Home » Lemmer » Visserij en schepen » Redders in storm en noodweer » Redders in storm en noodweer (1)

Redders in storm en noodweer (1)

Wijbe Verhoeff, die ongeveer 35 jaar op de reddingboot Hilda heeft gevaren, eerst als opstapper, later als stuurman. Hij draagt hier een pet met het embleem van de KNZHRM, de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij. Op de revers een Koninklijke onderscheiding.

Reddingboot
Reddingboot
Reddingboot-2
Reddingboot-2
Reddingboot-3
Reddingboot-3
Reddingboot-4
Reddingboot-4

September 1969: Te Lemmer na 23 jaar reddingsboot schipper af.

Wouter Vaartjes.

Schipper Wouter Vaartjes van de reddingboot Hilda uit Lemmer heeft het roer uit handen gegeven, moeten geven. Zijn gezondheidstoestand maakte — zoals bekend — kortgeleden namelijk een wat voortijdig einde aan zijn lange loopbaan van reddingbootschipper. Voor het overige was hij anders trouwens over enkele maanden toch van „zijn" boot gestapt.

Schipper Vaartjes wordt de 27-ste november 65 jaar en de „maatschappij", de KNZHRM, is dan onverbiddelijk: zij vindt het dan de hoogste tijd om een jongere kracht aan het stuurrad te zetten. Per slot van rekening is het schipperen op een reddingboot geen werkje, dat men bij wijze van spreken op zijn slofjes af kan. Integendeel.

Schipper Vaartjes — zo blijven we hem noemen natuurlijk — weet er van mee te praten. Toch heeft hij dat werk drieëntwintig jaar lang met het grootste plezier gedaan en hij had ook heel graag die laatste paar maanden vol willen maken. Maar gemakkelijk was het dus altijd niet. In die periode van meer dan twintig jaar is hij vaak naar buiten geweest, gemiddeld, schat hij zelf, zo´n tien keer per jaar. En dat gebeurde dan doorgaans onder omstandigheden, waarbij velen de gemakkelijke stoel bij de kachel of het behaaglijke bed verre zouden hebben geprefereerd boven een verblijf op de Hilda op een mistig, koud of „kokend" IJsselmeer. Maar bij dat werk — zo vertelt schipper Vaartjes ons — denk je nooit aan jezelf, maar altijd aan de anderen, aan de mensen, die in nood zijn en hulp nodig hebben. Je moet jezelf vergeten, anders kun je dit werk nooit doen.

Met de Hilda opereerde Schipper Vaartjes vaak langs de ondiepten van de Friese Zuidwal het Vrouwezand, de Marderhoek, de Steile Bank en het Hondenest. Talrijke keren moest hier hulp worden verleend aan binnenschepen en jachten, die de koers waren kwijt geraakt en aan de grond waren gelopen. Er waren betrekkelijk gemakkelijke reddingen en bergingen bij, maar ook een heleboel moeilijke, in mist, storm of regen. Zo herinnert schipper Vaartjes zich nog als de dag van gisteren de redding van de opvarenden van een sleep van een baggermolentje, een bak en een paar woonarken in 1955.

Het werd die avond, na een mooie dag, plotseling vliegend weer, vertelt hij, en ik verwachtte ieder ogenblik telefoon. Maar er kwam voorlopig geen melding binnen en ik dacht al, nou dit valt me mee. Maar net dat ik me sta te uitkleden gaat de telefoon en hoor ik, dat een sleep met een molen en een paar arken op de ondiepten is geslagen. Wij er meteen op af natuurlijk. Na een kwartiertje voeren we al. Het ging vreselijk tekeer en op de strekdam bij de Margrietsluis zagen we al een flink vrachtschip liggen. We gingen echter eerst naar de sleep, omdat daar ook vrouwen en kinderen aan boord zouden zijn. Dat bleek te kloppen.

Het kostte ons vreselijk veel moeite om met die hoge zeeën goed langszij te komen. Toch slaagden we er in de mensen aan boord te nemen. Eerst kreeg ik een baby van zo´n zeven maanden in mijn handen. Ik kon het kind natuurlijk niet naar beneden brengen en ik stopte het daarom maar tussen mijn zware jas en broek in. Een klein hondje kon er even later nog net bij. Toen kregen we de twee vrouwen aan boord; het waren net zakken met vodden. Ze waren helemaal van de kaart. Naar de baby vroegen ze niet eens. Een van mijn opstappers zei een tijdje later: heb je nou nog altijd dat kind achter je jas? „Ja", zei ik, „dat kin neat gjin kwa, dat sit hjir hardstikke waerm.'' De mensen zijn allemaal veilig aan wal gekomen en de hele bemanning kreeg van de maatschappij de medaille voor belangrijke diensten.

Schipper Vaartjes is van jongs af aan met het water opgegroeid. Hij werd geboren op een skûtsje en voer daarmee later heel Friesland en een groot deel van Nederland door. Maar in de crisistijd viel er op het water niets meer te verdienen. We waren soms zes dagen en nachten met z´n drieën aan het werk, vader, een broer en ik, en dan verdienden we samen negentien gulden. En daar moest dan nog de olie- en het brug- en sluisgeld af. In die slechte jaren kwam ik in dienst bij de Lemster brandstofhandel Wierda en kwam ik op de sleepboot te varen, die steeds bakken met kolen sleepte. Zo bracht ik lange tijd kolen naar ettelijke zuivelfabrieken in Friesland en naar de baggermolens op het IJsselmeer, die keileem baggerden voor de Zuiderzeewerken. Zo leerde ik het IJsselmeer op mijn duimpje kennen en daaraan heb ik waarschijnlijk ook mijn benoeming tot schipper op de reddingboot te danken.

Ik heb nooit gesolliciteerd, want ik ben nooit naar school geweest en diploma's heb ik niet. Toch werd ik op een middag naar het gemeentehuis geroepen en werd ik gevraagd of ik schipper wilde worden. De directeur van de maatschappij was er ook en hij vroeg mij: Heb je wel kaartkennis? Ik zei, nee mijnheer. Maar hoe vaar je dan? Ik zei: Nou, praktisch mijnheer. Na veertien dagen moest ik met de baas met de boot naar Staveren Hij zei, ga het binnengat van het Vrouwezand maar door Toen heb ik, terwijl ik even beneden was, wel gauw even op de kaart gekeken. Maar we kwam er prachtig uit en toen we in Staveren waren kreeg ik een tikje op de schouder en zei de baas: Man, jullie varen net zo goed als op de kaart

In die hele drieëntwintig jaar zijn we trouwens nooit fout uitgekomen en ook in de mist vonden we de schepen vaak met de eerste keer. Maar het mooiste van dit werk was altijd, dat de mensen je zo dankbaar zijn. Ze zijn vaak de wereld te rijk als we komen helpen. Ik had dit werk dan ook graag nog wat langer gedaan, aldus schipper Vaartjes.

525-4.jpg
525-4.jpg
523-3.jpg
523-3.jpg
524-2.jpg
524-2.jpg
542-4.jpg
542-4.jpg
527-4.jpg
527-4.jpg
528-3.jpg
528-3.jpg
5292.jpg
5292.jpg
531-5.jpg
531-5.jpg
532-4.jpg
532-4.jpg
DvD-005.jpg
DvD-005.jpg
DvD-014.jpg
DvD-014.jpg

December 1952: Groningen VII en reddingboot Hilda liepen aan de grond. Gebrek aan mistsein bij Prinses Margriet-sluis laat zich gelden.

Het motorschip „Groningen VII" van de Groningen—Lemmer-Stoomboot- Maatschappij is gisteren in de dichte mist op het IJsselmeer verdwaald en uiteindelijk bij de Prinses Margrietsluis bij Lemmer aan de grond gelopen. De Lemster reddingboot "Hilda", die gisteravond uitvoer om de boot te zoeken en naar Lemmer terugkeerde om assistentie te halen, toen ze de „Groningen VII" had gevonden, liep tijdens de mist op de ringdijk. Twee Lemster vissers, die ter visvangst waren uitgevaren, zagen de reddingboot daar en trokken haar vlot. Op het moment, dat de „Jan Nieveen" uit zou varen om een poging te wagen, de reddingboot vlot te trekken, kwam de „Hilda" gisteravond kwart over elf in de haven terug.

De „Groningen VII". Kapitein J. Visser, was Maandagavond elf uur uit Amsterdam vertrokken. Het schip werd aanvankelijk door het ijs gesleept door de „Jan Nieveen", maar toen men ter hoogte van Urk in vrij water kwam, werd de tros losgegooid. De "Groningen VII" is daarna evenwel in de dichte mist verdwaald. Het schip kwam bij de ringdijk van de Noordoostpolder terecht en men vroeg een toevallig passerende kantonnier, waar men zich bevond. De kantonnier wees de koers naar de Prinses Margriet-sluis, doch mede door het ontbreken van enig mistsein op de nieuwe sluis liep de „Groningen VII" even westelijk van de sluis aan de grond.

De reddingboot, die gisteravond om vijf uur uitvoer, omdat men toen nog niets van de „Groningen VII" had gehoord, vond de boot bij de sluis, maar slaagde er niet in, haar vlot te trekken. Op de terugweg naar Lemmer liep de "Hilda" zelf door de dichte mist op de Noordoostpoldersdijk. Stuurman Verhoef en de heer Hiemstra van de Stoombootmaatschappij begaven zich door 't water naar de dijk en liepen naar Lemmer om assistentie te halen. Met de „Jan Nieveen", die naar Amsterdam vertrok, zou een poging worden gedaan om de „Hilda" vlot te slepen, doch juist op het ogenblik, dat dit schip zou uitvaren, kwam de reddingboot binnen. De vissers Andries Vleer en A. Toering hadden haar weer in haar element gebracht.