Het voorgeslacht.

Waarom dit verhaal?

Omdat ik graag verhalen mag vertellen.
Ik vind dat het voor velen van mijn generatie misschien leuk is om te lezen.
Hoe was het leven toen(19zestiger jaren) en nu (20th century) en hoe ben je daar doorheen gekomen.
Ik zelf geen nageslacht heb en toch wil dat mijn verhaal niet vergeten wordt.
En verder ….. Het is en blijft een tijdsdocument van een (familie)leven.
Is dat reden genoeg? Voor mij wel!
Ik draag het op aan allen die ik in mijn leven heb ontmoet en er op dus op de een of andere manier richting aan hebben gegeven!


Het moet in de jaren 1936/1937 zijn geweest, dat heit en mem elkaar hebben leren kennen. Het zal ongetwijfeld in De Lemmer zijn geweest, waar de zoon van een vissersknecht, de dochter van een skûtsjeskipper tegen het lijf liep. Naar de details kan ik nu (eind 2007) niet echt meer vragen, maar dat is niet erg, het is tenslotte mijn verhaal en niet het hunne. Maar om toch een beetje te vertellen uit welk “nest” ik kom, is een stapje naar het verleden natuurlijk noodzakelijk. Er wordt immers altijd zoveel gewag gemaakt van “echte Lemsters” nou als puntje bij paaltje komt, heb ik ontdekt.

De oorsprong van “ons” Vissers, ligt in Lippenhuizen, of all places …..

Het verhaal van heit’s kant (voor zover  “ik” het terug kon vinden) begint rond 1532, als Alle Sjoerds wordt geboren te Lippenhuizen. Hij overlijdt daar ook voor 1600.

Hoe het verder ging en kwam tot dat ik er ben?

Voor een uitgebreide zoektocht, verwijs ik de lezer graag naar de website www.spanvis.com  van mijn nicht Roelie. Onder de zoeker “Stamboom van de familie Visser” Verder eventueel uit het boek “Hoe het in één familie kan verkeren” van Jan Piet Coehoorn, waarin het uitgebreide nageslacht (7000 namen) is vastgelegd.

Dat gaat mij te ver!

Op 28 september 1737, dus ruim 2 eeuwen later, wordt te Langezwaag, Frans Jacobs Visser geboren. Hij verhuisd naar Lemmer. Daar wordt ook voor het eerst op 24 december 1811 de naam “Visser” aangenomen.

4-8.jpg

Document naamsaanname.

Deze Frans Jacob leefde van 28 september 1737 te Langezwaag tot 7 juni 1822 te Lemmer en was getrouwd met zijn nicht!!, Rinske Stevens Visser. Zij kregen 4 kinderen en één van hen zet de lijn naar mij voort. Dat was hun zoon Steven Franzes Visser (van 14 december 1772 tot 23 november 1834 te Lemmer).Hij was timmerman en hij was getrouwd met Baukje Jelles Sakema. Zij kregen 4 Kinderen en via hun zoon Jelle Steven Visser, visserman, (van 3 februari 1802 tot 9 juli 1871 te Lemmer) die gehuwd was met Klare Jacobs de Blauw gaat het verder.

Ook zij kregen kinderen ( 7 stuks) en één van hen was Andries Visser ook visserman. Nee, nog niet mijn vader. Deze Andries leefde immers van 4 april 1842 tot 10 mei 1927 te Lemmer en huwde met Boukje Visser. Zij kregen ook 7 kinderen. Zo komen we al aardig in de voor mij bekend klinkende namen terecht.

Eén van hun kinderen, was mijn grootvader Frans Visser (van 4 december 1879 tot 6 november 1949 te Lemmer). Hem heb ik dus nooit gekend. Hij was getrouwd met Roelofje Sake Bootsma (van 6 december 1881 tot 7 mei 1964 te Lemmer) en dus mijn grootmoeder, maar ook was zij de eerste overledene die ik eigenlijk bewust meemaakte.

Pake en Oate Visser.

De tussennaam “Sake” zal voor een deel wel bepalend zijn geweest voor haar “de broek aan hebbend karakter” waar je in de overlevering's verhalen wel is van hoorde. Zij kregen maar liefst 12 kinderen, waarvan Andries Visser (van 30 mei 1907 te Lemmer tot 25 januari 1995 te Sneek) mijn vader is.

Gezin Visser: Op de foto staan de ouders met 9 kinderen, 3 kinderen overleden al op jonge leeftijd.

Van links naar rechts, staand: Omke Jelle, tante Pietje, tante Andriesje, heit Andries, tante Mette, tante Zwaantje, omke Sake. Van links naar rechts, zittend: Tante Boukje, pake Frans, oate Roelofje, tante Jette.

Tot zover eerst het verhaal van mijn vaders kant, want zoals u allen weet, zitten er altijd twee kanten aan een verhaal….

Het verhaal van mijn moeder is vooreerst wat moeilijker terug te vinden en heb ik zelf gedaan via www.tresoar.nl  Ik begin maar met een Sjoerd Schotanus gehuwd zijnde met Elske Jarigs van Dijk. Van wanneer tot wanneer zij leefden en waar, dat zoeken we nog op of nog liever, nemen we tzt. over van een ander.

Zij hadden in ieder geval één zoon, Wieger Schotanus, die werd geboren op 11 september 1842 te Wymbritseradeel en overleed op 13 oktober 1917 te Franeker. Deze Wieger was getrouwd met Metje Jaarsma en zij kregen in ieder geval drie kinderen. De weg gaat via hun zoon Sjoerd Schotanus (van 26 juli 1869 te Franeker tot 18 juni 1942 te Wonseradeel) en zijn vrouw Jeltje Staalstra, verder.

Ook zij kregen drie kinderen, waarvan Wieger Schotanus, skûtsjesschipper (van 17 mei 1892 te Leeuwarden tot 3 september 1977 te Heerenveen) dus mijn grootvader (pake) is. Hij was getrouwd met Janke Kramer (van 18 oktober 1891 te Berlikum tot 23 mei 1966 te Lemmer) en zij is dus mijn grootmoeder (beppe)

Pake en Beppe Schotanus.

Naar haar broer Cornelis Kramer ben ik vernoemd. Deze Wieger en Janke kregen vier dochters, waarvan Jeltje Schotanus (van 11 juli 1918 te Berlikum tot 15 juli 2008 te Sneek) dus mijn moeder is.

8-7.jpg

Gezin Schotanus: Vlnr. Sijke, pake Wieger, mem Jeltje, Wietsche, Griet en beppe Janke.

Zo, nu we de inleidende beschietingen hebben gehad en aanbeland zijn bij mijn heit en mem, kan het verhaal wat meer richting krijgen.

Van 1936/1937 tot in 1939 zagen mijn heit en mem elkaar, wanneer dat zo uitkwam. Pake Wieger lag met het Skûtsje “De 4 gezusters” in Lemmer of heit moest er met de fiets op uit, om zijn geliefde te bezoeken. Dat viel natuurlijk niet altijd mee. Even na het werk op de fiets naar Leeuwarden of Berlikum. Natuurlijk moest je ook nog weer ’s nachts terug, want slapen blijven zoals dat nu zo in zwang is (de kat op het spek binden) was er in die tijd toch echt niet bij.

Zeker niet bij pake Wieger Schotanus, die misschien wel met opzet zover mogelijk van Lemmer ging liggen om maar te voorkomen dat die rot jongen uit De Lemmer zijn goedkope knecht zou inpikken als alles door ging zoals het dreigde te gaan.

Dus dan zat heit slaperig op zijn fiets op de terug weg en dan wilde het wel eens gebeuren dat hij achter de bomen langs fietste in plaats van over de weg door de vermoeidheid, of was het nog het dronken van liefde zijn?

Gelukkig was heit niet de enige die zo door Friesland trok en het trof dan ook nogal eens dat hij een fietsmakker trof. Maar in december 1939, de 14e was het gedaan met het fietsen. Op die dag traden ze in het huwelijk en huurden zij een huisje in de Beneden Schans te Lemmer, waar ook mijn leven begint.

9-7.jpg

Heit en Mem, 14 december 1939.

TOP