exposities van amateur-kunstenaars in zijn zaak gehad. Kunst past prima in een kapperszaak, vindt De Bruin. „Als je bepaalde pretenties in je vak hebt, moetje daar je entourage bij aanpassen." Toen er geen verzoeken meer kwamen om de zaak als expositieruimte te gebruiken, heeft de kapper zijn eigen werk opgehangen. Dat hangt er nu een paar weken. Sinds 1989 hanteert de kapper de kwast. Meestal doet De Bruin twee à drie uur over een schilderij. „Ik doe het voor de lol en heb geen pretenties als kunstenaar. Ik maak geen schilderijen om te verkopen. Het is schitterend om alles van je af te schilderen als je een avond vrij hebt."

De kapper wil voor het eind van het jaar een serie van tien vogels hebben geschilderd. „Daarna is het tijd voor iets anders."


HOE NOG TEGEN HET ZUIDERZEE-IJS GEKAMPT MOET WORDEN

Nu vooral in de groote steden, niemand meer om ijs denkt toont onze, eergisteren genomen foto dat onze schippers het op de Zuiderzee nog ver van gemakkelijk hebben.

De ijsbreker „Daniël" der firma Goedkoop trachtte de haven van Lemmer te bereiken om een paar booten binnen te sleepen, hetgeen eerst gelukte na 30 uren worstelen tegen de geweldige ijsmassa's Onze afbeelding laat zien hoe de ijsbreker weer uit Lemmer vertrok met zes groote booten achter zich. Het zal wel weer een paar dagen geduurd hebben voor hij Amsterdam bereikt heeft.


VIJF-EN-DERTIG UUR heeft de IJsselmeerstoomboot „Friesland" noodig gehad

VIJF-EN-DERTIG UUR heeft de IJsselmeerstoomboot „Friesland" noodig gehad om de reis van De Lemmer naar Amsterdam te volbrengen, en als de ijsbreker „Daniël Goedkoop" haar niet tegemoet was gevaren, had haar strijd tegen het ijs zeker nóg langer geduurd. De „Friesland" nadert Amsterdam.


HET SCHAATSFENOMEEN GEESKE WOUDSTRA UIT DONIAGA

Bij Geeske Woudstra onze ijskampioene

Kampioene van Friesland, Groningen en West-Friesland.

Fleurich famke, blier en krigel,
Dou bist' Fryslâns gloarje en rom;
Bliuw yet lang sa fris en trêftich.
Moaije, keine Fryske blom!

Woensdagmorgen. — De felle koude was iets geminderd, er lag een weinig sneeuw en het landschap glinsterde en flikkerde in den klaren zonneschijn. Mooi was het rondom St. Nicolaasga; op den eenzamen weg naar Doniaga lag de sneeuw nog bijna ongerept. Na een kort eindje loopen in heerlijk prikkelende vriesatmosfeer kwamen we bij Hooidammen, waar nabij de tramkruising „Vaders Hofstede" oprijst, de boerderij waar Jan Woudstra met vrouw, zoon en dochter hun dagelijkschen arbeid verrichten. Dit is de ouderlijke woning van Geeske Woudstra, de ijskampioene, Frieslands trots en glorie in dezen winter.

We waren gekomen om eens met Geeske te praten, maar we troffen het eerst niet. Ze was absent. Dinsdag had ze gereden te Enkhuizen — daar natuurlijk weer den eersten prijs gewonnen, het kampioenschap van West-Friesland — doch wanneer er intusschen niet een andere hardrijderij in Holland was uitgeschreven, kon ze ieder oogenb!ik komen. We besloten te wachten en dit wachten werd ten slotte beloond: ze kwam thuis, monter en opgewekt, ondanks de lange treinreis.

'n Knappe verschijning met heldere kijkers en een donkeren pagekop. Een fleurich jong ding, eenvoudig en ongekunsteld, echt „in famke út it Fryske lân", slank en lenig en stralende van blozende gezondheid. Onvermoeid ook, want bijna het eerste wat ze zei, toen ze binnenkwam, was: “'k wol aenstons nei Sleat, dêr komme de hirdste riders". Gauw wat eten en onderwijl druk aan het vertellen over haar ervaringen; — daarna een weinig verkleeden en rûts naar Sloten. Haar wordt dezen wintertijd volkomen vrijheid gegeven. De ruimhartige houding van haar ouders stelt haar daartoe in staat. In huishouding en bedrijf doet ze nu niets. Anders weet ze wel van aanpakken. “Ik scil wol fen 't wirk ôf wend wêze, as de winter oer is", merkte ze op.

Uit den mond van haar en haar gastvrije ouders hoorden we de volgende bizonderheden. In totaal heeft Geeske dezen winter deelgenomen aan niet minder dan 19 hardrijderijen, waar ze bijna zonder uitzondering den eersten prijs behaalde.

Hier volgt de respectabele lijst:
8 Jan. Wartena f 20.
9 Jan. Scharsterbrug f 40.
10 Jan. Akkrum f 50.
12 Jan. Grijpskerk f 15.
21 Jan. Echten f 20.
23 Jan. Terzool f 20.
28 Jan . Langweer f 40.
29 Jan. Joure f 40.
1 Febr. Veenwouden f 25.
2 Febr. Groningen f 150.
3 Febr. Scheemda f 200.
4 Febr. Sneek f 40.
5 Febr. Onderdendam f 100.
7 Febr. Marum f 100.
8 Febr. Leeuwarden f 80.
9 Febr. Zoutkamp f 125.
10 Febr. Leek f 75.
11 Febr. Franeker f 40.
12 Febr. Enkhuizen f 150.

Totaal f 1330.

Bovendien kreeg ze te Echten nog een lepel en vork van Gero-zilver; te Veenwouden een paar schaatsen en verg. zilveren medaille; te Sneek een zilveren medaille met lint in de stadskleuren voor den snelsten rit; te Onderdendam een gouden collier; te Leeuwarden een groote zilveren medaille van de Koningin; te Leek een zilveren Leekster tak en te Enkhuizen de kampioensmedaille. Geeske heelt al deze prijzen gewonnen op een paar ouderwetsch-beste schaatsen die nog aan haar grootvader hebben toebehoord.

Een schaatsenfabrikant in deze provincie offreerde haar 'n paar splinternieuwe, geheel naar het model van haar eigen schaatsen, doch hierop vertrouwt ze zich niet. Zonder haar oude schaatsen voelt ze dat ze minder fief is. Dat ze te Grijpskerk slechts het cadeau kon halen, kwam ook, doordat ze haar trouwe makkers niet bij zich had.

Den vorigen dag had ze te Akkrum gereden. Ze was daar met haar broer Hielke. Deze droeg na de rijderij de schaatsen, toen ze van de baan naar de prijsuitdeeling gingen. Bij aankomst aldaar bleek één van haar schaatsen verdwenen.
“Nou haste myn fortún forskopt", verweet ze haar broer in vertwijfeling. Al hoe gezocht werd, de schaats bleef weg. Dit werd te Grijpskerk den volgenden dag haar ongeluk. Ze moest op andere schaatsen rijden, met het gevolg dat ze er werd afgereden, hoewel ze de deelneemsters best kon “hebben" volgens haar overtuiging.

Haar geleider, de landheer van haar vader, de heer O. T. de Jong te Joure, die van af de Akkrumer hardrijderij haar steeds per auto of trein vergezelt, ging een dag later expres naar Akkrum om te trachten de verloren schaats te vinden. En hij had geluk: de schaats hing voor een raam met een briefje eraan dat ze gevonden was. Geeske had om haar verlies geschreid, vertelde vader Woudstra, maar toen de schaats weer terecht was, voelde ze zich weer rijk; haar neerslachtige stemming sloeg om in een van blij geluk. Ook in Terzool moest ze zich met de premie tevreden stellen: ze kon zich niet geheel geven, omdat ze ietwat griepig was. En daar had ze thuis natuurlijk niets van gezegd.

Overigens is Geeske de ongeslagen kampioene van dezen winter: overal waar ze komt, kraait haar haan victorie. Bijna nergens hoeft ze zich bizonder in te spannen, zegt ze. Alleen te Scharsterbrug, Akkrum en Groningen was het klauwen. Maar vooral in beide laatste plaatsen waren vele van de beste rijdsters. Het is wel eigenaardig en een zeer sportieve trek in Geeske, dat ze liefst de vlugste rijdsters tegenover zich heeft. Dan is edele strijd om de overwinning! Dan kan ze de snelste ritten maken. „'t Is krekt as ik dan sa goed myn bêst net dwaen kin", zegt ze, „hwennear ik sjuch dat ik se mak'lik oan kin".

Vermakelijk is wel, wat zich in Groningerland afspeelde. En tevens een bewijs hoe graag men Geeske in de baan ziet. In Scheemda had men haar onlangs verzocht te komen, maar wegens invallenden dooi moest de rijderij overgaan.
Toen ze later, Zaterdag 2 Februari, te Groningen reed, kwam te Doniaga een telegram uit Scheemda met herhaald verzoek om daar des Zondags te komen rijden. De prijs was daar f 120. Dit telegram werd naar Groningen doorgezonden.

Onderwijl verscheen op de ijsbaan te Groningen het bestuur van de ijsclub Winschoten, dat Geeske vroeg of ze den volgenden dag daar wilde verschijnen. Ook hier was de prijs f 120. Ze sloeg dit aanvankelijk af, omdat Scheemda eerst was. Winschoten zeide toen toe den prijs te zullen verhoogen tot f 150. Toen men aan het onderhandelen was, kwam ook het bestuur der ijsclub Scheemda opzetten, die den prijs voor hun hardrijderij opvoerde tot f 200. Geeske heeft toen dit aanbod natuurlijk aanvaard. Alzoo werd ze bij opbod gekocht!

Plotseling is Geeske Woudstra als dè ijsster aan den winterhemel verschenen.
Niemand buiten haar omgeving had ooit van haar gehoord. — Nu is ze ineens beroemd geworden.
— Heeft ze al vaker meegereden? zoo vroegen we. Slechts eenmaal is ze in de groote baan uitgekomen en wel het vorig jaar te Scharsterbrug bij een rijderij van vrouwen, waar ze den eersten prijs van f 30 won. Ze was toen pas 16 jaar. Van jongs af aan is het al een goede rijdster geweest. Bij rijderijen van schoolkinderen en meisjes won ze op 8 à 9-jarigen leeftijd een zilveren collier; met ongeveer 11 jaar een paar schaatsen en toen ze 13 à 14 jaar oud was een armband-horloge.

Kennissen van haar en haar. ouders, die haar succes te Scharsterbrug hadden meegemaakt, drongen bij haar aan om dezen winter weer in de baan te gaan. Toen ze te Wartena en te Scharsterbrug won, kreeg ze den smaak te pakken en toen was er geen houden meer aan. In Friesland, Groningen, in Holland: ze kwam, reed en overwon. Ze heeft de schaatsrijderskunst echter niet van vreemden, ook haar ouders staan stevig op de smalle ijzers en haar grootouders dito. Er zijn in de familie wel meer prijzen gewonnen.

Geeske doet overigens niet aan sport: korten tijd heeft ze gymnastiekles gehad, maar dat is ook al weer gedaan. „Goed ite en oaren dêr of ride, dan kin men priiswinster wirde", is haar standpunt. Haar geduchtste tegenstandsters zijn Janna v. d. Meulen van Grouw, Annie Zondervan van Leeuwarden en Froukje Pijper van Winschoten. Toch is ze allen nog de baas. Van vermoeidheid weet ze niets, stijfheid in de spieren, heeft ze nog nooit gevoeld. Wel is ze de laatste periode zes pond lichter geworden, maar ze is er beter om, zegt ze. In deze dagen heeft ze de goede gewoonte om sober te leven — wèl goed eten! daar ziet ze naar uit — en bij prijsuitdeelingen gaat ze steeds zoo vroeg mogelijk naar huis, om zich niet te laat ter ruste te begeven.

Ze is opgetogen over het onthaal, waarmee men haar overal tegemoet komt en stelt de vriendelijke geleide van den heer O. T. de Jong zeer op prijs. Te Groningen kregen Janna en zij ieder een groote taart. Al de eere, die haar van verschillende kanten toegezwaaid wordt, apprecieert ze zeer, maar toch maakt dit weinig indruk op haar gemoed en karakter: ze blijft de gulle, eenvoudige deerne, die ze steeds geweest is en waardoor ze zich veel vriendschap heeft verworven. Dit laatste hoorden we van personen buiten haar ouderlijk huis. Trouwens, zelf hadden we dien indruk ook reeds gekregen.

24 April a.s. wordt ze 18 jaar. Op 17-jarigen leeftijd dus al beroemd in de sportwereld. Moge haar roem een volgenden winter behouden blijven! Of het zoo zijn zal? De laatste jaren zijn het steeds verschillenden geweest, die met de eere gingen strijken. Het vorig jaar Annie, daarvoor Janna, nog een keer eerder Martha. Roem vervliegt als rook. — Maar Geeske zal voor latere jaren mooie herinneringen behouden aan dezen winter, die plotseling aan haar naam een groote bekendheid heeft gegeven. Daar zorgt moeder Woudstra wel voor, die alle knipsels en krantenfoto's zuinig bewaart, om ze in een album bijeen te zamelen.


SCHIPBREUK

DE BOTTER VN 113 (VOLLENHOVE) LEED OP DE ZUIDERZEE SCHIPBREUK na den lagen waterstand lek te zijn gestooten. De twee opvarenden werden met moeite gered.
Later is het schip weer gelicht en naar Lemmer gesleept. Onze fotograaf knipte het moment dat de boeg van de VN 113 juist weer boven water kwam.


KOLENNOOD OP URK

Uit Lemmer: Gistermorgen half acht zijn van Lemmer over het ijs naar Urk vertrokken de Gebr. Coehoorn met twee vrachtauto's geladen met drie ton steenkolen voor de Electrische centrale aldaar, waaraan groote behoefte bestond, Na op Urk gelost te hebben, was men om half twaalf behouden te Lemmer terug.


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.