Home » Lemmer » Visserij en schepen » Lemster Skûtsje

Lemster Skûtsje

In Lemmer wordt sinds 1847 geskûtsjesyld. De wedstrijden werden gezeild onder auspiciën van het gemeentebestuur. In 1867 is het de zeilvereniging de Zevenwolden, die de organisatie overneemt van het gemeentebestuur van Lemsterland. Vracht – en beurtschepen en visserijvaartuigen gingen eenmaal per jaar met de Lemster kermis aan het hardzeilen. Zelfs in de SKS – periode bleef dit doorgaan. ’s Ochtends de aken en ’s middags de skûtsjes.

In 1958 vonden enkele Lemsters het noodzakelijk om ook met een skûtsje mee te gaan doen, er werd een aparte eigenaresstichting in het leven geroepen. Met deze nieuwe commissie kocht men in Lemmer het skûtsje van Johannes Bakker om mee te doen aan wedstrijden van de SKS. Het werd na teleurstellende prestaties al gauw vervangen door een ander.

LC: 6 februari 1958:

In een vergadering, die bijeen geroepen was door de zeilvereniging, Zevenwolden’’ te Lemmer, is een commissie samengesteld, die zal trachten het geld voor de aankoop van een skûtsje bijeen te brengen. Als de commissie er in slaagt het benodigde geld bijeen te brengen, zal er dus voortaan ook een Lemster skûtsje meedoen aan de specifiek Friese sport van het ,,skûtsjesilen’’. Volgens voorzitter H. Visser van ,,Zevenwolden’’ is de aankoop van skûtsjes door een vereniging, een stichting of een plaats, de enige manier om de traditie van het skûtsjesilen te handhaven. Als het mogelijk is, zal Lemmer nog deze zomer aan de wedstrijden meedoen.

Zevenwolden bleef organisator van de wedstrijden. Eerste schipper werd, Rintje Ritsma, brugwachter van beroep. Het skûtsje was er eentje van 36 ton en werd gebouwd op de werf van Wildschut in Gaastmeer. Hij hield het gevecht in de middenmoot, vier jaar vol en gaf voor een jaar het roer over aan Yme Foekema. Ook geen succes. De nieuwe schipper Klaas van der Meulen, mocht een nieuw skûtsje zoeken. En dat nieuwe skûtsje was een ‘Vallaatster’ volgens kenners een heel goed schip. Het schip werd in 1930 gebouwd. Al werd menig skûtsje al opgelegd toch liet Tabe van der Schuit, dit skûtsje van de helling rollen. Van der Meulen haalde het dus in 1963 naar Lemmer.

Van der Meulen bewees zijn vakmanschap en werd in zijn eerste seizoen 2e, maar het jaar erop 4e wat voor de commissie teleurstellend was. Dus werd de eerste schipper, Rintje Ritsma, weer van stal gehaald. Ritsma bewees weer dat het een goed skûtsje was, maar werd toch in 1969 opgevolgd door Siete Hobma.

Hij zeilde wel vaak voorin maar werd nooit winnaar. Hobma deed echter wel zo zijn best, dat hij koninklijk onderscheiden werd. Deze gaf op zijn beurt in 1982 het roer over aan Jelle Reijenga. Al hoewel Jelle Reijenga niet tot het schippersgeslacht behoorde, kon hij door een artikel in het reglement toch schipper worden. Reijenga werd twee maal kampioen. Lemmer is een begrip in de skûtsjewereld, er heerst hier wekenlang de echte skûtsjeskoorts.

De Opdrachtgever in 1930 was Eeuwe E. de Jong te Sneek. Deze liet hem bouwen bij, Jan Oebeles van der Werff ('De Nijverheid') in Drachten/ Buitenstvallaat.

1e NaamImmanüel.

2e Naam: Vertrouwen.

3e Naam: Lemster skûtsje

1e Eigenaar-Opdrachtgever. In 1931 van de helling: Eeuwe. E. de Jong

2e Eigenaar. 1946: Jan Steenstra, Nijebrêge

3e Eigenaar. 1957: Gerrit van der Wal, Leeuwarden

4e Eigenaar. 1962: Stichting Lemster Skûtsje

In 1963 werd een nieuw "Lemster skûtsje" gekocht. Het Lemster skûtsje is in 2004 verlengd met 90cm


Schippers op het skûtsje

1. Eeuwe. E. de Jong: 1931-1957

2. Rintje Ritsma Sr: 1958-1961. Rintje Ritsma was de eerste schipper op het eerste Lemster skûtsje, de Hoop op Welvaart. Ritsma Sr, was de eerste schipper die Lemmer een kampioenschap bezorgde.

3. Yme Foekema: 1962. Yme Foekema, bleef slechts 1 jaar aan het skûtsje verbonden.

4. Klaas van der Meulen: 1963-1964. www.deklaasvandermeulen.nl 

5. Rintje Ritsma Sr: 1965-1968

6. Sietse Hobma: 1969-1981

7. Jelle Reijenga: 1982-1997

8. Peke Ritsma: 1998

9. Ale Zwerver: 1999-2008

10. Johannes Meeter: 2009


Juli 1930: Zeilvereeniging de "Zeven Wolden"

Lemmer. Donderdagavond werd de algemeene ledenvergadering van de zeilvereeniging "De Zeven Wolden" in het Nutsgebouw alhier gehouden.

De belangstelling was, gelijk de voorzitter in zijn openingswoord opmerkte, zeer gering. Buiten het bestuur, waarvan 7 leden aanwezig waren, gaven slechts 7 gewonen leden van hun medeleven blijk. Na een kort woord van welkom, door den voorzitter J. de Rook, werden door den vicesecretaris de notulen der vorige vergadering gelezen, welke onveranderd werden goedgekeurd.

De rekening van de penningmeester was nagezien door den heeren S. de Blauw en L. de Jager. Bij monden van eerst genoemde werd rapport uitgebracht, waaruit bleek dat de ontvangsten en uitgaven over het afgeloopen boekjaar hadden bedragen resp. F 521.06,- en F 533.48,- zodat het nadeelig saldo van F 22.14,- dat de exploitatie over dit boekjaar opgeleverd.

Uit de besprekingen die naar aanleiding hiervan volgde, bleek nog dat eigenlijk de uitgaven wel door de inkomsten gedekt waren, omreden men nog voor circa F 18.00,- prijzen in voorraad had, die van de wetstrijden van vorig jaar waren overgebleven. Reden van pessimistische beschouwingen is er dus, wat betreft de financiën, momenteel allerminst, ofschoon de belangstelling van het publiek niet mag verflauwen.

Vermindering van het aantal leden, zou de "Zevenwolden" noodlottig kunnen worden, terwijl daarentegen toenamen van leden nieuw leven brengt en daarbij een welkome versterking der financiën. De commissie was tot de bevinding gekomen dat de administratie keurig in orde was, en zij kon dan ook adviseren tot goedkeuring der rekening en decharge van de penningmeester. Aldus werd besloten. Door den voorzitter werd den penningmeester dank gebracht voor zijn gevoerd beheer.

Bij de bestuursverkiezing werden de aftredende heeren G. de Blauw, D. de Boer, en K. de Boer met bijna algemeene stemmen herkozen. Zij namen allen de herbenoeming aan.

Aan het voorstel van de te houden wedstrijd werden nogal langdurige besprekingen gewijd. Dit voorstel hield in een wedstrijd op gelijken voet als vorig jaar en met de zelfde klassen. Bij de algemene bespreking kwam de kwestie van de geringe deelname ten berde. Vooral de bezetting van de klassen pleziervaartuigen moet voor het grootste deel uit Sneek komen, en de deelname vandaar stelde vorig jaar eigenlijk teleur.

De heer Zwart had eens bij een enkele zeiler uit Sneek naar de oorzaak vernomen, en spreker heeft de indruk gekregen dat hierin wel verbetering is te krijgen. Het bestuur moet zich eens in verbinding stellen met de Sneeker zeilers. Het wilde spreker voorkomen dat, indien het bestuur zorgt voor sleep gelegenheid van en naar Sneek, er wel op grotere deelname gerekend kan worden, terwijl zoo noodig de medewerking van van den Bond van Zeilvereenigingen kan worden ingeroepen.

Johannes de Jong.

● LC-1991. Lemster Skûtsje in Grote Kerk Drachten.

DRACHTEN - Het Lemster Skutsje in het klein luistert sinds enkele weken de herenbank in de Grote Kerk in Drachten op. Myn heit hat it yn 1931 bouwe litten troch Jan Oebeles van der Werff in Drachten vertelt Johannes de Jong (72 uit Drachten. En ik ha syn boat fiif jier lyn nehnakke De Jong geboren en getogen op een skûtsje bouwt zijn leven lang al boten na.

Zijn eerste scheppingen waren klompen met zeiltjes zijn latere natuurgetrouwe afbeeldingen van allerlei soorten boten. In totaal beeft de vroegere schilder en glas-in-loodzetter er nu veertig gemaakt. Dominee Jan Hofstra bezocht De Jong, wel eens en raakte onder de indruk van diens miniatuurschepen.

Hij kocht het model van de boot die als Lemster Skûtsje aan het skûtsjesilen meedoet en gaf het bij zijn afscheid in oktober aan de gemeente. De kerkvoogdij zag er geen been in het in de kerk te pronk te zetten. Een versiering in de kerk moet wel betekenis hebben legt Theo Postma uit. Het skûtsje voldoet aan deze eis. Het is van oorsprong een Drachtster skûtsje. De Jongs vader heeft het Immanüel, God met ons gedoopt. De maker is dooplid van de hervormde en draagt de Grote Kerk een warm hart toe.

Na de lagere school ging De Jong, als jongen van twaalf jaar zijn vader helpen op de Immanüel, gebouwd op de werf van Jan Oebeles van der Werff, in Drachten. Dat was zwaar werk want vader Eeuwe vervoerde pottenbakkersklei, Johannes wilde dit niet zijn hele leven doen Op ’koperen dinsdag’ in Sneek bood hij in het café waar veel schippers kwamen zijn diensten aan. De zestienjarige schipperszoon monsterde aan op een Workumer klipper.

Na de oorlog wilde De Jong senior de Immanüel verkopen "Wolsto it skütsje net keapje" vroeg hij zijn zoon. Ik woe it net hawwe. Dan hie ik mar in skippersfrou trouwe moatten. In doktersfaam kinst net op in skip sette. Na een tijdje in de Noordoostpolder en in de Limburgse mijnen te hebben gewerkt, werd de schipperszoon in de jaren vijftig glazenier in Drachten. Hij heeft dit werk afgewisseld met schilderen tot hij op zijn zestigste afgekeurd werd.

De Jong toont zijn model van de Lemmerboot. De Jan Nieveen neemt in het hart van De Jong een bijzonder plekje in. Bij zijn weten is hij de enige die deze stoomboot half vrachtschip half passagiersschip tussen Lemmer en Amsterdam, heeft nagemaakt. Niet zoals De Lemmerboot er nu uitziet als hotelboot ergens in Finland, maar zoals het schip van de helling is gekomen. "Fernijing is ôfbraak it skip is no bedoarn. Ik meitsje in skip sa’t it berne is.


Door Margé Hof.

LEMMER - Auke Coehoorn uit Lemmer - telg uit een vissersgeslacht, maar zelf nooit visser geweest - heeft een zwak voor schepen. De Lemster aak is zijn ‘lieveling’: ,,Dat lijnenspel en dat kontje…!’’ Hij gaat regelmatig bij mastenmakerij Van der Neut en de scheepsbouwers Van den Berg en Hummel in Lemmer aan, om de bouw van een schip en met name ‘de zijne’ op de voet te volgen. Met een skûtsje heeft hij minder affiniteit, maar het Lemster skûtsje vormt daar weer een uitzondering op. Coehoorn voerde het toenmalige bestuur van het Lemster skûtsje letterlijk naar het huidige, tweede Lemster skûtsje waarmee in 1963 voor het eerst aan hét skûtsjesilen werd deelgenomen.

Coehoorn diept uit zijn geheugen: ,,Ik was destijds chauffeur van de Houtmolen. Alles in Lemmer draaide om de Houtmolen. Hij gaf heel veel Lemsters werk, en ging de stoomfluit dan ging heel Lemmer naar huis om te eten of weer aan het werk. Wij woonden na ons trouwen aan de Singel. Dat waren toen nieuwe woningen, waar veel mensen uit de visserij kwamen wonen. Ik hoor ze nog praten bij de trambrug: er moest een ander skûtsje komen.

Herbert van der Bijl was een man met overwicht, en toen hij in het bestuur van het Lemster skûtsje kwam, zei hij: ,Lemmer moet mee kunnen, dus er moet een ander skûtsje komen’. Ik was chauffeur en ik wist veel skûtsjes te liggen, dus werd ik gevraagd om met een luxe wagen, die ik huurde bij Witteveen, met bestuur door Friesland te rijden op zoek naar een ander skûtsje.

Zoektocht.

De commissie bestond uit havenmeester Rein Kool, binnenvisser Herbert van der Bijl, oud-visser Obbe Poepjes en Klaas Deinum die bij de waterpolitie werkte. ,,We hebben in totaal wel zes zaterdagen rondgetoerd. We zijn heel Friesland doorgeweest en daarna Groningen, maar de heren konden nergens een skûtsje vinden dat aan de eisen en de financiën voldeed.

Ik wist nog wel een skûtsje te liggen, maar daar wilden ze eerst niet aan.’’ Coehoorn wist een prima skûtsje te liggen waar zijn vader hem eens op gewezen had. Op een van de vistochten die hij samen met zijn vader had gemaakt, wandelden ze op een avond door Enkhuizen. Auke werd daar door zijn vader op een woonark gewezen. ,,Dat is een heel snel skûtsje’’, verzekerde zijn vader hem.

Coehoorn vervolgt: ,,Toen we alles hadden afgereisd, maar niets konden vinden zei het bestuur tegen mij: ,Nu moeten we maar eens naar jouw schip’. Het lag toen bij Den Oever, waar het werd gebruikt door een waterbouwkundige. Toen we in Den Oever aankwamen zag Rein Kool, de havenmeester een schip liggen waarvan hij zei: ,Is dat het? Dat is een heel slecht schip’. Reken maar dat hij er kijk op had, maar ik kon hem gerust stellen: ,Nee, kijk daar ligt het’. Het skûtsje lag een beetje verscholen, maar toen de heren het in het oog kregen vielen hun monden open. We zijn toen meteen naar Enkhuizen gereden en hebben het schip van de eigenaar gekocht.’’

‘Hardzeiler’

Klaas Deinum wilde toch nog een extra bevestiging hebben dat het bestuur een goede keuze had gemaakt. ,,Op de terugweg vroeg hij mij bij Douwe Tjerkstra langs te gaan in Workum. Tjerkstra was op het voetbalveld te vinden. Hij stond achter de goal naar de wedstrijd te kijken. Klaas stapte op hem af en zei: ,Douwe, wij hebben het schip gekocht van Eeuwe de Jong’. Tjerkstra knikte goedkeurend: ,Dan hebben jullie een hardzeiler. Het voer ons vroeger altijd voorbij’.’’

Met de vermelding over de oorspronkelijke eigenaar bevestigt Coehoorn wat onlangs op de website van het Lemster skutsje is bijgewerkt: ,,Onderzoek van Klaas Jansma heeft aangetoond dat Eeuwe de Jong en niet de Gebr. Van der Schuit het huidige Lemster Skûtsje bij van der Werff aan het Buitenstvalaat in opdracht heeft gegeven… Het skûtsje van De Jong liep in 1931 van de helling. Eeuwe de Jong vervoerde klei voor Dijkstra kleiwarenfabriek uit Sneek. Na de tweede wereldoorlog kreeg Jan Steenstra het skûtsje in eigendom. In het najaar van 1957 kocht de Fam. Van der Wal uit Irnsum het skûtsje in Nijebrêge. Zij gebruikten het skûtsje als woonboot…’’

Goede keus.

Het nieuwe Lemster skûtsje werd met de 'LE 112' naar Lemmer gebracht. Het schip werd achter de trambrug gelegd, waar veel mensen woonden die er aan meewerkten om van de woonark weer een zeilschip te maken. Mensen als Sjoerd Kuipers, Wietze, Klaas en Herbert van der Bijl, Hendrik Wouda en Auke Coehoorn, om er maar eens enkelen te noemen.

,,Alles werd eruit gesloopt, waarna het schip bij Arie de Boer op de helling kwam te liggen. Hij zei waar het zwaard en de mast moesten worden geplaatst. Hij adviseerde een mast van meer dan 30 jaar van Van der Neut er op te zetten en een kleine opsteker. Hij had een bepaalde filosofie hoe er het snelst mee kon worden gezeild. Toen het schip klaar was, is er proef gezeild met zeilen van het skûtsje van Heerenveen. Het schip liep als een speer, geweldig! Nu wist iedereen dat het nieuwe skûtsje een goede keus was.’’

Het tweede Lemster skutsje ‘Immanüel’ als woonark in 1956. www.skutsjehistorie.nl 

‘Mannen van het eerste uur’ op het tweede Lemster skûtsje, v.l.n.r. Sjoerd Kuipers, Klaas van der Bijl, Minze van der Bijl, Leeuwke Zandstra, Wiebe van der Bijl en zittend: Roel de Hey (Archieffoto’s St. Lemster Skûtsje)

Foto van Corrie Gedaan-Bootsma.


Rintje Ritsma (100 jr) met ‘zijn’ Lemster skûtsje. Naast hem zijn vrouw Akke (90).

(Door Meintje Haringsma)

LEMMER – Hij is bijna 100 jaar, maar Rintje Ritsma weet nog als geen ander hoe hij in 1958 schipper werd van het Lemster skûtsje. Hij vertelt het alsof het gisteren was. Zijn ogen lachen, maar zijn mond ook. Een prachtige tijd, maar wel met hier en daar een smet. Want hij bedankte na een aantal jaren ook weer. Ze hadden aan zijn schip zitten klooien zonder dat met hem te overleggen en daar moest je bij hem niet bij aankomen. ,,Ik wie woest,’’ zegt hij nu nog steeds. Hij stapte dan ook subiet af. Toch werd hij in 1965 weer schipper. Niet zonder het oude zeer te vergeten, maar door duidelijke afspraken te maken.

Ritsma was nog maar 14 dagen oud toen hij al zijn eerste zeiltochtje maakte. Hij was ter wereld gekomen in een klein huisje in Sloten, maar daar was de familie weinig. Ze voeren namelijk altijd. Zijn moeder dacht overigens dat hij de laatste telg zou zijn die geboren zou worden in de kleine woning, maar dat had ze verkeerd.

Na de kleine Rintje werd ook nog een dochter geboren. Met het water in het bloed en de liefde die hem naar Lemmer trok, werd Ritsma brugwachter in Lemmer. Toen er sprake was dat er een skûtsje moest komen om het dorp te vertegenwoordigen, werd hij daar direct bij betrokken. Waarschijnlijk omdat hij was grootgebracht op een dergelijk schip. En hij zei direct volmondig ja. ,,Het eerste skûtsje was de Lemmer 1.’’ Hij wijst naar een foto van het schip aan de wand waar hij als eerste mee voer.

Gebouwd door Wildschut in Gaastmeer in 1909, lag het skûtsje van een vodden- en oud ijzer koopman in Akkrum toen de Lemsters het ontdekten. Vier jaar lang hanteerde Rintsma er het helmhout op, toen de commissie opeens bedacht had dat ze er wat dingen aan moesten veranderen. Terwijl hij op de brug aan het werk was hadden ze zonder hem in te lichten een stuk van de mast verwijderd, dat niet helemaal meer goed was. Een veel te groot stuk, zodat er een ijzeren bus omheen moest. En dat zeilde voor geen meter.

Maar het meest irriteerde het hem dat ze het deden zonder met hem, de schipper, te spreken. ,,Ze gingen aan mijn schip klauwen. Nou toen was het duidelijk voor mij. Ik heb gezegd dat ze dan zelf maar verder moesten zeilen. Ik heb direct bedankt.’’ De commissie moest dus op zoek naar een andere schipper en dat werd Yme Foekema weet Ritsma nog goed. Veel geluk had die niet. ,,Hy silde gelyk om.’’ Hij lacht er wel bij, want het was een beetje genoegdoening voor hem, maar de manschappen gunde hij zo’n ongeluk absoluut niet. Bovendien hield ook Foekema het na een jaar voor gezien.

Oud roefke op nieuw schip.

Daarnaast was het gevolg van dat onfortuinlijke voorval dat de Lemmer 1, waar Ritsma toch altijd wel trots op was geweest, maar weg moest volgens de commissie. ,,Er deugde volgens hen niets meer aan en er moest maar een ander schip komen.’’ Dit gebeurde. Terwijl dat schip er kwam werd het eerste skûtsje half afgebroken. De roef met de kajuit kwam op de wal te liggen op de Helling van Arie de Boer, terwijl het nieuwe schip, een woonboot, naar Lemmer werd gehaald.

Maar dat voldeed niet aan de eisen. Er moest ondermeer een roef met een kajuit op. ,,Van Arie konden ze de oude van het vorige skûtsje wel krijgen en dat was perfect. Daardoor ontstonden brede gangboorden en een groot achterdek.’’ Het snelle tweede skûtsje werd vanaf 1963 door schipper Klaas van der Meulen bestuurd, maar ook dat duurde niet lang. Ook hij kreeg mot met de commissie en stapte in 1965 weer af. Toen kwam Ritsma weer in beeld. Hij wist dat zelf eerder, dan dat ze hem gevraagd hadden.

Hij had namelijk zijn contacten wel, want op de reddingsboot waar hij ook op voer, werd hem nog wel eens iets ingefluisterd. ,,Ze zeiden me dat ze me weer op het skûtsje wilden. Ik heb gezegd dat ze daar dan maar over moesten vergaderen en dan zou ik het wel horen.’’ Er bleek een ruime meerderheid voor hem als schipper te zijn, hoorde hij in zijn brughokje en toen mocht hij ook op komen draven.

In het oude Nutsgebouw werd in een kamer alles besproken. ,,Als het weer zo wordt als toen, dan kan er geen sprake van zijn dat ik terugkom,’’ heb ik hen toen gezegd. ,,Ik ben de baas op het schip en ik bepaal wat er gebeurt met het skûtsje. En ik heb eraan toegevoegd dat ik de hele commissie geen stuiver waard vond.’’ Hij zette het op scherp dat weet hij zelf ook wel, maar hij wilde toen duidelijkheid. En die kreeg hij. ,,Ze gaven aan dat ik kon bepalen wat er met het schip moest gebeuren. Natuurlijk wel in overleg, maar daar was ik ook vlak voor. Bovendien moest ik grote uitgaven met hen bespreken. Dat begreep ik natuurlijk zelf ook wel.’’

Film Haanstra.

Toen de beslissing was gevallen, veranderde hij nog een paar kleine zaken aan het skûtsje en toen konden ze los. ,,En het schip vloog echt over het water.’’ Volgens Ritsma had het skûtsje in 1965 gewoon kampioen moeten worden. Er was echter één maar: Lemmer was vooraf niet favoriet en Grou en Heerenveen waren dat wel. En laat filmmaker Bert Haanstra nu net een film over hen maken.

,,Als Lemmer kampioen was geworden, was zijn film niets meer waard geweest. Dat had hij een strop gehad van miljoenen, dat heeft hij me zelf nog verteld.’’ Dus werd Ritsma volgens eigen zeggen echt overal tegengewerkt. Protest werd gevolgd door protest, zelfs op manieren die helemaal niet konden. ,,Tijdens de wedstrijd werd de vlag niet gehesen en daarna zagen we hem dan opeens wel wapperen. Dat soort dingen. Bovendien werden anderen ook bedreigd.

Berend Mink moest een protest tegen ons indienen. Deed hij dat niet, dan werd zijn positie bedreigd en zouden ze hem op alle mogelijke manieren dwars gaan zitten.’’ Maar ook valse starten waarbij een deel van het wedstrijdveld wel weg mocht, maar Lemmer zich aan de regels hield en dus als laatste eindigde, het niet afschieten van de finish en meer van dat soort zaken maakten deel uit van het ontmoedigingsbeleid.’’ Dus hoe goed het Lemster Skûtsje ook zeilde, winnen konden ze dat jaar nooit, stelt Ritsma. ,,Het was een rotzootje. Alles. De andere schippers waren niet fair, de commissie nam haar verantwoordelijkheid niet. En wat ik ook niet begreep was dat andere schippers niet ingrepen. Zij hadden beter moeten weten.’’

Een frustrerend jaar al met al dat eerste jaar, maar dat gaf hem en de bemanning in 1966 juist de kracht om alles op alles te zetten. En dat lukte. Ritsma en zijn bemanning werden kampioen. Lachend vertelt hij dat anderen soms niet eens in de gaten hadden dat het Lemster skûtsje hen voorbij ging. ,,We vlogen gewoon onder hun zeilen door en ze zagen dat niet eens. Zo hard gingen we. Niemand kon ons bijhouden.’’

Het kampioenschap werd volop gevierd. De hele bemanning inclusief de vrouwen werd met een vrachtwagen rondgereden en vervolgens werd er feest gevierd. In de Technische school. ,,Er was een reünie in het Nutsgebouw, dus daar konden we niet in. Toch werd ik daar naartoe gebracht. Alle oud Lemsters wilden me zien en ik kreeg een daverend applaus. Vervolgens gingen we naar de Technische school en daar kon iedereen ons feliciteren. En daar kwamen een mensen op af. Heel gezellig.’’

Geen geld voor bemanning: Opstappen.

Naast dat geweldige moment heeft Ritsma ook herinneringen aan wat minder fraaie zaken. Zo zeilde hij het eerste jaar met zeilen die hij wel eens vervloekt heeft. ,,Het werd steeds slechter weer. Het waaide hard en opeens begon het te regenen. Nou wat er toen met dat zeil gebeurde is met geen pen te beschrijven. Het kromp gewoon in elkaar!’’ Een andere keer was de regen zo overweldigend dat hij de mast amper kon zien. De meerderheid van het veld was al aan de kant gekropen, maar voor Lemmer stond nog veel op het spel. Ze zeilden dus verder, maar erg relaxt was dat niet.

Bovendien ontstond er in 1968 weer een patstelling tussen commissie en bemanning. ,,We staken al onze vrije tijd in het zeilen, zonder daar een cent voor te krijgen. Dat gold ook voor onze vrouwen en kinderen. We moesten er dus heel wat voor over hebben. Bovendien kwam het ook nog wel eens voor dat we het startgeld moesten gebruiken voor andere zaken die door de commissie niet goed waren geregeld.’’ Ritsma vond dat niet fair, want de bemanningsleden die hun hele vakantie opofferden mochten daar in zijn ogen toch minimaal voor beloond worden met eten en drinken.

Bovendien konden ze zelf nooit eens weg, want in die tijd hadden mensen maar 14 dagen vakantie. Na klachten van de bemanning werd bepaald dat er zou worden gevraagd om een vergoeding van 100 gulden de man. ,,Voor mij hoefde het niet zo, want ik kon met weekenddiensten nog wel eens een weekendje weg.

Maar voor de anderen was dat veel moeilijker. Met die 100 gulden konden ze dan eens een weekendje op stap.’’ De burgemeester gaf hen snel nul op het rekest. ,,Ze wisten niet waar ze dat geld vandaan moesten krijgen.’’ Ritsma was wederom woest en antwoordde dat ze zich daar ook nog nooit in verdiept hadden. ,,Bovendien wist ik dat anderen dat geld in een half uurtje bij elkaar zouden hebben gehaald.’’ Dit bleek wel toen hij tijdens een bijeenkomst van de winkeliersvereniging waar Tetman de Vries optrad achter de coulissen werd geroepen.

De winkeliers wilden uitleg. Toen hij vertelde waar de onderhandelingen op stuk waren gelopen waren ze verbaasd en boos. ,,Nou moet het niet raarder worden. Als ze toen bij ons waren gekomen, hadden we dat zo geregeld,’’ zeiden ze daar. De instelling van de toenmalige commissie was opnieuw de reden van een breuk tussen Ritsma.

Hij stapte weer op met zijn hele bemanning, maar kijkt ondanks dat terug op een prachtige tijd met diezelfde mannen. Bovendien volgt hij de verrichtingen van het Lemster skûtsje nog op de voet. Via Klaas Jansma natuurlijk op de radio, maar als de silerij in Lemmer is, gaat hij nog steeds een kijkje nemen. ,,Ach we hebben natuurlijk heel veel met elkaar gelachen. En de jonge jongens, waaronder mijn zonen Peke en Bouwe wisten ook dat ik de baas was. Dat ging heel goed.’’

NA PRACHTIGE WEDSTRIJD OP SNEEKERMEER. Schipper Rintsje Ritsma, van het Lemster skûtsje kampioen ’66. Ritsma haalde in 1966 de kampioenswimpel naar Lemmer.

Grootse huldiging, Rintsje Ritsma.

Rintsje Ritsma en zijn mannen die gisteren het kampioenschap skûtsjesilen 1966 behaalden zijn te Lemmer op een uitbundige wijze gehuldigd. Meteen nadat bekend was dat de Lemsters de titel hadden behaald, togen burgemeester F. Faber en gemeentesecretaris H. Sliep naar Sneek, om daar Rintsje Ritsma en de zijnen geluk te wensen. Later in Lemmer moesten zij nog vele handen drukken en op andere wijze de hulde van de Lemsters in ontvangst nemen. Het Lemster skûtsje voer gisteravond met aan boord twee muziekcorpsen en de drumband Lemmer binnen.

De bemanning bestaande uit Rintsje Ritsma, Sipke Tjerkstra, Jan Hobma, Jimme Foekema, Ferdinand Deinum, Bouwe Ritsma, Peke Ritsma, Johannes Foekema, Jaap Smak, Douwe Foekema, Frans Deinum en Berend Bakker, werd in een versierde vrachtauto door de plaats gereden en tenslotte naar de kantine van de lagere technische school gebracht waar de mannen een verdere huldiging wachtte.

Bij de foto: ,,Als een jonge kerel staat hij bij de mast van het Lemster skûtsje’’, schrijft fotograaf Jan van der Werf bij deze foto die hij maakte van de honderdjarige Rintje Ritsma. Ritsma voelt zich dan ook eerder 80 dan 100, zo liet hij krant weten.

TOP