Home » Lemmer » Oorlog Lemmer - Lemsterland » Lemmer eert laatste Joodse inwoners

Lemmer eert laatste Joodse inwoners

Sporen van Joods leven.

Lemmer - Marcus Davidson, reisde in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog geregeld met de nachtboot van Lemmer naar Amsterdam. Als het druk was aan boord, knoopte hij een gesprek aan met de mensen om hem heen, waarbij hij zich na verloop van tijd op het hoofd en aan het lijf begon te krabben. Uit angst voor vlooien en ander ongedierte dropen de meeste omstanders al snel af, zodat Marcus de ruimte kreeg om zich comfortabel uit te strekken en te pitten.

Over dit fraaie staaltje van joodse humor schreef de plaatselijke sneuper A.E. Klijnsma in 1971 in het nieuwsblad "Zuid-Friesland" behalve over humor zegt de anekdote ook iets over de bestaanswijze van de Joden die destijds in Lemmer woonden. Velen van hen kwamen aan de kost door handel te drijven tussen Amsterdam en Friesland. Lemmer was daarbij een ideale vestigingsplaats. Maar ook bezoekende joodse handelslieden waren in Lemmer graag geziene gasten, zoals blijkt uit een Hebreeuws opschrift dat de herberg van de "Wildeman"gebruikte om "kosjere wijn" aan te prijzen. Vanuit Lemmer vonden de kooplieden met hun waar de weg naar steden als Sneek, Heerenveen en Leeuwarden.

Omdat de joodse gemeenschap in Lemmer zo nauw met het wel en wee van de handel verbonden was, is aan de geschiedenis van de joodse gemeente af te lezen hoe het de Zuiderzee stad Lemmer economisch verging. De joodse gemeente bloeide op in tijden van veel economische bedrijvigheid, en leed aan bloedarmoede in crisisperioden. Zo slonk het aantal joden in de jaren 1805 tot 1808 met de helft van (70 tot 31) door de gevolgen van de Engels-Franse oorlogen die scheepvaart en handel verlamden.

Ook het grietenijbestuur merkte wanneer het de joodse gemeente slecht ging. Zo kwam in 1837 het verzoek binnen om honderd gulden ter beschikking te stellen om armlastigen uit de gemeente te ondersteunen. Het geld werd inderdaad gegeven. De drooglegging van de Zuiderzee in 1885 was een grote klap. Voor Lemmer in het algemeen, en dus ook voor de joodse gemeenschap. Telde de joodse gemeente in 1883 nog 138 leden, het hoogste aantal dat ooit werd geregistreerd, daarna ging het snel bergafwaarts.


Er kwamen regelmatig bedelaars en marskramers de stad Lemmer aandoen. Begrijpelijk, want door de haven was er veel verkeer. Normaliter had de grietenij slechts over gebruikelijke zaken contact met de joden uit het stadje, of liever, de Lemmerse joden zochten contact met de grietenij als hun gemeenschap in moeilijkheden was. Zo zou het ook wel in de toekomst gaan, meende Robidé van der Aa. Hij had gelijk, met dien verstande dat de Lemmerse joden eerst in 1837 om hulp vroegen.
 
Terwijl er toch in de tussenliggende jaren ook zo het een en ander was voorgekomen. Een aaneenschakeling van ziektes en rampen had de stad geteisterd. Enkele jaren later was de discussie uitvoerig losgebarsten over de invoering van stoomschepen in plaats van zeilschepen. De grietenij had niet gedacht dat een stoomschip de afstand Lemmer-Amsterdam sneller dan ongeveer zes uur kon afleggen. Maar toen bleek dat dat wel het geval was, betekende het dat de inwoners van Lemmer die hun bestaan vonden op de zeilboten die de lijnen bedienden over de Zuiderzee, hun nering in rook zagen vervliegen.
 
In 1825 was er de watervloed geweest, die de stad onderwater had gezet en tallozen dakloos achterliet. Eenjaar later was de galkoorts uitgebroken. In heel Lemsterland waren er 1325 mensen bij wie de ziekte had toegeslagen, in Lemmer zelf hadden 620 eronder geleden. Dan brak van tijd tot tijd hondsdolheid uit. In al die jaren richtten de Lemmerse joden zich niet tot hun burgemeesters, maar in 1837, toen vrijwel de gehele gemeente armlastig was geworden, werd door de grietenij honderd gulden subsidie verleend aan de joodse gemeente teneinde haar armen te onderhouden.

Cholera.

Pas vijftien jaar later klopten de joden weer aan bij de burgervader. De cholera die drie jaar eerder, in 1849, had gewoed, had ook onder de joden slachtoffers geëist. Een jaar later, in 1853 zou een onderzoekscommissie vaststellen dat de cholera zich had verspreid vanaf de mestvaalt in de Schans, dichtbij het armenhuis van de diaconie, dezelfde Schans waaraan de synagoge lag.

De armenzorg was inmiddels meer geformaliseerd. De grietenij haalde belasting op voor de armen onder de verschillende geloofsgemeenschappen, die dat daarna weer verdeelden onder hun ongelukkigen. Zo had men dat jaar 265 gulden onder de Israëlieten opgehaald en 260 gulden aan hen gespendeerd.

Nee, het verzoek aan de grietenij betrof financiële steun voor het opknappen van de sjoel. Dat was de sjoel waar men in 1870 Mozes Salomon Springer, geboren op 25 juli 1831 te Amsterdam, overleden op 11 januari te Amsterdam, kon ontvangen. Springer was de eerste sinds Israël Falk Cohen wiens naam verbonden aan misdaad in de boeken van de grietenij voorkwam. Echter niet als misdadiger, maar als degene die zich zeer van zijn goede kant had laten zien door een medeschipbreukeling hulp te bieden in een wel zeer ongename situatie.

Wat was er gebeurd? Plotseling was een zeer zware vorst ingevallen waardoor de zeeboot uit Amsterdam op 8 februari 1870 niet meer door het ijs kon komen en in het zicht van Lemmer bleef liggen. Ondanks de verschrikkelijk scherpe oostenwind had de kade vol gestaan met belangstellenden die de mogelijkheden bespraken. Aan een volledige bevriezing van het water van het schip tot aan de stadswallen, zodat men over het ijs kon lopen, viel niet te denken.

Doordat de wind het water uit de Lemmer haven had geslagen, kon ook het reddingsschip de haven niet verlaten. De enige mogelijkheid was geweest om een nacht te wachten en te zien of het weer zou omslaan. Toen dat niet gebeurde en de schipper van de ongelukkige boot. Ruurd van der Wal, een teken om hulp had gegeven waren de kapiteins van de nachtboot-dienst tot de slotsom gekomen dat er niets overbleef dan met sloepen erop uit te trekken en hulp te verlenen.

Dikke George Wareken, ging erop uit om vissers en sjouwers over te halen om met hun mankracht de reddingsploeg te versterken. Het waren onbehouwen kerels op wie men lang moest inpraten en die uiteindelijk slechts door de knieën gingen toen Wareken beloofde "hen ruim te zullen betalen en zoveel als zij na de redding verlangden", zo kon men lezen in de brief die de burgemeester van Lemsterland. Van Beijma, op 11 februari 1870 had verstuurd aan de officier van justitie te Sneek.

Nadat de redders op die manier waren aangelokt „gingen twee schippers met groote moeite over ijs en door de wakken met enige manschappen op het stoomschip los", aldus burgemeester Beijma. Op de wal had men kunnen waarnemen dat steeds meer mensen van de boot het ijs opgingen, blijkbaar omdat het op het stoomschip' niet meer te harden was. Twee hadden zich al vrij ver van het schip verwijderd en waren zo ver afgedwaald dat zij op flinterdun ijs terecht waren gekomen, waar zij niet met zijn tweeën op durfden te staan.

Aan de wal was men bang dat deze mannen zouden verdrinken want het ijs was zo bros, vertelde Beijma in zijn brief, dat het „ieder ogenblik onder hun voeten brak. Aan teruggaan was niet te denken want het ijs was van het ijsveld afgescheurd en zij waren dus op een ijsschot." Als namen van de „twee ongelukkigen" gaf Beijma die van Mozes Salomon Springer, koopman te Amsterdam en Johannes Verhoef, varensgezel te Delfstrahuizen.

Een van de sloepen had onmiddellijk koers op hen gezet en hen ook bereikt. Maar van dat moment af hadden de sjouwers in de sloep zich schandelijk misdragen. Springer en Verhoef hadden wel de hand mogen slaan aan boord van het scheepje „doch hunne redders weigerden hen in te nemen. Zij vergden van ieder dezer ongelukkigen vooraf geld" en wel een rijksdaalder. Springer was „vlug genoeg in het schuitje te komen, doch moest betalen anders zouden zij er hem weder uitwerpen". Hij betaalde.

Ondertussen zag het er voor Johannes Verhoef heel wat minder gunstig uit. Hij „bad en smeekte, ja schreide om hulp doch versuijpen of betalen was het antwoord." Betalen kon hij echter niet, want alles was op het stoomschip achtergebleven. Gelukkig had koopman Springer hem „in die hachelijke toestand" niet achter kunnen laten. „Hij sleurde hem aan boord en betaalde voor hem." Zo werden beiden gered.

Nog dertien anderen waren ieder drie gulden of een rijksdaalder afgeperst, onder bedreiging dat zij anders hun redding wel konden vergeten. De reden waarom burgemeester Beijma de officier in Sneek schreef was om uitsluitsel te krijgen over de legaliteit van deze „wandaad". Als zijn eigen mening gaf hij dat het zijns insziens onwettig was geld te eisen van de schipbreukelingen omdat Wareken de vissers en sjouwers had beloofd iedere prijs te betalen voor hun actie.

Beijma wilde dit „afkeurenswaardige" gedrag straffen, „om daardoor een voorbeeld voor anderen aan de havenplaats te zetten", maar hij wist niet of hij daarin door de wet werd gesteund. Voor de joodse gemeenschap waren de belevenissen van Springer, zo op het nippertje gunstig afgelopen, een gebeuren van ongekend formaat geweest.

Eindelijk eens iets om over te roddelen zonder dat het over chassenes, rebbes, kawod en kapsones ging, alles verdeeld dan weer eens over de een, daarna over de ander. Ze hadden Springer alle eer betuigd die er maar in huis was en in de sjoel aan de Schans was het vol geweest toen hij daar zijn dankgebeden kwam zeggen.

De manhigiem (bestuurders) van de gemeente waren bij elkaar gekomen om te zien of zij op de een of andere manier Springer schadeloos konden stellen, al was het maar gedeeltelijk, voor het door de sjouwers afgetroggelde bedrag, maar Springer had die hulp resoluut afgewezen. Niet nodig. Voor hem was de ontvangst in Lemmer genoeg.

Springer maakte de gemeente nog in haar bloei mee. In 1876 kreeg ze officieel een begraafplaats op Tacozijl. Grond was hen toegewezen door de burgemeester van Tacozijl, jonkheer Van Swinderen. Maar ze hadden er al kunnen begraven vanaf 1872. De eerste die er een graf vond was Billa Joels Haasma geweest.

Met synagoge waarvan het gebouw er nog is en begraafplaats zou het aantal joden in de komende jaren nog groeien. Tot 100 in 1877. 106 in 1877 en 138 in 1883. Maar na 1885, met de drooglegging van de Zuiderzee, was het definitieve verval, althans vanuit het gezichtspunt der joden, begonnen.

Het karakter van Lemmer was er door veranderd. Geen vissers- en havenplaats meer, dus ook geen doorgangshandel. Maar het zou nog tot 1920 duren voor de uittocht der joden uit Lemmer begon. Toen kon de synagoge niet meer als synagoge gehandhaafd worden en de overgebleven joden sloten zich aan bij de joodse gemeente Sneek.

De laatste jood uit Lemmer " werd in 1939 op Tacozijl begraven. Met Simon Jacobs, die zijn platte kar door Lemmer duwde om er steengoed, koffie en thee vanaf de verkopen, verdwenen de joden uit het Lemmerse beeld.


Synagoge.

Het gebouw waarin de Lemster joden hun synagoge hadden, staat nog altijd aan de Schans (nummer 31). De neo-romaanse boogfriezen en het rondboog-venster in de voorgevel en de boogvensters en een rond raam in de zijgevel, herinneren aan de verbouwing die in 1866 plaatsvond in de stijl van die tijd.

De voormalige synagoge aan de Schans in Lemmer, eerst een winkel nu een woonhuis. De topgevel en de zijgevel herinneren aan de verbouwing in 1866.

Sarah Blok & Jozeph Blok

LEMMER – Enkele jaren geleden werd in de begrotingsvergadering van de Raad van Lemsterland voorgesteld het plein tussen De Helling en de Bantegastraat te vernoemen naar de laatste twee Joodse inwoners van Lemmer, Jozeph en Sarah Blok die in Auswitsch omgebracht werden.

Dit voorstel werd positief ontvangen maar voorlopig in de ijskast gezet. Er moest eerst afgewacht worden hoe de ontwikkelingen op en rond dit plein zouden verlopen. Voortschrijdend inzicht leerde dat dit plein toch niet de goede plaats werd om de herinnering aan deze mensen vast te leggen.

Er werd gekeken naar het parkje tussen de Markerstraat en het oude kerkhof. Dit zou ook min of meer aansluiten bij de Onderweegshof en bij het Rienplan met straten vernoemd naar gevallen verzetsstrijders en naar de in Indië gesneuvelde Lemster Yme Willem van Dijk. Van het ooit eens aangelegde parkje met vijver was in de loop van de jaren weinig meer over gebleven dan een grasveldje. Een schelpenpaadje met een paar banken er in, dat was alles.

Het vernoemen hiervan naar deze mensen zou eigenlijk een aanfluiting zijn. Het terrein moest eerst maar eens heringericht worden zodat er weer van een parkje gesproken kon worden. De kans voor het opknappen van het terrein kwam toen Lyaemer Wonen ter gelegenheid van het honderd jarig bestaan van deze instelling de Gemeente honderd bomen aanbood. Een deel daarvan werd in het bedoelde parkje geplant. Aansluitend werden er een paar verhogingen aangebracht waarop nu ook struiken geplant zijn.

Hoewel het nog vrij kaal oogt begint het weer op een park te lijken. Reden voor de Gemeente om nu tot naamgeving over te gaan. Op 28 maart besloot het college het gebiedje de naam Jozeph en Sarah Blok park te geven.

Plaquette.

Het vernoemen naar personen heeft het nadeel dat na verloop van jaren bijna niemand meer weet wie de mensen waren aan wie die naam toebehoorde. Daarom zal er een plaquette geplaatst worden waaruit in het kort blijkt wie en wat de naamgevers geweest zijn. Het is de bedoeling dat deze plaquette op 4 mei, de dag van de Dodenherdenking, onthuld wordt. Het is de vraag of dit alles zo snel uitgewerkt kan worden.

Jozeph en Sarah in Lemster gemeenschap.

Sarah Blok (doopnaam Saartje) werd in Lemmer geboren op 25 juni 1876; haar broer Jozeph op 10 oktober 1878, ook in Lemmer. Zij waren twee van de kinderen van Hartog Blok en Natje Schrijver. Samen woonden zij op Nieuwburen 11, ongeveer tegenover de huidige apotheek De Waag.

Op de kaart uit het bevolkingsregister wordt hij als incasseerder vermeld. Andere bronnen noemen hem veehandelaar. We zullen hem wel moeten zien als een kleine scharrelaar. Een paar kippen en ander kleinvee verhandelen, een kalf, wat wrak vee. Het is mogelijk dat hij ook wat op het gebied van de fotografie deed. In ieder geval mocht hij als Jood tijdens de bezetting geen zaken meer doen. Hij ventte toen langs de huizen met schuurpoeder, een soort Vim. Dat was het enige dat hij nog mocht doen om in het onderhoud van hem en zijn zuster te voorzien. Uiteraard werd hij door de bevolking wel ondersteund.

Was Jozeph iemand die je geregeld in Lemmer tegen kon komen, zijn zuster Sarah kwam bijna nooit op straat. Zij was zo goed als blind. Voor hen beiden verzorgden zij het huishouden.
Natuurlijk wisten deze mensen wat er met de Joden in Duitsland gebeurde. Ook zij hadden de dodelijke J op hun persoonsbewijzen staan. Diezelfde J van Jood stond ook in de bevolkingsadministratie.

Van alle kanten werden zij gewaarschuwd om te verdwijnen voor het te laat was. Van wijkzuster Jacobs uit Echtenerbrug, is het bekend dat zelfs burgemeester Krijger haar waarschuwde. Na haar aanhouding heeft zij hem nog schriftelijk bedankt voor zijn waarschuwingen. Helaas werd er niet naar de goede raad geluisterd. Deze mensen vertrouwden er op dat zij geen gevaar liepen. Volgens hen hadden Hitler en zijn trawanten het alleen op de rijken onder de Joden voorzien. Hun vertrouwen werd beschaamd. Op 29 april 1942 werden zij opgehaald, door de Nederlandse politie.

Nog geen zeven maanden later, op 19 november 1942 stierven zowel Jozeph en Sarah Blok als Jantje Jacobs in het concentratiekamp Auschwitz.

Geïntegreerd.

De Blokken, als laatsten van de eerder vrij grote Joodse gemeenschap in Lemmer, waren volledig geaccepteerd door en geïntegreerd in de bevolking. Jozeph gaf zich ook aan het Lemster verenigingsleven. Hij is bestuurslid van de IJsvereniging geweest. In 1938 werd de Nieuwburen versierd ter gelegenheid van het 40 jarige regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina. Blok hielp bij het versieren. Heel gewoon, hij en zijn zuster hoorden er bij.

Jozeph Blok speelde bij 'Us Ideael', de voorloper van Excelsior. Op bijgaande foto zien we hem als vierde van links tussen een groepje muzikanten. Dit was ook een vriendengroep. Jarenlang heeft op het graf van Siebe Schirm, een bak met een tak kunstbloemen gestaan, geschonken door deze mensen, waar Blok dus één van was.

Johannes de Vries, die onderstaande speech voorleest.

Aanwezigen.

Het zal vier of vijf jaar geleden zijn dat ik door Afke Klijnsma gebeld werd. Zij merkte op dat Jozeph en Sarah Blok hier in Lemmer op geen enkele wijze zichtbaar werden herdacht. Wel op het monumentje op de begraafplaats in Tacozijl, niet in Lemmer. Zij opperde of het niet wat zou zijn iets naar hen te vernoemen zoals ook met de gevallen verzetsstrijders is gebeurd in het Rienplan in Lemmer. Misschien het plein achter dorpshuis De Helling. We zaten dicht tegen de algemene beschouwingen in de Gemeenteraad aan. Dat leek onze fractie een goede gelegenheid om deze vraag onder de aandacht te brengen van de college Raadsleden. De gedachte van een naamgeving werd wel positief ontvangen. Maar het zou de ontwikkeling van dat gebied moeten afwachten. Het kon immers best zijn dat na afloop van de werkzaamheden het hele plein verdwenen was.

Ongeveer een jaar geleden vroeg burgemeester Bosma of het parkje naast het oude kerkhof niet geschikt zou zijn voor de naamgeving naar deze mensen. Dat leek wel een goed idee maar dan zou het parkje toch eerst behoorlijk opgeknapt moeten worden. Wat dat laatste betreft liep het mee want Woningstichting Lyaemer Wonen bestaat dit jaar 100 jaar. Als jubileumcadeau bood deze instelling de Gemeente Lemsterland een aantal bomen aan.

Een deel daarvan is in het tot dan toe karig ingerichte parkje geplant. De Gemeente vond dat er dan ook een monumentje voor deze mensen moest komen. Daarmee moesten degenen die hier kwamen ook in de toekomst weten dat deze broer en zuster in Lemmer hebben gewoond en dat zij in een Duits concentratiekamp aan hun einde zijn gekomen. Nerus Goïnga ging zoveel mogelijk gegevens over Jozeph en Sarah Blok verzamelen en Marcus Noordmans maakte een ontwerp voor het monumentje. Letterlux uit Joure voerde het ontwerp uit en wij zochten er een plaatsje voor bij de treurboom in wat ondertussen al officieel het Jozeph en Sarah Blok Park heet.

Monument voor Jozeph en Sarah Blok: Foto van wikipedia Zie ook: http://joodsebegraafplaatstacozijl.nl/geschiedenis/synagoge-lemmer.html 

Het is meer dan 65 jaar geleden dat de Nederlandse politie deze Lemsters uit huis haalde als begin van hun reis naar Auschwitaz– Birkenau. Een reis waarvan geen terugkeer mogelijk was. Er zullen hier niet veel mensen aanwezig zijn die hun nog gekend hebben. Daarom wil ik even in herinnering roepen wie deze mensen waren.

Een broer en een zuster uit het gezin van Hartog Blok en Naatje Schrijver. Een gezin waarin acht kinderen geboren werden. Drie daarvan werden levenloos geboren, drie anderen leefden hooguit een paar maanden .Slechts twee werden volwassen, Jozeph en Sarah. Samen woonden zij aan de Nieuwburen in een klein huis dat al lang afgebroken is. Dat stond ongeveer tegenover de tegenwoordige apotheek.

Sarah deed de huishouding. Zij kon ook weinig anders want zij was bijna blind. Op straat kwam zij zelden, zij leek mensenschuw. Jozeph moest de kost voor beiden verdienen. De meeste Joden hadden geen vaste baan; het waren vooral meest handelslui. Jozeph was daarop geen uitzondering. Hij schijnt, net als zijn vader, ook wat in de veehandel gedaan te hebben . Op zijn persoonskaart uit het bevolkingsregister staat hij vermeld als ‘incasseerder’. Ik meen dat hij de elektriciteitsmeters opnam. Daarbij werd dan meteen afgerekend. Maar hij kon ook grafstenen leveren.

Ik meen dat hij ook wat in de fotografie deed. Dinsdagavond belde mevrouw Haveman, een negentiger die hen ook goed gekend heeft. Als Sarah in de winkel kwam vroeg zij altijd of ze door de achterdeur weer naar buiten mocht. Dat was dan minder opvallend. Van haar hoorde ik ook dat Jozeph ventte met sigaren. In ieder geval langs de boeren in Eesterga en Follega. Waarschijnlijk zal hij wel meerdere richtingen uitgegaan zijn met die handel. Hij kwam dan op een wat buitenmodel fietsje en hij had er geen bezwaar tegen om zo hier en daar een kop koffie of zelfs een maal eten toegeschoven te krijgen.

Naast die verschillende werkzaamheden nam hij ook aan het dorpsleven deel. Zo speelde hij in muziekkorps Excelsior, of misschien nog bij de voorganger daarvan, Us Ideael. Van de IJsvereniging Lemmer is hij zelfs voorzitter geweest.

Deze mensen waren zo goed van vertrouwen dat zij niet wilden onderduiken. Toen dat werd voorgesteld was hun commentaar dat zij niets te vrezen hadden. ‘Het gaat de Duitsers om de rijke Joden en wij zijn arm.’ Hoe anders is het gelopen.

Woensdagmorgen hebben collega Raadslid Kingma en ik aan de kinderen van de St. Jozeph School e.a. verteld over deze mensen, over de Joodse gemeenschap die hier in Lemmer geweest is en over de Joodse Begraafplaats in Tacozijl. De enige zichtbare herinnering aan de Joodse gemeenschap is de nog enigszins herkenbare synagoge in de Schans. Echtenerbrug heeft de Zuster Jacobsstraat die herinnert aan wijkzuster Jantje Jacobs, bij Tacozijl vinden we nog de kleine begraafplaats waar de Lemster Joden hun laatste rustplaats vonden.

Deze begraafplaats lag er tientallen jaren als een wildernis bij. Op 20 november 1986 werd de Stichting Joodse Begraafplaats “Tacozijl” opgericht met het doel deze begraafplaats te restaureren. Op 18 April 1990 was het zover dat met het plaatsen van een monumentje voor broer en zus Blok en wijkzuster Jantje Jacobs de restauratie kon worden afgesloten. Het doet ons goed dat er onder de aanwezigen vanmiddag bestuursleden van de Stichting aanwezig zijn w.o. voorzitter en initiatiefneemster mevr. Mabs Bastian – Pen. Ook de aanwezigheid van mevr. Klijnsma stellen wij zeer op prijs.

Ik wil dank uitspreken aan iedereen die op welke wijze dan ook medewerking heeft verleend aan het tot stand komen van dit monument. Wij hopen dat dit monument nog jarenlang mag herinneren aan het grote onrecht dat onder het Nazi-bewind onze Joodse medemensen is aangedaan en speciaal aan de laatste twee Lemster Joden.

De kinderen hebben gedichtjes rondom het monument gelegd.

Uitleg van Johannes de Vries a.g bovenstaand briefje:  Vorige week kwam Albert Spaan mij een brief brengen. Gevonden tussen oude papieren van Excelsior. De inhoud was echt verrassend. Een briefje van Jozef Blok uit 1941 aan het bestuur van de muziekvereniging. Dat hij door de veranderde omstandigheden moest bedanken als lid van de vereniging. Met nog de opmerking dat zijn naam uit de boeken moest verdwijnen. Sprekend was ook het streepje onder moest. Het laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Dan zit je in gedachten weer midden in die jaren van de oorlog. Dat juist nu we in april en mei de Bevrijding en de gevallenen herdenken.  Dit was een onbetekenend maar toch veelzeggend briefje. Zoiets mag niet verloren gaan. In overleg met de vinder heb ik het maandagmorgen naar de Oudheidkamer gebracht. Daar wordt het opgeborgen maar er komt wel een beschrijving bij. Anders zou na verloop van jaren niemand zich de betekenis hiervan kunnen herinneren.

Onder aan de dijk bij oud-Tacozijl ligt, verscholen in een wal van populieren, de joodse begraafplaats.

Foto van Wikipedia

In 1802 wordt de Joods gemeenschap voor het eerst genoemd in de koopbrief van het stuk land voor een begraafplaats. Vanwege de goedkope grond werd gekozen voor deze verafgelegen hoek. Een begrafenisstoet deed er een uur over om er te komen van uit Lemmer waar de Synagoge stond van de Joods gemeente. Het aangekochte perceel lag zo laag dan men voortdurend geconfronteerd werd met wateroverlast. Daar kwam in 1876 verbetering in, doordat de toenmalige burgemeester van Gaasterland, dhr. J.H.F.K. Van Swinderen, de joodse gemeente een stuk grond schonk dat wat hoger lag en aan de begraafplaats grensde.

(Het kerkhof in Tacozijl dateert uit de vorige eeuw. De oudste grafzerken (vanaf 1817) hebben waarschijnlijk eerst in Sneek gelegen, want de de joodse gemeente van Lemmer kreeg pas in 1876 een eigen begraafplaats)

De laatste die in Tacozijl begraven werd, was de koopman Simon Jacobs die in 1939 overleed. De drie joodse inwoners die Lemmer nog telde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog. Jozef Blok, zijn zus Sara en Mette Jacobs, werden door de Duitsers weggevoerd en stierven onder het nazi bewind.

De begraafplaats bestaat uit twee delen: een laag gelegen deel en een hoog gelegen deel. Beiden vormen nu een geheel. Op het laagste deel staan 21 grafzerken voorzien van grafschriften in het Hebreeuws met soms Nederlandse tekst toegevoegd. Op het hogere gedeelte bevinden zich 8 grafstenen die geen of hoegenaamd geen Hebreeuwse tekst(en) dragen. Simon Jacobs (geboren 26-10-1850, koopman van beroep) en overleden 30-19-1938 was de laatste die op deze begraafplaats ter aarde is besteld. Een gedenkplaat (geplaatst in 1990) herinnert aan de periode 1940-1945, waarin ook drie joodse bewoners op transport werden gesteld en in Auschwitz werden omgebracht. De gedenkplaat heeft Sarah en Joseph Blok en Jantje Jacobs symbolisch herenigd met hun ouders. Die liggen alle vier bij Tacozijl begraven.

Jantje Jacobs, Lemsterland, 6 november 1883, Auschwitz, 19 november 1942. Bereikte de leeftijd van 59 jaar.

Jantje Jacobs was de dochter van Heiman Jacobs en Duifje van Dam. Het echtpaar Jacobs woonde in het Achterom (Wijde steeg) te Lemmer. Ze hadden drie kinderen: Mette, Jantje en nog een kind. Heiman Jacobs was koopman. Hij stierf in december 1923 en Duifje in december 1934. Jantje Jacobs bleef ongehuwd. Lange tijd was zij wijkzuster bij de afdeling Oosterzee-Echten van het Groene Kruis. Op 21 december 1940 werd na een dienstverband van 22 jaar in een buitengewone ledenvergadering afscheid van haar genomen.

De toenmalige voorzitter van de afdeling, Johs. Zijlstra, prees haar voor haar inzet in al die jaren. Daarna werd zij door nog zeventien sprekers geprezen Bij dit afscheid is haar een fiets aangeboden. Jantje Jacobs is naar Auschwitz gedeporteerd, haar zuster Mette naar Sobibor. Hun beider namen staan vermeld op het herdenkingsteken dat geplaatst is op de Joodse Begraafplaats te Tacozijl. Bovendien is in Echtenerbrug een straat naar Jantje Jacobs vernoemd.

9-48.jpg
10-41.jpg

Na de Tweede Wereldoorlog keek eigenlijk niemand naar de afgelegen begraafplaats om. De onderhoudstoestand van de dodenakker ging daarom snel achteruit. De stichting Joodse begraafplaats Tacozijl die in 1986 werd opgericht beheerd de begraafplaats in opdracht van het Nederlandse Israëlische Kerkgenootschap in Amsterdam.
It Fryske Gea beheerd tevens de begraafplaats. Hiermee eindigend wordt het aandenken van de Lemster Joden behouden.

Het kleine aantal joden dat in 1941 nog in Lemmer woonde is tijdens de Duitse bezetting gedeporteerd en vermoord. Hun namen staan vermeld op een gedenksteen op de joodse begraafplaats te Tacozijl. Deze begraafplaats werd in 1989 geheel gerestaureerd en wordt thans onderhouden door de Friese natuurbeschermingsvereniging It Fryske Gea.

Aantal joden in Lemmer:

1809: 32
1840: 71
1869: 109
1899: 53
1930: 12

Foto van Wikipedia

De tekst op de gedenksteen luidt:

'JUSTER BARDE IT BY US 1940-1945
FAN UT DE LEMMER TRANSPORTEARE EN YN AUSWITZ OMBROCHT.
OANTINKEN LIEDT TA FERLOSSING. FERJITTEN TA BALLINGSKAP.
MOARN IS 'T WER EARNE OARS.'

Het monument voor Jozeph en Sarah Blok in Lemmer (gemeente Lemsterland) is opgericht ter nagedachtenis aan de joodse broer en zus Jozeph en Sarah Blok, die tijdens de bezetting werden opgepakt en op 19 november 1942 in het concentratiekamp Auschwitz door de bezetter zijn omgebracht.

Oprichting: De oprichting was een initiatief van de gemeente Lemsterland.

Onthulling: Het monument is onthuld op 24 november 2006.

www.4en5mei.nl

www.joodsmonumentmeppel.nl


TOP