Nijemirdum

GAASTERLAND, griet., prov. Friesland, kw. Zevenwouden, arr. Sneek, kant. Lemmer ( 3 k. d., 12 m. k., 7 s. d.); palende N. aan Wymbritseradeel, Slooten en het Slootermeer, N. O. aan Doniawarstal, O. aan Lemsterland, Z. aan de Zuiderzee, W. en N. W. aan Hemelumer-Oldephaert-en-Noordwolde.

Deze griet. werd, volgens het Saksische landregt, onder Westergoo gerekend en met Hemelumer-Oldephaert vereenigd, doch reeds, voor dat de Hertog van Saksen in het land kwam, werd er eenig onderscheid gemaakt tusschen de Gaasterlanders, toen Geestmannen genaamd, en de Woldluiden, zoo als uit de geschiedenis der Schieringers en Verkoopers bekend is.

Zij bevat de volgende 9 d.: Bakhuizen, Balk, Harich, Mirns, Nyemirdum, Oudemirdum, Ruigahuizen, Sondel en Wykel. Men telt er 508 h., bewoond door 662 huisgez., uitmakende eene bevolking van ongeveer 3200 inw., die meest hun bestaan vinden in landbouw en veeteelt, alsmede in graan-, hout- en boterhandel; terwijl men er ook 3 bierbrouwerijen en 1 jeneverstokerij heeft.

De Herv., die hier ruim 2400 in getal zijn, maken de volgende 4 gem. uit: Balk, Harich, Oudemirdum-Nyemirdum-en-Sondel en Wykel, terwijl die van de d. Bakhuizen en Mirns, tot de gem. Hemelum-Mirns-en-Bakhuizen behooren. Deze gem. worden door 5 Predikanten bediend, en hebben in de griet. Gaasterland 5 kerken.

De Doopsgez. tellen er bijna 100 zielen, die de gem. der Oude-Friezen te Balk uitmaken, een tiental Evang. Luth., die in deze griet. woont, behoort tot de gem. Workum.
De R. K. van welke men er 760 telt, onder welken 325 Communicanten, behooren tot de stat. van Slooten-en-Bakhuizen.

Er zijn in deze griet. 6 scholen, welke door een gemiddeld getal van 410 leerlingen bezocht worden.

Ten tijde der verderfelijke verdeeldheid der Schieringers en Vetkoopers was Gaasterland de woonplaats van een menigte Edelen, die hier hunne sterkten en stinzen hadden, waarvan te Harich nog de stins Minnema overig is. Ook blijkt zulks overigens thans nog uit de groote menigte wieren, die men als overblijfsels daarvan heeft aan te merken; kunnende ook uit de grootheid der kerken, welke hier voormaals alom op de dorpen gevonden werden, worden opgemaakt, dat deze griet. toen veel volkrijker geweest moet zijn dan heden; waarvan de reden ook zeer natuurlijk is, terwijl in oude tijden, toen Friesland nog niet door bekwame zeedijken beveiligd was, deze griet. echter door hare hoogte vrij was van het zeewater.

De voornaamste vaarwateren in deze griet. zijn: de Ee, de Rijnvloed, de Schwartenbergs-sloot, de Bakhuister-sloot, de Pol-sloot en de Lits, Behalve een gedeelte van het Slootermeer, bevatten de lagere streken dezer griet. eenige verspreide meertjes en poelen, van welke de voornaamsten zijn: de Sondeler-Leijen, de Zandpoelen, de Holle-Brek, het Witwater en het Bakhuister-wad.

Men treft in deze griet. onderscheidene gaasten of zandheuvels aan, die doorgaans met bosschaadjes bezet zijn, waarin zich overvloed van hazen, patrijzen en ander wild gevogelte ophouden. Aangezien deze gaasten of zandheuvels hier meer dan elders gevonden worden, heeft de griet. Gaasterland daarvan haren naam ontleend, en bestaat dus, voor het meerendeel, uit eenen hoogen zandrug, die hier heuvelachtigen graanvelden en digte bosschen vertoont, welke elders door lagere vlakke weilanden afgebroken worden.

Deze laatste vindt men echter alleen aan de grenzen van Hemelumer-Oldephaert, in het Westen, en aan het Slotermeer en nabij Lemsterland, in het Oosten. Zij zijn zeer geschikt tot hooiwinning, terwijl de hooge zandgronden, die niet met geboomte voorzien zijn, tot de graanteelt dienen, en vooral tot het aankweken van rogge, welke hier in groote menigte wordt gewonnen, en doorgaans veertien dagen eerder tot rijpheid komt, dan in Westergoo en Oostergoo.

In het Zuiden van Wykel en in het Zuid-oosten van Sondel vindt men goede weilanden omtrent Takozijl, die in het jaar 1495, benevens Workum, nog de eenige goede haven van Westergoo was, doch thans minder geschikt is voor zware schepen.

Bij deze zeesluis werd in het gemelde jaar een blokhuis opgeworpen, door de Vetkoopers tegen de bezetting van Fox, te Slooten, die zich van deze haven zocht meester te maken; doch in het volgende jaar werd de Groninger bezetting, die zich daarop bevond, na reeds vergeefs door de Sneekers, die het huis van Harinxma en Slooten ingenomen hadden, belegerd te zijn geweest, door eenen zwaren storm, genoodzaakt het ondermijnde gebouw te verlaten.

De gunstige ligging, schoone natuurtafereelen en menigvuldige boschrijke oorden, doen deze griet. met regt den naam van het Friesche Lustoord geven, en lokt dan ook jaarlijks menigeen derwaarts, die de schoonheden der naruur wenscht te bewonderen.

Niettegenstaande de hooge ligging van Gaasterland, werd het door den watervloed van 1825 hevig geteisterd. Omstreeks den middag van den 4 liep het zeewater met geweld door en over de zeedijken, achter Oudemirdum en Nieuwemirdum, en zette de daaraan grenzende landen en gehuchten, als: Huiteburen en de Hooibergen, al spoedig zoo diep onder, dat de runderen tot den buik in het water stonden.

Men was genoodzaakt naar de zolders te vlugten en daar den nacht door te brengen. Doch des middags van den volgenden dag was de vloed door de verspreiding aanmerkelijk gezakt en daarentegen tot Sondel en Wykel doorgedrongen, waar zij, vooral ter laatstgemelde plaats, mede in de huizen stond.

De landen bij Rys, hoe hoog ook gelegen, werden evenzeer door het zeewater overstroomd, ten gevolge eener doorbraak, 's namiddags van den 4 Februarij, in den zoogenaamde Zuidvensterdijk, welke, van Oudemirdum af, tot achter en voorbij Mirns en Bakhuizen zeer gehavend was, hetwelk in het algemeen met den zeedijk, waarachter deze grietenij ligt, het geval was. Van zeer nadeelige gevolgen zoude deze doorbraak geweest zijn, zoo niet de boeren daaromstreeks alles in het werk gesteld hadden, om zulks te voorkomen.

Gedurende een geheel etmaal hebben sommigen tot aan den middel in het water gestaan, en niet opgehouden stroo en zakken, met steenen gevuld, in het gat te werpen, totdat zij hunne standvastige pogingen met den gewenschten uitslag bekroond zagen. Harich was de algemeene verzamelplaats van menschen en vee.

Den 5 Februarij was vooral de dag, waarop vele ongelukken met pramen en schuitjes uit de lager liggende streken aankwamen, en deels bij hunne vrienden en bekenden, deels in de kerk en school gehuisvest en van het noodige voorzien werden. Onder de hulp- en schuil- behoevenden merkte men eene vrouw op, die kort te voren bevallen was en in natte kleederen werd aangevoerd. Ongelukkig heeft zij het moeten besterven!

Te Balk ontdekte men des morgens van den genoemden 4 Februarij den aanwas van het water. Het kwam met eenen ontzaggelijken spoed, van de Lemmer over Slooten aandringen. Wegens de hooge ligging zijn slechts, aan het westeinde, de menschen genoodzaakt geweest, hunne huizen te verlaten of naar de zolders de wijk te nemen tot zoolang dat het water, hetwelk in den nacht tusschen den 4 en 5 Februarij op het hoogste was, weder begon te vallen.

Ook hier is veel vee, gelijk mede vele menschen, die hunnen lager liggende woningen hebben moeten verlaten, uit de Wouddorpen en Ypecolsga in het aangrenzend Wymbritseradeel gelegen, herbergzaam opgenomen geworden. Er zijn bij dezen watervloed aldaar, behalve de hier bovengemelde vrouw, geene menschen, ook geene hoornbeesten, maar alleen 50 schapen, en wel te Oudemirdum, Nijemirdum, Sondel en Wykel, omgekomen.

Het wapen van Gaasterland bestaat in eenige regtop staande koornhalmen en eenen loopenden haas.

Bron: Van der Aa

Bron Wikipedia: Nijemirdum (Fries: Nijemardum) is een dorp in de gemeente De Friese Meren, in de Nederlandse provincie Friesland. Tot 1 januari 2014 behoorde Nijemirdum tot de gemeente Gaasterland-Sloten.

Het dorp ligt tussen het bos van Gaasterland en het IJsselmeer; het telt 555 inwoners (2012). In Nijemirdum is sinds 1997 het Koeienmuseum Bijna alles over koeien gevestigd.

Ten zuiden van het dorp staat de poldermolen 't Zwaantje, een rijksmonument dat in 2007 opnieuw is gerestaureerd.


Nijemirdum

Predikanten: Oude en nieuwe Mirdum. (waarbij Sondel sedert 1640.) Was eerst onder de klassis Zevenwouden.

  • Quirinus Palm, Roomsch priester te Oldemirdum, vlugtte wegens zijne hervormde gevoelens naar Emden, waar hij reeds was in 1566. Het vorige jaar had hij zich aan eenige misstappen schuldig gemaakt, waarover hij door Petrus Hain, en 2 getuigen bestraft was. Deze bestraffing echter nam hij niet beter op, dan die, welke Theunis Cl. van Wassenaar, en Godefridus Wingius, te Emden aan hem gedaan hadden en waarom zij hem bij het nachtmaal als onboetvaardig wilden voorgesteld hebben.
    Schoon Quirinus Palm, onder den ban lag, heeft M. Poppius, predikant te Manslagt, hem nogthans bij zich op den preekstoel toegelaten in 1566, daar, volgens zijn oordeel, die van Leeuwarden en Emden, te streng met hem handelden. Later was hij pred. te Leerdam, waar de Spanjaarden in 1574 hem ophingen.
  • 1599. Sible Harings, was, volgens synodale Acten, hier in 1599 en behoorde onder de klassis Zevenwouden; verroepen naar Gaastmeer, is hij geapprobeerd bij de klassis Sneek 7 Mei 1610.
  • 1610. Albertus Hummerus, opgevoed in het weeshuis te Sneek, was denkelijk de opvolger van bovengenoemden, is hier gekomen in 1610 of 11, en overleden den Junij 1619.
  • 1621. Jacobus Florus, zoon van Corn. te Piaam, kwam hier in 1621. Hij is van zijne bediening ontzet denkelijk den 6 Junij 1625, daar hij den 17 Julij 1627 gecompareerd is voor de Deputaten synodi met zijnen vader, die tijd en plaats verzocht, waarop zijn zoon zijn appel over het deportement, bij de classis van Sneek over hem gedaan, mocht bevorderen. Hij is naderhand
    verdronken.
  • 1628. Wopke Botes, beroepen van Wier, geapprobeerd den 1 Julij, is lid der klassis geworden den 5 Augustus en overleden den 8 September 1636. Eenigen tijd vacature.
  • 1639. Hajo Venema, is als kandidaat hier beroepen op een tractement van 300 gulden om Oude en Nieuwe Mirdum te bedienen, en geapprobeerd den 2 Julij; in het volgende jaar is hem Sondel ook toegevoegd en met de gemeente gecombineerd. Hij overleed in 1657.
  • 1658. Henricus Vomelius, broeder van Petr. te Gaast, is als kandidaat geapprobeerd den 9 Februarij, lid der klassis geworden den 20 April, en overleden in 1674. Uit een proces en eene sententie van den 19 December 1685 blijkt, dat Vomelius in 1665 het collecte van 't gemaal van het dorp Oldemirdum heeft bediend. (Burmania)
  • 1675. Wilhelmus Scaevola of Schaevola, denkelijk zoon van Joh. te Metslawier ca., geboren in 1641, is als kandidaat geapprobeerd den 2 November, lid der klassis geworden den 29 Februarij 1676, verroepen naar Heeg, en gedimitteerd den 7 October 1684.
  • 1685. Johannes Winkler, is beroepen van Longerhouw, daar gedimitteerd den 22 Januarij, lid der klassis geworden den 8 April, verroepen naar Deinum, en gedimitteerd den 5 Augustus 1686.
  • 1687. Maurits Arnoldus Banning is geapprobeerd den 3 April, lid der klassis geworden den 7 Junij, en emeritus in 1708 den 22 Augustus bij 't Collegie.
  • 1708. Johannes Banning, zoon van Maur. Arn., is als kandidaat geapprobeerd den 20 November, liet der klassis geworden den 9 April 1709, en overleden in 1735.
  • 1736. Johannes Sixtus Stokman, geboren te Amsterdam April 1707, is als kandidaat bevestigd den 13 Mei, verroepen naar Wier, en gedimitteerd 2 Mei 1741.
  • 1741. Eduardus Aenée, geboren te Slooten den 16 Februarij 1718, is als kandidaat bevestigd den 17 September en nam, verroepen naar Harich, afscheid den 10 November 1765.
  • 1765. Eltjo Hulshof, geboren te Nieuwwolda, is als kandidaat bevestigd den 1 December en nam, verroepen naar Hiaure, afscheid den 28 April 1779.
  • 1779. Justus Crans, geboren te Dokkum in October 1753, is als kandidaat bevestigd den 16 Mei en nam, verroepen naar Aalsum, afscheid den 7 September 1783.
  • 1783. Johannes Wibrandus Florison, geboren te Metslawier den 30 April 1760, zoon van Joh. Jac., broeder van Laur. Joh. te Ee en Engwierum, is als kandidaat bevestigd den 26 October en nam, verroepen naar Pietersbierum, afscheid den 28 Mei 1786.
  • 1787. Hero Idema, geboren te Appingadam, is als kandidaat bevestigd den 22 April, nam, verroepen naar Opperdoes, afscheid den 15 September 1793, en overleed daar den 27 September 1820, oud 56 jaren.
  • 1796. Jacobus de Vries, rustend predikant van Minnertsga, deed zijn intreerede den 31 Januarij en nam , verroepen naar Boxum, afscheid den 30 Julij 1797.
  • 1797. Johannes Wesselius, zoon en broeder van Herm., deed, beroepen van Oldeholtpade, zijn intreerede den 8 October en nam, verroepen naar Idaard, afscheid den 16 September 1798.
  • 1799. Stephanus Johannes Bulthuis, deed beroepen van Gaastmeer, zijn intreerede den 21 April, en overleed den 15 December 1827.
  • 1828. Jan Keizer, deed beroepen van Bailum en Hollum, zijn intreerede den 5 October en nam, verroepen naar Wetsinge en Sauwerd, afscheid den 4 April 1830.
  • 1830. Anne Tjittes Reitsma, geboren te Lemmer, den 16 December 1806, is als kandidaat bevestigd, deed zijn intreerede den 22 Augustus en nam, verroepen naar Roordahuizum, afscheid den 22 Julij 1838.
  • 1838. Frederik Gerhard ter Heulen, geboren te Enschedé, deed, als kandidaat bevestigd, zijn intreerede den 9 December.

Er ontbreken: J. Troste 1851—81; T. H. Woudstra 1882 -.

Bron: Tresoar-/wumkes.pdf

Op 7 januari 1884 werd de Openbare Lagere School geopend, hier met schoolmeesterswoning, in Nijemirdum.

Onderwijs en schoolmeesters te Nijemirdum.

  • De eerste schoolmeester die we hier aantreffen is Sierck Jans, die op 14 feb. 1679 zijn zoon Douwe, geboren op 13 feb., laat dopen. In maart 1685 worden als lidmaten genoemd: Sierk Jans en Antje Ruurds, echtelieden. Op 6 aug. 1699 wordt hun zoon Sipke, gedoopt en op 28 jan. 1701 hun dochter Antje. In dat jaar was Jans, nog steeds schoolmeester.
  • In 1710 komen voor als lidmaten: Jan Jacobs en Jink Jans, echtelieden; evenzo in 1714. Op 22 mei 1712 laat Jan Jacobs, schooldienaar te Oudemirdum, hier een kind dopen: Reynsk. In maart 1714 wordt Didde, gedoopt en in jan. 1716 hun dochter Antje.
  • In 1721 was Cornelis Roelofs, hier schoolmeester; hij deed op 16 feb. van dat jaar belijdenis. Hij vertrok in aug. 1725 met attestatie naar Hemelum. Hij werd waarschijnlijk opgevolgd door Feike Sijgers, want op 23 nov. 1725 trouwde Feike Sijgers, schoolmeester te Oudemirdum, in Balk met Himkjen Wattjes, van Balk.
  • In 1749 was Pieter (of Pijter) Sjoerds schoolmeester te Oudemirdum.
  • In feb. 1766 was J. Schotanus, schoolmeester te Oudemirdum. In 1772 was hij als schoolmeester in Sondel.
  • In 1794 vinden we Jan Durks, als schoolmeester in Oudemirdum. Zijn vrouw heette Trijntje Jacobs. Hij was hier in juni 1796 nog.

De Gaasterlandse schoolmeesters te Balk, Wijckel, Oudemirdum, Mirns-Bakhuizen en Harich werden in 1796 afgezet, omdat zij weigerden de "Verklaring volgens publikatie der Representanten van het Volk van Friesland" d.d. 11 maart 1796 van alle ambtenaren geëist, te ondertekenen. Aangifte [voor een nieuwe schoolmeester] kon vóór 12 mei plaatsvinden; het traktement in Oudemirdum, bedroeg 77 c.g.. met vrije woning en verdere emolumenten.

(Wumpkes: 23 april 1796: Het schoolmeestersambt is vacant te Balk, Wyckel, Oudemirdum. Mirns-Bakhuizen, Harich, Makkum, Wons en Schettens, omdat de fungeerende schoolmeester aldaar heeft geweigerd de verklaring af te leggen, volgens publicatie der representanten, dd. 11 Maart.)

In april 1797 was de school te Oudemirdum, vacant; in juli 1798 was dat nog steeds het geval.

  • In 1804 stond hier Rein Douwes Visser, als schoolmeester. Het traktement was toen ƒ 102. Hij
    werd op 12 dec. 1808 door de Landdrost afgezet - na enige tijd geschorst geweest te zijn - wegens onkunde, dronkenschap en ergerlijk gedrag, met intrekking van zijn acte van algemene toelating.
  • In 1808 werd Jurjen Everts (de Koe), geboren omstreeks 1770, tijdelijk benoemd als schoolmeester. Hij was voordien in Hemelum werkzaam geweest. In 1809 kreeg hij een vaste
    aanstelling. Het traktement bedroeg toen 89 c.g. 12 st., schoolpenningen (ƒ 1,50 per kwartaal)
    en vrij wonen. In 1810 was het traktement ƒ 300. Hij was tevens koster en voorzanger. In 1828 werd een nieuwe school gebouwd. Hij is begin 1840 te Oudemirdum overleden.
  • Als zijn opvolger werd Jan Rinkes Baukema, tijdelijk benoemd; op 10 aug. 1840 kreeg hij een vaste aanstelling. Hij was op 10 maart 1817 geboren te Harich. In 1864 werd de school vergroot; de inwijding van het vernieuwde gebouw vond op 18 juli van dat jaar plaats. Baukema, stond hier tot 1887 en is, volgens de grafzerk op het kerkhof te Oudemirdum, op 21 feb. 1897 overleden. Zijn echtgenote Grietje Boukes Albada, was op 12 juni 1819 geboren te Kolderwolde. Zij overleed te Oudemirdum op 8 feb. 1890. * Hun zoon was de Friese kunstschilder Sieger Jans Baukema, geboren op 3 april 1852. (Baukema, Sieger) Hij was eerst onderwijzer te Koudum, Oudega (H.) en Sneek. Toen leerde hij 't schilderen aan "Minerva" te Groningen. Hij werd later leraar aan de HBS te Deventer en in 1884 werd hij directeur van de schilderschool te Arnhem. Zijn vrouw, geboren Schaap, was van Delft afkomstig. Zij overleed op 23-jarige leeftijd. Hij hertrouwde in 1887 met een van zijn leerlingen, geboren Philippe (Maria Johanna Philipse)
  • In 1887 werd Baukema opgevolgd door Hendrik Ates Leffring.
  • Deze werd op zijn beurt in 1921 opgevolgd door J. Wijma. De benoeming was tijdelijk; Wijma, was rustend hoofd der school te Balk.
  • In 1923 werd hij opgevolgd door W. Hilverda, die ook een tijdelijke aanstelling kreeg. Hij is later opgevolgd door J.E. van der Oort, die op 1 april 1930 naar Moerdijk vertrok.

Na het vertrek van Van der Oort, is het onderwijs aan deze school voorlopig geschorst, wegens gebrek aan leerlingen.

Op 1 april 1932 is de school voorgoed opgeheven, met goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

Bijzonder onderwijs.

Te Oudemirdum werd in 1921 een hervormde christelijke school gesticht (CVO). Als hoofd werd toen J. Koning, benoemd. Hij werd in 1925 opgevolgd door J. de Ruiter van Hoorn (Terschelling). Hij was eerder onderwijzer te Ameide en Alphen a/d Rijn geweest. Op 1 nov. 1929 vertrok hij naar Balk om daar hoofd van de christelijke landbouwschool te worden.

Hij werd later lid van de Provinciale Staten van Friesland en sedert 1946 lid van de Tweede Kamer voor de CHU. De Ruiter werd op 1 jan. 1930 opgevolgd door A.B. Renema, die daarvoor in Echtenerpolder werkzaam was geweest. In 1946 was hij nog aan deze school te Oudemirdum verbonden.

Bron: www.fryske-akademy.nl


NIJEMIRDUM

Van Nyemirdum vermelde de Tegenwoordige Staat in 1788 dat bij de kerk vroeger meer huizen lagen; om niet te spreeken van eene menigte stinzen, waarvan nog eenige wieren overig zyn. De kaart van 1718 geeft de hierna volgende stinswieren.

De stinswier bij Kippenburg

De kaart van Schotanus (1718) geeft tussen het marktterrein van de Wildemarkt onder Harich en het meertje Ruygehuysterzee een stinswier aan. In de wijde omtrek werd geen huis aangegeven. Op de kaart van Vegilin (1739) ontbreekt de stinswier. Hij lijkt dan opgenomen te zijn in de nieuw aangelegde plantages ten noorden van Lyklama Bosch. De kaart van Eekhoff van 1854 geeft ter plekke van de wier de bosaanleg rond het logement Kippenburg aan.

Twee stinswieren bij de Hooge Bouwlanden in Hoyteburen (kad. Balk D310; D296 bij huis 294).

Hoyteburen ligt ten westen van de kerk van Nyemirdum. Ten noorden van de weg, ten zuiden van de hoge bouwlanden met zwarte enkeerdgrond geven Schotanus (1718) en Vegilin twee huizen aan, elk met een stinswier. In 1850 worden deze wieren niet meer aangegeven.

Twee stinswieren in Hoyteburen ten zuiden van de Hereweg (kad. Balk E234; D288 bij huis 290).

Ten zuiden van de weg geven Schotanus (1718) en Vegilin in Hoyteburen twee stinswieren aan, beide naast een boerderij. De meest westelijke (Balk E234) lag direct ten westen van de door Eekhoff in 1854 aangegeven kadastrale sectiegrens. In 1850 worden deze wieren niet meer aangegeven.

Roersma

In archiefstukken wordt in Nijemirdum tenminste één stins vermeld. Tjaert Eebsz wonend in Rinsumageest verhuurde in 1580 voor zijn vrouw Rieme Roersma aan Aete Wipckez en Broer Reynsdr te Nijemirdum een zate landts leggende in den voorschreven dorpe (Nyemardum) by Roersma styns, die eerst door Hoyt Nannes en daarna door Nanne Hoytes, diens zoon, waren gepacht; Aete verkreeg daarnaast de eigendom van het huis en de ter plaatse liggende mesthoop in eigendom. Inderdaad kwam Nanne Hoyts in 1578 (in de armste categorie) als pachter in Nijemirdum voor.

Omdat duidelijk is dat Rieme haar naam aan de stins ontleende, zal hij 1580 nog van enig belang zijn geweest; de erbij liggende sate behoorde zeker niet tot de aanzienlijkste van het dorp. Of de Roersma-stins een oud, middeleeuws en verdedigbaar, huis was, weten we niet.

P.N. Noome: De stinzen in middeleeuws Friesland en hun bewoners


Nijemirdum

Nijemirdum

Nijemirdum

Nijemirdum


Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.