Leeuwke Zandstra

Leeuwke Zandstra, vertelde over Lemstervisserij.


Na stormramp brief naar de Koningin om financiële steun.

Leeuwke Zandstra uit Lemmer, oude Leeuwke, noemden ze hem. Hij begon als Zuiderzeevisser in een houten bootje en eindigde als kantonnier op de dijk tussen Lemmer en Urk. Dat is echt een ploert van een dijk. Nou, Leeuwke liep er rond als een kapitein op een schip. Ontzettend trots, omdat hij vanaf het begin alles had meegemaakt. Hij zag de Noordoostpolder droogvallen, vond in de oorlog dode piloten van de luchtslagen en hielp heel wat gestrande schippers aan land. Als ik een roman moest verzinnen over een man en zijn dijk, dan zou Oude Leeuwke de hoofdrol spelen.

Uit interview van Bas Sleeuwenhoek "Terug op Het Schrale Eind"

Toen wij de 78-jarige oud-visserman Leeuwke Zandstra uit Lemmer vroegen een en ander te vertellen over zijn belevenissen met de Lemster visserij, dan stuit dat op geen enkel bezwaar, maar je moet me niet naar jaartallen vragen, want die weet ik niet meer. Een avondje met hem praten in zijn woning in de Parkstraat blijkt in meerdere opzichten een vermakelijke bezigheid te zijn.

Tijdens de conversatie vallen om de haverklap typische Lemster uitdrukkingen en bijnamen, welke op de lachspieren werken. De heer Zandstra wil liever niet alles in de krant hebben, want sommige bijnamen geven minder deugdelijke eigenschappen weer van bepaalde personen, maar er zijn ook grappige bijnamen. De bijnamen komen boven water wanneer de oud-visserman historische verhalen uit zijn humorrijke geest put. Maar niet alles in het vroegere Lemmer was om te lachen Daar was ook de bittere ernst. Je dagelijks brood verdienen in de visserij was geen gemakkelijke opgave.

Bij meester Funcke

Leeuwke Zandstra komt uit een gezin van 6 kinderen, 4 meisjes, 2 jongens. Leeuwke is de oudste van de twee jongens. Hij vertelt ons dat een van zijn zusters in Amerika woont en 84 jaar is. Van haar ontving bij de afgelopen kerst nog een paar keurig geschreven, in het Nederlands gestelde brieven. Het is net of hij er mee wil zeggen, dat wanneer zijn zuster het zo lang vol kan houden, bij het ook wel kan.

De heer Zandstra bezocht de Chr. Lagere School tot zijn 13e jaar: "In de zomer haalde mijn vader me van school om bij hem aan boord van de LE 73 te gaan. Ik was derde man op het schip. Hendrik Bootsma was mijn vaders grote knecht. Als derde man moest je allerlei karweitjes doen, koffiezetten en zo.

‘Mannen van het eerste uur’ op het tweede Lemster skûtsje, v.l.n.r. Links?, Sjoerd Kuipers, Klaas van der Bijl, Minze van der Bijl, Leeuwke Zandstra, Wiebe van der Bijl en zittend: Roel de Hey (Archieffoto’s St. Lemster Skûtsje)

Op school, in dat gebouw is later een sigarenfabriekje gekomen (later Lemsoos), had ik les van meester Funcke. Dat was een aardige man. Hij had geloof ik een grote huishouding. Hij liet sommige leerlingen apart leren, zoals Fedde Schurer, een zoon van Pieter van der Bijl en de zoon van kleermaker IJlst."

Winkel aan de kant.

Waar de heer Zandstra in Lemmer geboren is, weet hij niet meer, of in de Tuinstraat of in de Schans: In deze laatste straat had zijn moeder, welke van Urk afkomstig (Urker Aaltsje) was een winkel met een assortiment van gedroogd spek tot stopgaren: "Ze had van alles te koop. Met de winkel liep het echter niet zo goed. Ze verkocht wel, maar velen betaalden niet of konden niet betalen. Mijn moeder was een goed mens. Ze kon geen armoede zien. De bedragen, welke klanten aan mijn moeder schuldig waren, liepen soms fors op.

Maar zij moest wel op tijd grossier Leenders in Heerenveen betalen. Dat kon niet, wanneer de klanten niet betaalden. Mijn vader was van mening, dat de winkel maar aan de kant moest, want anders zou het hem nog wel eens de visserij kunnen kosten. Sommige winkeliers deelden middels een plakkaat voor de etalageruit mee, welke mensen bij hen in het krijt stonden. Die is zoveel verschuldigd en die zoveel. Mijn moeder heeft dat nooit gedaan. Trouwens, het waren niet alleen de visserlui die schulden maakten." De familie Zandstra kwam nadien in de Schans te wonen.

Schaatsen op twee linksen.

Als jongeman kreeg Leeuwke van zijn moeder een dubbeltje mee om een paar 'wrakken' te kopen bij Hulsker in de Schans. "Wrakken" waren klompen met gebreken. Een paar goede klompen kostte toen zo'n 7 tot 10 stuivers"

Eens kreeg Leeuwke 10 cent van zijn vader om schaatsen te kopen: "Ik als 12-jarige jongen naar Davidson, een Jood, om schaatsen te kopen. Ik kreeg voor 't eerst schaatsen, met die lantarentjes er op. 't Waren een paar mooie schaatsen. Mijn vader heeft er hakleer opgezet en toen naar 't buitenland, het ijs op. De schaatsen zouden geslepen worden door oude Mulder, die is vroeger nog eens in Amerika geweest. Hij stond bij de ijstent van mijn moeder. Ja, mijn moeder ventte met chocolademelk en koek in een directiekeet van m'n oom Leeuwke Zandstra, voorheen een vrij grote aannemer in Lemmer.

Toen die oude Mulder mijn schaatsen zou slijpen, zei hij, verrek, die Jood heeft je twee oude linker schaatsen gegeven. Ik terug naar Davidson en zei er wat van. Weet je wat die zei? Die schaatsen brengen je, waar ze je hebben willen. Daar moest ik het mee doen. Het was zo'n dikke vierkante man met een pruim tabak achter de kiezen. Z'n vrouw kon niet door een gewone deur, zó breed was ze. Maar goed, ik terug naar Mulder. Die adviseerde me Davidson met de twee linker schaatsen de hersens in te slaan. Mulder was kwaad, maar hij heeft van de ene linker een rechter gemaakt en zo kon ik toch schaatsen.

Hofzingen.

Op kwajongensstreken heeft niet de huidige jeugd patent. Ook vroeger werden streken uitgehaald: Zo gingen Leeuwke en zijn kameraden hofzingen bij de pastoor. 's Nachts staken de heren met een roeibootje van Huitema de Rien over naar de achtertuin van de pastoor om appels en peren te pikken. Terwijl de pastoor in diepe rust was, klauterden vertegenwoordigers van de Lemster jeugd over de hoge omheining van de tuin. Ook het in brand steken van een met petroleum doordrenkte jutezak aan een stok was een geliefde bezigheid.

Petroleum werd uit kannen van vissersschepen gepikt of uit het vierkante bakje van de straatlantaarns getapt. Maar al was de fakkelloper nog zo snel, de bij de jeugd beruchte agent Venema achterhaalde hem wel.

Venema had lood in zijn gummiknuppel en het was de jeugd niet geraden binnen het draaibereik van deze agent te komen. Zo sloeg Venema, in een boze bui, de zoon van oude Klaas Sterk een hele grote volle melkpan in één klap uit de klauwen. Ook Leewke kreeg eens een enorme klap met de knuppel, zonder er een besteld te hebben. Hij stond bij een hek buiten Lemmer, dat het vee moest keren, (het hek van "rode Wieger") en dat zinde agent Bosma niet. Deze politiefunctionaris stond ook niet als gemakkelijk te boek en Leeuwke kreeg een dreun, die hij 65 jaar later nog voelt. Door het hek passeerden veel boeren en jongens gingen er staan in afwachting van een "fooi".De politie zag dat blijkbaar niet graag.

Storm op de Lemmer.

Leeuwke was ongeveer 14 jaar oud. Er stond een krachtige west noord- westen wind. "De wind krimpte opeens naar het zuiden. Het water kwam allemaal terug de haven in. De aken werden op de dam geslingerd. Sommige raakten los en er zonk ook één. Dat was die van de oude Rus (= Sake Visser). Het gebeurde in de nacht. Er zonken nog meer. Mijn vader had de klampen eraf en de boeg doorgeschuurd.

Door het hoge water gingen de boegen van de aken tegen de gording aan schuren.' De aak van Wiebe Urk lag bovenop de dam. Er was veel averij. Bij stukjes en beetjes zou alles weer opgeknapt moeten worden. De hellingbazen zouden veel werkzaamheden op krediet moeten verrichten. (De stormramp waarover Leeuwke spreekt, is die van 13 en 14 januari 1916, welke grote schade veroorzaakte in Noord Holland, in het bijzonder in Waterland en op Marken. Van de weggespoelde houten huizen en inventaris hiervan kwamen de restanten langs de kust bij Lemmer aandrijven. Een glorietijd voor de jutters. Het water had bij Lemmer een dusdanige hoogte bereikt, dat de oostelijke havendam geheel ondergelopen was.)

Er was een houten helling en een ijzeren helling in de Lemmer. Eén van die hellingbazen was Pier de Boer, een oom van Arie de Boer, die later aan 't Hop woonde. Eerste klas timmerlieden als Albert Reijenga en Jelle Douma knapten de schepen op. 't Was een hele ramp voor de Lemmer. Er werden brieven naar het Rijk en de Koningin gestuurd om geld. Een zekere meneer Malerus is voor de visserlui in 't spier geweest. Die man was bij Blessinga in de kost en daar diende mijn zuster, die nu in Amerika woont. (Met meneer Malerus bedoeld Leeuwke jonkheer Mollerus, ontvanger de registratie en domeinen te Lemmer. Hij woonde in Apeldoorn en was niet gehuwd, hij was een bijzonder aardig man)

Zodoende weet ik, dat die man Malerus, een vreemde naam overigens, heette. Hij zat, geloof ik, op het gemeentehuis. Er werden veel brieven geschreven. Uiteindelijk kwam er een kleine gift. In die dagen waren er nog maar een paar ijzeren aken. De meesten waren van hout en na de storm beschadigd. De Lemster vissersvloot telde zo'n 80 schepen: botters, schouwen en voor het merendeel aken.

Schokland

Leeuwke was al op 15-jarige leeftijd schipper. Zijn vader was niet zo sterk en daarom stond Leeuwke al vroeg aan het roer. Hij heeft over de hele Zuiderzee gezworven en ook de vele havens aan deze zee aangedaan. Havens als die van Wieringen, Kolhorn, Enkhuizen, Marken, Volendam, Bunschoten, Harderwijk, Kampen; Urk, Kuinre en Schokland (Zie kaartje). Schokland werd in 1859 ontruimd en was nadien alleen de woonplaats voor een drietal gezinnen, wier gezinshoofden belast waren met het onderhoud van het steeds meer afbrokkelende eiland.

De heer Zandstra herinnert zich nog het volgende van het langgerekte eiland: "In het midden stond een kerkje. Op de zuidpunt stond er ook één. Er woonde een Urker op, die een ijzeren aakje uit Kampen had. Hij was een beetje baas op het eiland. Ik ben wel veel op het eiland geweest: Als het stormde op zee, dan voeren we gauw naar de Schokkerhaven. 't Was nog een flinke haven. Er stond ook nog een winkel en daar kon je roggebrood. en duimpjes kopen. Als jongen vond ik die lekker. Soms waren er kopers op Schokland.. Ze kochten de vis op.

Ik kan me niet herinneren, dat er een visafslag was. Het eiland werd niet zo goed onderhouden. Het brokkelde steeds meer af. Bij zware ijsgang dreven grote. stukken veen van het eiland in de Zuiderzee."

Leeuwke Zandstra en Ties Prins redden de Noordoostpolder van een overstroming.

Twee Lemster redden dijk Lemmer-Urk.

LEMMER – Dankzij de inzet van de Lemsters Leeuwke Zandstra, geboren op 19 mei 1899 en Ties (mogelijk ook Theo) Prins is de Noordoostpolder (toen nog het Nieuwe Land geheten) vlak na de Tweede Wereldoorlog waarschijnlijk voor een catastrofe behoed. Door een aantal vaten springstof onschadelijk te maken, voorkwam het tweetal dat de dijk werd opgeblazen en het lage land onderliep. Dit blijkt uit Bas Sleeuwenhoeks boek 'Het schrale eind, een reis langs de bedwongen Zuiderzee' * Sleeuwenhoek interviewde gedurende een periode van 4 jaar honderd mensen die hebben meegemaakt hoe de Zuiderzee veranderde in het IJsselmeer na de aanleg van Afsluitdijk. De journalist en schrijver wilde weten hoe deze verandering hen persoonlijk beïnvloedde, maar ook wat het deed voor natuur en visserij.

Zandstra’s verhaal staat uitermate boeiend beschreven en laat zien hoe een Zuiderzeevisser verwerd tot een kantonnier van de dijk Lemmer-Urk. De Lemster die inmiddels is overleden begon als vissersknecht bij Jurjen Bootsma op de LE42 en maakte in de jaren 1930 en 1931 mee dat de vangsten nog uitermate goed waren. Dit was waarschijnlijk te danken aan de laatste stroomgaten in de Afsluitdijk, aldus Zandstra in het boek.

Na de aanleg van de dijk kreeg de visser een baan bij de Zuiderzeewerken en werd hij peiler op een baggermolen. Hij zette daar grenzen uit voor wat later de Noordoostpolder zou heten. Toen de baggerboten hun werk hadden gedaan, kreeg Zandstra ander werk; hij werd opzichter op de dijk Lemmer-Urk. Hij hield de vooruitgang van de steenzetters van de basaltblokken bij en controleerde hoeveel puin er werd aangevoerd. Als geen ander zag hij de nieuwe polder ontstaan. Die polder was er echter bijna niet meer geweest als hij niet samen met Prins had ingegrepen. De Duitsers hadden tijdens de oorlog in de dijk (bij de Bumasluis) zes vaten met springstof gezet om de dijk op te blazen.

Het plan werd weliswaar nooit uitgevoerd, maar op de eerste dag na de bevrijding stonden de vaten nog altijd op hun plaats. Zandstra, die nog nooit een bom van dichtbij had gezien vatte samen met Prins het plan op om het projectiel onschadelijk te maken. Later zou Zandstra zeggen dat hij dit eigenlijk in een bui van overmoed had besloten en gedaan. Zijn vrouw en kinderen heeft hij er bijvoorbeeld nooit over verteld.

Losbikken.

Dat de mannen waarschijnlijk flink wat risico hebben genomen bij het demonteren van de ,bommen’ blijkt wel uit het feit dat de mannen aan het zagen en het bikken zijn geweest om de springstof te verwijderen. De bovenkant van de vaten waren afgedekt met een laag mastiek en in het midden stonden koperen buisjes. Zandstra plaatste de punt van een beitel op de taaie laag en bikte met behulp van een hamer de mastiek los. Toen er geel poeder zichtbaar werd, wisten de beide mannen dat dit de stof was waar het om draaide. Zij leegden de koker in het water bij het Bumagemaal, openden het tweede vat en vervolgens de rest. Na het zesde vat was de Noordoostpolder gered van een overstroming.

,,Zandstra heeft me ook nog verteld dat er nog een laatste compartiment moet staan en dat dit te vinden is bij een hele harde oostenwind. Ik ben een keer gaan kijken tijdens een storm maar heb het niet kunnen vinden,’’ aldus de schrijver. Tevens ging het verhaal dat het drie Polen waren die de springstoffen onschadelijk hadden gemaakt. Waarschijnlijk is dit zelfs ergens opgetekend, maar klopt dit verhaal niet. Waarom nu pas duidelijk wordt dat Zandstra en Prins de Noordoostpolder waarschijnlijk hebben gered, heeft Sleeuwenhoek ook weten te achterhalen. ,,Zandstra antwoordde mij dat ze hem er nooit naar gevraagd hebben. Dus heeft hij het nooit verteld.’’

Een kleine genealogische benadering.

1. Leeuwke Gerbens Bootsma, geboren op 8 augustus 1804 te Lemmer. Gehuwd op 11 augustus 1833 te Lemmer met Berendje Andries Bergsma, geboren op 28 januari 1811 te Lemmer, dochter van Andries Sake Bergsma en Roelofje Berendje Bergsma.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Roelofje Bootsma, geboren op 21 april 1834 te Lemmer.

2. Elske Bootsma, geboren op 17 september 1836 te Lemmer, overleden (32 jr) op 2 november 1867 te Lemmer. Gehuwd op 25 oktober 1857 te Lemmer met Wybren Siebes Zandstra, geboren op 30 november 1833, overleden op 11 september 1921 te Lemmer, zoon van Siebe Geerts Zandstra en Jacobje Aukes van der Veen.

Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen bekend.

1. Leeuwke Zandstra, geboren op 18 februari 1858 te Lemmer.

2. Siebe Zandstra, geboren op 25 maart 1860 te Lemmer.

3. Sake Zandstra, geboren op 20 mei 1862 te Lemmer, overleden op 27 februari 1931. Gehuwd op 11 oktober 1888 te Lemmer met Aaltje Post (Urker Aaltje), geboren op 17 maart 1866 te Urk, overleden op 19 oktober 1950 te Lemmer, dochter van Jan Post en Anna de Vries.

Sake, kwam uit de Schans en was een zwakke man. Zijn vrouw kwam uit Urk en werd "Urker Aaltje" genoemd. Ze hadden ook een winkeltje. Omdat vader veel ziek was moest zoon Leeuwke, die later in de Parkstraat woonde, al op 15 a 16 jarige leeftijd optreden als schipper met als knecht broer Jan. Sake is niet oud geworden, maar Aaltje werd 84. In 1924 visten ze op haring en ansjoop. Sake was een broer van Siebe Zandstra, van de LE 24.

LE 73: Eigenaar: Sake Zandstra. Bijnaam: Toet toet en Sake van Oate. Woonplaats: Lemmer. Soort: Houten aak. Naam Schip: "De Vrouwe Aaltje" Bouwjaar: 1897. Werf: Gebr. de Boer

Kinderen bekend uit dit huwelijk.

1. Roelofje Zandstra.

2. Anna Zandstra.

3. Leeuwke Zandstra.

4. Leeuwke Zandstra, geboren op 19 mei 1899 te Lemmer, overleden op 27 oktober 1980 te Lemmer. Gehuwd met Hiske Deinum, geboren op 22 september 1898 te Leeuwarden, overleden op 3 augustus 1976 te Lemmer. Dochter van Lolle Deinum en Sjuttje Roskam.

Uit dit huwelijk.

1. Teatske Deinum, geboren op 2 augustus 1920 te Balk.
2. Aaltje Zandstra, geboren op 9 januari 1929 te Lemmer.
3. Lolle Zandstra, geboren op 25 januari 1931 te Lemmer.
4. Sake Zandstra, geboren op 1 november 1932 te Lemmer.
5. Ferdinand Zandstra, geboren op 5 april 1939 te Lemmer.
6. Anneke Zandstra, geboren op 18 augustus 1943 te Lemmer.)

5. Elske Zandstra.

6. Leeuwke Zandstra.

7. Jan Zandstra. Jan is getrouwd met Albertsje Brandsma en had een haringkar in Amsterdam.

8. Grietje Zandstra.

4. Geert Zandstra, geboren op 19 juli 1864 te Lemmer.

5. Berendtje Zandstra, geboren op 21 september 1866 te Lemmer.

3. Roelofje Bootsma, geboren op 22 februari 1839 te Lemmer, overleden (79 jr) op 23 juli 1918 te Lemmer. Gehuwd op 9 september 1860 te Lemmer met Reindert Jurjens de Boer, zoon van Jurjen Rinkes de Boer en Janke Meintes Heerkema.

4. Sake Bootsma, geboren op 17 mei 1841 te Lemmer.

5. Pietertje Bootsma, geboren op 27 december 1843 te Lemmer, overleden (22 jr) op 27 januari 1866 te Lemmer.

6. Andries Bootsma, geboren op 14 mei 1846 te Lemmer, overleden (2 jr) op 19 december 1848 te Lemmer.

7. Leeuwke Bootsma, geboren op 3 augustus 1849 te Lemmer, overleden (11 mnd) op 11 juli 1850 te Lemmer.

Zie ook: Genealogie Gnodde


3-80.jpg

 

 

Auteur Bas Sleeuwenhoek
ISBN10 9078585013
ISBN13 9789078585015