Herinneringen van Teade Wouda e.a 4

HEDEN EN BEELDFLITSEN UIT DE VERTE.

Uit Noordoostelijke richting nadert een bezoeker Lemmer en rijdt via de Nieuwburen, het dorp binnen naar de parkeerplaats tegenover het postkantoor. Hij stapt uit de wagen en vraagt zich af, hoe komt deze ruimte hier, wat is er allemaal rond de oude kerk afgebroken, welke stukken van de Lijnbaan zijn verdwenen, waar zich nu moderne winkels en op de andere hoek het fraaie complex van Zuid Friesland van de heren Lemstra is gevestigd? Heel wat anders dan vroeger bij het Lemster krantje met de geur van lood in hoge bakken, waaruit de zetters op schier navolgbare wijze pikten met boven hun hoofden een paar karige gaspitten.

Vervolgens loopt de bezoeker rond de kerk en komt plotseling vanuit de schaduw in het volle milde zonlicht van de nazomer op de Kortestreek, voorbij de groentehandel van mevrouw, Lemstra. Hij ziet verbaast om zich heen naar het ook nu nog wisselende schouwspel van luxe boten, die aan de streken zijn gemeerd en een vrolijk vertier en opgewekte sfeer meebrengen.

Plaatsnemend op één van de aangebrachte uitnodigende banken, is er direct contact met een paar Lemsters, en de verhalen beginnen weer over vroeger, wat praten betekent over gebeurtenissen van een halve eeuw geleden. Johan Platte, komt er ook nog bij en herinnert aan een zware voetbalwedstrijd in Meppel in de trant van, weet je dit nog, weet je dat nog. Verder gaande langs de voormalige winkel van Zwart en Anna Bosma, de vroegere smederij van van Putten, de bakkerij van Jan Knol, de slagerij van Sake van de Bijl, nadert de bezoeker de brug waar destijds Zijlstra, de scepter zwaaide. Hij ziet zich weer als jongen op de toen nog smalle draaibrug staan waar hij op mocht passen als Zijlstra afwezig was, met als hoogte punt de brug alleen te mogen draaien: de hoogste eer die er bestond, vooral wanneer je het trof dat 'De Suup' in aantocht was.

Na Andries Bootsma, begroet te hebben, die kennelijk de hele zomer een vaste zetel heeft bij het brugwachtershuisje, richten de schreden zich door de Pottenbakkersteeg langs het ouderlijk huis naar de Tuinstraat (ik kon het niet laten om even over de schutting te kijken) om vervolgens te ontdekken dat deze straat en de kippenbuurt vrijwel geheel verdwenen waren.

Het antieke winkeltje van tante Leentje, met de weegschaal e.o. stenen als gewichten voor het wegen van stroop, puur uit het vat...is allang toevertrouwd aan het stof der tijden, eveneens als het huis van Jurjen Bootsma, Eelke Rippen, Roel en Siemen Hoekstra die hier zolang met hun hardwerkende moeder hebben gewoond. Via de half afgebroken Nieuwendijk wordt de Schulpen bereikt met zijn bonte menigte vakantiegangers en "omstippers".

Ook hier weer boot na boot die de brug passeert. Welk een verschil met vroeger toen de bruggen alleen werden gedraaid voor vrachtverkeer met schippers die dag en nacht werkten voor hun boterham. Ik herinner mij de kleine brugwachter de Jong (vader van de zo jong gestorven Siebertje de Jong) die de brug naar de Schans bediende. Het verhaal gaat dat hij op zekere dag de kruk niet kon houden en daardoor met een grote boog -dus met de kruk mee- als een snoek in de haven schoot op een manier die Tarzan hem niet kon verbeteren.

Intussen dwaalt de blik over de Binnenhaven waar o.a. de Jan Nieveen lag, die waarachtig het oude nest weer heeft opgezocht. Onbewust verdwijnt ineens de huidige omgeving en werpt plotseling de "geheugenbank" beelden van weleer op het innerlijk oog: je ziet weer die blauwe rook over de huizen van de Schans, het Achterom en de Haven hangen. Enkele zeemeeuwen vissen krijsend in het half zoute water naar aas en verder is het stil, daar er anders in die tijd niets is te beleven. De zon weerspiegeld zich glanzend in het Havenwater. Een enkele visserman klost op klompen in de richting van de haven, waar de Rook's zich naar de afslag spoeden, nadat de bel heeft geluid ten teken dat er verse vis uit de Zuiderzee is aangevoerd.

De netten op de haven wapperen traag in de frisse zeebries: plotseling lopen uit de richting van de markt een paar blonde meisjes met blauwe schorten, die een grote waskorf met zich meedragen, om de was op de haven te hangen als toenmaals goede gewoonte alles in korte tijd droog in de kast te krijgen. Het zijn meisjes die ik goed ken. Zij wuiven een beetje verlegen en doen verder of zij niets zien....Dan verschijnt de omroeper Jan B. in het beeld en hij verkondigd met luide stem: "Hedenavond op de Schulpen afslag van levende schol, zegt het voort".

Alles met elkaar geeft een ietwat dromerig geheel en toch voltrekt het zich alsof filmbeelden worden vertoont. Even plotseling als ze zijn gekomen, lossen ze zich op.. en sta ik weer midden in de zomer van 1977 met alle geluiden van het verkeer en geroezemoes van stemmen. Het brengt opnieuw het besef dat verleden en heden één geheel vormen en daarom alles z'n betekenis heeft, waardoor het heden ook goed is en vooral wezenlijk niets verloren gaat, het goede nog het zogenaamde kwade.

Tegen 6 uur wordt het stiller in het dorp. Evert de Vries staat nog met zijn handel trouw op dezelfde plaats en is bezig met inpakken. Ik loop nog even bij hem langs en zie de verrassing in zijn goedige ogen. Gelukkig is zijn zoon zo vertelde hij mij, uitstekend van zijn ongeluk hersteld. In verband met de rondhangende jongens en hun dure brommers, herinnert mij aan de tijd dat hij iedere dag als jonge knaap om 4 uur opstond - moest opstaan om in de visserij wat te verdienen, maar ook tot niets doen was gedwongen, door gebrek aan werk. Dit betekende meteen over geen geld te kunnen beschikken. Men moet dit van dichtbij hebben meegemaakt om te begrijpen wat er soms in ouderen omgaat. De goede oude tijd had veel meer schaduwen dan het waarschijnlijk heeft voor verzamelaars van oude lampenpitjes enz. Niettemin was het voor vele een goede leertijd voor het geval het getij zich nog verder mocht keren.

Ik rijd langzaam langs de zelfde weg terug als gekomen nog even omziende ontwaar ik in de verte de contouren van de oude fraaie toren in het centrum en stel zonder nostalgie dat het karakter van Lemmer ondanks alles zijn typische kenmerken heeft bewaard.


HERINNERINGEN

Van A. Romkema, Jan Wouda e.a.

Het is prachtig zomerweer en ik parkeer mijn auto op het parkeerterrein tussen de Schans en Vissersburen, waar vroeger het Achterom was. Ik zet de motor af en zie vanuit de auto om mij heen. De achterkant van de Schans is nog bijna ongewijzigd. Opzij zie ik het nieuwe Gemeentekantoor, een groot kubusachtig geval, in mijn oog een vloekend geval met de gehele omgeving. En dan dwalen mijn gedachten zo'n zestig jaar terug en fotografisch en duidelijk zie ik het oude Achterom voor me.

Japie van Kleis en Klaske zitten tegen het hek van het armenhuis op twee stoelen met biezenmatten te genieten van de zon. Ik groet hen en loop verder het Achterom in. Oude Friso staat bij zijn huis en praat met zijn witte duiven die koerend op het wit geverfde hok zitten aan de zijkant van de woning. Ik vind het maar vreemd dat een volwassen man tegen een paar duiven staat te praten, doch toen ik ouder werd begreep ik het des te beter. Oude Friso was voor zover mij bekend de eerste ijscoventer van Lemmer en zijn vaste standplaats was op de "Bakkershoek" voor de winkel van Molenberg (toen Speijer).

Nog zie ik hoe hij met bevende handje een ijsco van 2 cent overhandigde. Voorts handelde hij wel in sinaasappelen en had verder een nogal brede handkar waarop allerlei lappen lagen uitgestald. Op een kwade dag had een kwajongen al zijn duiven gekortwiekt, waardoor ze niet meer konden vliegen. Als de dag van gisteren hoor ik hem met zijn bibberende stem nog zeggen. "Die smerige jongen van..... het al m'n duiven kortwiekt". En toen zijn vrouw was overleden, sprak de oude man woorden, die nu nog van toepassing zijn "een mens allienich is niet veul". Intussen zag ik Hanneman, zijn werkelijke naam heb ik nooit gekend met zijn manke been de steeg uit komen. Ook zijn vrouw liep mank. Deze mensen moesten hard sappelen om een karig stukje brood te verdienen. Ik kom hier later nog op terug.

Ik loop verder het Achterom in en zie dan Andries Rippen, met zijn robuuste figuur uit zijn huis komen, terwijl zijn vrouw bezig is het piepkleine straatje voor hun huisje te schrobben. Andries groet mij met een kwinkslag en in zijn ogen twinkelen pretlichtjes. In de loods van Scheffer zijn ze bezig met ansjovis te verwerken en van verre hoor je de mannen al zingen. 'Zo werd Laura zijne bruid' en 'de blikkene dominee', Zij zit al in de kast aan een ketting vast, enz enz. 

Bonne Blinkma (lytse Bonne) hij was naar ik mij herinner 1.45 lang en stond op een kistje, daar hij anders niet boven de grote tafel uitkwam. Het zingen was opgehouden en één van de Lemster mannen vertelde volgens hem een echt Lemster verhaal.

Bonne Blinksma (lytse Bonne) Geboren op 24 september 1884 te Amsterdam, overleden op 70 jarige leeftijd op 13 augustus 1955 te Sneek. Begraven te Lemmer.

Zoals alle oudere Lemsters weten, kwamen vroeger de nachtboten om ongeveer 4 uur 's morgens in de Lemmer aan. De passagiers werden dan per bus of tram verder Friesland in vervoerd. Nu gebeurde het wel eens dat er één autobus bleef staan op de hoogte van de oude trambrug. Zo gebeurde dit weer eens op een mooie zomerse dag.

Twee Lemsters die nogal eens diep in het glaasje keken kwamen 's morgens om 5 uur over de oude trambrug wandelen en zagen de lege bus daar staan. Daar ze nog niet zo helder van geest waren en wel wat wilden rusten, gingen ze in de bus en vleiden zich behaaglijk op de achterste banken neer. Je kunt nu nog geen klomp onbeheerd laten staan, doch in die armoedige tijd zaten zelfs lege autobussen niet op slot. Baches verdween en Klaas Vaak had de beide mannen al gauw stevig in zijn greep te pakken.

Om 7 uur kwam de chauffeur de bus op halen en niet wetende dat hij twee slapende passagiers in de bus had, reed hij de bus naar Balk en zette hem daar in de garage. Nu zaten in de garage kleine raampjes met tralies er voor. Om ongeveer werd om 8 uur één van de slapers wakker en zag met zijn slaperige ogen die tralies voor de ramen, en stompte zijn maat wakker met de woorden: wordt wakker man, ze hebben ons met bus en al in de bajes gereden........

Vissersburen (82); Onze grootvader Verbeek, had daar namelijk een schilderszaak en wij zijn als kinderen vaak bij hem geweest om stopverf: Wat kon je daar fijn mee spelen Op onze manier waren wij dan aan het boetseren. Ook als wij een hoepel wilden hebben, bijv. om een ereboog te maken voor een schoolfeest, gingen we naar grootvader, die had altijd wel één in de zaak. Daar hing een prachtige Friese klok en in huis stond in de gang een grote Friese klok. Dat was altijd de spaarpot van onze grootmoeder, vertelde moeder ons. Als de melk zomers een paar centen goedkoper was, kwamen die in de klok en daar werd dan wat extra's voor gekocht, wat anders niet kon. Als kind heb ik er een paar weken gelogeerd. Moeder verwachtte toen onze jongste zus, maar dat wist ik toen natuurlijk niet. Grootmoeder was toen al overleden, die heb ik niet gekend. Grootvader had toen een huishoudster, die we tante Dirkje noemden. Ik had het er heel goed maar was toch erg onwennig.

Op een morgen toen we zaten te ontbijten, kwam vader vertellen dat ik een zusje had gekregen. Daar was ik natuurlijk erg blij mee en 's morgens op school natuurlijk gauw het grote nieuws vertellen. We spraken af dat we 's middags uit school direct naar huis zouden gaan. lna de Vries (zus van mevr. Van Ommen- de Vries) en m'n nichtje Jo Verbeek en ik, er met z'n drieën op af. Mijn zusje lag in een witte schommelwieg met rode gordijnen er omheen: En we kregen van de baker ook ieder nog een gebakje, toen was het helemaal feest voor ons. Dat tante Dirkje wel eens ongerust zou kunnen zijn, omdat ik zolang weg bleef, daar dacht ik niet aan, maar dat bleek bij thuiskomst wel.. want voor straf moest ik ' s avonds in de donkere winkel zitten (Mijn grootouders hadden namelijk een drogisterij gehad, maar toen niet meer). Er stond nog een klein trapje en daar zat ik op. Ik had wel het uitzicht op de Rien en de overkant, maar dat interesseerde mij niet. Hoe lang ik daar gezeten heb weet ik niet, maar naar mijn gevoel duurde het heel lang.

Ik was toen zes jaar en zat in de tweedeklas bij meester Kamminga. Dat was een heel aardige meester. Hij woonde aan de Kortestreek. Wij hebben nog altijd een brief van hem die hij onze ouders heeft geschreven bij het overlijden van, ons oudste zusje. Hij was toen in militaire dienst, zodat hij niet persoonlijk kon komen. Als kinderen hielden wij veel van onze grootvader, hij was heel erg goed voor ons. Zondags was hij altijd de hele dag bij ons. Zaterdagsavonds kwam hij ook, dan nam hij snoep en fruit mee. Dat kocht hij bij schipper Kok, die een winkel had op de Kortestreek naast de Bokkesteeg.

Omdat ik naar grootmoeder was vernoemd had ik geloof ik een streepje voor, want ik ben verschillende keren met hem mee geweest met het Tielemansbootje naar Balk, bijv. op een Hemelvaartsdag of Pinkstermaandag. Dan gingen we met het Tielemansbootje naar Sloten en dan lopende naar Balk op familiebezoek. Dat waren van die fijne tochtjes die ik mij nog zo goed kan herinneren.

De oud-Lemster W. Tieleman, was de man die de Jan Nieveen in 1960 van de ondergang redde. Tieleman voer in zijn jonge jaren op het Bolswarder en Sneker vrachtbootje en begon later in Rotterdam een eigen bedrijf.

(A.W. Tieleman (sinds 1889). De stoomboot van Tieleman was de "Willem III". Waarschijnlijk is dit schip verkocht, want van dinsdag 26 september 1898 voer de Willem III op de stoombootdienst Lemmer-Joure van Harmen Nieveen en D. Gaastra. De Willem III had plaatsruimte voor 40 passagiers en een laadvermogen van 20.000 kilo. A. Tieleman begon op de route Lemmer-Bolsward daarna te varen met de "Stad Bolsward I". Het "bootje van Tieleman" lag aan de Langestreek te Lemmer)

Zoals ik al schreef grootmoeder heb ik persoonlijk niet gekend, maar wel veel over haar horen vertellen. Moeders jongste zusje van drie jaar was overleden en door het verdriet daarover waren haar oogleden verlamd en moest ze die steeds optillen, als ze wat wilde zien. Ze is toen in het Academisch ziekenhuis in Groningen geopereerd. Eerst het ene oog, later het andere. Dat kostte twee honderd gulden, dat was in die tijd een hoog bedrag. Ze moest de eerste tijd een donkere bril dragen, maar gelukkig is alles weer goed gekomen. Deze week kreeg ik nog weer eens de boekjes in handen geschreven over het doen van hun Geloofsbelijdenis, die ze allebei hadden afgelegd op 28 februari en bevestigd op zondag 2 maart 1862 door ds. W. Middelveld, te Lemmer. Dit is voor ons een kostbaar bezit.

Verder in de herinneringen denk ik allereerst aan een uitstapje met de tram. Dat kan ik mij nog heel goed herinneren. Ik zat in de tweede klas bij meester Kamminga, toen vader mij op een middag ophaalde voor een reisje naar Joure. Vader die voor de dienst naar Joure moest, had aan meester gevraagd of ik een uurtje eerder vrij kon krijgen en dat mocht voor een keer. Om drie uur kwam vader mij ophalen. Was dat even fijn, een uurtje eerder vrij dan anders. We gingen niet naar het hoofdstation maar naar het stationnetje van Sibbele de Boer (Turfland), dat was dichterbij. Er was een klein wachtkamertje met één bank waar drie of vier mensen op konden zitten.

De Trambrug werd dichtgedraaid nadat telefonisch was doorgegeven dat de tram in aantocht was. De brug met z'n vele obstakels en zonder leuning, waar we ook altijd overliepen als we naar Folkert Koopman gingen om "De Standaard" te brengen, de krant die vader samen met Koopmans las. Ook legden we als kinderen wel eens een cent op de rails en als de tram er dan over reed was de cent een "botsen" geworden. Dat was levensgevaarlijk en daar hebben onze ouders ons ook wel voor gewaarschuwd. We kregen er wel eens straf voor als we het toch deden. Toen we in Joure kwamen, bracht vader mij naar oom en tante. Dat was reuze gezellig, ik was er nog niet eerder geweest Tante vroeg of zusje en ik eens een week kwamen logeren in de vakantie en dat is ook doorgegaan.

Mijn tweede reisje naar Joure, was nu voor de logeerpartij naar oom en tante. Weken voor de tijd zaten wij er al vol van. Moeder maakte voor ons beiden een, nieuwe jurk. Eindelijk was het dan zo ver, het koffertje werd gepakt met de nieuwe jurkjes en vader bracht ons naar de tram en daar gingen we. Tante haalde ons op. Het was zeker al niet zo vroeg meer, want de kinderen zaten al in de eetkamer. Het werd een heel gezellige avond, de oudste kinderen mochten ook nog een poosje opblijven. De volgende morgen met oom en tante naar de kerk en uit de kerk speelde oom op het orgel en allemaal erbij zingen, wat erg gezellig was. Het was een mooi groot huis, maar dat interesseerde ons niet zoveel, maar wel de grote tuin met schommel. 's Middags gingen oom en tante met de kleintjes wandelen en wij met ons nichtje. Tante had voor ze weg ging gezegd dat we niet op de schommel of wip mochten. Maar wij waren uitgekuierd en het duurde zo lang voor oom en tante weer terugkwamen. We konden ook niet in huis komen we hadden geen sleutel. Toen zei Martha "Het verveelt me ik ga in de tuin spelen" en wij gingen natuurlijk mee. Maar we zaten nog maar net op de schommel of daar kwamen oom en tante weer thuis en tante vreselijk kwaad.

Martha moest dadelijk voor straf op bed en die natuurlijk huilen en wij huilden mee en wilden weer naar huis. Oom en tante deden hun uiterste best om ons te houden. Oom ging met mijn zusje wandelen en tante pakte het fotoalbum en liet mij allemaal foto's zien. Maar niks hielp, wij wilden naar huis, we waren onwennig. De volgende dag heeft vader ons weer opgehaald. Met een verjaardag mochten we altijd 's middags een uur eerder naar huis. Tenminste bij meester Bosker was dat zo. Dat herinner ik mij nog heel goed van de verjaardag van Ina de Vries (zus van mevr. Van Ommen de Vries). Meester keek op zijn horloge en zei meisjes het is drie uur jullie kunnen gaan. Wij met z'n drieën, Ina, Jo en ik natuurlijk vlug door het nauwe steegje en wegwezen. Meester Bosker, was een klein dik mannetje en werd door de jeugd Biertonnetje genoemd. Hij peuterde ook altijd met een speld in zijn oren. De speld stak hij dan later weer in de revers van zijn jasje. Dat was maar een rare gewoonte.

Zo'n verjaardag was altijd een heel gezellig feestje. Bij ons thuis weet ik nog best, kregen we chocolademelk en pinda's en met die pinda's daar werd dan een spelletje van gemaakt. We pelden ze af en aten er natuurlijk van op, maar daar werd dan ook een spelletje van gemaakt. Er werden ook gepelde pinda's op een schoteltje gelegd en moest er één van ons op de gang staan. Er werd dan één pinda aangewezen en dan werd je weer binnengeroepen en mocht je beginnen af te pakken. Soms had je geluk, maar als je juist de aangewezen pinda pakte werd er "poes" geroepen en was je af. Pandverbeuren was ook meestal één van de spelletjes en dan maar afwachten wat voor opdracht je kreeg, er kwam meestal wel een zoenpartij bij en dan tot slot van het feest was de stoelendans en wie in januari geboren is enz. Al met al erg gezellig maar of de moeders het wel zo gezellig vonden? Moeder spande ook wel eens een lijn door de kamer met allerlei pakjes er aan en met een blinddoek voor moest je er dan één van zien af te trekken.

Toen we klein waren kwam de melkboer aan huis, herinner ik mij nog heel goed. Bij ons kwam Reijenga. Die had een grote blauwe emmer met deksel erop en de inhoudsmaten hingen eraan. Later, dat zal in de mobilisatie zijn geweest, toen vader al overleden was, moesten we zelf melk halen bij de melkfabriek van Zandbergen aan de Lijnbaan. Maar als kind werd je meestal achteruitgezet. En als je dan zag dat de bus schuin werd gehouden ging je meestal met een leeg emmertje weer naar huis.

Later haalden we melk bij Knol aan de Kortestreek, daar moesten we altijd door de steeg. Bij boer Eizema, die er later woonde, gingen we achterom ingang Lijnbaan. We gingen meestal vroeg heen dan waren wij het eerst. Eizema was dan nog aan het melken, dan moesten we vaak lang wachten maar dan was de melk nog warm. We hebben ook wel bij Jelle Haagsma, melk gehaald. Aardappelen en groenten haalden we bij Koop Gaastra. Zijn dochter Aukje hielp ons meestal want Gaastra zelf ging de boeren langs met zijn honden voor de kar.

Koop en Hammie Gaastra, sluiten hun monumentale groentezaak, aan het Turfland te Lemmer per 1 september 1994.

Bij Sjoerd van der Veen, haalden we ook wel aardappelen. Later kwamen de melkboer en groenteboer aan de deur. Als melkboer kwam Rippen, als groenteboer Sjoerd van der Veen. Ik hoor het hem nog wel vragen: "Mut er ek noch wat wêze;reade kool of sa". Ook kwam Nieske de Boer, met de kar met verse spinazie. Een kwartje de nap vol. De kleine kruideniers winkeltjes waren ook leuk. Op het Turfland woonde Wed. Siebolt van der Bijl, met haar dochter Marij, die rekende altijd met nulletjes en streepjes met krijt op de toonbank en bij het optellen veegde ze het er één voor één weer af. Wij snapten er niks van. Als we bij school vielen, gingen we meestal naar juffrouw Funcke, die dan de wond schoonmaakte en er een verband omheen deed. Dat vonden we heel gewichtig.

Onze school stond aan de Langestreek en dan liepen we voor schooltijd heel vaak naar het bruggetje over de Kolk. Het bruggetje dat er jammer genoeg niet meer is. Soms liepen we even verder voorbij het huis van Roesing. Dat was een oude heer die daar samen met een dochter woonde. Daarnaast woonde meester Bosker. Verder gingen we niet, bang als we waren dat we meester Funcke (per 1 maart 1887) niet in de handen hoorden klappen ten teken dat de school begon.

En te laat wilden we niet graag komen. En als je dan door het nauwe steegje naar de klas van meester Bosker, moest dan was het een gedrang van jewelste. De steeg van meester Rindertsma was wat breder. Bij het kleine bruggetje was toen de Kolk, waar we als kinderen vaak schaatsten. Ik weet ook nog wel dat Sjoerd van der Veen, daarachter woonde. Toen mijn zus en haar vriendin met de Emmabloem collecte liepen ten behoeve van de T.B.C. bestrijding, moesten ze op de Langestreek collecteren en toen had mevrouw Van der Veen de meisjes binnen gevraagd Dat vonden ze erg fijn.

De grootvader van Teade Woude, uit Leeuwarden. Had de aak LE 2 en de eigenaar werd altijd 'Lytse Teade' genoemd. Lytse Teade, was een oom van Hermanus Wouda en die heeft het vak bij hem aan boord geleerd. De vader van Hermanus was Jan Wouda, hij was timmerman en woonde aan de Lijnbaan naast de smederij van Frans ter Veen en toen die in 1910 naar Hilversum ging kocht Jan Gort de smederij.

(● 1946: Kunstsmeed werk van de firma Gort. Toen minister Vos op de Friese Week in Leeuwarden de mogelijkheden van industrialisatie in Friesland besprak, constateerde hij bij de Friezen in het algemeen afkeer van het massaproduct, en voorliefde en geschiktheid voor persoonlijke schepping. We moesten aan deze uitspraak denken, toen wij een bezoek brachten aan de werkplaats van de firma Gort. De faam heeft over deze werkplaats de bazuin niet gestoken, en honderden Lemsters weten zelfs niet dat in het eenvoudige smederijtje van Jan, Gort aan de Lijnbaan iets bijzonders gebeurt, en reclame is er nooit voor gemaakt. Onze aandacht werd voor het eerst op deze naam gevestigd, toen we bij een dokter een zeldzaam mooie open haard van handsmeedwerk bewonderden. Naar de naam van den maker Informerend, hoorden we tot onze verrassing dat dit een prestatie van de gebroeders Gort was.)

Daarnaast was de oude drukkerij van W.A.F. Koopmans van de Lemster krant. (● Willem Arnold Frederik Koopman was afkomstig uit Dordrecht. Op 6 nov. 1863 huwde hij met Antje Feenstra uit Kampen. Hij was de oprichter van deze bloeiende zaak die een grote plaats inneemt in Lemmer. Vele moeilijke jaren heeft de firma gekend, w.o. de oorlogsjaren. Ook was een concurrentiestrijd met een andere plaatselijke firma steeds hevig. Twee dochters van de oprichter volgden na het overlijden van haar vader hem op. De heer A. E. Klijnsma, wethouder van de gemeente Lemsterland, heeft met hart en ziel een veertigtal jaren deze zaak gediend, tot aan zijn pensionering. In 1922 verscheen in dit bedrijf het eerste nummer van het weekblad „Zuid- Friesland" dat zich nu in een flinke lezerskring mag verheugen. In 1956 overleed de laatste dochter van de oprichter en met haar was het geslacht Koopmans uitgestorven. In 1939 werd een neef van de dochters, de heer L. Lemstra opgenomen in de firma.)

Er was nog een broer Pieter Wouda (Pieters Antsje) die altijd op de houtmolen heeft gewerkt en toen hij werd afgedankt, kwam hij bij de "Hikke" die hij voor de boeren open mocht doen bij de werkplaats van Gerrit Wierda. Hermanus Wouda, begon plm. 1898 voor zichzelf met f 200,- geleende guldens van bakker Haveman. De bakkers waren toen w.s. de Rabobanken. Hij begon met een schouw en later een botter en kocht op 5 juli 1913 de aak LE 70 van Poppe de Rook en werd toen LE 75 en zo zit dat dan in mekaar. Als alle bakkers in die tijd als bankiers fungeerden kon de vloot wel vooruit. Want in de Schans had je bakker Fortuin, later Knol, Auke Douma, bakker Sieger Hofman, aan de Vissersburen J. Koopmans, aan de Oudesluis, J.M. Oldendorp en Van der Geest, op de Schulpen bakker Blessinga. De Langestreek daar had je bakker Dijkman en later Van der Meer die knecht was geweest bij Oldendorp. Zijn vrouw was een Bangma. Dan kwam Geert Hoekstra later nog, en bakker Brouwer aan de Nieuwburen.

Deze foto is genomen van de mannen die vroeger bij 'De Houtmolen' werkten in Lemmer. Boven vlnr. Pieter Stoffel Zandstra, Anne Bootsma, Hendrik van der Wal, Imke van Dijk, Wiebren Scheffer, Jaap Bijma, Siebolt van der Bijl.

Onder: Douwe Boomsma, Joost Wiebe Scheffer, Klaas Pieter van der Bijl, Siene de Vries Ezn, Pieter Wouda en vlak daarachter Bouke Planting, die een halve eeuw op de oude en zo vertrouwde houtmolen gewerkt heeft.

Ze hadden allemaal een goed belegde boterham. De tijden zijn wel veranderd. Rinsje van Ommen de Vries, haar vader had ook wel klanten in Urk en kwam daar dan om schulden te innen. Daardoor is haar vader in kennis gekomen met een dominees dochter die later zijn vrouw is geworden en een schat van een moeder was.

Zij was niet de enige vrouw uit Urk, die met een. Lemster is getrouwd. De oudste is denk ik Sake Zandstra, geweest met zijn Urker Aaltsje. Ook Renze Visser, met zijn Anna, en ook Jelle Bakker, zijn vrouw was een Urkerin. Anne Hoff de beurtschipper op Urk heeft meen ik ook zijn vrouw daar gevonden en naar ik gehoord ook aardappelschipper Roelof Rippen met zijn "Antilope" dat was de naam van zijn schip. Nu nog de "ielmaagjes" die Rinsje zo lekker vond. Nu, bij de Lemster vissers waren ze niet erg in trek. Maar ze hadden geen koppen als kleine poontjes hoor. Ze hadden het model van een gekrompen paling en ze werden gevangen aan het hoekwant, maar gegeten werden ze nooit. Ze hadden liever een lekkere bot. De aalmaagjes droegen levende jongen, wel zo'n honderd en de kleine visjes hadden achter het kopje een geel knobbeltje dat was zeker de moederkoek. Er was toen op de Zuiderzee geen tweede vis die levende jongen droeg. Soms lagen ze wel gerookt in de viswinkels van de rokerijen. Je ziet ze nu nooit meer maar ze zullen wel niet uitgestorven zijn. Maar het is geen massavis zoals haringen.


HET GEVECHT VAN DE GALJOOT "FRIESLANDS GOUVERNEUR VAN SIJTSEMA" MET DE NOORDZEE IN DE HERFST VAN 1846.

Aan het eind van de jaren dertig van 2 eeuwen geleden bezocht de beroemde Engelse landschapsschilder Turner, een aantal plaatsen aan de Engelse oostkust, waaronder vermoedelijk ook Great Yarmouth. Een vijftal aquarellen (zeegezichten) van zijn hand leveren een sfeervol beeld op van dit havenstadje. Of Hendrik Foekes Zeijlstra, kapitein van de galjoot Frieslands Gouverneur van Sijtsama, oog heeft gehad voor deze schilderachtige omgeving, zoals Turner enige jaren voor hem valt te betwijfelen. Op 17 oktober 1846 had "De Gouverneur", zoals het schip doorgaans genoemd werd, zwaar beschadigd de haven van Great Yarmouth weten te bereiken en het zou tot 12 januari 1847 duren voor de kapitein de reis kon voortzetten.

Op initiatief van de Woudsender scheepsbouwer, koopman en reder Age HylkesTromp en diens zoon Hylke Ages Tromp, was in 1839 de NV Friesche Kofscheepsrederij opgericht. Deelnemers in Friesche kofscheepsrederij te Woudsend waren o.m. Cornelis Sleeswijk, (zeilmaker), Siemen Visser (zeilmaker), Cornelis Poppes Bakker (scheepsbouwer) en Pieter Wijbrands de Vries (mastmaker)

In 1840 bouwt Cornelis Poppes Bakker, (Cornelis Poppes Bakker, geboren te Lemmer op 20 september 1812, overleden op 17 oktober 1859, zoon van Poppe Cornelis Bakker en Hendrikje Feites Hoeksma. Gehuwd met Dieuwke Symens Visser, geboren te Lemmer op 26 september 1816, overleden op 17 maart 1874, dochter van Symen Wiegers Visser en Anke Frederiks Sleeswijk) in Lemmer een kofschip van 92 voet, voor de Friese kofschiprederij te Woudsend. Pier de Boer werkte voordat hij in 1874 een eigen werf begon bij Bakker. In een deel van de houten schuur (het z.g. geitenhokje, behorende bij de scheepswerf van Bakker aan de Langestreek heeft o.a. de familie Kuiper* gewoond

Langestreek 29 tot en met 31: Dit is een blok woningen dat in het begin van deze eeuw in Jugendstil werd gebouwd. Kenmerkend voor het gebouw zijn de toegepaste gele en rode steen, de sierende elementen van de gevelbeëindiging en de voordeur met siersmeedwerk van no.29. Het gebouw kwam op de plaats waar eerder een voor Lemmer belangrijke werf was geweest, namelijk de scheepswerf van Poppe Bakker. Aan deze werf herinnert nu nog het naast het Vredespaleis (links op de foto) staande woonhuis, Langestreek 28

*Geert Kuiper (1882-1962) schreef zijn herinneringen aan die tijd.

Vier schepen werden in de vaart gebracht. In 1840 en 1841 waren op de werf van Age Hylkes Tromp, in Woudsend de 'Koning Willem', een schoenerkof van 103 last en de 'Gouverneur' van 102 last gebouwd. In diezelfde jaren bouwde Cornelis Bakker, in De Lemmer twee kleinere kofschepen (72en 76 last) voor de rederij; "De Gouverneur" werd als een brigantijn getuigd: razeilen, aan de razeilen aan de kleinere ver naar voren geplaatste fokkenmast en een brikzeil met daarboven twee (vierkante) topzeilen aan de, eveneens ver naar voren geplaatste, grote mast; Tot 1846 voeren zowel de Koning Willem als "De Gouverneur" op Suriname. Ze brachten er stukgoed en namen suiker, en katoen mee terug. Beide schepen werden halverwege het jaar 1846 ingezet op de Europese trajecten. De reizen naar Suriname leverden weinig op en in Europa kwam een grote goederenstroom opgang, na het mislukken van zowel de aardappel als de roggeoogst in grote delen van West en Midden Europa. De gevolgen van deze voedseltekorten zouden in 1848 leiden tot revoltes en oproeren in heel Europa.

Vanuit de Russische havens Archangel (in het noorden) en Odessa (in het zuiden) werden grote hoeveelheden graan in westelijke richting verscheept. Na jaren van stilstand met minimale winsten kon er in de scheepvaart eindelijk weer eens flink verdiend worden. In de zomer van 1846 maakten de vier schepen van de Friesche Kofscheepsrederij al een reis naar Archangel. "De Gouverneur" was als laatste van de vier; op 21 augustus 1846 terug in Amsterdam. Op advies van de voor de rederij werkende cargadoorsfirma: De Vries & Co werd besloten een reis te maken naar de Zwarte Zee

Balen hooi.

Op 26 september 1846, verliet "De Gouverneur" de haven van Amsterdam. Aan boord bevonden zich tien bemanningsleden die onder bevel stonden van de 29-jarige kapitein Hendrik Foekes Zeijlstra, telg uit een bekend Amsterdams kapiteins geslacht. Het schip was geladen met zevenhonderd balen hooi die bestemd waren voor de paarden van het Franse leger te Algiers. Vandaar zou de reis verder gaan naar Constantinopel, waar de kapitein nader bericht zou ontvangen over zijn definitieve bestemming. Via het Noord-Hollands Kanaal ging de reis allereerst naar het Nieuwediep bij Den Helder. Daar werd gewacht op beter weer. Op de vierde oktober, rond het middaguur, stak het schip in zee. Het weer was goed en er stond een gunstige wind uit zuidoostelijke richting, zo vernemen we uit de correspondentie van de kapitein. Ruim een etmaal later zat men al onder de Engelse kust. Om twaalf uur 's middags van de vijfde oktober bevond "De Gouverneur" zich even ten noordoosten van North Foreland. In vierentwintig uur was ruim 120 mijl afgelegd en dat was lang niet slecht. Na dit voortvarende begin ging het echter tegenzitten.

In de loop van de middag ruimde de wind naar het zuidwesten en nam in kracht toe. De bramzeilen werden ingenomen en de marszeilen gereefd. Rond een uur of acht werd het licht van South Foreland waargenomen. De snelheid was inmiddels flink teruggelopen. Over de ruim vijftien mijl van North naar South Foreland, werd zeven uur gedaan. Met het passeren van South Foreland kreeg het schip het hard te verduren: Nu men uit de luwte van de Engelse kust kwam, kregen wind en golven vrij spel. Bovendien kan er in dit stuk van het Engelse Kanaal een flinke stroom staan. Om negen uur 's avonds "there blew a heavy gale', stond er een zware storm, aldus de scheepsverklaring. De zeilvoering was inmiddels tot het minimale gereduceerd. Rond het middernachtelijk uur besloot de kapitein te gaan bijliggen. Kort daarop maakt hij melding van het opnieuw inzicht, komen van het licht van South Foreland. Ook het licht van lichtschip Goodwin wordt waargenomen. Deze mededeling maakt het aannemelijk te veronderstellen dat "De Gouverneur" in noordoostelijke richting is wegzet, richting Nederlandse kust

Pek uit de naden.

In de dagen die volgden hield de storm onverminderd aan. De kapitein in zijn verslag aan de directie: "Het schip werkte swaar en kreeg veel Zeewater over en thuig en bodem had veel te lijden. De voorbrambardoen (onderdeel van verstaging dat de steng in achterwaartse richting steun'geeft),brak! en al so ook de steng. In het eerst was het schip goed digt dog in het laatst door het verschrikkelijke werken sprong de pek uit de naden toen begonnen wij vrij wat water te maken zo dat wij om het uur pompten".
Op 12 (!) oktober nam de wind wat af. Een week na het vertrek uit het Nieuwendiep, bevonden de mannen zich opnieuw in de buurt van Texel. Bij nadere inspectie bleek de schade mee te vallen; de kapitein besloot opnieuw koers te zetten naar het Engelse Kanaal.

Nauwelijks een dag later, op de dertiende oktober verslechterde het weer opnieuw. De wind wakkerde aan tot stormkracht, dit maal uit noordwestelijke tot: Noord-Noordwestelijke richting. "De Gouverneur" bevond zich in een hachelijke positie: dicht onder de Nederland te kust, tè dicht onder de Nederlandse kust. Er bleef er bleef de kapitein niets anders over dan zoveel mogelijk zeil te zetten als in de gegeven omstandigheden maar enigszins mogelijk was, teneinde hoogte te winnen (van de kust af te zeilen). De kans dat "De Gouverneur"' ergens op de ondiepten voor de Belgische kust zou verdagen was niet gering. In nuchtere bewoordingen deed de kapitein verslag van de elkaar opvolgende gebeurtenissen: 's morgens des anderen daags (14 oktober) zaten we in de Flaamsche banken. Edoch tot ons geschenk liep de wind zuidelijk; met de storm zeylden toen uit de banken. Volgens de later afgelegde scheepsverklaring waren de mannen tot op drieënhalve mijl, de kust voor Duinkerken genaderd. Het afwenden van dit gevaar betekende evenwel niet dat alle moeilijkheden voorbij waren. De kapitein: Snagts borst mijn digt-gereefde Brikzeyl of Bazaan en wij dreven weer met een erge zee en hadden veel te worstelen kregen geweldig veel water over.

Verschansing.

In diezelfde nacht werd ook nog drie meter verschansing weggeslagen. Voor de tweede keer in ruim een week ging het in noordelijke richting en de kapitein gaf de ongelijke strijd op:"morgens des anderen daags (15 oktober) zagen een Visscherman de welke ik de vlag voor op zette, De man kwam aan boord en ik accorderende voor 12 pond sterling (ongeveer f 140,- veel geld) het schip voor een of andere Engelschehaven te brengen". Met net afnemen van de wind werd koers gezet op Ramsgate maar: We hadden nog maar een wagt deze wind gehad of liepe tot het zuiden weder; zodat ik toen resolveerde naar Jarmhout te gaan om ons schaden te herstellen" aldus de brief van de kapitein aan de directie.

De zestiende oktober bevond "De Gouverneur" zich voor Lowestoft: Op het verzoek een loods te sturen werd niet gereageerd. Het schip maakte inmiddels flink water en de bemanning was 'worn out', doodmoe, aldus de scheepsverklaring. Voor Great Yarmouth lukte het wel een Queenspilot aan boord te krijgen, Nog waren de tegenslagen niet voorbij. Bij het binnenlopen liep de Gouverneur op een der havenhoofden en zat muurvast. Tot overmaat van ramp kon de kapitein nog melden dat: "Toen wij vast zaten kwam een visscher man binnen, de welke het schip met vliegende vaart dwars in de zij op de fokkenmast en deselve verbrijzelde" Zes uur duurde het voor men er met behulp van de plaatselijke bevolking in slaagde het deerlijk gehavende schip van het havenhoofd te krijgen. Bijna veertien dagen waren er verstreken sinds de mannen de veilige beschutting van het Nieuwediep hadden verlaten.

Het Wetboek van Koophandel schreef voor dat een kapitein zich in het geval van averij binnen vierentwintig uur diende te melden, bij het bevoegd gezag in de eerste de beste haven die hij aandeed. Kapitein Zeijlstra kwam terecht bij het notariskantoor Van Isaac Preston & Son. Als eerste werd er aan de hand van het scheepsjournaal een zogenaamde scheepsverklaring of zeeprotest opgesteld, waarin de kapitein en een deel van de bemanning onder ede het gebeurde toelichtten.

Schade getaxeerd.

Op verzoek van de kapitein werd een commissie van deskundigen benoemd, die voor het taxeren van de schade het schip aan een nader onderzoek onderwierp. John Grimes Rivett en Thomas Womack-Branförd; respectievelijk reder en scheepsbouwer, brachten op 19 oktober een eerste bezoek aan "De Gouverneur". Beide heren waren eensgezind van mening dat voor een grondige inspectie van de romp eerst het hooi gelost moest worden hetgeen gebeurde. Op 23 oktober stapten de heren nogmaals aan boord en diezelfde dag werden hun bevindingen onder ede vastgelegd in een fraaie acte. Behalve een gebroken bramwant, bovenbrampardoen en steng, ontbraken diverse zeilen, waaronder grootzeil en brikzeil. Bovendien was er veel lopend want verloren gegaan, de fokkenmast verbrijzeld en drie meter verschansing weg. Ook de romp bleek allesbehalve dicht en vrijwel al het zink van het onderwaterschip was verdwenen.

Aangezien het dok slechts met springtij bereikbaar was, kon eerst op 25 november begonnen worden met de herstelwerkzaamheden aan de romp. Op 13 december was het karwei klaar. Vooral over het breeuwwerk was de kapitein zeer tevreden, in tegenstelling tot in Nederland, waar het breeuwwerk door de scheepstimmerman werd uitgevoerd, was het breeuwen in Engeland nog een apart vak en dat was te merken, vond Zeijlstra. Op 8 januari 1847 werd "De Gouverneur" naar Gorleston gesleept, waar de mannen op beter weer wachtten. Op 12 januari koos "De Gouverneur" weer zee. Het oponthoud in Great Yarmouth had bijna drie maanden geduurd. De belangrijkste posten op de eind afrekening waren:

-Het Kalfaten (behandeling van het onderwaterschip £ 27.09.05,-
-Scheepstimmerman £ 109.18.11,-
-De zeilmaker £ 18.13.01,-
-Zink voor het onderwaterschip £ 54.03.00,-
-Notaris Preston £ 17.02.02,-
-Voor comissie van deskundigen £ 9.09.00,-
-Victualie en gage bemanning £ 147.00.00,-

Het totale schadebedrag bedroeg ruim 397 Engelse ponden. Tegen een koers van f 1.12.20 per pond betekende dat bijna f 5000,- schade.

Verzekering.

Meteen nadat de directie in Woudsend op de hoogte gesteld was van de ramp met "De Gouverneur", zocht ze contact met haar Amsterdamse en Rotterdamse assurantiemakelaars, de firma's Strobel en Voorhoeve. Deze firma's brachten, zoals gebruikelijk was in die tijd, het te verzekeren schip per reis onder bij een groot aantal verzekeringsmaatschappijen. Gewoonlijk betaalden die pas schadeclaims uit als het schip was aangekomen op de in de polis vermeide eindbestemming en als aan alle formaliteiten was voldaan. In het geval van "De Gouverneur" zou het dus nog even duren voor er iets uitgekeerd kon worden. De directie in Woudsend noch de cargadoors voelden er iets voor zolang dat voor die tijd enorme bedrag voor te schieten. Geld lenen in de vorm van het nemen van bodemerij werd afgewezen, omdat het te duur was. Bodemerij nemen was het voor de duur van de reis geld lenen tegen een zeer hoge rente, waarbij de geldgever het risico liep het geleende geld plus de rente te verliezen, als het schip zou vergaan. Aangekomen op de plaats van bestemming, werd het geleende geld plus de rente meteen terugbetaald met de te ontvangen vrachtpenningen. In het geval van "De Gouverneur" werd een tussenoplossing gevonden: de assurantiemaatschappijen verklaarden zich bereid een voorschot uit te betalen.

Aangezien "De Gouverneur" Voor slechts f 13.000,- verzekerd was (ongeveer de helft van de waarde) bleef een flink deel van de schade voor rekening van de rederij. De verzekering maatschappijen keerden niet meer uit dan f 1950,- en de bevrachters f 340.- De rederij kon een verlies van ruim f 2700,- bijschrijven.

Pech en ongeluk.

Ook het verdere verloop van de reis werd een aaneenschakeling van pech en ongeluk. Ter illustratie nog slechts de belevenissen onder de Engelse zuidkust. Op 28 januari 1847, nauwelijks veertien dagen na het vertrek uit Great Yarmouth, zat de kapitein alweer achter zijn schrijftafel: "Deze is dienende om u Edele te berigten dat ik weder met het zware weder verschrikkelijk geworsteld heb". Tot het eiland Wigth was de reis voorspoedig geweest. In de Bay van Goudstaard (tegenwoordig Lyme Bay) was het hard gaan waaien uit het zuiden. Opnieuw moest er uit alle macht gezeild worden om vrij te blijven van de rotsachtige kust.

De kapitein: "Toen nam het weder verschrikkelijk toe met donderen bliksem. Om na des avonds sloeg den bliksem dwars door de voorbramsteng en brak de bramzaling liep vervolgens bij ons ijzeren schoten neder aan dek en het welke op dat ogenblik vol vuur was. Dezelfde bliksem sloeg tussen ons beenen door gaf mij een slag op den borst en liep agter over het dek over boord".

Op 13 februari 1847 bereikte "De Gouverneur" dan eindelijk Algiers. Of de paarden van het Franse leger ooit weer verlangd hebben naar een smakelijk hapje hooi uit Holland valt te betwijfelen.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.