Home » Lemmer » Kerken » In en om de Kerk Lemmer

In en om de Kerk Lemmer

Kerken in Lemmer

Apostolisch Genootschap - Gerben Bootsmastraat 51 Lemmer.
Apostolisch Genootschap - Lijnbaan 62 Lemmer.
Betelgeuze - Koninkrijkszaal Lemmer.
Eben Haezer - Riensingel 4 Lemmer.
Gereformeerde Gemeente - Turfland 60 Lemmer.
Gereformeerde Kerk - Nieuwburen 36 Lemmer.
Hervormde Kerk - Kerkhof 1 Lemmer.
Nieuw-Apostolische Kerk - Tuinstraat 4 Lemmer.
Rehoboth- Wega 1 Lemmer.
Synagoge - Schans 29 Lemmer.
Willibrordus - Schans 49 Lemmer.

Skyline met zichtbaar twee kerken in Lemmer.

Waaronder de Nederlands Hervormde Kerk het centrum van Lemmer siert.

Als men in de oude kerkboeken rondsneupt, begint men ongemerkt een vergelijk te maken met de tegenwoordige tijd. Wat is alles anders geworden, hoe anders de instelling van de mensen. Hoe anders de functie van de kerk nou in het leven inneemt, een hoop taken die vroeger aan de kerk toehoorden, zijn nu door de burgerlijke gemeenten overgenomen.

De kerk van de Lemmer was één gemeente met Follega en Eesterga, al heeft Follega een aparte kerk gehad. In 1683 staat erin dat in Follega een ouderling bevestigd is:

"Sonder eenige opspraak bevestigd in syn dienst"

Maar het was niet na te gaan of dat in Follega gebeurd is of in de Lemmer. Het zal wel zo zijn dat Follega en Eesterga een eigen inbreng in de gemeente van Lemsterland hadden. De kerk had in Follega ook de plicht de brug te onderhouden, althans voor de helft, de andere helft was voor de grietman en zo zal het ook wel met de tol geweest zijn. Zo is erop 10 mei 1825 geschreven:

"Ontvangen van Korn,v.d. Pol de helft van de dorpstol, van den 1 november tot den 1 mei 1825 waarin door den j.l watervloed gekort is 100 gulden dus f 284,35".

De watervloed van 1825 is best erg geweest, het hele Gea heeft onder water gestaan, wat ook te merken was aan de opbrengsten van de tol. Om zo'n tol te pachten moest men inschrijven, telkens voor een jaar de hoogste bieder was de man. De kerken hadden ook de zorg voor het onderwijs, de meester moest betaald worden en ook het onderhoud van het schoolgebouw hoorde daarbij.

In het kerkvoogdijboek Follega 1753-1817 staat:

"Ontfangen by my uyt handen van Cornelis Sjoerds, als administrerende kerkvoogd van Follega, een somma van drie en dertig gulden aan schooltractement op alderheilgen 1757 verscheene zijn een half jaartractement"

Het is haast wel zeker dat de man daarvoor ook de kachel brandend moest zien te houden.

De kerk die in Eesterga heeft gestaan, is echter rond 1740 is afgebroken. Op de begraafplaats staat nog wel een klokkenstoel uit 1617 met wit helmdak met geschulpte rand en weerhaan. De klokkenstoel is gemaakt van Bilinga. (Is een houtsoort, met een bijna gouden kleur. Het hout is kruisdradig. Het is geneigd tot haarscheurtjes. Het wordt soms nog gebruikt voor zware constructies in molens en voor constructies die weer en wind moeten doorstaan zoals sluisdeuren en palen waar schepen tegenaan kunnen varen (dukdalven, remmingwerken e.d.). De klok is in 1617 gegoten door Henricus van Meurs.

Een mooi beeld geven de inkomsten en uitgaven - er was een levende handel van certificaten 1836: "Verkocht een Russische certificaat van f 1000,- voor f 947,50,-" Een andere post was het innen van boete, als ze een boete kregen door één of andere overtreding dan kwam dit ook aan de kerk ten goede: "Den 17 februari 1790 van den Heer Andringa wegens boete bekomende van Oege Anskes" ..."Ao 1711 ontfangst van een schuitenvoerder van booten dat geld van de officier geordineert was omdat hij op een zondag hadde gewerkt....."

Verdere inkomsten: Huren van enkele huizen en van een arm ackertje te Eesterga. Van huur fan het armelaken of lijkleed. 4 september 1850 ontvangen van M. R.. Rinkema wegens verhuurde bleekvelden over 1849. Ook de regenwaterbak bij de kerk werd jaarlijks verpacht: Van Johannes Bouillon voor een jaar pacht de kerkebank, f 31.- in 1806 f 36.5.- in 1807 was in een goed jaar wel f 50.5.-

Het scheen zo te wezen dat arme lui die door de kerk onderhouden moesten worden, het weer terug moesten betalen zodra ze weer wat verdiend hadden. Dit was in 1726: Ontvangen de somma van één honderd twintig carolius guldens wegens een jaar arbeidsloon, verdient bij Jan en Claas Geerts op de Lijnbaan.

"Den 25 dito van den Heer Andringa de Oortjesgelden ontvangen 15.-" De belastingpachters moesten van elke gulden pachtgeld 1½ cent afdragen aan de kerk voor de armen, deze 1½ cent cent noemde men een oortje.

Maar het waren niet alleen maar inkomsten, heel wat werd uitgegeven aan brood voor de armen. Er moet destijds een ontzettende armoede hebben geweest, in 1700: "Gegeven aan een arme man, die zijde dat syn frou tot Oosterzee in de Craam lage" Hij kon blijkbaar bij de kerk in Oosterzee niet terecht. Maar er waren ook andere motieven om aan geld te komen: "Aan een arme man die een monnick geweest was so hij voorgaf, er stond bij zo hij voorgaf" Het vertrouwen was blijkbaar niet zo heel groot.

Ook in 1711 werd er al gesproken over moffen: "Van Jorrit Murks (Joryt Murks afkomstig van Folsgare gehuwd met Claesjen Jentjes afkomstig van Lemmer) voor 't gebruik van 't armelaken voor een mof die in die Lemmer is overleden" Ook in de Lemmer zelf heeft de overstroming van 1825 veel schade toegebracht: 18 februari 1825 aan onkosten wegens het herstellen van graven der kerk behoorende, welke door den watervloed waren ingestort f 20.55.-, 15 augustus 1823 uitbetaald aan H. D. Fortuin te Lemmer voor het maken van een nieuwe kraak in het noorden van de kerk door hem op 26 maart j.l. bij besteding aangenomen voor f 659,-.

De heren kerkvoogden waren niet altijd even vlot met betalen: 15 augustus 1823 de rekening over 1820 betaald voor het maken van twee nieuwe ramen in de kerk. Voor een predikbeurt. Op de Broek werd f 8,- betaald (met de broek werd de preekstoel bedoeld) Maar "Toontje" krijgen voor het klokluiden f 8.- dat zal wel niet per keer zijn geweest.

Mr. R. v.d. Berg, kreeg voor het catechiseren met kinderen op zaterdagavond f 30.-. 26 augustus 1868 een verzoek van de kerkeraad aan de kerkvoogden om een consistoriekamer aan de kerk te bouwen. In 1876 een advies naar de gemeente te sturen met het verzoek om de kermis af te schaffen. Broeder Luiking antwoord dat dit jaar de kermis wordt beperkt van 8 tot 3 dagen. Dan krijgen wij te maken met doleantie, het ontstaan van de Gereformeerde kerk

De predikant had eene kenisgeving van Sipke Idses Koster, ontvangen dat hij zich van de kerkgenootschap afscheide en deelde zulks thans ter vergadering mede. Men nam zulks voor notificatie aan hopende dat deze eerste afscheiding hier geen verdere navolging vindt. Maar die wens is niet in vervulling gegaan, want in 1889 wordt aan kosten inzake en tijdens de doleantie f 150,- uitgegeven: Mr. H. Binnerts te Heerenveen ter voldoening van salarissen en voorschotten wegens de procedure voor de Arrondissementsrechtbank te Heerenveen inzake de doleantie.

(De Doleantie is de benaming voor een kerkscheuring die in 1886 plaatsvond onder leiding van dominee Abraham Kuyper. Een aantal kerkraden (in totaal zo'n tachtig personen) braken met het bestuur van de Nederlandse Hervormde Kerk. Ze noemden zich de Nederduits Gereformeerde Kerk (Dolerende), hiermee aangevend dat zij zich zagen als de voortzetting van de kerk die door koning Willem I de naam Nederlandse Hervormde Kerk had gekregen)

Dat heeft heel wat problemen gegeven, maar ook de kleinere problemen hadden de aandacht in 1892: Door sommige gemeenteleden is de vraag gedaan of het ook mogelijk zou zijn bij de Hervormde gemeente een kachel in de kerk te hebben evenals in het naburige Oosterzee. De felle koude in verband met de heerschende ziekte doet de behoefte daaraan zeer gevoelen het kan moeilijk tot verheerlijking Gods worden geacht zich door kerkbezoek eene ongesteldheid op de hals te laden.

Maar wat een schril contrast bovenstaande redenatie is de opgaaf van de kosten van een plek in de kerk.

-Een mannenplaats 1e rang f 10,-
-Een vrouwenplaats 2e rang f 8,-
-Een vrouwenplaats 3e rang f 8,-
-Een vrouwenplaats 1e rang kwam niet voor

Dan staat in het boek van 1849 een hele hoop artikels met instructies voor de organist, voorzanger, koster en blaasbalgtreder. Zo is er voor elk kind wat gedoopt wordt een dubbeltje voor de koster.

"Art. 5. Verder zal de voorzanger na deszelfs voorlezen en het eerste voorzingen volgens gebruik de deur van het doophekje moeten digtdoen en wanneer er voor de predikstoel komen moeten hetzij ter doopsbediening, hetzij ter huwelijksinzegening, hetzij eindelijk ter bevestiging in het lidmaatschap zal hij verpligt zijn de deur van het hekje open te doen"

"Art. 9. Instructies voor de kerkelijke deurwaarder. Bij het opsteken, uitdoen en bewaren is hij verpligt de meeste oplettendheid te gebruiken en het zuinige daarvan word hem te uiterste aanbevolen en alleen die kaarsen voor zich te houden, die zelfs achter in de kerk niet meer kunnen worden gebruikt.

"Art. 4. Hij zal al verder in overeenstemming met de organist zorgen dat er om en bij het orgel geen tabak of sigaren worden gerookt en ook zoveel mogelijk het tabakspruimen trachten te beletten.

Tot besluit een stukje wat bewijst dat de jeugd in 1898 ook al kwajongens streken had

Aan de Jongelingsvereeniging van de N.H. Gemeente te Lemmer: Door uw bestuur is niet voldaan aan het verzoek van de kerkvoogden vervat in hun schrijven d.d. 2 december wegens vergoeding voor vuur en licht ten bedrage van f 12.-. Om welke reden kerkvoogden geen vuur en licht verschaft word. Voor nog tijdens Uwe vergaderingen in de consistoriekamer. Als gevolg van bovenstaand schrijven is voldaan f 6,- met de belofte de rest te zullen voldoen, om welke regel de maatregel tijdelijk is ingetrokken.

De kerk en de floreenplichtigen.

Voordat de scheiding tussen kerk en dorp in 1795 plaats vond, had de kerk een grote invloed op het dagelijkse leven. De grietman was hoofd der grieternij doch daarnaast was er de kerk die heel veel invloed had.

De floreenplichtigen van Lemmer, Eesterga en Follega b.v. dat waren de bezitters van onroerende goederen, hadden het beheer over openbare lichamen zoals de Zeesluis, de Zijlroede en de begraafplaatsen en scholen te Follega en Eesterga en tevens over het voet en wagenpad, thans Rijksstraatweg, langs Follega en Eesterga naar Doniawerstal.

Uit de floreenplichtigen werden de kerkvoogden benoemd omdat deze vaak zeer nauw verwant waren aan het grootgrondbezit.

De familie van Andringa de Kempenaer hier in Lemmer heeft in de eerste helft van de de 19e eeuw bijna alle grond tussen Zijlroede Lemster Brekken, Folfegasloot en de Rien in bezit gehad en had daarmee een overwégende invloed in de kerkelijke aangelegenheden.

Het stemrecht was bepaald naar de grootte van het eigendom en zo is het te verklaren, dat thans nog de begraafplaatsen van Eesterga en Follega onder beheer staan van de kerkvoogden van Lemmer, Eesterga en Follega. Ook de school in laatst genoemd dorp is eens onder beheer der kerk geweest, eveneens de Lemsterzijl later Lemstersluis en de tolheffing daarop met die door en over de Follegabrug.

De Lemsterzijl als doorvaartsuis is meer dan twee eeuwen in beheer geweest bij de floreenplichtigen, die door het heffen van tollen inkomsten verkregen, waardoor de onder het beheer van kerkvoogden staande goederen konden worden onderhouden.

Bij eventuele tekorten moesten floreenplichtigen bijspringen. Dit zal uitzondering zijn geweest, want de leden van de familie van Andringa de Kempenaer zijn steeds grote voorvechters geweest voor het behoud van de Lemsterzijl.

Ruim een eeuw geleden heeft de provincie alles in het werk gesteld om 'De Zijl' in handen te krijgen en daardoor meer toezicht op onderhoud en beheer omdat het hier een zeewerend waterschap betrof. Ook wilde men graag enig inzicht hebben in de opbrengst der tollen Dit is een grote moeilijkheid geweest,want de baten gingen naar de floreenplichtigen, die allen particulieren waren en daardoor kreeg de provinciale overheid geen inzicht.

De algemene begraafplaats, te Lemmer heeft tenslotte uitkomst gebracht. De familie van Andringa de Kempenaer werd als eigenaar van deze grond een zeker bedrag uitgekeerd.

Dit sloeg men om en men berekende naar de grootte van de totale oppervlakte de netto opbrengst van de tollen.

Dit is aanleiding geweest, dat de provincie heeft ingegrepen. De floreenplichtigen gingen hiermee niet akkoord en het gevolg was dat tegen een besluit van Prov. staten protest werd aangetekend. De Staten wilden meer zeggenschap omdat het recht van tolheffing bij Koninklijk Besluit was verleend. De staten eisten meer zeggenschap in de winstdeling en daarom moesten kerkvoogden als vertegenwoordigers van de floreenplichtigen hun rechten overdragen aan een college, waarin Ged. Staten hun zienswijze konden doen gelden.

Bij besluit van Prov. Staten werd een waterschap in het leven geroepen, doch de onderhoudsplichtigen gingen tegen dit besluit in beroep bij de rechtbank. Het recht van beheer over de voormalige patroonsgoederen bovengenoemd is toen tot in hoogste instantie uitgevochten en tenslotte hebben de floreenplichtigen zich bij de nieuwe beheersvorm moeten neerleggen.

Omstreeks 1870 is het verzet der floreenplichtigen opgeheven, en het waterschap De Lemstersluis tot stand gekomen. Met medewerking van Rijk, Provincie, Gemeente en de waterschappen. De Lemstersluis en De Zeven Grietenij en Stad Sloten is in l884 een geheel nieuwe doorvaartsluis gebouwd in de strijd tegen het zeewater en tevens een nieuwe beveiliging om Lemmer gelegd. Tot 1952 is het waterschap De Lemstersluis een zelfstandig waterschap geweest, toen werd het opgeheven en onder beheer van de gemeente gesteld.

Het waterschapsbestuur heeft tegen deze opheffing geprotesteerd en het heeft nog enkele jaren geduurd aleer de gemeente het beheer kon overnemen. Dat was eerst in het voorjaar van 1958. De gemeente was met deze overname niet bepaald gelukkig, doch haar bleef geen kans.

Het onderhoud was de laatste jaren verwaarloosd en er zijn belangrijke kosten nodig geweest om sluis en havenwerken in een zodanige staat te brengen, dat het geen schande voor Lemmer als zeehaven aan het IJsselmeer zou zijn.

Bij de instelling van Lemsterzijl tot Lemstersluis hebben de floreenplichtigen één winstpunt behaald. Ze hebben bij de overdracht bedongen, dat de toekomstige ingelanden van het waterschap geen lasten zouden behoeven op te brengen om onderhoud e.d. te bekostigen. Dit is hun toegekend waarbij men is uitgegaan van het principe, dat alle kosten uit de opbrengst der tollen moest worden bekostigd.

Dat is de reden dat eigenaars van onroerende goederen, welke gelegen zijn in het vroegere gebied van de floreenplichtigen van Lemmer, Eesterga en Follega van het heffen van waterschapsbelasting zijn vrijgesteld geworden.

Vanzelfsprekend geldt deze vrijstelling niet voor ingelanden van het boezemwaterschap de Lemsterpolders, dat in 1877 tot stand is gekomen en o.m. belast is geworden met de waterkeringen rond deze polder.

Tevens zijn als gevolg van de scheiding tussen dorp en kerk ook andere onderhoudswerken overgedragen. Zo is het onderhoud van het Dok, Zijlroede en Follegasloot aan de gemeente overgegaan met inbegrip van het recht tot verpachting van het viswater in dit gebied.

 

Met de aanleg van de Straatweg langs Eesterga en Follega in 1845 is de verplichting tot onderhoud van het voorheen daar-liggend voetpad door het Rijk overgenomen en eveneens het onderhoud, van de Follega-brug benevens het recht van tolheffing dat voordien berustte bij de kerkvoogden van Follega voor de ene helft en voor de andere helft bij de erven van de familie van Andringa de Kempenaer.

De invloed van de fam van Andringa, later van Andringa de Kempenaer is in de aangelegenheden der kerk zeer groot geweest. Dit geslacht heeft rond twee eeuwen in de gemeente de scepter gezwaaid als grietman en had tevens in Follega en Eesterga veel gronden in bezit.

De floreenplichtigen benoemden kerkvoogden en de president kerkvoogd was doorgaans de grietman die als de grootste stemgerechtigde Kerk en samenleving naar zijn hand kon zetten.

Het benoemen van een predikant bijv dat tot de taak van Heren kerkvoogden behoorde, kon geen voortgang vinden aleer de douairière van Andringa haar oordeel had uitgesproken, waartoe de te benoemen predikant zich bij haar diende te presenteren.

Zo geschiedde het in ieder geval bij het benoemen van ds. Lorgion in 1805 die van Lunteren naar Lemmer kwam. Voor het overbrengen van de beroepsbrief werd iemand aangezocht die dagen onderweg is geweest. Voor overnachtingen en andere kosten werd 30 goudgulden betaald terwijl het predikantstraktement 60 goudgulden per jaar bedroeg.

Deze predikant overleed in 1821 en ligt met zijn vrouw op de begraafplaats te Eesterga begraven. Hij was tevens oprichter van het plaatselijk nutdepartement.
Willem Muurling, werd den 27sten April 1805 geboren te Bolsward. Zijne ouders, Jochem Muurling en Wiepkje de Haas, behoorden tot den eenvoudigen burgerstand. Omtrent den vader zijn mij geene bijzonderheden bekend; hij stierf op jeugdigen leeftijd, den 26sten October 1808.

De moeder was eene degelijke en vrome vrouw, innig gehecht aan hare kinderen, gelijk dezen aan haar. Toen zij een tweede huwelijk had aangegaan, met den Heer Deinum, werd haar zoon Willem opgenomen in het huis zijner grootouders, Willem Muurling (overl. 20 Januari 1827) en Anna Oosting (overl. 29 Juli 1826), die aan de Lemmer gevestigd waren. Hij toonde al vroeg meer dan gewonen aanleg en zou daarom worden opgeleid voor onderwijzer.

Doch de toenmalige predikant van de Lemmer, J.J. Lorgion - vader van den lateren Groningschen hoogleeraar E.J. Diest Lorgion - ontdekte in hem den lust en de geschiktheid om Evangeliedienaar te worden, en verklaarde zich bereid hem daarin behulpzaam te zijn. Straks, het was in 1819 of in de eerste maanden van 1820, begon hij hem les te geven in het Latijn en ging daarmede regelmatig voort.

Doch op den duur was dat onderwijs niet voldoende. In 1821 werd dus de jonge Muurling opgenomen onder de leerlingen van de Latijnsche school te Bolsward, welker toenmalige Rector S.W. Schippers een zeer bekwaam man was. Weldra werd het hem duidelijk, dat zijn nieuwe discipel onder de leiding van Ds. Lorgion aanvankelijk goede vorderingen had gemaakt en met grooten ijver bezield was. Het werd daarom onnoodig gekeurd, dat hij zijn tijd op de school uitdiende: in het voorjaar van 1823 had hij het zó ver gebracht, dat de Curatoren en de Rector besloten, hem nog in datzelfde jaar tot de Academische lessen te bevorderen.

Doch om te kunnen studeeren moest hij, bij gemis van eigen middelen, worden geholpen. De Curatoren en de Rector deden wat zij konden, om Muurling's pogingen bij de Beheerders van theologische studiebeurzen te laten slagen.

J.J. Lorgion

De Herv., die hier ruim 110 in getal zijn, behooren tot de gem. Lemmer-Follega-en-Eesterga, welke hier eertijds eene kerk had, ruim 1/4 u. van de Lemmer af staande. De juiste tijd, wanneer dit gebouw werd afgebroken, is niet met zekerheid bekend, doch waarschijnlijk is dit geschied in 1740 of eenige jaren later.

Het kerkhof, hetwelk nog aanwezig is, dient bij voortduring tot begraafplaats. Men vindt daarop eene overdekte klok (uit 1617 die gemaakt is van bilinga), een zoogenaamd klokhuis, gelijk men meer op kleine plaatsen in de provincie Friesland aantreft, waarmede gedurende de begrafenisplegtigheid geluid wordt. De R. K., van welke men er 16 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer gerekend.

Zo schrijft A.E. Klijnsma in zijn boek; in kuijerke troch it forliene, (1975) er het volgende over.

.....In de bocht van de Straatweg staat de klokstoel, met een kerkhof. Ook heeft hier tot in het laatst van de 18e eeuw een kerkje gestaan, dat met het kerkhof het centrum van het dorpje is geweest. De zegswijze: waar een kerk wordt gebouwd, zet de duivel er een "zuiphuisje" naast, gaat ook voor Eesterga op.

Naast het kerkhof staat het Hof van Holland, dat nog in de eerste jaren van deze eeuw een herberg was. In de Franse tijd wordt de herberg, met dezelfde naam ook al genoemd. Toen liep er nog een voetpad langs, dat in 1845 een verharde rijweg werd. De kerk wordt in 1773 nog gebruikt voor een stemming voor de landdag, terwijl in 1804 de stemming voor twee volmachten voor " De zeven Grietenijen en stad Sloten" voor de dorpen Eesterga en Follega. Hieruit zou men haast mogen afleiden, dat de kerk tussen 1773 en 1804 is afgebroken. In de klokstoel hangt een klok met het opschrift:

Soli Deo Gloria.
Henricus Meurs me fecit 1617
(Aan God alleen de eer Henricus Meurs heeft me gemaakt)

Klokkenstoel met helmdak voor een noodzakelijke restauratie op de begraafplaats van Eesterga.

Klokkenstoel Eesterga, Gemeente: Lemsterland. Adres: Kerkhof aan de Straatweg tussen nummer 1 en nummer 3, 8534 WB Eesterga Eigenaar: Ned. Herv. Gemeente Lemmer

Monumentennummer: 25777
Materiaal stoel: Bilingahout
Kleuren stoel: Stoel groen met witte kap
Type kapvorm: Helmdak met weerhaan
Dakbedekking: Gepotdekselde planken
Bouwjaar stoel: Eerste vermelding voor 1720
Fundering: Betonklippen
Luidsysteem: Vliegende klepel
Wordt geluid bij: Begrafenissen en hoogtijdagen
Gietjaar klok: 1617
Gegoten door: Henricus Meurs
Diameter klok: 65 cm
Gewicht klok: 200 kg

Afgaande op dat jaartal heeft deze klok ongetwijfeld vroeger in de kerktoren gehangen. Ook het kerkhof getuigd van een hoge ouderdom. Aan de westkant ervan liggen vier grafzerken uit de eerste helft van de 17e eeuw (Volgens opschriften uit 1608, 1623, 1633 en 1638).
Voorts vindt men op het kerkhof nog een grafsteen die dateert van 1821 en die het graf dekt van Johannes Jacobus Lorgion, gestorven op 10 december 1821 in de ouderdom van 49 jaar.

Daarnaast ligt de steen van zijn vrouw Jacoba Diest, gestorven op 2 juli 1821 in de ouderdom van 53 jaar en vier maanden. Deze Lorgion was Hervormd predikant te Lemmer. Hij was medeoprichter van het departement Lemmer van de Mij tot nut van het Algemeen, en was de eerste voorzitter. Een zoon van deze dominee noemde zich later Diest Lorgion Diest Lorgion, Evert Jan (1812-1876), Hoogleraar Geschiedenis en Kritiek van de boeken van het Ouden en Nieuwe Testament, Bijbelse Godgeleerdheid, Patristiek, Kerkelijke Geschiedenis van Nederland en Christelijke Zedeleer 1860-1876 )

Het kerkhof is aanvankelijk in onderhoud geweest bij de floreenplichtigen van de kerk van Eesterga en later bij die van Lemmer, Eesterga en Follega. Heden ten dage ligt de onderhoud plicht nog bij de Lemster kerk, die het graf van ds. Lorgion geregeld verzorgt. Naar mij is verteld, wordt ook het graf van Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer door de Lemster kerk verzorgd. Jhr Wilco was tot 1851 grietman van Lemsterland en stierf op 20 februari 1873. Hij was de eigenaar van een aantal boerderijen in Eesterga en Follega en had een groot aandeel in de Lemstersluis en de kerk.

Zijn laatste wens was om op het kerkhof tussen zijn boeren de eeuwige rust in te gaan. In het graf ernaast ligt Tjallinga Aurelia Wilhelmina Camstra baronesse thoe Schwartsenberg en Hohelansberg, douairière R.L. van Andringa de Kempenaer, die op 10 februari 1857 in Leeuwarden is overleden. Zij was de grootmoeder van Jhr. Wilco van Andringa de Kempenaer.

Ook is op het kerkhof de laatste rustplaats van Folkert Johannes Witteveen, geboren te Metslawier, die samen met Bauke Poppes garde d'honneur (erewacht) is geweest onder Napoleon. (Kortestreek 27/ 28 Lemmer: Het is in de vorige eeuw bewoond geweest door de huisarts Folkert Witteveen, die in 1811 tot de gard'honneurs behoorde van Napoleon. Ook woonden in het huis enkele kantonrechters.) Jarenlang was hij arts in Lemmer en hij is daar gestorven op 12 oktober 1886.

Kerk te Echten. De pastoor van Echten heer Nicolaas, ging in 1580 in ballingschap.

De Herv., die hier nagenoeg 700 in getal zijn, bezitten eene eigene kerk, met spitsen toren, en hebben met het nabijgelegene dorp Oosterzee eenen Predikant. In de kerk aldaar ligt begraven Jonkheer Antoon Anne van Andringa de Kempenaer, in der rijd Grietman van Lemsterland, en Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, † te 's Gravenhage, in Junij 1825. - De R. K., van welke men er ongeveer 30 aantreft, worden tot de stat. van de Lemmer.

GESCHIEDENIS VAN DE NED. HERV. KERK TE ECHTEN.

(Korte geschiedenis van het dorp)

In de oude kronieken wordt Echten al in de 13e eeuw (1245) genoemd. Het kwam voor onder de naam Aatne. Later, in de 14e eeuw, wordt het Echene genoemd. Nog weer een eeuw later, in 1511, is het Echtna geworden. Ook wordt het dan wel Echtelen genoemd.

Om een verklaring voor deze naam te geven is tamelijk moeilijk, daar men niet goed weet of men de achtervoegsels, de e of de a, met de waternaam ee of ie in verband moet stellen. Vermoedelijk zullen deze letters verband houden met het water of het veen, omdat in Drente een gelijke dorpsnaam voorkomt, n.l. in het veengebied bij Ruinen. Het voorste deel wil men, volqens bepaalde bronnen van Duitse oorsprong, zoeken in de persoonsnaam Aegt of Egt, hetgeen trouw betekent.

De een of andere familie zou dus zijn naam aan dit dorp gegeven kunnen hebben. Het uitgestrekte Echterveld en het Oostzingerveld, dat later tientallen jaren lang de veenarbeider een schamele boterham verstrekte, zijn door de tijden heen door de boeren ontgonnen. Dit land werd op oude kaarten aangegeven als "altemaal laag hooiland". Het was slechte grond, daar het dikwijls door het zoute zeewater overstroomd is geweest.

Zo wordt in de kronieken vermeld, dat het westelijker gelegen dorpje Bant door de zee geheel werd verzwolgen toen in 1702 de zeedijk bij de monding van de Tjonger en Linde door brak en de zee het zuidelijkste deel van het Echter- en Oosterzeese veld in bezit nam, omdat het jarenlang aan hoge getijen bloot lag. Schotanus à Sterringa vermeld op zijn kaart "een verlaaten land" en "een doorgebroocken dijk ..... nu verlaaten", en geeft tevens de nieuwe dijk aan, welke dit gebied tot buitendijks land maakte.

Een jaartal dat vooral berucht is geworden is het jaar 1825, toen de februari-stormvloed op drie plaatsen tussen Lemmer en Schoterzijl door de dijk brak en met geweld over de lage landerijen stormde. Veel ingezetenen van Echten hadden toen geen onderkomen meer. De bewoners van de z.g. turfketen waren alle dakloos, omdat deze door de vloed waren weggevaagd.

Deels zijn deze mensen toen bij particulieren en in kerk en school ondergebracht. Alleen in de kerk te Echten al, vonden 63 personen onderdak. Het turfgraven begon omstreeks 1800 en omvatte een gebied dat ten noorden werd begrensd door het Tjeukemeer, ten zuiden door de Tjonger, ten westen door de zeedijk naar Kuinre en ten oosten door de Pier Christiaansloot.

Aan dit vaarwater is geleidelijk aan de kern Echtenerbrug ontstaan. De Pier Christiaansloot, in werkelijkheid de Pier Kerstenssloot, is genoemd naar de vader van de vroegere grietman Kerst Pierz, die grietman was van de gemeente Lemsterland, omstreeks 1540. Deze vaart, welke de verbinding vormt met Overijssel en Drente, zal gegraven zijn voor de turfvaart en tevens als scheepvaartverbinding.

Voor de turfafvoer was de kop van Overijssel van zeer groot belang. De brug over deze vaarweg is steeds een tolbrug geweest en in onderhoud bij de kerkvoogden van Echten. Later is ze overgegaan aan de gemeenten Lemsterland en Schoterland, nu Haskerland, welke gemeenten momenteel ieder voor de helft het onderhoud en dergelijke dragen.

Het toltarief was: ieder schip van het meer in de Kuinder was een halve stuiver verschuldigd en van de Kuinder in het meer anderhalve stuiver. Die er onder door konden varen dezelfde tollen, na zonsondergang dubbele tol. De tol van paarden en vee ieder een stuiver, de honderd schapen 16 stuivers, de honderd varkens 16 stuivers en van ganzen 2 penningen. Deze tollen zullen vrij wezen voor de ingezetenen van Delfstrahuizen, Echten, Oosterzee, De Lemmer en het oosteinde van Sloten.

De veenderij is, zoals al eerder genoemd, de vorige eeuw een belangrijke bestaansbron geweest. Het waren niet alleen de eigen arbeiders, die hier hun boterham verdienden, maar ze kwamen ook van elders, zoals onder anderen uit Westfalen. Reeds in 1767 is men begonnen een deel van het veengebied "aan te steken".

Uit een in 1809 op verzoek van de overheid gevraagde inlichting, werden de eigenaren van aangestoken veengronden genoemd, in totaal 38 klein en groot, terwijl daarnaast er nog 14 personen eigenaar van klein land waren. De prijs van Sponturf was in 1819 per ton 7 stuivers en baggelaar 8 à 8½ stuiver. Deze turf werd het meest naar Amsterdam verscheept.
Het ging in de veenderijen niet altijd even gemoedelijk toe. Er was veel ontevredenheid, omdat met hard werken en lange dagen een zeer sobere boterham kon worden verdiend.

Bovendien gaf de veenderij maar een deel van het jaar werk, zodat men 's winters andere bezigheid moest zoeken. Daarin slaagde men doorgaans zeer slecht en de nachtbedelarij door mensen ook van buiten de gemeente, heeft meer dan eens ontzaggelijke vormen aangenomen.

Ook werkstakingen bleven niet uit en deze stakingen, o.a. in 1874 en 1881, toen beter bekend onder de naam "bollejeijen", heeft meer dan eens geleid tot het zenden van militairen, om de rust te handhaven of te doen wederkeren. Uit een officieel schrijven is bekend dat in 1886 in deze gemeente werkzaam waren 104 Nederlanders en 22 vreemdelingen. Het arbeidsloon bedroeg toen per dag f 1,75.

DE KERK.

Over het kerkgebouw in Echten is weinig te vertellen, daar in de nog bestaande kerkelijke archieven weinig of niets is te vinden. Bekend is dat de kerk voor het eerst in het jaar 1245 in de historische bronnen voorkomt en men kan dus stellen, dat Echten reeds in de 13e eeuw een kerk bezat. Over de juiste bouwdatum is niets bekend.

De kerk was gewijd aan de Heilige St. Laurentius en was waarschijnlijk een zusterkerk van die van Oosterzee. Opvallend is dat het kerkje, dat geen toren bezat, maar wel een klokketoren, één van de weinige gebouwen is die aan de zuidkant van de weg is gebouwd. Deze weg ligt op een soort rug en gaf aan de bewoners een natuurlijke bescherming. Op zeer oude kaarten komt deze weg al voor en wordt op die van 1698/1718 "rydwech na 't Heerenveen en de Joure" genoemd.

Langs deze weg en dan voornamelijk aan de noordkant vestigden de mensen zich. De kerk gaf, door zijn hogere ligging, onderdak aan heel wat mensen en vee in geval van overstromingen enz ..
In de 17e eeuw, wellicht met geldelijke steun van het kerkelijk centrum in Haarlem, kreeg de kerk een grondige restauratie en werd enigszins veranderd. De muren werden omgemetseld en men bracht pilasterstellingen aan.

De kerk schijnt in de 18e eeuw voorzien geweest te zijn van ramen met gebrandschilderd glas, wat blijkt uit een advertentie in de Leeuwarder Courant van 29 juli 1758. Hierin beveelt een Thomas Gongrijp te Sneek zich aan voor glasschilder-brandkunde.

In dezelfde courant van 16 augustus d.a.v. attendeert een IJpe Staak te Sneek hierop en zegt, dat de advertentie van Gongrijp een misleiding inhoudt, omdat de aloude glas- en schilderbrandkunst bij zijn voorouders meer dan 100 jaar hebben geëxcerseert, waarvan 20 jaar bij hem. Zijn werk kan worden bezichtigd o.a. aan een kerkraam te Echten. Tot in de 19e eeuw is de kerk zonder toren gebleven.

Volgens een steen in de huidige toren is deze gebouwd in 1876. De onderbouw is vierkant en opgetrokken van baksteen. De stenen voet is afgedekt door een overstekende natuurstenen lijst. Hierna volgt een achtkantige houten bovenbouw, bekleed met leien, waarna de toren zich toespitst. Deze is ook met leien bekleed.

Door Architectenbureau F. Kroes Lemmer. 1978.

TOP