Home » Historie-Friesland » De Helling onder Heeg » Berend Hendriks de Jong en Michiel Hendriks de Jong (1)

Berend Hendriks de Jong en Michiel Hendriks de Jong (1)

De lonen die tot aan het begin van de twintigste eeuw vijftig jaar lang gelijk waren gebleven, verdubbelden tussen 1919 en 1922. Ook de materi­aalkosten stegen. Wel werd in het "hout" nog steeds gewerkt met eiken, vuren, werk, mos, pek, teer, harpuis, en derge­lijke. Maar duims eiken dat vijftig jaar lang fl 0,20 per voet had gekost, werd in 1903 fl 0,25 per voet, in 1920 fl 0,30, en in 1922 fl 0,60. Werk steeg van fl 0,25 naar fl 1,25, koolteer van fl 0,10 naar fl 0,25 per liter.

In 1915 bedroeg de jaaromzet opgeteld uit het werfboek fl 2768,24. In 1922 was dat fl 7918,02. Een verdrievoudiging, maar ook de lonen waren in de tussen­tijd verdrievou­digd en de materiaal­kosten verdub­beld of verdrievou­digd.

Door de hele twintiger jaren heen tot in 1932 bleef er werk voor een man of zes, zeven, met als hoogtepunt acht man in 1926. Hoewel er kleine fluctua­ties waren - een Herre, een Cees, een Arie, die kwamen en gingen - bleef de kern constant: Michiel, Hendrik, Berend, Doris, Klaas en Sietse: vijf De Jongs en een Potma.

Al gauw kwamen de lonen onder druk te staan. De zestig cent van 1922 was van korte duur. In 1923 werd het alweer vijfenvijftig cent en uiteindelijk kreeg iedereen in 1932 vijftig cent per uur. Geen onderlinge ver­schillen meer, althans niet financieel.

Dezelfde ontwikkeling was bij het materiaal te vinden. Duims eikenhout zakte in 1932 naar fl 0,50, koolteer naar fl 0,20.

Het meeste werk had met boten te maken...

Verreweg de meeste werkzaamheden op de werf waren de gewone bezigheden voor een scheepswerf: reparaties aan boten en schepen. Stukken in de huid die vervangen werden, boten die in de teer of ook nog in het stort gezet werden, inhouten die vervangen werden, repara­ties aan mast, giek of gaffel, het leveren van nieuwe vaarbomen en riemen of het repareren ervan, en dergelij­ke. Zo kwamen bijvoorbeeld ook de Rijkspolitievaartuigen uit Oudega, Woudsend en Hommerts voor onderhoud. 

Ook als men een expert zocht, wist men de werf te vinden, bijvoorbeeld wanneer de inhoud van schepen getaxeerd moest worden. En zelfs, naast alle echte boten die hij bouwde, beleefde Michiel er nog plezier aan om scheeps­modellen te bouwen. Zo maakte hij bijvoorbeeld een model van de "Heeg" voor notaris Ages.

Naast het "scheepse" wist men de werf voor de meest uiteen­lopende klussen te vinden: voor het repareren van een stoof, een tafel­stoel, een hobbel­paard, een hanger voor de kleerkast, voor een hoepel om een watervat, om zagen te vijlen, schaatsen en messen te slijpen, om een slee of een nieuwe sjoelbak met twintig houtjes te maken, kruiwa­gens te repareren, de spat­schermen van de auto van C.Piso vast te lassen, ja zelfs kwam men voor een eiken lijkkist met bekleding en een bodem en beschoeiing in het graf. Maar vaak werd alleen maar genoteerd "karwei" of "karwei­tje" zodat niet meer te zien is wat er gedaan was.   

Verder werden er pramen verhuurd. In 1915 was er een kleine praam voor veertig cent per dag te huur en een grote voor zestig cent per dag en samen brachten ze fl 50,45 op. Bij een gemiddelde huur van twee kwartjes dus een honderd dagen verhuur. 

Een van de pramen op de helling

In 1932 verhuurde de werf bovendien een motorboot. Erg hard liep de verhuur niet. In augustus van dat jaar had de "Sneeker Zeilvereeniging" hem nodig, met stuurman: drie dagen voor ¦ 45,00 en een paar weken later huurde dr. Bruins de boot voor anderhalve dag.

Ook werd er bij tijd en wijle een B.M. verhuurd. Waarschijnlijk in bemidde­ling voor iemand anders en misschien was dat bij de motorboot ook het geval, want rendabel kan deze verhuur niet zijn geweest. Zo vaak kwamen er geen huurders. Misschien was het wel de B.M. van J.Visser Azn, want de dag nadat Dr. Bruins een tochtje had gemaakt, moest diens B.M. worden gerepa­reerd.

Volgens de werfboeken bestond de houten nieuwbouw alleen uit kleine bootjes voor vissers en boeren uit de omgeving. De langste boot was achttien voet. Het ging om twee tot drie bootjes per jaar en in sommige jaren niets, zoals 1921 en 1923. Een paar uitschieters waren 1918 met zeven houten boten waarvan vier vissers­bo­ten en 1927 met zes boten. Ook staat er in 1925 een motorboot in de boeken en in april 1932 weer een. In Bijlage 3 staat de volledige lijst van de nieuwgebouw­de boten die in de werfboe­ken en bij Vermeer, tjotters en boatsjes, staan.

Maar deze lijst is naar alle waarschijnlijkheid hoogst onvolledig. Volgens Berend Michiels had zijn vader Michiel ooit in één jaar drieënder­tig bootjes gebouwd. De aantallen die ik in de werfboeken heb gevonden, steken daarbij vreemd af. Het Schrijf­boek (zie Bijlage 2) is in dit verband van belang. Het noemt tal van schepen die in het werfboek niet terug zijn te vinden, maar die wel gebouwd zijn. Per bootstype staan daarin de maten die voor de bouw nodig waren. Lengte, breedte en holte, drie cijfers, dat was genoeg.

Bijvoor­beeld "een schip van 62 voet lang" en een van vieren­vijftig voet en pramen in meerdere lengtes. Sommige van de boten staan op naam, zoals de "boot van R.For­tuin", "de boot van P.Put" of "de praam van Oppedijk". Andere worden aangeduid als "een praam van 37 voet", "een vissersboot van 15 voet lang" of "een jol van 20 voet". {Beide pagina's uit schrijfboek A 9 (oud L 9), leesbaar. Onderschrift: En zo staat het in Michiels' Schrijf­boek"...}

En zo staat het in Michiels 'Schrijf­boek'...

We mogen aannemen dat al die boten uit het Schrijf­boek ook werkelijk gebouwd zijn. Maar in het werfboek zijn ze maar bij uitzondering terug te vinden.

Een enkele keer was er sprake van een roeiboot voor een notabele uit het dorp, zoals voor notaris Mulder, dr.Bruins en pastoor Overmeer. Op 7 juli 1917 voorzag de laatste zich van een roeiboot met twee paar riemen, roer en stuurstoel voor fl 115,00. Het roer mocht echter niet baten. Want al op 24 juli moesten de riemen worden hersteld en gelakt: tweemaal een uur werk en tweemaal vijftig cent aan lak. De pastoor bleef problemen houden met het manoeu­vreren: zowel in 1920 als in 1922 moest er een riem vernieuwd worden. En ik stel mij de pastoor voor, in speelse overmoed een riem verspelend. Onwille­keurig moet ik denken aan een van die roeipartijen van de Franse impressio­nisten, de pastoor gekleed in gestreept badpak en strohoed. Maar misschien zit ik er helemaal naast en moest de pastoor op onmogelijke uren het water over om zijn parochi­anen te bereiken...

Ook dr.De Witte, notaris Mulder, ds.Van der Linden en meester S.de Groot schaften zich een roeiboot aan en de notabelen wensten zich allen een tweede roei­bank, roer en stuurtouwen...

Met deze "nieuwbouw voor notabelen" ontstond op de werf die nieuwe activi­teit die wij aan de pleziervaart koppelen: de winterberging. Jaarlijks, zo omstreeks november-december, werd de roeiboot van pastoor Overmeer schoon­gemaakt en opgeborgen voor fl 4,50. Ook het jagt dat dr.Bruins nog naast zijn roeiboot bezat, kwam in de winter­berging in de grote loods. De overige notabelen volgden. Met het dalen van de lonen en materiaal­kosten, eind twintiger jaren, werd ook deze winterberging goedko­per, van fl 4,50 naar fl 2,50.

Ook de beroepsvaart kende overigens een vorm van winterberging: jaarlijks kwam een aantal schippers, zoals Vlietstra uit Amsterdam, R.I.Fortuin, Jetze Fortuin, Jacob Fortuin uit Heeg, Groenhof uit Stavoren om hun schudden op de zolder van de loods te laten opbergen voor fl 5,00. Deze schudden waren schotten die voor het vervoer van mest of modder in het ruim geplaatst werden om het schuiven van de lading zoveel mogelijk te voorko­men. 

Was dit soms Vliet­stra, één van de Fortuinen of Groenhof, of was het toch iemand anders?

Maar de werkelijk "notabele" nieuwbouw moest nog komen. Een in dit verband belangrijke gebeurtenis deed zich voor in juli 1928, toen De Jong een nieuwe naam in zijn werfboek noteerde: Mijnheer Matle­ner schreef hij eerst, daarna Joh. Matlener, en uiteindelijk Madlener die met een tweetal boeiers bij de werf verscheen. Een van vijftien meter, de Olga, in het werfboek "de grote boeiyer" en een van acht meter, de Alice, "de kleine boeiyer". De grote boeier moest een grote opknap­beurt krijgen en kreeg dat. Voor het eerst vallen me in het werfboek "koperen spijkers" en "koperen schroeven" en "blanke lak" op: de ingredi­ënten van de plezier­vaart naast de carboleum en de harpuis van de beroepsvaart.

De opknapbeurt van de kleine boeier dreigde te groot te worden. Het schip was al te ver heen om nog gerestaureerd te kunnen worden. Dus werd er van zestig voet vurenhout een aantal mallen van de Alice gemaakt en een nieuwe boeier, de Ibbe, werd op stapel gezet. Het is in het werfboek niet goed te onderschei­den waar de restaura­tie van de Olga ophield en de nieuwbouw van de Ibbe begon. Ze zijn niet altijd goed van elkaar te onderschei­den. Als ik het goed lees, zat er voor 2625 uren werk aan de restauratie van de Olga die tot Dorothy werd omgedoopt. 

De overzich­telijkheid wordt bemoei­lijkt doordat Michiel steeds weer opnieuw moest bijhouden welk materi­aal en welke uren in de rekeningen verwerkt waren en welke rekeningen hij had ingediend, want de rekeningen van de werf en Madleners betalingen hielden niet gelijke tred. 

De Ibbe gaat te water.

Ibbe voor de helling, met van links naar rechts: Hylke van der Zee, Hertzen van der Schuit, Berend M. de Jong, Klaas M. de Jong, Doris Potma, Michiel H. de Jong, Hendrik M. de Jong en geheel rechts een onbekende

In 1930 was Ibbe klaar, maar nabeta­lingen moesten worden geno­teerd tot in 1934. Op 24 november 1934 stond er nog f 705,67 open en voor het eerst zie ik dat rente berekend werd: 5%.

Was het toeval of kwam het door Madlener dat in 1932 D.Groenhof uit Amster­dam langs kwam met de boeier Noordster uit de Koninklijke Jachthaven voor een reparatie van ruim honderd gulden aan hout, stort, vilt en spijkers?

Eind 1932 was er nog werk voor vader Michiel en zijn zonen Hendrik, Berend, Klaas en Sietse, waarbij Hendrik vooral het ijzerwerk en de mastenmakerij op zich had genomen en Berend het hout.

De familie De Jong in 1930 met familiebezoek uit Amsterdam. Staand v.l.n.r.: Berend M. de Jong, Michiel H. de Jong, Mendrik M. de Jong en dan de aangetrouwde familie uit Amsterdam. Zittend: Dirkje Kieft, de vrouw van Michiel, naast haar de dochter van haar zuster uit Amsterdam, dan Tjaltje Deinum, getrouwd met Hendrik en naast haar Rink, de jongste dochter van Michiel en Dirkje. Liggend: het zoontje uit Amsterdam, Sietse M. de Jong, Tiete, dochter van Hendrik en Tjaltje, Klaas M. de Jong en Michiel, de zoon van Hendrik en Tjaltje

Doris was vertrokken. Hij was toen drieënzestig. Ging hij weg vanwege zijn leeftijd? Het staat er niet bij. Was het vanwege de crisisjaren? Men weet het niet meer precies. In ieder geval had hij nog wat bijverdiensten. Allang werkte hij 's ochtends voor dag en dauw bij de melkont­vangst op de melkfabriek, nog voordat hij op de werf begon. De kinderen kwamen hem dan later eten op de werf brengen. En verder hij was ook nog klompma­ker. De tijden in die dertiger jaren waren zo slecht dat hij voor degenen die geen nieuwe klompen konden betalen, met deuvels nieuwe zolen onder oude klomp­kappen zette. En daarvoor werd er maar al te vaak een beroep op hem gedaan.

In de loop van 1933 vertrok Klaas. Hij vestigde zich in het dorp als groen­teboer, nadat hij dertien jaar op de werf had gewerkt. Vier man nog, een vader en drie zoons, die allerlei werk­zaamheden deden in een jaarlijks weerkerend ritme: voorjaars­beurten, koolteer, de boten van de notabelen na de winter­berging schoon en dicht maken, pramen verhuren, boten dichtma­ken die de winter niet goed waren doorgekomen, 's zomers kleinere repara­ties zowel in hout als in ijzer en in de herfst en winter grotere karweien, zoals de botter van Lambertus Poepjes uit Lemmer, het schip van J.van der Pol, de botter van Bleeker uit Stavoren of het schip van P.J.­Poepjes uit Ooster­zee. Daarnaast bouwden ze nieuwe boten: twee in 1933, twee in 1934 waarvan één een cano twee persoons was, drie in 1935, tien in 1936 waarvan er vier roeibootjes waren van een paar tientjes, in 1937 geen en in 1938 een motorbootje voor pastoor Van Wijk.

De helling in 1934

Een van de nieuwe boten van 1936 dateerde van 9 augustus en was bestemd voor de firma Wust uit Heeg, een motorboot model B.M., de Regina, voor fl 185,00 met een parapluanker, roeidollus­sen, 25 draaisluitingen, twee meerpennen, twee roeidollen met plaatje, een boom en een haak, in totaal fl 203,83. De eerste kras op een nieuw schip doet pijn en die voelden ze drie weken later al, toen ze averij opliepen veroorzaakt door schipper K.Bos uit Harlingen die bovendien ook nog bij Kooistra schade voer. Maar in september was het hun eigen schuld, toen er een nieuw verchroomd koperen stevenbe­slag moest komen.

Ook Madlener bestelde in 1936 nog twee nieuwe zeilboten met tuig voorfl 220,00 per stuk die hij betaalde in tien opeenvolgende wekelijkse aflossin­gen van fl 45,00. Michiel had kennelijk zijn les geleerd. Hij zal wel iets gezegd hebben in de trant van: "Ik wil ze wel maken, maar dan moeten wij al anders als met de boeier, mijnheer Madlener..." 

In juli van dat jaar organiseerde Madlener een Waterkamp. Was het voor de idealistische jongeren van de jaren dertig? Moest er daarom een vlaggemast komen op 10 augustus? Het varen ging hun minder goed af, want op 28 juli liep de kleine zeilboot averij op, op 31 juli de grote zeilboot aan de voorsteven, op 6 augustus werd de mast van de grote half overboord gezeild, op 14 augustus moest de grote zeilboot op de helling om middels twee kilo stort weer vaarklaar gemaakt te worden en op 16 augustus moest er een nieuwe vaarboom worden geleverd...

Ik kan het niet nalaten om in het werfboek te kijken of er op mijn geboor­tedag in Juni 1939 iets speciaals gebeurde op de werf. Nee, er staat niets die dag. Tegelijkertijd doet het mij beseffen dat ik zo langzamerhand ben aangekomen in de tijden waaraan mensen van nu rechtstreekse herinnerin­gen hebben en dat het goed is als ik me daarvan bewust ben...

Het boek Heech en de Heegemers vermeldt dat Berend Michiels de Jong tussen 1920 en 1940, toen zijn vader nog de leiding had, aan de bouw van een zestien tjotters meewerkte. Uit de werfboeken kan ik daar geen duidelijk­heid over verkrijgen. "Tjotters" zijn daar als zodanig niet terug te vinden. De scheepstypen werden nogal vrijelijk genoteerd. Alles wat niet een "sloep", een "schou­w", een "praam" of een "motorboot" was, werd genoteerd als "boot" of "bootje" maar er staat niet bij wat daarmee werd bedoeld. Om de omvang van de onduidelijkheid te schetsen: er werd in januari 1902 een "boot" geleverd aan A.Dijkstra voor fl 1250,00 en in februari een "boot" aan A.Fortuin voor fl 70,00. Er waren "boot met roer en zwaarden, vissers­boot, vissers­boot met roer en zwaard, vissersboot met bun, vissers­bootje, roeiboot, roeiboot met roer en riemen, boot, bootje, enzovoort". 

"Roeiboot­je" werd ook wel eens voor "roei­schouwtje" gebruikt, zoals bij Berends eigen roeibootje van 1933. Er zijn ook groepen van boten aan­wijsbaar. Zo zijn er bijvoorbeeld vier boten van fl 200,00, respectieve­lijk "boot met roer en zwaarden en riemen", "vissers­boot", "vissersboot 17 voet lang" en "boot" genaamd. Anderzijds is er in het Schrijf­boek sprake van een zestien­voets boot met roer en zwaarden voor fl 110,00 en van een veertien­voets boot voor fl 80,00. Het prijsverschil met de 17voets boten van fl 200,00 is erg groot...

Kortom... het lukt me niet een betrouwbare ordening aan te brengen. Van eenendertig boten is de op­dracht­gever bekend en misschien kan daaruit alsnog enige verhelderende informatie voort­komen.

In tjotters en boatsjes spreekt Vermeer nog van twee aan De Jong toege­schre­ven tjotters die tussen 1920 en 1940 zijn gebouwd: de Friso van 1920(?) en de Brasem van 1928. Geen van beide wordt in het werfboek vermeld. Met andere woorden: het werfboek vertelt veel, maar lang niet alles.

Naast al deze scheepse activiteiten bleef het dorp zoals altijd een beroep doen op de klusjes­capaci­teit op de werf: koeien en paarden overzet­ten voor A.D.Cnossen of P.van der Velden, een spatscherm lassen voor Roelof van Netten, een bodem zetten in de bloembak van C.van Brug, een sport in de ladder van L.Zoet­hout, het herstellen van een grafsteen voor K.Kieft uit Almelo, een kruiwagen repareren, een fietstrap­per lassen, de wasmachine van de armvoog­dij repareren, zagen vijlen, messen slijpen, een pijp lassen, het closet van Madlener repa­reren, de auto van de firma Westra lassen of, tot slot, een nieuwe kapstok voor de Meisjesveree­niging Heeg maken. En dit is nog maar een kleine bloemlezing.

In october 1936 nam Berend Michiels de Jong de administratie van zijn vader over. Hij schreef geen uurlonen meer op zoals zijn vader dat placht te doen en hij hield ook niet in het werfboek bij dat de rekening was betaald. Berend, Hendrik, Michiel en Sietse werkten er toen, voor 40 cent per uur. Alleen van september tot december 1939 deed vader Michiel de administra­tie, de laatste vier maanden voor zijn dood op 8 januari 1940. Het was omdat Berend toen gemobiliseerd was.