Zeedijk |1|

De oude zeedijk heeft veel van de vloed van 1776 te lijden gehad. De zeedijk ten oosten van de Lemmer was op een drietal plaatsen doorgebroken, zodat tegen de avond het zeewater al de straten van de plaats overspoelde en tegen de volgende morgen dusdanig was toegenomen, dat het ter hoogte van negen palmen (toen in 1820 het metrieke stelsel werd ingevoerd, werd de palm gelijkgesteld aan 10 cm) op de Nieuwburen stond, zodat alle bewoners daar op hun zolders een toevlucht moesten zoeken en ’s anderendaags grotendeels hun huizen verlieten, waarna vele dezer van achteren zijn ingestort en tal van goederen verloren gingen. Op 3 februari 1825 werd Friesland opnieuw geteisterd door een harde noordwestelijke storm gepaard met springvloed, ook hier een gedeeltelijke vernieling van de zeedijk ten oosten van het dorp.

Foto van: Jelle van der Bijl

Foto van: Jelle van der Bijl; Boerderij van de familie. Van der Bijl, maar de meeste mensen zeiden altijd Lute boer.

Foto van: Jelle van der Bijl

Foto van: Jelle van der Bijl

Een foto uit 1927. De Zeedijk, net buiten de bebouwde kom. Nog geen spoor van strand of industrieterrein. Op de achtergrond zijn de remises van de tram zichtbaar. Met waarschijnlijk het torentje op het stationsgebouw waarin ook de chef van de tram woonde. We zijn hier net voorbij het ‘Swarte hikje’ dat met het hekwerk naar beneden en het aansluitende hek over de weg het vee langs de dijk moest keren van het Skieppedykje.

De laatste decennia is hier heel wat veranderd. Hier is nu Industrieterrein Buitengaats en het vernieuwde strand. De stenen die de dijk beschermden zijn verdwenen en vervangen door precies in elkaar sluitende stenen. Het is veiliger, vooral als de theorieën over klimaatverandering e.d. nog eens zouden uitkomen. Maar er is wel een stuk van het eigene verdwenen en je voelt je daar bijna gast in je eigen dorp.

Boerderij van Akkerman aan de oude Zeedijk

Gerrit Jelles Wierda

Zeldzame foto van de heer Braaksma: Van de werkplaats van Gerrit Jelles Wierda; één van zijn zee- schouwen steekt uit de werkplaats bij de zeedijk.

Gerrit Jelles Wierda

Atte Gerrits Wierda

Gerrit Jelles Wierda, is in 1898 is begonnen met het bouwen van zee schouwen. De werkplaats was gelegen onderaan de zeedijk aan de zuidkant van Lemmer, de Polle.

Gerrit Jelles Wierda, geboren op 1 maart 1854 te Lemmer, overleden op 30 januari 1941 te Lemmer, gehuwd met Marie Veldman. Van de tien kinderen die Gerrit en Marie kregen zijn twee meisjes Jantje en Bontje (gehuwd in 1912 met Auke Tjeerds Huisman) en broer Atte overgebleven, de andere kinderen zijn allen jong overleden. Waarschijnlijk betreft onderstaand krantenartikel ‘Afke Gerrits Wierda’, zij is overleden op 19 oktober 1900 in Lemmer, 20 jaar oud.

Op 27 oktober 1900, werd het volgende bekendgemaakt:

Burgemeester en wethouders van Lemsterland; Gezien het advies van den Heer dr. J. G. Visser, Geneeskundige te Lemmer, d.d. 24 october 1900, waaruit blijkt, dat ten huize van Gerrit Wierda te Lemmer, besmettelijke ziekte, met name Acute Tuberculosis Pulmonum heeft geheerscht en dat er ter voorkoming van besmetting zeer dringende noodzakelijkheid bestaat tot onteigening en vernietiging door verbranding van de met de lijderes in aanraking geweest zijnde goederen, als: een katoenen Stroozak, twee zeewieren Kussens, een kapokken Bed, een kapokken Peluw, twee kapokken Kussens, twee molton Dekens, een bonte Deken, twee paar Kousen, twee wollen Onderhemdjes, twee wollen Borstrokken, twee wollen Onderlijfjes, twee wollen Onderbroeken, drie wollen Omslagdoeken, drie wollen Rokken, een Corset, drie wollen Bovenrokken, vier wollen Blouses, een wollen Jurk, drie wollen Mantels, een Hoed, twee paar Handschoenen, een duffelsche Jas en een wollen Boezelaar.

De te onteigenen hierboven genoemde vermelde Goederen, toebehorende aan Gerrit Wierda voornoemd, met bevel tot onmiddellijke inbeslagneming en vernietiging door verbranding: te benoemen tot deskundige om voormelde Goederen te waarderen Jentje Knol, kastelein, wonende te Lemmer, en dat dit besluit wijze ter openbare kennis zal worden gebracht en in de Leeuwarder Courant geplaatst.

Lemmer, den 24 oktober 1900,

Burgemeester en Wethouders voornoemd,

Luiking.

De Secretaris.

Klaasesz.

Hoewel hij wagenmaker was, had Wierda ook veel interesse in de bouw van vissersschepen. De vissers riepen vaak zijn hulp in als er reparaties aan hun schepen nodig waren. Hij stapte dikwijls aan boord van in de haven liggende vissersschepen om wat op te meten. Wierda had zijn wagenmakerij vlak bij de Spuisluis.

Andries Fleer had hier een vissersboot liggen, die in zeer slechte staat verkeerde. Wierda stelde hem voor een nieuwe schouw te bouwen. ‘Met de centen zou het wel in orde komen.’ Toen de schouw in 1914 gereed kwam (1), moest Andries Fleer in dienst want de mobilisatie was afgekondigd. De Mobilisatie, zo ging de schouw heten, bleef lange tijd ongebruikt bij de Spuisluis liggen. De grootte ervan was 28 tot 30 voet. Deze schouw bleek een snelle zeiler te zijn. Bij verschillende wedstrijden werden daarmee eerste prijzen behaald. Na deze volgde er een groot aantal schouwen, wel ‘spekbakken’ genoemd, voor vissers uit onder andere Hoorn en Enkhuizen. De Wierda’s zeilden deze schepen zelf naar Holland.

Zoon Atte nam het bedrijf van zijn vader over. Atte woonde met Jantje in het ouderlijke huis totdat de brand van de houtmolen op 13 augustus 1953 daar een eind aan maakte. De plaatselijke brandweer, die achter op het terrein met het blussingswerk was begonnen, was niet bij machte iets tegen deze vlammenzee te doen. De woningen op de Pôlle van Hidde van der Bijl brandden al. De woning en werkplaats van Atte Wierda werden door de brand totaal verwoest.

Bij de smederij van Harm van der Wolf, de woningen van directeur P. van de Bosch en boekhouder A. Hoekstra, alsmede de kantoren was al een begin van brand. De fabrieksbrandweer wist de woningen nat te houden en dit vuur te doven. De oude wagenmaker Atte Wierda, die nog eens door het raam naar binnen wilde gaan om enige kleren te halen, werd door de Lemsters tegengehouden.

‘Dit is alles hwat ik noch ha,’ zei hij en hij wees op het werkpakje dat hij droeg. ‘Wy sieten, myn suster Jantsje en ik, te thédrinken, doe ’t ynienen de fluit fan it febryk alderheislikst bigoun to razen. Ik roun nei de timmerwinkel, dy ’t tsjin de houtloods oan stie, en och hearkes, dér wie ’t ien stik fjûr. Ik werom en gau hwat jild en de beide spaerbankboekjes byinoar pakt en dat is alles hwat wy rêdden hawwe.’

Zijn wagenmakerij waarin hij voornamelijk reparaties verrichtte aan boerenwagens lag volkomen plat. De wagenmakerij was meer door de ontwikkeling van de tijd een herstelwerkplaats geworden. Met gereedschappen, houtvoorraad en een machine ging alles verloren. Ook het hier opgeslagen materiaal van Kaatsvereniging Súdwâl overleefde de brand niet.
De heer Wierda was, naar hij verklaarde, vijftig jaar lang in een en dezelfde maatschappij verzekerd geweest. Toen hij dit jaar had geweigerd een hogere premie te betalen, die de maatschappij nodig oordeelde in verband met de bouw van zijn bedrijfje (voornamelijk hout) en de onmiddellijke nabijheid van de houtloods, was hij geroyeerd. Dat zou inhouden dat hij geen enkele vergoeding kreeg van de verzekering.

De heer Wierda was bovendien eigenaar van het huisje dat door de heer Winters werd bewoond. De bewoners van de andere huisjes (dat van de heer Bijma was eigen bezit, die van de heren Van der Bijl en Verbeek behoorden aan de houtmolen) waren verzekerd. Met man en macht werd het huisraad naar buiten gesleept van de woningen die nog niet door het vuur waren aangetast. Deze huizen liepen (net als dat van oud-schipper D.C. Ham, dat naast de wagenmakerij van Wierda lag) wel veel waterschade op, maar konden behouden blijven.

Op deze foto zijn de woningen goed te zien.

(1) De eerste schouw waaromtrent nog iets bekend is dateert van 1914. Vermoedelijk zijn er echter ook vóór 1914 al schouwen gebouwd. Behalve op het maken van wagens legde Wierda zich op het vervaardigen van vletten toe. De vissers riepen vaak zijn hulp in als er reparaties aan hun schepen nodig waren. Hoewel wagenmaker, had Wierda veel interesse in (de bouw van vissersschepen). Hij stapte dikwijls aan boord van :in de haven liggende vissersschepen om wat op te meten. Wierda had zijn wagenmakerij vlak bij de Spuisluis. Andries Fleer had hier een vissersboot liggen, die in zeer slechte staat verkeerde. Wierda stelde hem voor een nieuwe schouw te bouwen. 'Met de centen zou het wel in orde komen'. Toen de schouw in 1914 gereed kwam, moest Andries Fleer in dienst, want de mobilisatie was afgekondigd. De 'Mobilisatie', zo ging de schouw heten, bleef lange tijd ongebruikt bij de Spuisluis liggen. De grootte ervan was 28 à 30 voet. Deze schouw bleek een snelle zeiler te zijn. Bij verschillende wedstrijden werden daarmee eerste prijzen behaald. Na deze volgde er een groot aantal schouwen, wel 'spekbakken' genoemd, voor vissers, onder andere uit Hoorn en Enkhuizen. De Wierda's zeilden deze schepen zelf naar Holland.

Gebr. de Boer

De helling sinds 1876 van de Gebr. De Boer aan de Zeedijk

Grondlegger van de werf op de Lemmer is Pier Klaas de Boer, 1837-1904. Hij werkte als knecht op de werf in zijn geboorteplaats Woudsend, op de werf van Bos in Echtenerbrug en op de werf van Bakker in Lemmer. Gehuwd in 1865 met Sytske de Jong. Wanneer zij komt te overlijden (te Woudsend in het kraambed overleden), gaat Pier de Boer naar Lemmer, waar hij in 1867 een tweede huwelijk aangaat met Sjoerdtje Harmens Visser, met wie hij twaalf kinderen krijgt.

Op 24 december 1874 koopt hij, samen met zijn compagnon Thijs van de Vaart, een stuk land tussen de Zeedijk en de Rien van het Waterschap ‘De Zeven Grietenijen en Stad Sloten’. Beiden worden in de koopakte als scheeps-timmerknecht aangeduid. Het compagnon schap met Thijs van de Vaart heeft niet lang geduurd.

Samen met zijn vrouw Sjoerdtje sticht Pier op het aangekochte terrein de scheepshelling. In 1877 laat hij zijn eerste vissers aak te water, een 36-voets botaak voor Jan de Blauw. Het schip word getuigd met een grootzeil (gaffeltuig), fok, kluiffok en bezaan. Vijf jaar later laat hij twee aken te water: voor Jan de Blauw en voor Andries de Blauw, elk van 40 voet. Dat gaat vervolgens zonder onderbreking door; de grootste jaarproductie bedroeg zes stuks.

In 1899 wordt de ijzerbouw aangevat. Een jaar later strandt het huwelijk van Pier en Sjoerdtje, waarop zijn vrouw Sjoerdtje Visser de helft krijgt van de werf. Sjoerdtje had veel te vertellen in het bedrijf en kreeg ook de naam ‘Sjoerdtje heeft de broek aan, met een leeren kont’ maar Sjoerdtje had wel een timmermansoog en had zo een belangrijk aandeel in de bouw en de vormgeving van de aken.

In 1902 kopen hun vier zoons, Harm, Klaas, Dirk en Hendrik de Boer, hun vader uit en nemen ook het bedrijf van moeder over, zodat zij het hele bedrijf weer bezitten. Zij bouwen naast de bestaande helling een nieuwe ijzerwerf. Ze bouwen twee typen aken, een slanke versie voor plaatselijk gebruik en een bredere voor elders. Op de ijzerwerf worden ook vracht- en zeegaande schepen gebouwd, zoals tjalken, klippers, kempenaars motorboten, etc. In 1920 treedt Klaas uit het bedrijf en in 1925 volgt Hendrik. Rond 1930 verlaat ook Harm het bedrijf en blijft alleen Dirk met zijn zoon Ary (vanaf 1934) achter.

Het hellinggat op de Zeedijk. Werf van Gebr. de Boer. Hier liggen de LE 23 van Dirk Coehoorn en STL 8 (Schoterland) van de familie Poepjes voor reparatie op de helling.

Op de voorgrond de helling van Gebr. de Boer. Volgens de letters in de dakpannen dateren de gebouwen uit 1902. Op de helling liggen twee schepen, waarvan het kleinste wel een vissersschip zal zijn. In het Hellinggat liggen een paar plezierscheepjes aan de wal. Heel wat anders dan wat we tegenwoordig in de pleziervaart zien, maar in die tijd toch een kostbaar bezit en een teken van welstand. Voor de bedrijfsloodsen staat een rijtje huizen. Daar woonden indertijd leden van de familie de Boer. Aan de Polderdijk zien we het bedrijf en de woning van Willem Slurink. Slurink had een oliehandel. Later liet hij een huis bouwen aan de Binnenhaven zodat hij dichterbij zijn klanten, de schippers, was. In het rechter gedeelte woont Sake Barelds, later in het linker zijn broer Theunis. Daarnaast had bootjesbouwer Oorburg zijn bedrijf. In dat huis woonde later Hendrik Loen, de houten bedrijfsruimte is afgebroken. Okke Wabe Coehoorn was toen eigenaar. Op de linkerkant komen we dan weer bij de terreinen van de houtmolen terecht.

Harm van der Wolf

Johannes van der Wolf, was in 1896 gehuwd met Trijntje de Boer (1871-1920), dochter van Pier Klazes de Boer en Sjoerdtje Harmens Visser.

De oude smederij van Johannes v.d. Wolf (1869-1941), later van zijn zoon Harm v.d. Wolf (1901-1990), stond bij de oude spuisluis, waar nu de benzinepomp van Slump is, aan het eind van de Schans/Vissersburen. (Vroeger was hier ook de spuisluis met een brug en een stukje remming ervoor, vlak in de buurt van de houtmolen.)

Er zaten een paar woningen aan vast, waarschijnlijk woonde Van der Wolf senior daar ook. Bij de brand van de houtmolen liepen deze woningen ook zware schade op, net zoals de wagenmakerij van Jan Wierda, die daar weer naast stond. In de nacht van de bevrijding werd Harm getroffen door een dumdumkogel – dat kostte hem een deel van zijn voet. Hij heeft jarenlang in Lemmer gefietst op een aangepaste fiets met één trapper. Harm had ook een drogisterij op de Vissersburen; die werd door zijn vrouw Leida (Aleida Johanna Langevoord) gedreven.

  • Frans Visser uit Lemmer: ‘Deze foto is genomen op de plaats bij de oude spuisluis waar nu de benzinepomp van Slump is, aan het eind van de Schans/Vissersburen. Vroeger was bij de spuisluis ook een brug en een stukje remming ervoor.’
  • Mien v.d. Meer-v.d. Wolf: ‘Mijn opa, Johannes v.d. Wolf, woonde in het eerste huis met zijn gezin. Hij heeft hier gewoond tot aan zijn dood samen met zijn dochter Elizabeth. Zijn vrouw was nl. jong overleden. Na zijn dood heeft Elizabeth er nog gewoond met kostgangers. Ongeveer in 1941 is het gezin van Harmen v.d. Wolf er komen wonen. In de woning ernaast hebben gewoond: de grootmoeder van Harmen (van moeders kant), Oate de Boer. Daarna een oom en tante, oom Harmen de Boer en tante Makke. Daarna een Lageveen, daarna Luite Dam met zijn gezin (hij werkte bij de sociale dienst); dit was in de oorlogstijd. Daarna fam. T. Huitema. Nadien is het als toonkamer van kachels gebruikt en is de bovenverdieping bij het huis van Harmen gekomen. Bij de brand van de houtmolen hebben deze beide woningen praktisch geen schade opgelopen.’
  • Truus Goessen-Huitema: ‘Direct naast de werkplaats woonde Harm met zijn gezin. Nadat mijn pake, Teake Huitema, zijn boerderij had verkocht hebben mijn pake en beppe hun laatste jaren in het huisje ernaast gewoond. Zo heeft het er in de tijd van mijn vaders jeugd uitgezien. Ik ben in de oorlogsjaren vaak op de boerderij geweest, maar wat in mijn geheugen zit is dat in die tijd ook al de muur en het hekwerk bestonden. Maar later in het huisje aan de Zeedijk 2 was het allermooiste. Vlakbij de houtmolen... En het werk in de smidse was ook altijd interessant. Ik heb er vaak gelogeerd in het kamertje boven. Daar was een kleine bedstee, heel gezellig.’

Aan de Zeedijk 2 woonde Harm van der Wolf, kachelsmid en brandstofleverancier.

Bij smid Harm van der Wolf

De Rien vanaf de spuisluis gezien. Achter de smederij van Harm v.d. Wolf, steekt de pijp van de houtmolen er hoog boven uit. Daarnaast ook nog een stuk van het fabrieksgebouw.

Verder zien we een stuk van de muur langs de brug die de Schans met de Zeedijk verbond, links daarvan een stukje van het hek van de lager gelegen brug tussen Beneden Schans en Zeedijk. Daaronder stroomde het water dat door de spuisluis werd afgevoerd. Een rijtje palen staat in het water voor de sluis. Die zullen wel bestemd geweest zijn om schepen die moeite hadden met de stroming te geleiden. Deze palenrij werd ook wel gebruikt door hengelaars en als zwemplek door de jongeren.

Het hekwerk aan de linkerkant was de afscheiding van het terrein van boer Teake Huitema. Deze boerderij werd in de nacht van de Bevrijding getroffen door een granaat. Daarbij raakten een paar koeien op de stal dood.

HET BOOTJE VAN DE SMID

Door Bennie Huisman

Lemmer, rond 1900. Waar de Lemster Rien naar de Zeedijk toe knijpt staat de smederij van Johannes van der Wolf. Een paar honderd meter verderop in de richting van Oosterzee ligt tussen Rien en dijk de werf van zijn schoonouders: Pier de Boer en Sjoerdtje Visser. Die hebben twaalf kinderen: acht jongens en vier meisjes – Johannes is getrouwd met de oudste, Trijntje. Johannes is ‘kachelsmid’, daarnaast doet hij het smeedwerk voor het boerengereedschap en beslaat hij paarden. In 1901 wordt hun tweede kind geboren, Harmen. Er is dan al een Cornelis en drie jaar later krijgen ze nog een meisje, Elizabeth. Harmen gaat in Lemmer naar de openbare school en krijgt nog twee jaar vervolgonderwijs op de ‘Franse school’. Dan gaat hij werken bij z’n vader in de smederij.

Tot dat moment – zo’n beetje de jaren voor de Eerste Wereldoorlog – moet de omgeving van zijn ouderlijk huis een mooie jongensspeelplek zijn geweest. Hij zal ongetwijfeld zo nu en dan z’n vader hebben moeten helpen – dat was in het gezin van zo’n kleine ambachtsman bijna vanzelfsprekend. Maar daarnaast zal hij veel rondgebanjerd hebben op en rond de zeedijk, het Lemster Hop en natuurlijk op de werf van zijn grootouders. Die was in 1902 overgegaan in de handen van vier van de zonen en er was naast de oorspronkelijke ‘houthelling’ ook een werf gekomen voor ijzeren schepen, waar onder andere de later beroemde lemsteraken werden ontwikkeld en gebouwd. Bij die werven zal vast wel eens een klein schouwtje hebben rondgedreven waarvan de kleine Harmen met een stok en een oude zak een zeilbootje maakte.

Zo moet in hem toen het verlangen gewekt zijn om ooit nog eens een ‘echt’ bootje te hebben. Vooreerst is daar geen tijd voor. De handen moeten uit de mouwen om een bestaan op te bouwen. In 1928 trouwt hij met Aleida Johanna Langevoord, die uit Windesheim achter Zwolle komt. Ze gaan wonen op de Vissersburen. Harmen werkt bij z’n vader, zijn vrouw heeft een drogisterij. In 1929 wordt dochter Trijnie geboren, in 1933 zoon Jan. Het is geen gemakkelijke tijd. Het zijn de crisisjaren en tegelijkertijd heeft de aanleg van de Afsluitdijk grote gevolgen voor de Lemster economie, vooral voor de visserij en alle bedrijvigheid daaromheen.

Het idee van een eigen bootje laat Harmen van der Wolf evenwel niet los. Hij heeft veel contact met de familie op de werf en vooral met neef Arie, die een jaar ouder is. Arie de Boer heeft zichzelf met privélessen bekwaamd in het ontwerpen en uitslaan van schepen, heeft daarmee ervaring opgedaan in Groningen en Rotterdam en werkt nu bij z’n vader Dirk op de werf. Meer dan twintig jaar later zal hij het ontwerp maken voor de lemsteraak, die in 1957 door het Comité Varend Nederland aan prinses Beatrix wordt aangeboden: De Groene Draeck. Nu heeft z’n neef voor hem een eenvoudiger opdracht: een kajuitzeiljachtje van zes meter. Hij heeft in de jaren daarvoor wel meer van zulke zeiljachtjes getekend, want met het bouwen van plezierjachten probeert de werf de teruglopende opdrachten wat te compenseren. Harmen heeft een duidelijke opvatting over zijn toekomstige bootje. Hij is sportief aangelegd en het moet dan ook een goede en snelle zeiler worden. En hij wil er een kajuit op om te kunnen kamperen als hij er met z’n gezin mee op uit wil naar de Brekken en verder.

Arie maakt een ontwerp, een echte blauwdruk. Op zijn advies komt de mastkoker vóór het kajuitje en niet erbovenop, dat is sterker. Op de werf, waar het juiste gereedschap is, wordt de kiel gelegd, worden de spanten gebogen en wordt het raamwerk in elkaar gezet. Op een platte schuit verhuist het naar een plek op de wal achter de smederij. Daar wordt het in de winter van 1934/1935 door Harmen zelf afgebouwd met dunne platen van 2 mm, want hoe lichter het bootje, hoe sneller het zal willen zeilen. Voor de duurzaamheid worden de platen gegalvaniseerd. En zo bouwt Harmen van der Wolf aan zijn bootje.

Geduldig en precies worden de voorgesneden platen vanaf de kiel op het raamwerk geklonken. Voorboren, verzinken en klinken. Een werkje voor twee. Wie hem daarbij heeft geholpen? Zijn vader misschien of een van de neven. Maar de secure wijze waarop het is gedaan, dat is liefdewerk, daarin is de droom van Harmen van der Wolf te herkennen. Als het casco klaar is, worden de verdere bedoelingen zichtbaar in de afbouw. In de kajuit komen twee licht verhoogde banken om op te slapen en om de kampeerspullen in op te bergen. Er wordt een vast watertankje onder het voordek geplaatst met een kraantje. Aan beide kanten van de kajuit komen twee patrijspoorten waarvan er een open kan.

En in de kuip twee stevige houten banken, met onder iedere bank een lade met een koperen slotje. Zo’n slotje zit er ook in de mooie houten kajuitdeurtjes met daarin geribbeld glas. Voor het tuig hoeft hij niet ver: Aan de overkant van de Rien aan de Polderdijk zit Van der Neut, een mastenmakerij, en daar zit ook Marten de Vries, de zeilmaker. Een tuig van een grote BM’er, dat is de maat, maar dan wel in wedstrijduitvoering. In de jaren dat Harmen van der Wolf eigenaar is zal het jachtje steeds ongeveer dezelfde kleuren hebben: de romp en het kajuitje zijn crèmekleurig, het dek is lichtgroen en de beide kleuren worden van elkaar gescheiden door een dunne rode rand die het ranke silhouet mooi accentueert.

En zo heeft Harmen van der Wolf in de zomer van 1935 z’n eigen jacht. Het krijgt de naam Tri-jan, naar zijn beide kinderen. Als er in 1939 nog een dochter wordt geboren, Willemien, wordt nog even gedacht aan een naamsverandering, maar uiteindelijk blijft die zoals die is. Nu kan er maar worden gezeild. Uitstapjes en wedstrijden. De kinderen zijn enthousiaster dan Harmens vrouw. Ze voelt zich onzeker op het ranke bootje. Daarom wordt de kiel verlengd en verzwaard en wordt er een aanhangmotortje aangeschaft. Maar het blijft moeilijk en wanneer de zeilen worden gehesen staat moeder niet vooraan om mee te gaan. Pas na 1970, wanneer de Tri-jan plaats maakt voor een Doerakkruiser, zijn Harmen en z’n vrouw vaker samen op het water te vinden.

In de uitslagen van de Lemster watersportvereniging Zevenwolden is de Tri-jan voor de oorlog regelmatig bovenin aan te treffen. Dat is voor het laatst in 1940 wanneer het bootje een tweede prijs wint in de gemengde klasse-groot. In de zomers daarna wordt het steeds moeilijker om nog te zeilen. Om te voorkomen dat zijn bootje door de bezetter wordt geconfisqueerd, ‘duikt het onder’. Vanaf 1942 ligt het in de houtmolen aan de Zeedijk, verstopt achter het opgeslagen hout. Dan woont Harmen al met zijn gezin in het ouderlijk huis met de smederij. Zijn vader is in 1941 vrijwel ‘achter het aambeeld’ gestorven.

Harmen van der Wolf

In april 1945, een dag voor Lemmer wordt bevrijd, komt de omgeving van de Zeedijk onder geallieerd vuur te liggen. Het is bestemd voor de Duitse versterkingen en munitieopslag. De kanonnen staan opgesteld bij Joure, waar ze wat wegzakken in de slappe grond. Zo lijken de omgeving van de brug en de smederij doelwit te worden en er wordt een veilig heenkomen gezocht. Terwijl het gezin daarnaar onderweg is, bedenkt Harmen dat de blikken trommel met alle belangrijke papieren nog in het huis is achtergebleven. Hij sluipt door het donker terug, zijn weg zoekend met een knijpkat. Een Duitse soldaat ziet het knipperende licht aan voor een signaal en schiet. De kogel gaat door Harmens bovenbeen. Met veel moeite wordt de hevig bloedende Harmen weggehaald, met een noodverband wordt het bloeden gestopt en pas de volgende ochtend kan hij naar het noodhospitaal worden gebracht en vandaar naar het ziekenhuis in Heerenveen. Het bot boven de knie is versplinterd en er volgt een operatie in Amsterdam. De rest van het jaar ligt hij in Heerenveen. Zijn been hangt aan een pin die door de knie is geslagen om het bot daarboven weer de kans te geven om aan te groeien.

De pin is echter verkeerd door de knie geslagen, het gewricht is vernield en het eind van het liedje is dat de knie wordt vastgezet en Harmen van der Wolf verder door het leven gaat met een stijf been. Er komt een aparte fiets waarmee hij uit de voeten kan. En verder gaat het leven door. Er moet gewerkt worden, er is een bedrijf waarvan een gezin met opgroeiende kinderen moet bestaan. Wie twee fotootjes van het bedrijf in de vijftiger en zestiger jaren naast elkaar legt, ziet de ontwikkeling. Op de oudste foto staat alleen nog maar het woord ‘rijwielen’ op de gevel. Op de latere foto is er een etalage met een assortiment aan fietsen. Op de eerste foto staat een benzinepomp en nog een losse voor de mengsmering. Later zijn het twee pompen: gewone en superbenzine. Op beide foto’s is nog een andere vaardigheid en negotie te vinden: die van gasfitter. Het is een druk bestaan als middenstander en vakman en meestal is er alleen op zondag tijd om met het bootje het water op te gaan.

’s Zomers worden ook wel meerdaagse uitstapjes ondernomen, onder andere naar de Sneekweek. Soms gebeurt dat samen met de familie op de werf, met oom Dirk en zijn sloep. De kinderen hebben vrienden en vriendinnen mee, en ‘schapen’ en ‘bokken’ worden keurig apart in beide boten ondergebracht. Later gaan de kinderen ook zelfstandig met de Tri-jan eropuit.

In de jaren zestig wanneer de kinderen het huis uit zijn, gaat Harmen regelmatig in z’n eentje het water op. Op de motor vaart hij het Dok en de Zijlroede door richting de Brekken. Op de Kortestreek of de Langestreek ziet hij een kennis lopen. Of-ie misschien zin heeft om... Ús heit fûn altyd wol ien dy ’t mei woe... (Mijn vader vond altijd wel iemand die mee wilde...)

Vijfendertig jaar na de tewaterlating gaat de Tri-jan over in andere handen. Het bootje blijft in zekere zin in de familie, want het wordt verkocht aan een achternicht uit de De Boer-tak, Anneke, getrouwd met een notaris. Zo raakt het bootje niet uit het hart en het oog van Harmen van der Wolf. En vooral dat laatste is soms pijnlijk. Het wordt na een paar jaar nauwelijks meer gebruikt en ligt verwaarloosd voor de wal. Telkens wanneer Harmen en zijn vrouw er met de Doerak langsvaren, kan hij het nauwelijks aanzien. In 1983 is het bootje plotseling verdwenen.

(Deze geschiedenis is gebaseerd op de verhalen van de kinderen van Harmen van der Wolf. Van hen heb ik ook de foto’s gekregen. Een kopie van de oorspronkelijke bouwtekening van de Tri-Jan kreeg ik van de zoon.)

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.