Herinneringen uit mijn kinderjaren in Lemmer... vervolg

Herinneringen aan Lemmer (3)

Als jongen genoot ik enorm van de binnenscheepvaart. Blijkbaar zat dat toch ook wel in de genen, niet alleen vanwege het feit dat ik geboren was op de sleepboot ‘Coja’, maar ook omdat mijn opa Jannes Bosma, schepen over het IJsselmeer loodste en mijn oom Cor inmiddels op de ‘Coja’voer. Omdat mijn vader vanwege zijn beroep als bevrachtingsagent dagelijks met veel schippers te maken had, kwam ik daardoor nogal eens op een binnenschip en kreeg soms ‘tijdelijke’ vriendschap aan kinderen die op schepen woonden en soms in Lemmer een paar dagen naar de lagere school gingen.

Zo ontmoette ik ook eens een heel vriendelijk meisje met de bijzondere naam ‘Janke’. Haar ouders hadden een binnenschip waarvan de motor kapot was en, voor zover ik me dat herinner, de hele roef onder de zwarte smeerolie zat. Blijkbaar was er geen geld om de motor te laten repareren en het schip moest ‘geboomd’ worden.

Maar ook Lemmer zelf kende een paar schepen, beter gezegd een paar pramen, die geboomd moest worden. Dat waren de ‘jiskepream’ en de ‘strontpream’. Met de ‘jiskepream´werd de vuilnis vervoerd naar de stortplaats Siberië’. Aan de strontpream zat meestal een vies luchtje, maar ook een bijzonder verhaal!

De ‘strontpream’

De strontpream was bedoeld om de houten poeptonnen die nog in veel oude huizen waar nog geen wc was, in de ‘huuskes’ stonden , te vervoeren naar ‘Siberië’. Dat was de vuilstortplaats van Lemmer aan de weg naar Tacozijl, net voorbij Villa Nova. De poeptonnen werden omgeruild voor een lege en de volle tonnen werden, met een houten deksel erop, op een speciale kar opgehaald en naar de Kortestreek gebracht waar ze in de strontpream geladen werden.

Wanneer de pream vol was met de gevulde tonnen moest deze naar Siberië gevaren worden.
En de voorstuwing was dus met de boom. Dat was een lange stok met een speciaal uiteinde, die door de schipper in kanaalbodem werd gestoken en door van voren naar achteren te lopen in het gangboord van de pream, ging de pream naar voren, kreeg deze vaart en ging zo met z’n kostbare lading op weg. Als de strontpream eenmaal een gangetje had, was deze achterin met het roer dan ook goed te besturen.

Lossen van de lege en laden van de volle stronttonnen. Op de achtergrond is de 'Jan Nieveen' te zien aan de Emmakade.

Nu lag in die tijd, het zal in het begin van de vijftigerjaren zijn geweest, er nog een oude smalle draaibrug tussen de Langestreek en de Kortestreek, ter hoogte van het Waaigat. Later is deze vervangen door de huidige basculebrug.

Het was dus voor de schipper van de strontpream erg prettig als de brug tijdig open ging, zodat hij de vaart in de pream kon houden om vlot door de opening te komen.
Maar als de brug te laat openging, dan moest de schipper van de strontpream, deze met behulp van de boom, afstoppen. Dat was niet zo leuk, want dan moest later de pream, als dan de brug was opengedraaid, weer op snelheid worden gebracht. Beide manoeuvres, het afstoppen en weer op gang brengen, vergde een grote inspanning van de schipper en gaf natuurlijk bij hem ook grote ergernis.

Van mijn vader hoorde ik het verhaal dat een van de schippers van de strontpream in onmin was geraakt met de brugwachter. Blijkbaar had de schipper nogal eens moeten afstoppen en wachten omdat de brug door deze brugwachter te laat werd opengedraaid. Begrijpelijk dat de schipper zich nogal boos maakte. Flinke scheldpartijen over en weer waren het gevolg.

Op een zekere dag was het weer zover. De pream moest door de draaibrug, maar deze ging niet tijdig open. Dus moest de schipper de pream weer gaan afstoppen om te voorkomen dat die tegen de brug aan zou varen. De schipper was woest en de scheld- en vloekwoorden waren niet van de lucht.

Toen uiteindelijk de brug na een tergende wachttijd open was gedraaid, kwam de pream naar voren en voer met een kalm gangetje de brugopening in. De schipper, nog steeds woedend, stroopte z’n mouwen op, boog zich voorover, pakte het deksel van een strontton af en graaide handen vol stront en bekogelde daarmee de brugwachter. Maar ja die kon niet weg, want hij stond zelf op de geopende draaibrug en kon alleen maar proberen de drollen te ontwijken.

Hoe deze ruzie is afgelopen, zegt het verhaal niet, maar wel heb ik begrepen dat daarna de brug met respect voor de schipper steeds vlot werd geopend voor de strontpream.
De tonnetjes werden op Siberië leeg gestort in een strontgoot en de inhoud kwam op een stortplaats terecht. De geleegde tonnen werden in een grote bak met lysol omgespoeld en klaargezet voor de volgende poepronde.

Zelf ben ik als kleine jongen ook enkele keren met de praem meegeweest en mocht dan achterin het roer bedienen. Ja, dan voelde je je echt ‘kapitein op de strontpream. Toen wist ik echter nog niet dat ik jaren later zelf als Stuurman op zeeschepen van de Holland Amerika Lijn zou varen en weer later als Register-loods in Rotterdam-Rijnmond duizenden schepen zou loodsen.

Herinneringen aan Lemmer (4)

Behalve de bekende ‘strontpream’, waarover ik vertelde in deel 3, waren er nog een paar schepen in Lemmer waar ik als kind toch wel iets mee had.

Sleepboot Femmy.

Om te beginnen was daar de Femmy, een heel klein, lief sleepbootje dat eigendom was van de steenkolen handel van Gosse Wierda. De Femmy sleepte en verhaalde de kolenschepen, meestal Rijnaken zonder eigen voortstuwing, van en naar de Tramhaven waar het kraanschip van Gosse Wierda lag.

De machinist van deze door stoom aangedreven kraan was Atte Duiker. Hij was vader van Jaap, een klasgenoot van me. Een erg driftige man in mijn beleving als kind. In de Tramhaven werden de steenkolen overgeslagen in andere binnenschepen, maar ook naar de wal om verder naar de opslagloodsen in de buurt van de oude sluis, naast het kantoor van m’n vader, te worden getransporteerd.

Wat me nog heel helder voor de geest staat, is dat de Femmy natuurlijk ook wel een slokje brandstof lustte. De kapitein van de Femmy, Oepke de Boer moest zelf met behulp van een speciale roterende vlinderpomp (met heen- en weerzwengel), die met de inlaatpijp in een olievat werd gezet, de olie overpompen in de bunker van de sleepboot. De olievaten werden met een vrachtauto aangevoerd en stonden op de Prinsessekade t.h.v. het oude tramstation.

Overigens was deze kapitein een bijzonder aardige man, die bij mij altijd heel goed gemutst overkwam. De kapitein van de Femmy woonde aan de Vissersburen. Vaak lag zijn bootje bij hem voor de deur (de Rien langs de Vissersburen was toen nog niet gedempt). Op een bepaalde morgen bleek de Femmy op onverklaarbare wijze gezonken. Dus groot alarm. Brandweer erbij, maar ook werd de ‘Jan Nieveen’ ingezet om de Femmy weer boven water te krijgen.

Ik kan me herinneren dat er kabels of kettingen aan de Femmy waren bevestigd die omhoog door de ankerkluis gingen. Met inzet van alle aanwezige hulp is de Femmy weer drijvend gemaakt. Maar of ze daarna nog voor de steenkolenhandel heeft gevaren, dat weet ik niet meer. Wel weet ik dat de kapitein van de Femmy later machinist is geworden op de grote kraan bij de, toen nieuwe, scheepswerf Bijlsma, net buiten Lemmer, aan het begin van de Noordoostpolder.

‘Jan Nieveen’

De naam ‘Jan Nieveen’ heb ik al even genoemd. Het was een gecombineerd passagiers- en vrachtschip dat regelmatig tussen Lemmer en de Ruijterkade achter het Centraal Station in Amsterdam voer. Ze werd dan ook aangeduid met de naam ‘Lemmerboot’ en iedereen wist dan waarover je het had. Wat ben ik vaak met dat prachtige schip meegevaren naar Amsterdam, waar mijn oma en opa Bosma woonden aan het Droogbak, in de buurt van het CS. Ook de terugreis naar Lemmer ging met de Jan Nieveen.

De 'Jan Nieveen', hier bij de Ruijterkade, in Amsterdam.

Jan Nieveen, nog stoomschip, afgemeerd aan de Emmakade in Lemmer.

Jan Nieveen, varend ‘onder stoom’

Jan Nieveen, nu motorschip, uitvarend uit de sluis van Lemmer op weg naar Amsterdam.

In de zomer, als het erg druk was, voeren er soms nog twee andere schepen tussen Lemmer en Amsterdam. Dat waren dan de stoomschepen IJselstroom en Waalstroom. De IJselstroom was wit en de Waalstroom zwart. Maar beide hadden een prachtige triple-expansie stoommachine (kwam ik later pas achter), waarmee ze een aardige snelheid konden varen. Zelfs iets sneller dan de Jan Nieveen. Ze meerden af aan de remming buiten de sluis, maar ook wel eens in de tramhaven en moesten dan zowel vooruit als achteruit door de smalle opening van het bruggetje over het begin van de tramhaven. Wat een manoeuvreerkunst om de schepen in de Voorhaven of de Tramhaven voor de kant te krijgen.

"IJselhaven" (voormalige Jan Nieveen), terwijl deze achter de zojuist naar zee vertrokken "Nieuw Amsterdam" vaart.

Ik herinner me nog heel goed dat ook de Jan Nieveen nog een triple-expansie stoommachine had. Als je aan dek door de deur in de machinekamer keek, zag je de stoker/machinist druk bezig met het stoken van de ketel met van die grote brokken steenkool. Er hing ook altijd een speciale lucht van stoom, vermengd met smeerolie, in het gangboord. En vaak moesten de as en de sintels overboord. Dat ging dan via een speciale stortkoker.

Op een zekere dag zagen we haar weer Lemmer binnenkomen nadat ze een tijdje uit beeld was geweest. In welk jaar dat was, weet ik niet meer. Ze had een dieselmotor gekregen. De zo kenmerkende lange zwarte schoorsteen was vervangen door een korte stomp van een schoorsteen met aan de voorkant de grote scheepshoorn.

Van stoomschip tot motorschip was wel een erg grote verandering. Van de rustige stampende stoommachine naar een dieselmotor die meer trillingen en lawaai in het schip veroorzaakten. Maar verder bleef het een heerlijk schip, dat bij mij allerlei gevoelens en vergezichten opriep.

Al eerder heb ik vermeld dat ons groeiende gezin brood kocht bij bakker Vonk. Theo, de knecht van bakker Vonk, was altijd heel vroeg aanwezig in de bakkerij aan het begin van het Turfland (tegenover de kerk van de Ger. Gemeente).

In de zomermaanden vond ik het altijd fijn om ’s morgens vroeg de Lemmerboot te zien binnenkomen. Nu was de kapitein van de Lemmerboot gewend om bij het passeren van de Rotterdammerhoek (knik in de dijk van de Noordoostpolder) het zware geluid van de scheepshoorn te laten klinken. Dit om alle belanghebbenden in Lemmer alvast te laten weten: we komen er aan. Het geluid was in Lemmer heel goed te horen, zeker wanneer de wind uit die hoek kwam.

Altijd wanneer de Jan Nieveen ging blazen, werd ik wakker van het zware geluid. Ik stapte dan vliegensvlug uit bed. Kleedde me aan, stak m’n hoofd onder de keukenkraan om me wat op te frissen en ging de deur uit. (Ja, m’n vader en moeder wisten ervan en vonden dat wel goed)
Als eerste ging ik dan naar bakkerij Vonk. Even gezellig een babbeltje met Theo maken. Daar hoorde ik dan de Lemmerboot weer blazen als die in de buurt van het “einde van de dam” was. Voorzien van een lekker stuk koek ging ik dan naar de sluis en kon de Jan Nieveen zien binnenvaren.

Lemmersluis, binnenste sluisdeuren.

Op de sluis stonden aan beide zijden dan twee sluiswachters die de sluisdeuren en de schuiven met de hand moesten openen en sluiten. Eén van die sluiswachters was de vader van m’n goeie en echte vriend Haye Dijkstra (helaas is ook Haye op veel te jonge leeftijd overleden). De sluiswachters woonden in dienstwoningen bij de sluis.

Wanneer de Jan Nieveen langzaam de sluis in schoof, zag ik de kapitein aan dat enorme stuurwiel draaien en de machine bedienen. Dat binnenvaren en afmeren maakte een geweldige indruk op me. Ik herinner me nog een paar namen van kapiteins: de Boer en Bijlsma (?) en Bouwman. Een van de stuurlieden was de vader van Trijntje Staal, een lief klasgenootje dat ik al eerder heb genoemd. Tijdens een van de reizen naar Amsterdam, mocht ik ’s nachts een tijdje in het stuurhuis zitten. Wat genoot ik en wat had ik een grote bewondering voor de kapitein en stuurman dat zij de weg wisten op het IJsselmeer!

Ook het binnenvaren in Amsterdam was een belevenis. Eerst het buiten-IJ, dan de Oranjesluizen, het IJ en dan het afmeren aan steiger aan de Ruijterkade. Als dan de Jan Nieveen in de Lemmersluis was afgemeerd, mocht ik wel eens aan boord komen en mee varen naar de ligplaats aan de Emmakade. Ik maakte dan mee dat het schip in de Binnenhaven over stuurboord ging zwaaien en achteruit naar de ligplaats werd gemanoeuvreerd. Het maakte allemaal een onuitwisbare indruk op me!

De hofmeester op de Jan Nieveen was in mijn kinderjaren de heer Verschoor. Die keren dat ik als kind 's nachts met de Jan Nieveen meevoer, zag ik dat hij aan z'n bar met de machinist zat te 'knobbelen'. Ik hoor nog het rammelende geluid van de knobbelstenen in het bekertje! Jaren later kwam ik hofmeester Verschoor weer tegen in Emmeloord. Hij beheerde daar het koffiehuis bij het busstation.

Tijdens m'n jaren als Stuurman bij de Holland Amerika Lijn en gedurende de eerste jaren dat ik loods was in Rotterdam-Rijnmond heb ik de Jan Nieveen heel vaak op de Nieuwe Maas bij Rotterdam gezien. Het schip was veranderd in een partyschip door de extra accommodatie op het voorschip. Het inmiddels wit geschilderde schip had ook een andere naam gekregen: 'IJsselhaven' en weer later 'Wolga’. En steeds kwamen die nostalgische herinneringen en gevoelens weer boven drijven.

De ‘Jan Nieveen’, wow, wat een mooi schip en wat een nostalgische herinneringen heb ik aan haar.

Jan Nieveen als IJselhaven aan de Boompjes in Rotterdam.

‘Jan Nieveen’ als ‘F.P. von Knorring’ in Mariehamn (Finland) waar het als restaurant wordt geëxploiteerd.

Herinneringen aan Lemmer (5)

Werken in de polder.

Omdat mijn vader maar een eenvoudige kantoorbaan als bevrachtingagent bij de overheid had en m’n ouders een groter wordend gezin hadden te onderhouden, hadden zij het niet zo breed. Wij als kinderen dus ook niet. Zakgeld was er helemaal niet bij. We vonden het dan ook heel normaal om in de vakanties bij de boeren in de NOP een baantje te zoeken om wat te verdienen. Aan het eind van de zomervakantie ging dan het hele gezin op de bus naar Sneek, en werden we bij C&A in de nieuwe kleren gezet.

Het werken ’s zomers bij de boer in de NOP bestond uit: aardappelloof trekken, aardappel rooien of aardappel rapen. De landbouw was toen nog niet erg gemechaniseerd, dus het oogsten van veel landbouwproducten ging nog met de hand.

Zo hebben m’n zus Annie, broer Jannes en ik heel wat kilometers over de aardappelvelden gekropen bij boer Lubberding en Jaarsma op de Hopweg. De rijen met aardappelen waren 300 meter lang (zoals alle landerijen van de boeren in de NOP). En natuurlijk probeerde je per dag een paar rijen te trekken, te rooien of te rapen. De snelheid werd vooral bepaald door het soort werk wat je deed, omdat het rooien van de ‘gelichte’ aardappelen nu eenmaal een stuk zwaarder was dan het alleen maar oprapen. Per meter kreeg je, ook weer afhankelijk van de zwaarte van het werk, voor zover ik me dat kan herinneren, maximaal één cent.

Er waren ook volwassen mannen die dit werk echt voor hun boterham deden en die konden natuurlijk veel sneller looftrekken of aardappelen rooien of rapen. Zij hadden armen als boomtakken en handen als kolenschoppen. Wij met onze korte armpjes en kleine handen kwamen daar dus helemaal niet aan te pas. Maar, we deden ons best en probeerden toch, om de mannen bij te houden, wat uiteraard niet lukte. Nu werd er elke dag door de boer uitbetaald voor het aantal meters dat je had gewerkt.

Wat me toen als kind al opviel, was dat boer Lubberding, een nogal lange man, enorme passen nam (elke pas van z’n lange benen moest één meter voorstellen) en dan bleek plotseling dat het veld een stuk korter was geworden. En protesteren, wat we uiteraard deden, hielp niet. Want dan kon je wel weg blijven. En we waren al heel blij dat we dat baantje hadden. Bij boer Jaarsma vond ik het een stuk prettiger werken. Na kantoortijd kwam onze pa Jan op de fiets vaak naar ons toe en ging dan ook meehelpen. Ja, het waren heel lange dagen daar in de polder.

De Lemmer Houtmolen afgebrand.

Het was op een mooie zomerse dag dat Annie, Jannes en ik op het veld bij boer Lubberding aan het werk waren, toen we plotseling op een wat vreemd tijdstip de stoomfluit hoorden van de Houtzagerij in Lemmer. En die fluit bleef maar blazen. Toen we die kant opkeken, zagen we dat er grote rookwolken omhoog krulden. De stoomhoutzagerij van Lemmer stond in brand.

Maar ja, we waren wel erg nieuwsgierig en vonden het heel spannend, toch bleven we nog een tijdje op het land werken voordat we naar huis fietsten. Bij Lemmer aangekomen, was er bijna geen doorkomen aan door de drukte en het was goed te zien dat het grootste gedeelte van de houtzagerij toen al was afgebrand.

De brand van de "Houtmolen" (Halbertsma Pallets) aan de Polle in Lemmer, daar gingen in 1953 drie woningen en de houtopslag van de Houtmolen , in vlammen op. Jongens stookten een vuurtje....Enorme brand te Lemmer legt houtloods, vijf huisjes en wagenmakerijtje in de as. Brandweerploegen uit de wijde omtrek hielpen bij het blussingswerk, schade meer dan twee ton.

Bij de brand te Lemmer bleven, dankzij de windrichting, de hoofdgebouwen van de stoomhoutzagerij gespaard. Desondanks leed het bedrijf, naar men schat, een schade van meer dan twee ton. Op straat was het één wirwar van slangen: het vuur werd bestreden met 21 stralen.

Van Fritsina Grijpstra, geboren in Lemmer in 1953, kreeg ik nog een aanvulling over het bericht van deze brand. Haar moeder moest, een paar dagen nadat ze bevallen was van Fritsina, met haar jonge gezin geëvacueerd worden vanwege de hitte in hun huisje en gevaar van overslaan van het vuur. Hun huisje stond vlakbij de houtmolen.

Het werken met drie paarden.

Ook op onze vrije dagen en andere schoolvakanties waren wij veel bij een boer in de NOP te vinden om daar een paar centen te verdienen. Zo heb ik vaak gewerkt bij boer De Laat aan de Lemsterweg (de weg naar Bant). Ik was toen elf jaar.

In het najaar, op zaterdagen en in de herfstvakantie heb ik bij boer De Laat heel veel bieten getrokken. Ik vond dat ontzettend zwaar werk. Maar vooral heb ik veel knollen geplukt. De bieten werden keurig op een rij gelegd, werden gekopt met een speciaal mes. De knollen werden op hopen gegooid en daarna op de wagen geladen. Voor die wagen stonden naast elkaar drie (!) paarden.

Met een volle lading ging het dan naar de boerderij, vaak was het dan al bijna donker, waar intussen boer De Laat al aan het melken was. Boer De Laat was een echte paardenliefhebber. Nu had zijn buurman een paard dat nogal wild en onhandelbaar was. Die buurman wilde dat paard van de hand doen, d.w.z. naar de slager! Toen heeft boer De Laat dat paard overgenomen en als het voor de wagen moest, spande hij het tussen zijn twee andere paarden in. Daar liep dat paard in alle rust en deed z’n werk.

Ik vond het een ontzettend lief paard en kon er heel goed mee overweg. Zo goed zelfs dat ik op een dag met het paard op pad werd gestuurd naar Rutten, naar de hoefsmid.
Ik heb toen eerst het paard het tuig aangedaan, daar kon ik dan m’n voeten inzetten; halster om en een paar korte leidsels. En daar ging Leendert Bosma als een trotse ruiter op het z.g. wilde en afgeschreven paard naar de hoefsmid in Rutten.

In Rutten werd het bij de hoefsmid geparkeerd in een speciale zware houten constructie die eigenlijk bedoeld was voor zware Belgische paarden. Deze grote en beresterke paarden waren in de polder geïntroduceerd door Zeeuwse boeren die na de watersnoodramp naar de NOP waren verhuisd. Maar ‘mijn ‘ paard was niet zo groot en lomp. Toch vond de hoefsmid, inmiddels op de hoogte van mogelijke nukken van het paard, het veiliger om het paard goed vast te zetten.
Wat was ik die dag trots dat boer De Laat mij de rit naar Rutten toevertrouwde. In de loop van de middag kwam ik weer terug op de boerderij met het vers beslagen paard. Ik weet overigens niet meer of het een merrie of ruin was.

Toen ik weer een keer een wagen vol had geladen met knollen, was het zo’n beetje donker op het land. Maar ja, de vracht moest wel naar de boerderij. Dus heel voorzichtig de drie (!) paarden aangespoord en tussen de hopen met knolletjes doorgemend. Toch ging het op een bepaald moment ontzettend fout, toen de paarden tegen een bult knollen aanliepen. Mijn ‘lievelingspaard’ dat in het midden liep, schrok zo geweldig, dat het begon te steigeren en min of meer achterover in het tuig viel. De beide andere paarden waren daardoor ook helemaal van slag. Ik wist even niet hoe ik het had en hoe ik dit moest aanpakken. Want de tuigen en alles wat erbij hoorde zat verward. Ik kon in dat pikkedonker alleen maar proberen de paarden te kalmeren.

Gelukkig kwam boer De Laat, die het toch wel wat laat vond worden, plotseling uit de duisternis te voorschijn. Samen hebben we toen de paarden weer uit- en ingespand en zijn voorzichtig naar de boerderij gereden met de vracht knollen. Dat was een heel spannende avond. Later realiseerde ik me dat dit wel eens ontzettend fout had kunnen aflopen, maar als kind dacht je daar niet aan.
Het waren diezelfde drie paarden die ik mocht mennen bij het ploegen. Het was een kunst om de vore zo recht mogelijk te laten zijn. Aan het eind van zo’n voren, moest je weer terug. Maar eerst moest de ploeg gekeerd worden. Oh, wat was dat zwaar. Maar wat genoot ik van het werken met die paarden.

Toen wij als kinderen nogal veel en vaak op boerderijen waren en werkten, hadden we thuis meestal wel de beschikking over verse, volle koeienmelk. Mijn moeder roomde de melk na een dag af en dan hadden we ook slagroom, die dan weer via de gekookte chocoladepudding in onze kindermagen verdween.

Mijn vader was een kei in het koken van die heerlijke pudding die zondags bij het middageten op tafel kwam. De pudding zat in een speciale tulbandvorm. Als hij die stijve pudding dan op een groot bord had gekeerd, dan schudde hij de pudding flink heen en weer en meestal spleet de trillende pudding dan in tweeën. Als kinderen vonden we die schuddende en trillende pudding prachtig en we zagen daarin dan – we konden het niet helpen – de schuddende billen in van iemand die we goed kenden.

Melk halen in de winter.

Het was een keer midden in de winter en het vroor dat het kraakte. Van m’n moeder kreeg ik de opdracht om op de fiets te stappen en in de NOP bij boer Rasing aan het Schoterpad melk te gaan kopen. Ik vond dat natuurlijk niet leuk, want het was een flink eind fietsen en dan met die harde wind en die melkbus aan het stuur. Maar, goed ik ging op pad op m’n gammele fiets (door m’n opa in elkaar gezet).

Maar in de NOP was de wind zo hard en tegen, dat ik ineens een lumineus idee kreeg. Naast de weg, het Lemsterpad, was een heel diep uitgegraven sloot (zoals alle gegraven sloten in de NOP diep waren uitgegraven). Op het water in die sloot zat een laag ijs. Ik ging dus op dat ijs rijden, lekker uit de wind. Hoe mooi kun je het in de winter krijgen!! Helaas niet voor lang, want volkomen onverwacht ging ik met fiets en al plotseling door het ijs en stond de fiets tot aan de assen van het voor- en achterwiel in het water. Ik dus ook en de laarzen die ik aan had zaten ook vol. Lange broek nat, kousen kletsnat en ik steenkoud.

Nu dan maar weer naar huis? Nou nee, zo werkte dat niet, want dan had m’n moeder me zonder pardon met droge kleren aan weer op pad gestuurd, want die volle boerenmelk moest er wel komen! Dus, nadat ik weer op naar boven was gekropen en de fiets met aan het stuur de melkkan, weer op het droge had getrokken, gingen de laarzen en de kousen uit. De laarzen werden geleegd en de kousen werden uitgewrongen. Natte kousen weer aan? Nee, ik deed de laarzen aan over m’n blote voeten en hing de kousen over het stuur, zodat ze tijdens de rit lekker konden drogen……

Toen ik een half uur later, na de tocht door de kou en harde oostelijke wind, bij boer Rasing aankwam, waren de kousen inmiddels zo hard als bevroren stokvis. Ik heb toen bij boer Rasing wat stro om m’n voeten en enkels gedaan en toch maar weer de laarzen aangetrokken.
De kousen heb ik maar aan het fietsstuur laten hangen., daar was toch niets mee te beginnen. Maar, de rit op de fiets in die verschrikkelijke kou, is toen toch gelukt, want ik had de melk waarvoor ik op pad was gestuurd, in m’n busje aan het stuur (wel met een laagje ijs erop!).